Loading
Loading
Domein D2 gaat over de financieringskant: waar haalt een onderneming het vermogen vandaan om te investeren? Je leert het onderscheid tussen eigen en vreemd vermogen, de verhouding EV/VV en de solvabiliteit, de verschillende kredietvormen (lang- en kortlopend), en het hefboomeffect (leverage): hoe lenen het rendement op eigen vermogen kan vergroten of juist verkleinen. Je berekent de vermogensverhoudingen en het hefboomeffect.
3Onderdelenca. 16min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 1 · Verdieping 1
basisniveau
Zorg dat je eigen en vreemd vermogen uit elkaar houdt, de kredietvormen kent en de verhouding EV/VV en de solvabiliteit kunt berekenen.
verhoogd niveau
Redeneer over het hefboomeffect: waarom verhoogt lenen het rendement op eigen vermogen zolang de rentabiliteit van het totale vermogen boven de rente ligt, en waarom vergroot het ook het risico?
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
De vermogensstromen van de onderneming
totaal vermogen
De creditzijde van de balans; gelijk aan de totale bezittingen (debetzijde).
Een onderneming heeft een balanstotaal van € 500\,000, waarvan € 200\,000 eigen vermogen. Bereken het vreemd vermogen en de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen.
Het totale vermogen min het eigen vermogen is het vreemd vermogen.
Vereenvoudig de verhouding € 200\,000 : € 300\,000.
Resultaat: Resultaat: het vreemd vermogen is € 300\,000 en de verhouding eigen : vreemd vermogen is 2 : 3. Van elke € 5 vermogen is € 2 eigen en € 3 vreemd; de eigenaren dragen het risico, de verschaffers van vreemd vermogen ontvangen een vaste rente.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een onderneming heeft een balanstotaal van € 500\,000, waarvan € 200\,000 eigen vermogen. Bereken het vreemd vermogen en de verhouding EV : VV. Leg uit welk deel van de financiers het meeste risico loopt en waarom de rente op het vreemd vermogen vast is terwijl het rendement op het eigen vermogen dat niet is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Kredietvormen naar looptijd
Een leverancier levert voor € 10\,000 en biedt: betaal binnen 10 dagen met 2% korting, of betaal het volle bedrag binnen 30 dagen. Bereken het kortingsbedrag bij snelle betaling en leg uit waarom het 'gratis' leverancierskrediet feitelijk toch een prijs heeft.
Neem 2% van het factuurbedrag.
Het factuurbedrag min de korting.
Wie pas op dag 30 betaalt, mist de korting van € 200 en betaalt dus € 200 meer om 20 dagen langer krediet te houden; dat is de (impliciete) prijs van het leverancierskrediet.
Resultaat: Resultaat: de korting bij snelle betaling is € 200. Wie het volledige bedrag pas op dag 30 betaalt, geeft die € 200 op — dat is de werkelijke prijs van het 'gratis' leverancierskrediet, en dus reden om de korting af te wegen tegen andere financiering.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een groothandel wil (a) een nieuw distributiepand kopen en (b) tijdelijk een grote seizoensvoorraad financieren. Kies voor elk van beide een passende kredietvorm en beredeneer je keuze aan de hand van looptijd, kosten en de gouden balansregel.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Het hefboomeffect: REV tegen de rentabiliteit totaal vermogen
rentabiliteit totaal vermogen
Het rendement van al het vermogen samen, vóór aftrek van de rente.
rentabiliteit eigen vermogen
Het rendement voor de eigenaren, ná aftrek van de rente op het vreemd vermogen.
hefboomeffect
Lenen stuwt de REV boven de RTV zolang de rentabiliteit van het totale vermogen boven de interestvoet ligt.
Een onderneming heeft € 400\,000 totaal vermogen: € 150\,000 eigen vermogen en € 250\,000 vreemd vermogen tegen 6% rente. De winst vóór rente is € 48\,000. Bereken de RTV, de rente, de winst na rente, de REV en de solvabiliteit, en beoordeel het hefboomeffect.
Deel de winst vóór rente door het totale vermogen.
De rente is 6% van het vreemd vermogen; die trek je van de winst vóór rente af.
Deel de winst na rente door het eigen vermogen.
De solvabiliteit is het eigen vermogen gedeeld door het totale vermogen. Omdat RTV (12%) boven de rente (6%) ligt, werkt de hefboom positief: de REV (22%) ligt boven de RTV (12%).
Resultaat: Resultaat: RTV = 12%, rente € 15\,000, winst na rente € 33\,000, REV = 22% en solvabiliteit 37,5%. Omdat de RTV (12%) boven de rente (6%) ligt, werkt de hefboom positief: het geleende geld verdient meer dan het kost, waardoor de REV (22%) ruim boven de RTV (12%) uitkomt.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een onderneming heeft € 400\,000 totaal vermogen (€ 150\,000 eigen, € 250\,000 vreemd tegen 6% rente) en behaalt een winst vóór rente van € 48\,000. Bereken de RTV, de rente in euro, de winst na rente, de REV en de solvabiliteit. Beoordeel of het hefboomeffect hier positief of negatief werkt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad