Loading
Loading
Domein B2 volgt de startende ondernemer: de keuze voor de rechtsvorm eenmanszaak, het schrijven van een ondernemingsplan met een marktanalyse, en het opstellen van de financiële plannen — de investeringsbegroting, het financieringsplan en de exploitatie- en liquiditeitsbegroting. Je leert wat een eenmanszaak juridisch betekent (volledige aansprakelijkheid), hoe je de benodigde investering en financiering op elkaar afstemt en hoe je vooraf berekent of het plan haalbaar is.
4Onderdelenca. 20min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Zorg dat je een investeringsbegroting en een financieringsplan kunt opstellen (welke bezittingen, hoe gefinancierd) en de begrote winst uit een exploitatiebegroting kunt berekenen.
verhoogd niveau
Redeneer over de haalbaarheid: waarom is een liquiditeitsbegroting nodig naast een winstbegroting, en waarom kan een winstgevend plan toch stranden op een tekort aan kasgeld?
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Kenmerken van de eenmanszaak op een rij
Een eenmanszaak gaat failliet met openstaande schulden van € 90\,000. De bezittingen van de onderneming brengen bij verkoop € 55\,000 op. Leg uit hoe het resterende tekort wordt verhaald en bereken dat tekort.
Trek de opbrengst van de bezittingen af van de schulden om te zien wat er openblijft.
Omdat de eenmanszaak geen rechtspersoon is, is de eigenaar met zijn privévermogen aansprakelijk voor het resterende tekort van € 35\,000; schuldeisers kunnen zijn privébezittingen aanspreken.
Resultaat: Resultaat: er blijft een tekort van € 35\,000 dat op het privévermogen van de eigenaar wordt verhaald. Dit illustreert het kernrisico van de eenmanszaak: de volledige, ook privé, aansprakelijkheid.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een startende kapper twijfelt tussen een eenmanszaak en een bv. Leg uit welk risico de eenmanszaak met zich meebrengt bij tegenvallende resultaten, en beredeneer waarom een eenmanszaak fiscaal aantrekkelijk kan zijn zolang de winst bescheiden is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
SWOT-analyse: intern versus extern
Een koffiebar verwacht op een gemiddelde dag 120 klanten die elk gemiddeld € 4,50 besteden. De bar is 6 dagen per week open. Bereken de verwachte weekomzet en de verwachte jaaromzet (52 weken), en leg uit waarom een financier deze aannames kritisch bekijkt.
Vermenigvuldig het aantal klanten per dag met de gemiddelde besteding.
De bar is 6 dagen per week open.
Vermenigvuldig de weekomzet met 52 weken.
Resultaat: Resultaat: de verwachte weekomzet is € 3\,240 en de jaaromzet € 168\,480. Een financier toetst vooral de aannames — 120 klanten per dag en € 4,50 per klant — omdat een te optimistisch klantaantal of een te hoge besteding de hele omzetverwachting en daarmee het plan onderuit haalt.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een starter wil een duurzame koffiebar openen in een studentenwijk. Deel de volgende gegevens in een SWOT-analyse in: (a) een sterk, herkenbaar duurzaam merk, (b) weinig ervaring met personeelsbeleid, (c) een groeiende vraag naar duurzame producten onder studenten, (d) twee bestaande koffieketens in de buurt. Beredeneer welke strategie hieruit volgt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Investeringsbegroting en financieringsplan naast elkaar
totale investering
De som van alle benodigde bezittingen bij de start; dit bedrag moet volledig gefinancierd worden.
sluitend financieringsplan
De financiering moet precies gelijk zijn aan de investering; het financieringsplan sluit altijd.
Een ondernemer begroot: inrichting € 40\,000, machines € 25\,000, startvoorraad € 12\,000 en een kasbuffer € 8\,000. Hij brengt € 35\,000 eigen vermogen in en sluit een langlopende lening van € 40\,000 af. Bereken het totale investeringsbedrag en het benodigde kortlopende krediet om het financieringsplan sluitend te maken.
Som de vaste activa, de voorraad en de kasbuffer.
Voeg het eigen vermogen en de langlopende lening samen.
Het financieringsplan moet sluiten op het investeringsbedrag; het tekort wordt met kortlopend krediet gedekt.
Resultaat: Resultaat: het totale investeringsbedrag is € 85\,000. Met € 35\,000 eigen vermogen en € 40\,000 langlopende lening resteert een tekort van € 10\,000, dat met kortlopend krediet wordt gedekt zodat het financieringsplan sluit.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een startende ondernemer heeft nodig: inrichting € 40\,000, machines € 25\,000, startvoorraad € 12\,000 en een kasbuffer € 8\,000. Hij brengt zelf € 35\,000 eigen vermogen in en sluit een langlopende lening en een kortlopend krediet af. Stel de investeringsbegroting op, bepaal het totale investeringsbedrag en beredeneer een verantwoorde verdeling van het vreemd vermogen volgens de gouden balansregel.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Winst versus liquiditeit: waarom afschrijving verschilt
exploitatiebegroting (winst)
Kosten worden aan de periode toegerekend, inclusief afschrijving; het moment van betalen speelt geen rol.
liquiditeitsbegroting (kas)
Alleen werkelijke geldstromen tellen mee; afschrijving is geen uitgave en telt hier niet.
Een bedrijf begint de maand met € 5\,000 in kas. Die maand: contante verkopen € 18\,000, contant betaalde inkopen € 11\,000, loonuitgaven € 6\,000 en een afschrijving van € 1\,500 op machines. Bereken het eindsaldo van de kas en geef aan hoe de afschrijving in beide begrotingen wordt verwerkt.
Alleen ontvangsten en uitgaven tellen mee. De afschrijving is geen geldstroom en blijft buiten de liquiditeitsbegroting.
Tel het beginsaldo en de ontvangsten op en trek de uitgaven af.
In de exploitatiebegroting is de afschrijving van € 1\,500 een kost die de winst verlaagt; in de liquiditeitsbegroting telt zij niet mee, want er verlaat geen geld het bedrijf.
Resultaat: Resultaat: het eindsaldo van de kas is € 6\,000. De afschrijving van € 1\,500 verlaagt wél de begrote winst maar heeft géén effect op het kassaldo — precies het verschil tussen de exploitatie- en de liquiditeitsbegroting.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een bedrijf begint een maand met € 5\,000 in kas. In die maand: contante verkopen € 18\,000, inkopen (contant betaald) € 11\,000, loonuitgaven € 6\,000, en een afschrijving van € 1\,500 op de machines. Bereken het eindsaldo van de liquiditeitsbegroting en leg uit hoe de afschrijving in de exploitatiebegroting én in de liquiditeitsbegroting wordt behandeld.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad