Loading
Loading
Domein B1 gaat over je eigen geldzaken: een begroting opstellen, inkomsten en uitgaven in balans houden, sparen voor doelen en buffers, verantwoord lenen en je verzekeren tegen risico's. Je leert de begrippen budget, besteedbaar inkomen, vaste en variabele lasten, rente op sparen en lenen, en het verschil tussen verzekeren en zelf dragen, en je rekent aan een sluitende begroting en aan de kosten van een lening.
3Onderdelenca. 16min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 2
basisniveau
Zorg dat je een begroting kunt opstellen en het besteedbaar inkomen, de vaste lasten en het spaarbedrag kunt berekenen, en dat je weet hoe rente een saldo of een schuld laat groeien.
verhoogd niveau
Redeneer over verantwoorde keuzes: waarom is een buffer nodig, wanneer weegt het rendement van sparen op tegen de rente van een lening, en waarom is verzekeren tegen een grote maar onwaarschijnlijke schade vaak verstandiger dan tegen een kleine, waarschijnlijke schade?
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Opbouw van een maandbegroting
begrotingssaldo
Een positief saldo is een overschot (te sparen); een negatief saldo is een tekort.
Iemand heeft een besteedbaar inkomen van € 2\,000 per maand, met € 1\,100 vaste lasten en € 650 variabele lasten. Bereken het maandelijkse overschot. Kan deze persoon in tien maanden € 3\,000 sparen voor een rijbewijs, en zo nee, met hoeveel moeten de variabele lasten dan omlaag?
Trek de vaste en variabele lasten van het besteedbaar inkomen af.
€ 3\,000 in tien maanden vraagt om een vast bedrag per maand.
Het overschot van € 250 is € 50 te weinig ten opzichte van de benodigde € 300, dus de variabele lasten moeten € 50 per maand omlaag.
Resultaat: Resultaat: het maandelijkse overschot is € 250. Voor € 3\,000 in tien maanden is € 300 per maand nodig, dus het lukt niet zonder ingreep: de variabele lasten moeten met € 50 per maand omlaag (van € 650 naar € 600).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Iemand heeft een besteedbaar inkomen van € 1\,800 per maand. De vaste lasten zijn € 950 en de variabele lasten € 700. Bereken het maandelijkse saldo. De persoon wil in twaalf maanden € 1\,800 sparen voor een reis. Beoordeel of dat lukt en, zo niet, met hoeveel de variabele lasten omlaag moeten.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Kredietkosten bij verschillende looptijden
totale kredietkosten van een lening
Het totaal aan betaalde rente over de hele looptijd; een langere looptijd verhoogt dit bedrag.
eindwaarde bij sparen
Samengestelde interest laat een spaarbedrag sneller groeien naarmate de looptijd langer is.
Iemand sluit een persoonlijke lening van € 6\,000 af en betaalt die in 3 jaar (36 maanden) terug met vaste maandtermijnen van € 185. Bereken het totaal terugbetaalde bedrag en de totale kredietkosten.
Vermenigvuldig de maandtermijn met het aantal maanden.
De kredietkosten zijn het verschil tussen wat je in totaal terugbetaalt en wat je hebt geleend.
Bij 5 jaar (60 maanden) is het maandbedrag lager, maar je betaalt 60 keer rente over een langer openstaande schuld, dus de totale kredietkosten stijgen.
Resultaat: Resultaat: het totaal terugbetaalde bedrag is € 6\,660 en de totale kredietkosten zijn € 660. Bij een looptijd van 5 jaar daalt het maandbedrag, maar lopen de totale kredietkosten juist op, omdat je langer rente over de openstaande schuld betaalt.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Iemand leent € 6\,000 en betaalt dat in 3 jaar terug met vaste maandtermijnen van € 185. Bereken het totaal terugbetaalde bedrag en de totale kredietkosten. Leg uit wat er met de totale kredietkosten gebeurt als de looptijd naar 5 jaar gaat en het maandbedrag daardoor daalt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
verwachte schade
De gemiddelde schade per verzekerde; de premie ligt hier iets boven vanwege kosten en winst.
Voor een fietsverzekering geldt: de kans op diefstal is 8% per jaar en de gemiddelde schade is € 750. De verzekeraar vraagt een premie van € 84 per jaar. Bereken de verwachte schade per verzekerde en verklaar waarom de premie daarboven ligt.
Vermenigvuldig de schadekans met het schadebedrag.
De premie van € 84 ligt € 24 boven de verwachte schade van € 60.
De opslag van € 24 dekt de administratiekosten en de winst van de verzekeraar. Een eigen risico laat de verzekerde de eerste € 100 zelf betalen, waardoor de verzekeraar minder uitkeert en de premie kan dalen.
Resultaat: Resultaat: de verwachte schade is € 60 per verzekerde; de premie van € 84 ligt € 24 hoger om de kosten en winst van de verzekeraar te dekken. Een eigen risico van € 100 verlaagt de premie, omdat de verzekerde kleine schades zelf draagt en de verzekeraar minder uitkeert.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een verzekeraar biedt een fietsverzekering aan. De kans op diefstal is 8% per jaar en de gemiddelde schade bij diefstal is € 750. Bereken de verwachte schade per verzekerde. De premie is € 84 per jaar. Verklaar het verschil tussen de premie en de verwachte schade, en leg uit wat een eigen risico van € 100 met de premie zou doen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad