Loading
Loading
Biodiversiteit is de verscheidenheid aan leven op drie niveaus: genetisch, soorten en ecosystemen. Dit onderwerp bouwt op van wat biodiversiteit precies is, via het belang ervan voor de stabiliteit van ecosystemen en de diensten die de mens eruit haalt, naar de bedreigingen en de manieren om biodiversiteit te behouden. Je leert begrippen onderscheiden, oorzaken en gevolgen met elkaar verbinden en maatregelen koppelen aan de bedreiging die ze tegengaan.
4Onderdelenca. 25min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 3
basisniveau
Zorg dat je de drie niveaus van biodiversiteit met een voorbeeld kunt benoemen, de belangrijkste bedreigingen kunt opnoemen en bij elke bedreiging een passende maatregel kunt geven.
verhoogd niveau
Beredeneer in onbekende contexten hoe bedreigingen op elkaar inwerken — bijvoorbeeld hoe versnippering via kleine populaties de genetische diversiteit aantast — en beoordeel hoe goed een voorgestelde maatregel de onderliggende oorzaak aanpakt.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Drie niveaus van biodiversiteit
Bepaal voor elke waarneming op welk niveau van biodiversiteit hij betrekking heeft: (a) in een populatie hazen komen zowel snelle als langzame dieren voor; (b) in een duingebied tel je 60 verschillende plantensoorten; (c) een natuurgebied bestaat uit duin, moeras én bos. Leg je keuze telkens kort uit.
Bij (a) gaat het om verschillen tussen individuen van dezelfde soort (hazen): de snelheid varieert van dier tot dier. Variatie bínnen een soort betreft de allelen en hoort dus bij de genetische diversiteit.
Bij (b) tel je het aantal verschillende plantensoorten in het gebied. Het aantal verschillende soorten is per definitie de soortendiversiteit (soortenrijkdom); je kijkt hier niet binnen één soort, maar tussen soorten.
Bij (c) gaat het om verschillende typen leefgebied — duin, moeras en bos — naast elkaar. De verscheidenheid aan ecosystemen is de ecosysteemdiversiteit.
Resultaat: Resultaat: (a) is genetische diversiteit (variatie binnen een soort), (b) is soortendiversiteit (aantal soorten) en (c) is ecosysteemdiversiteit (aantal leefgebieden). De truc is steeds te bepalen of je binnen één soort kijkt, naar het aantal soorten kijkt, of naar het aantal leefgebieden kijkt.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg uit wat biodiversiteit op drie niveaus betekent. Geef bij elk niveau een eigen voorbeeld en leg vervolgens uit waarom een akker met alleen tarwe op alle drie de niveaus een lage biodiversiteit heeft.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Soortenrijkdom per gebied
De grafiek hiernaast toont (illustratieve) soortenaantallen van drie gebieden: gebied A 46 soorten, gebied B 28 soorten en gebied C 12 soorten. Beredeneer welk gebied naar verwachting het veerkrachtigst is bij een plotselinge verstoring, en leg uit waarom.
Uit de grafiek lees je af dat gebied A de meeste soorten heeft (46), gevolgd door gebied B (28) en gebied C (12). De soortenrijkdom neemt dus af van A naar C.
Hoe meer soorten, hoe meer voedselrelaties en hoe groter de kans op functionele redundantie: valt een soort weg, dan kan een andere haar rol overnemen. Een hogere soortenrijkdom betekent daarom in het algemeen een grotere veerkracht.
Gebied A heeft de hoogste soortenrijkdom en is daardoor naar verwachting het best bestand tegen een verstoring; gebied C, met de minste soorten, is het kwetsbaarst.
Resultaat: Resultaat: gebied A is naar verwachting het veerkrachtigst, omdat de grootste soortenrijkdom zorgt voor de meeste alternatieve routes in het voedselweb. Let op: dit zijn voorbeeldwaarden om het verband te laten zien, geen officiële meetgegevens — en meer soorten geeft een grotere kans op herstel, geen garantie.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een boer wil zijn land soortenrijker maken met bloemrijke akkerranden. Leg met twee verschillende ecosysteemdiensten uit waarom dat gunstig kan zijn, en beredeneer waarom een soortenrijk gebied beter bestand is tegen een plaag dan een akker met één gewas.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Biodiversiteitsverlies: oorzaken en gevolgen
Een groot bosgebied wordt door de aanleg van een snelweg in twee gescheiden helften gedeeld. Er verdwijnt nauwelijks bos, maar de dieren kunnen niet meer van de ene naar de andere helft. Beredeneer in stappen welk gevolg dit op de lange termijn heeft voor de biodiversiteit van een diersoort in dat bos.
Er verdwijnt bijna geen leefgebied, maar het gebied wordt wél opgedeeld in geïsoleerde stukken. Dit is dus geen habitatverlies maar versnippering.
Doordat de dieren niet meer kunnen oversteken, ontstaan twee kleine, geïsoleerde populaties in plaats van één grote. Kleine populaties zijn kwetsbaarder en wisselen geen individuen — en dus geen genen — meer met elkaar uit.
Zonder uitwisseling daalt de genetische variatie in elke helft en treedt makkelijker inteelt op. Daardoor neemt het aanpassingsvermogen af en stijgt de kans op uitsterven.
Resultaat: Resultaat: de snelweg veroorzaakt versnippering, die via twee kleine, geïsoleerde populaties leidt tot minder genetische diversiteit en een grotere kans op uitsterven. Het laat zien hoe een bedreiging op het ecosysteemniveau (versnippering) doorwerkt tot op het genetische niveau van biodiversiteit.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een natuurgebied wordt doorsneden door een nieuwe snelweg. Leg uit waarom dit niet vooral habitatverlies maar vooral versnippering is, en beredeneer welk gevolg dit op de lange termijn heeft voor de genetische diversiteit van een dierpopulatie in dat gebied.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Bedreiging en passende maatregel
In een gebied wordt na het aanleggen van bloemrijke akkerranden het aantal soorten wilde bijen gevolgd als indicatorsoort. In drie opeenvolgende jaren worden achtereenvolgens 8, 14 en 19 soorten geteld. Interpreteer deze trend en beoordeel of de maatregel lijkt te werken.
Het getelde aantal bijensoorten loopt op van 8 naar 14 naar 19 in drie jaar. Er is dus een duidelijk stijgende trend in de soortenrijkdom van de indicatorsoort.
Wilde bijen zijn als indicatorsoort gekozen omdat hun aantal iets zegt over de kwaliteit van het leefgebied. Een toename van het aantal bijensoorten wijst op een verbetering van die kwaliteit, bijvoorbeeld door het grotere voedselaanbod uit de bloemrijke randen.
Omdat de stijging samenvalt met het aanleggen van de akkerranden, is dit een aanwijzing dat de maatregel werkt. Zekerheid geeft het niet — er kunnen andere oorzaken meespelen — dus langere monitoring en een vergelijking met een gebied zonder randen blijven nodig.
Resultaat: Resultaat: de soortenrijkdom van de indicatorsoort stijgt van 8 naar 19 soorten, wat wijst op een verbeterende gebiedskwaliteit en erop duidt dat de bloemrijke akkerranden werken. Het voorbeeld laat zien hoe monitoring met een indicatorsoort controleert of een behoudmaatregel effect heeft — al blijft voorzichtigheid met de conclusie geboden.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een provincie wil twee gescheiden bosgebieden weer met elkaar verbinden. Leg uit welke maatregel hiervoor geschikt is en welke bedreiging die tegengaat. Leg daarna uit hoe de provincie met een indicatorsoort kan controleren of de maatregel werkt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad