EuraStudy
Samenvattingen/Wiskunde D/Kansverdelingen (binomiaal en normaal)
Samenvattingen · Wiskunde DNL · VWO

Kansverdelingen (binomiaal en normaal)

Twee kansmodellen keren in de statistiek steeds terug. De binomiale verdeling telt het aantal successen XXX bij nnn onafhankelijke pogingen met een vaste succeskans ppp; je berekent kansen met P(X=k)=(nk)pk(1−p)n−kP(X=k)=\binom{n}{k}p^{k}(1-p)^{n-k}P(X=k)=(kn​)pk(1−p)n−k en de verwachting en spreiding met E(X)=npE(X)=npE(X)=np en σ=np(1−p)\sigma=\sqrt{np(1-p)}σ=np(1−p)​. De normale verdeling is de continue klokkromme, volledig vastgelegd door μ\muμ en σ\sigmaσ, waarbij een kans een oppervlakte onder de kromme is en de z-score z=x−μσz=\frac{x-\mu}{\sigma}z=σx−μ​ elke verdeling standaardiseert. Je leert beide met de hand (formules, de vuistregels 68–95–99,7%) en met de grafische rekenmachine (binompdf/binomcdf, normalcdf/invNorm), en hoe de normale verdeling met een continuïteitscorrectie de binomiale benadert.

4 Onderdelen·~20 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Standaard 2 · Verdieping 2

T·0555 / 19
Examenprofiel
Domein B — de binomiale verdeling herkennen (vier voorwaarden), P(X=k)=\binom{n}{k}pk(1-p)n⁻k berekenen en E(X)=np, σ=\sqrt{np(1-p)} bepalenDe normale verdeling: de klokkromme met μen σ, kansen als oppervlakte en de z-score z=\frac{x-μ}{σ}Normale kansen bepalen met de vuistregels 68–95–99,7% en met de grafische rekenmachine (normalcdf/invNorm)De normale benadering van de binomiale verdeling toepassen, met continuïteitscorrectie
Operatoren:berekenbepaalschatleg uitinterpreteertoon aanstel op

basisniveau

De binomiale en de normale verdeling zijn SE-stof binnen domein B (Kansrekening en statistiek) van wiskunde D; wiskunde D kent geen centraal examen, dus je oefent ze richting het schoolexamen.

verhoogd niveau

Wie beide verdelingen — inclusief de normale benadering — vlot beheerst, heeft direct profijt bij het toetsen van hypothesen, waar de binomiale en normale verdeling het rekengereedschap vormen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Kansverdelingen (binomiaal en normaal)
    • 01De binomiale verdeling◐
    • 02De normale verdeling en de z-score◐
    • 03Normale kansen: vuistregels en de GR●
    • 04De normale benadering van de binomiale verdeling●
§ 01

De binomiale verdeling#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-d-domein-B

Kernpunten

Veel kansexperimenten bestaan uit het steeds opnieuw uitvoeren van dezelfde poging met maar twee mogelijke aflopen, „succes” of „mislukking”. De telvariabele X=X=X= „het aantal successen” heet dan binomiaal verdeeld, mits aan vier voorwaarden is voldaan: (1) er is een vast aantal pogingen nnn; (2) elke poging heeft precies twee uitkomsten; (3) de succeskans ppp is bij iedere poging hetzelfde; en (4) de pogingen zijn onderling onafhankelijk. We noteren dit kort als X∼Bin(n,p)X\sim\text{Bin}(n,p)X∼Bin(n,p). In Afb. 1 staat de verdeling voor n=10n=10n=10 en p=0,5p=0{,}5p=0,5 — bijvoorbeeld het aantal keer kop bij tien worpen met een eerlijke munt — en je ziet meteen de kenmerkende symmetrische, klokachtige vorm met de grootste kans rond het midden k=5k=5k=5.

Afb. 1 — Binomiale verdeling (n = 10, p = 0,5)

Binomiaal n=10, p=0,5Kolomdiagram: P(X=k) naar aantal successen k, Gegevens: P(X=k) · 0: 0.001; P(X=k) · 1: 0.01; P(X=k) · 2: 0.044; P(X=k) · 3: 0.117; P(X=k) · 4: 0.205; P(X=k) · 5: 0.246; P(X=k) · 6: 0.205; P(X=k) · 7: 0.117; P(X=k) · 8: 0.044; P(X=k) · 9: 0.01; P(X=k) · 10: 0.00100.050.10.150.20123456789100.0010.010.0440.1170.2050.2460.2050.1170.0440.010.001P(X = k)aantal successen k
Afb. 1Het aantal keer kop bij tien worpen met een eerlijke munt. Symmetrisch rond E(X)=np=5E(X)=np=5E(X)=np=5; de hoogste kans is P(X=5)≈0,2461P(X=5)\approx 0{,}2461P(X=5)≈0,2461.
De kans op precies kkk successen bereken je met de binomiale kansformule P(X=k)=(nk)pk(1−p)n−kP(X=k)=\binom{n}{k}p^{k}(1-p)^{n-k}P(X=k)=(kn​)pk(1−p)n−k. Je leest haar als een product van drie stukken: pkp^{k}pk is de kans dat kkk bepaalde pogingen slagen, (1−p)n−k(1-p)^{n-k}(1−p)n−k de kans dat de overige n−kn-kn−k mislukken, en de binomiaalcoëfficiënt (nk)=n!k! (n−k)!\binom{n}{k}=\frac{n!}{k!\,(n-k)!}(kn​)=k!(n−k)!n!​ telt in hoeveel verschillende volgordes die kkk successen kunnen optreden. Neem n=10n=10n=10, p=0,5p=0{,}5p=0,5 en k=5k=5k=5: er zijn (105)=252\binom{10}{5}=252(510​)=252 volgordes, elk met kans 0,55⋅0,55=0,510=110240{,}5^{5}\cdot 0{,}5^{5}=0{,}5^{10}=\tfrac{1}{1024}0,55⋅0,55=0,510=10241​, samen 252⋅11024≈0,2461252\cdot\tfrac{1}{1024}\approx 0{,}2461252⋅10241​≈0,2461 — precies de hoogte van de middelste staaf in Afb. 1. Zonder de coëfficiënt zou je slechts één volgorde meetellen en de kans schromelijk onderschatten.
Voor de verwachtingswaarde en de standaardafwijking van een binomiale verdeling hoef je de lange somformules niet te gebruiken; er bestaan korte formules. De verwachtingswaarde is E(X)=n⋅pE(X)=n\cdot pE(X)=n⋅p — intuïtief: bij nnn pogingen die elk met kans ppp slagen, verwacht je npnpnp successen — en de standaardafwijking is σ(X)=n p (1−p)\sigma(X)=\sqrt{n\,p\,(1-p)}σ(X)=np(1−p)​. Voor n=10n=10n=10, p=0,5p=0{,}5p=0,5 geeft dat E(X)=5E(X)=5E(X)=5 en σ=10⋅0,5⋅0,5=2,5≈1,58\sigma=\sqrt{10\cdot 0{,}5\cdot 0{,}5}=\sqrt{2{,}5}\approx 1{,}58σ=10⋅0,5⋅0,5​=2,5​≈1,58. Zodra p≠0,5p\neq 0{,}5p=0,5 verliest de verdeling haar symmetrie: Afb. 2 toont n=10n=10n=10, p=0,2p=0{,}2p=0,2, waar de top naar links schuift naar E(X)=np=2E(X)=np=2E(X)=np=2 en er een lange staart naar rechts overblijft.

Afb. 2 — Scheve binomiale verdeling (n = 10, p = 0,2)

Binomiaal n=10, p=0,2Kolomdiagram: P(X=k) naar aantal successen k, Gegevens: P(X=k) · 0: 0.107; P(X=k) · 1: 0.268; P(X=k) · 2: 0.302; P(X=k) · 3: 0.201; P(X=k) · 4: 0.088; P(X=k) · 5: 0.026; P(X=k) · 6: 0.006; P(X=k) · 7: 0.001; P(X=k) · 8: 0; P(X=k) · 9: 0; P(X=k) · 10: 000.050.10.150.20.250.30123456789100.1070.2680.3020.2010.0880.0260.0060.001000P(X = k)aantal successen k
Afb. 2Zodra p≠0,5p\neq 0{,}5p=0,5 wordt de verdeling scheef. Hier is p=0,2p=0{,}2p=0,2, dus E(X)=np=2E(X)=np=2E(X)=np=2; de top ligt bij k=2k=2k=2 en er is een lange staart naar rechts.
Voor grotere nnn reken je binomiale kansen met de grafische rekenmachine. `binompdf(n, p, k)` geeft de kans op precies kkk successen, P(X=k)P(X=k)P(X=k), en `binomcdf(n, p, k)` de cumulatieve kans P(X≤k)P(X\le k)P(X≤k) — de kans op hóógstens kkk successen. Alle andere kansen leid je hieruit af met het complement en met aftrekken: P(X≥k)=1−binomcdf(n,p,k−1)P(X\ge k)=1-\text{binomcdf}(n,p,k-1)P(X≥k)=1−binomcdf(n,p,k−1) voor „minstens kkk”, en P(a≤X≤b)=binomcdf(n,p,b)−binomcdf(n,p,a−1)P(a\le X\le b)=\text{binomcdf}(n,p,b)-\text{binomcdf}(n,p,a-1)P(a≤X≤b)=binomcdf(n,p,b)−binomcdf(n,p,a−1) voor een tussengebied. De k−1k-1k−1 in de „minstens”-regel is de klassieke valkuil: wil je kkk zélf meetellen, dan moet je tot en met k−1k-1k−1 aftrekken.
Het lastigste is vaak niet het rekenen maar het herkénnen van een binomiale situatie; controleer daarom altijd de vier voorwaarden. Let vooral op de onafhankelijkheid en op een gelijkblijvende ppp: trek je zónder terugleggen uit een kléíne groep, dan verandert de succeskans na elke trekking en is XXX strikt genomen niet binomiaal (dan hoort de hypergeometrische verdeling erbij, geen SE-stof). Bij een grote populatie — of bij trekken mét terugleggen — blijft ppp nagenoeg constant en mag je de binomiale verdeling gebruiken. Signaalwoorden die op een binomiaal model wijzen zijn „nnn keer”, „onafhankelijk”, „telkens dezelfde kans” en „hoeveel van de …”.
P(X=k)=(nk)pk(1−p)n−kP(X=k)=\binom{n}{k}p^{k}(1-p)^{n-k}P(X=k)=(kn​)pk(1−p)n−k

Binomiale kans

Kans op precies k successen bij n onafhankelijke pogingen met succeskans p.

(nk)=n!k! (n−k)!\binom{n}{k}=\frac{n!}{k!\,(n-k)!}(kn​)=k!(n−k)!n!​

Binomiaalcoëfficiënt

Het aantal volgordes waarin k successen over n pogingen kunnen vallen (op de GR: nCr).

E(X)=n⋅pE(X)=n\cdot pE(X)=n⋅p

Verwachtingswaarde (binomiaal)

Het verwachte aantal successen.

σ(X)=n p (1−p)\sigma(X)=\sqrt{n\,p\,(1-p)}σ(X)=np(1−p)​

Standaardafwijking (binomiaal)

De spreiding van het aantal successen rond np.

P(X≥k)=1−binomcdf(n,p,k−1)P(X\ge k)=1-\text{binomcdf}(n,p,k-1)P(X≥k)=1−binomcdf(n,p,k−1)

„Minstens k” via het complement

Let op de k−1: de waarde k zelf moet meetellen.

Uitgewerkt voorbeeld

Binomiale kansen bij een controle van zonnepanelen

In een grote batch zonnepanelen heeft 15%15\%15% een kleine cosmetische onvolkomenheid. Uit de batch worden 121212 panelen onafhankelijk gekozen. Zij XXX het aantal panelen met een onvolkomenheid. (a) Bereken P(X=2)P(X=2)P(X=2). (b) Bereken de kans op minstens 333 panelen met een onvolkomenheid. (c) Bepaal E(X)E(X)E(X) en σ(X)\sigma(X)σ(X).

  1. 01Herken de binomiale verdeling

    Vast aantal pogingen n=12n=12n=12, twee uitkomsten (onvolkomenheid of niet), gelijke kans p=0,15p=0{,}15p=0,15 en onafhankelijke keuzes uit een grote batch. Dus X∼Bin(12; 0,15)X\sim\text{Bin}(12;\,0{,}15)X∼Bin(12;0,15).

  2. 02(a) Bereken P(X=2)

    P(X=2)=(122)(0,15)2(0,85)10=66⋅0,0225⋅0,196874≈0,2924P(X=2)=\binom{12}{2}(0{,}15)^2(0{,}85)^{10}=66\cdot 0{,}0225\cdot 0{,}196874\approx 0{,}2924P(X=2)=(212​)(0,15)2(0,85)10=66⋅0,0225⋅0,196874≈0,2924. Op de GR: binompdf(12, 0.15, 2).

    P(X=2)=(122)(0,15)2(0,85)10≈0,2924P(X=2)=\binom{12}{2}(0{,}15)^2(0{,}85)^{10}\approx 0{,}2924P(X=2)=(212​)(0,15)2(0,85)10≈0,2924
  3. 03(b) Bereken P(X\ge 3)

    „Minstens 333” is het complement van „hoogstens 222”: P(X≥3)=1−P(X≤2)=1−binomcdf(12; 0,15; 2)P(X\ge 3)=1-P(X\le 2)=1-\text{binomcdf}(12;\,0{,}15;\,2)P(X≥3)=1−P(X≤2)=1−binomcdf(12;0,15;2). De GR geeft binomcdf(12; 0,15; 2)≈0,7358\text{binomcdf}(12;\,0{,}15;\,2)\approx 0{,}7358binomcdf(12;0,15;2)≈0,7358, dus P(X≥3)≈1−0,7358=0,2642P(X\ge 3)\approx 1-0{,}7358=0{,}2642P(X≥3)≈1−0,7358=0,2642.

    P(X≥3)=1−binomcdf(12; 0,15; 2)≈0,2642P(X\ge 3)=1-\text{binomcdf}(12;\,0{,}15;\,2)\approx 0{,}2642P(X≥3)=1−binomcdf(12;0,15;2)≈0,2642
  4. 04(c) Verwachting en standaardafwijking

    E(X)=np=12⋅0,15=1,8E(X)=np=12\cdot 0{,}15=1{,}8E(X)=np=12⋅0,15=1,8 en σ(X)=np(1−p)=12⋅0,15⋅0,85=1,53≈1,24\sigma(X)=\sqrt{np(1-p)}=\sqrt{12\cdot 0{,}15\cdot 0{,}85}=\sqrt{1{,}53}\approx 1{,}24σ(X)=np(1−p)​=12⋅0,15⋅0,85​=1,53​≈1,24.

    E(X)=1,8,σ(X)=1,53≈1,24E(X)=1{,}8,\quad \sigma(X)=\sqrt{1{,}53}\approx 1{,}24E(X)=1,8,σ(X)=1,53​≈1,24

Resultaat: (a) P(X=2)≈0,2924P(X=2)\approx 0{,}2924P(X=2)≈0,2924; (b) P(X≥3)≈0,2642P(X\ge 3)\approx 0{,}2642P(X≥3)≈0,2642; (c) E(X)=1,8E(X)=1{,}8E(X)=1,8 en σ(X)≈1,24\sigma(X)\approx 1{,}24σ(X)≈1,24. Gemiddeld zitten er dus bijna twee panelen met een onvolkomenheid tussen elke twaalf.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een binomiale kans P(X=k)=(nk)pk(1−p)n−kP(X=k)=\binom{n}{k}p^{k}(1-p)^{n-k}P(X=k)=(kn​)pk(1−p)n−k exact berekenen én met binompdf op de grafische rekenmachine, en een situatie op de vier voorwaarden als binomiaal herkennen.
  • Examendoel: „minstens/hoogstens”-kansen bepalen met binomcdf en het complement, en de verwachtingswaarde npnpnp en standaardafwijking np(1−p)\sqrt{np(1-p)}np(1−p)​ berekenen en interpreteren.

Veelgemaakte fouten

  • De binomiaalcoëfficiënt (nk)\binom{n}{k}(kn​) vergeten en alleen pk(1−p)n−kp^{k}(1-p)^{n-k}pk(1−p)n−k nemen; dan tel je één volgorde in plaats van alle (nk)\binom{n}{k}(kn​) mogelijke volgordes.
  • „Minstens kkk” verwarren met binomcdf(n,p,k)\text{binomcdf}(n,p,k)binomcdf(n,p,k). Het is P(X≥k)=1−binomcdf(n,p,k−1)P(X\ge k)=1-\text{binomcdf}(n,p,k-1)P(X≥k)=1−binomcdf(n,p,k−1) — vergeet de −1-1−1 niet, anders reken je de waarde kkk zelf ten onrechte weg.
  • De binomiale verdeling gebruiken terwijl er zónder terugleggen uit een kleine groep wordt getrokken; dan is ppp niet constant en zijn de pogingen niet onafhankelijk.

Actieve herhaling

Een leerling maakt een meerkeuzetoets van 151515 vragen door bij elke vraag willekeurig te gokken; elke vraag heeft 444 opties. Zij XXX het aantal goede antwoorden. Bereken P(X=5)P(X=5)P(X=5), de kans op minstens 666 goede antwoorden, en E(X)E(X)E(X) en σ(X)\sigma(X)σ(X). Rond kansen af op vier decimalen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)

§ 02

De normale verdeling en de z-score#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-d-domein-B

Kernpunten

Veel grootheden in de praktijk zijn continu en bij benadering normaal verdeeld: lichaamslengte, meetfouten, de vulhoeveelheid van pakken, reactietijden. De normale verdeling is de bekende symmetrische klokkromme, volledig vastgelegd door twee getallen: het gemiddelde μ\muμ (mu), dat het midden en de top bepaalt, en de standaardafwijking σ\sigmaσ (sigma), die de breedte bepaalt. Anders dan bij een discrete variabele lees je een kans niet af als staafhoogte maar als óppervlakte onder de kromme: P(a<X<b)P(a<X<b)P(a<X<b) is de oppervlakte tussen x=ax=ax=a en x=bx=bx=b. In Afb. 3 staat de kromme voor de lengte van volwassen vrouwen met μ=170\mu=170μ=170 cm en σ=8\sigma=8σ=8 cm; de gearceerde oppervlakte van 170170170 tot 178178178 is de kans P(170<X<178)≈0,3413P(170<X<178)\approx 0{,}3413P(170<X<178)≈0,3413. De totale oppervlakte is 111, en door de symmetrie ligt links en rechts van μ\muμ elk precies de helft.

Afb. 3 — Normale verdeling met μ = 170, σ = 8

Normale verdeling μ=170, σ=8Schaubild von N(170; 8), Hochpunkt bei (170, 0.05), im Bereich x von 140 bis 2001401501601701801902000.010.020.030.040.05μ = 170N(170; 8)kansdichtheidlengte x (cm)
Afb. 3De normale kromme voor de vrouwenlengte met μ=170\mu=170μ=170, σ=8\sigma=8σ=8. De verticale lijn markeert μ=170\mu=170μ=170; de gearceerde oppervlakte van 170170170 tot 178178178 is P(170<X<178)=P(0<z<1)≈0,3413P(170<X<178)=P(0<z<1)\approx 0{,}3413P(170<X<178)=P(0<z<1)≈0,3413.
Om verschillende normale verdelingen met elkaar te kunnen vergelijken, standaardiseer je een waarde met de z-score z=x−μσz=\frac{x-\mu}{\sigma}z=σx−μ​. De z-score zegt hoeveel standaardafwijkingen een waarde bóven (z>0z>0z>0) of ónder (z<0z<0z<0) het gemiddelde ligt; z=0z=0z=0 valt precies op μ\muμ. In Afb. 4 staat de z-schaal onder de x-schaal voor μ=170\mu=170μ=170, σ=8\sigma=8σ=8: x=178x=178x=178 hoort bij z=1z=1z=1 (één σ\sigmaσ boven het midden) en x=154x=154x=154 bij z=−2z=-2z=−2 (twee σ\sigmaσ eronder). Door te standaardiseren verandert elke normale verdeling in dezelfde standaardnormale verdeling met gemiddelde 000 en standaardafwijking 111, zodat één tabel of één rekenregel voor allemaal volstaat.

Afb. 4 — De z-schaal onder de normale verdeling

z-schaal (μ=170, σ=8)Getallenlijn, 170 (z=0), 162 (z=−1), 178 (z=1), 154 (z=−2), 186 (z=2)150160170180190170 (z = 0)162 (z = −1)178 (z = 1)154 (z = −2)186 (z = 2)
Afb. 4Standaardiseren: elke waarde xxx hoort bij een z-score z=x−μσz=\frac{x-\mu}{\sigma}z=σx−μ​. Bij μ=170\mu=170μ=170, σ=8\sigma=8σ=8 ligt 178178178 op z=1z=1z=1 en 154154154 op z=−2z=-2z=−2.
De kracht van de z-score is dat je er ongelijksoortige dingen mee kunt vergelijken. Haalt Sanne een 7,87{,}87,8 op een toets met μ=6,2\mu=6{,}2μ=6,2 en σ=0,8\sigma=0{,}8σ=0,8, en Tim een 8,18{,}18,1 op een andere toets met μ=6,5\mu=6{,}5μ=6,5 en σ=1,2\sigma=1{,}2σ=1,2, dan is zSanne=7,8−6,20,8=2,0z_{\text{Sanne}}=\frac{7{,}8-6{,}2}{0{,}8}=2{,}0zSanne​=0,87,8−6,2​=2,0 en zTim=8,1−6,51,2≈1,33z_{\text{Tim}}=\frac{8{,}1-6{,}5}{1{,}2}\approx 1{,}33zTim​=1,28,1−6,5​≈1,33. Sanne presteert dus relatief beter, ook al scheelt hun ruwe cijfer maar weinig. Door de symmetrie van de klokkromme geldt bovendien P(Z<−a)=P(Z>a)P(Z<-a)=P(Z>a)P(Z<−a)=P(Z>a): de linkerstaart voorbij −a-a−a is even groot als de rechterstaart voorbij +a+a+a — een spiegelregel die je voortdurend gebruikt om kansen om te rekenen.
Omdat elke normale verdeling na standaardiseren dezelfde vorm heeft, horen bij vaste afstanden tot het gemiddelde vaste kansen — onafhankelijk van μ\muμ en σ\sigmaσ. Binnen één standaardafwijking van het midden, tussen μ−σ\mu-\sigmaμ−σ en μ+σ\mu+\sigmaμ+σ, ligt altijd ongeveer 68%68\%68% van de waarnemingen; dat is de eerste van de vuistregels uit de volgende paragraaf. Let er wél op dat de klokkromme in theorie naar beide kanten oneindig doorloopt: ze raakt de x-as nooit, maar de staarten worden razendsnel verwaarloosbaar klein. Een normale verdeling kent dus geen „hoogste” of „laagste” waarde — alleen kansen die naar de randen toe naar nul gaan.
z=x−μσz=\frac{x-\mu}{\sigma}z=σx−μ​

z-score

Het aantal standaardafwijkingen dat x boven (z>0) of onder (z<0) het gemiddelde ligt.

x=μ+z⋅σx=\mu+z\cdot\sigmax=μ+z⋅σ

Terug naar x

Uit een z-score de bijbehorende waarde x terugrekenen.

P(Z<−a)=P(Z>a)P(Z<-a)=P(Z>a)P(Z<−a)=P(Z>a)

Symmetrie van de klokkromme

De linkerstaart voorbij −a is even groot als de rechterstaart voorbij +a.

f(x)=1σ2π e−12(x−μσ)2f(x)=\frac{1}{\sigma\sqrt{2\pi}}\,e^{-\frac{1}{2}\left(\frac{x-\mu}{\sigma}\right)^{2}}f(x)=σ2π​1​e−21​(σx−μ​)2

Kansdichtheid (ter info)

De formule van de klokkromme; op het SE reken je met oppervlakten (GR), niet met deze functie zelf.

Uitgewerkt voorbeeld

z-scores vergelijken tussen twee verdelingen

De lengte van volwassen vrouwen is normaal verdeeld met μ=170\mu=170μ=170 cm en σ=8\sigma=8σ=8 cm; de lengte van volwassen mannen met μ=181\mu=181μ=181 cm en σ=7\sigma=7σ=7 cm. Anna is 184184184 cm en haar broer Bram is 192192192 cm. (a) Bereken de z-score van Anna en van Bram. (b) Wie is, binnen de eigen groep, relatief het langst?

  1. 01(a) z-score van Anna

    zAnna=184−1708=148=1,75z_{\text{Anna}}=\frac{184-170}{8}=\frac{14}{8}=1{,}75zAnna​=8184−170​=814​=1,75.

    zAnna=184−1708=1,75z_{\text{Anna}}=\frac{184-170}{8}=1{,}75zAnna​=8184−170​=1,75
  2. 02(a) z-score van Bram

    zBram=192−1817=117≈1,57z_{\text{Bram}}=\frac{192-181}{7}=\frac{11}{7}\approx 1{,}57zBram​=7192−181​=711​≈1,57.

  3. 03(b) Vergelijk de z-scores

    Anna ligt 1,751{,}751,75 standaardafwijkingen boven het vrouwengemiddelde, Bram 1,571{,}571,57 boven het mannengemiddelde. Hoewel Bram in absolute zin langer is, is Anna binnen haar eigen groep relatief het langst.

Resultaat: (a) zAnna=1,75z_{\text{Anna}}=1{,}75zAnna​=1,75 en zBram≈1,57z_{\text{Bram}}\approx 1{,}57zBram​≈1,57; (b) Anna is relatief het langst — een grotere z-score betekent een uitzonderlijker lengte binnen de eigen verdeling.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de z-score z=x−μσz=\frac{x-\mu}{\sigma}z=σx−μ​ berekenen en interpreteren als het aantal standaardafwijkingen dat een waarde van het gemiddelde af ligt.
  • Examendoel: uitleggen dat een kans bij de normale verdeling een oppervlakte onder de klokkromme is, en de symmetrie rond μ\muμ gebruiken om staartkansen om te rekenen.

Veelgemaakte fouten

  • In de z-score delen door de variantie σ2\sigma^{2}σ2 in plaats van door de standaardafwijking σ\sigmaσ. In de noemer staat σ\sigmaσ.
  • Het teken van de z-score negeren: een waarde ónder het gemiddelde hoort bij een negatieve z-score, en dat teken bepaalt in welke staart je zit.
  • Denken dat de klokkromme links of rechts „stopt”; ze loopt in theorie oneindig door, de staarten worden alleen verwaarloosbaar klein.

Actieve herhaling

Een vulmachine vult pakken meel met een hoeveelheid die normaal verdeeld is met μ=1000\mu=1000μ=1000 gram en σ=12\sigma=12σ=12 gram. Bereken de z-score van een pak van 985985985 gram en van een pak van 102410241024 gram, en leg met behulp van de z-scores uit welk pak verder van het gemiddelde af ligt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)

§ 03

Normale kansen: vuistregels en de GR#

●●●VerdiepingLPexamenblad-wiskunde-d-domein-B

Kernpunten

De vuistregels — ook wel de 686868–959595–99,799{,}799,7-regel — geven de kansen die bij vaste afstanden tot het gemiddelde horen, en gelden voor élke normale verdeling. Tussen μ−σ\mu-\sigmaμ−σ en μ+σ\mu+\sigmaμ+σ ligt ongeveer 68%68\%68% van de waarnemingen, tussen μ−2σ\mu-2\sigmaμ−2σ en μ+2σ\mu+2\sigmaμ+2σ ongeveer 95%95\%95%, en tussen μ−3σ\mu-3\sigmaμ−3σ en μ+3σ\mu+3\sigmaμ+3σ ongeveer 99,7%99{,}7\%99,7%. Afb. 5 toont deze geneste gebieden voor de vrouwenlengte met μ=170\mu=170μ=170, σ=8\sigma=8σ=8: de smalle band 162162162–178178178 vangt 68%68\%68%, de bredere band 154154154–186186186 vangt 95%95\%95%. Je gebruikt de vuistregels om zonder rekenmachine snel een kans te schatten of om een berekende kans te controleren.

Afb. 5 — De vuistregels 68–95–99,7%

Vuistregels 68–95–99,7%Schaubild von N(170; 8), Hochpunkt bei (170, 0.05), im Bereich x von 140 bis 2001401501601701801902000.010.020.030.040.05μ−3σμ−2σμ+2σμ+3σN(170; 8)kansdichtheidlengte x (cm)
Afb. 5De geneste vuistregelgebieden voor μ=170\mu=170μ=170, σ=8\sigma=8σ=8: μ±σ=162\mu\pm\sigma=162μ±σ=162–178178178 (≈68%\approx 68\%≈68%, gearceerd), μ±2σ=154\mu\pm2\sigma=154μ±2σ=154–186186186 (≈95%\approx 95\%≈95%) en μ±3σ=146\mu\pm3\sigma=146μ±3σ=146–194194194 (≈99,7%\approx 99{,}7\%≈99,7%).
Uit de vuistregels haal je met het complement en de symmetrie ook de staartkansen. Ligt 68%68\%68% binnen één σ\sigmaσ, dan valt 32%32\%32% daarbuiten, en door de symmetrie zit daarvan de helft in elke staart: P(X>μ+σ)≈16%P(X>\mu+\sigma)\approx 16\%P(X>μ+σ)≈16%. Net zo is P(X>μ+2σ)≈100%−95%2=2,5%P(X>\mu+2\sigma)\approx \frac{100\%-95\%}{2}=2{,}5\%P(X>μ+2σ)≈2100%−95%​=2,5% en P(X>μ+3σ)≈0,15%P(X>\mu+3\sigma)\approx 0{,}15\%P(X>μ+3σ)≈0,15%. Zo reken je uit dat maar 2,5%2{,}5\%2,5% van de vrouwen langer is dan 186186186 cm, want 186=μ+2σ186=\mu+2\sigma186=μ+2σ. Onthoud alleen de kernpercentages 686868, 959595 en 99,799{,}799,7 — de rest leid je hieruit af.
Voor een precieze kans gebruik je op de grafische rekenmachine `normalcdf(ondergrens, bovengrens, μ, σ)`; dat is de oppervlakte onder de klokkromme tussen beide grenzen. Voor een eenzijdige kans vul je als ontbrekende grens een heel groot getal in: P(X>186)P(X>186)P(X>186) bereken je als normalcdf(186, 10^99, 170, 8) en P(X<160)P(X<160)P(X<160) als normalcdf(−10^99, 160, 170, 8). De GR geeft P(X>186)≈0,0228P(X>186)\approx 0{,}0228P(X>186)≈0,0228, dus 2,28%2{,}28\%2,28% — netjes in de buurt van de 2,5%2{,}5\%2,5% uit de vuistregel, maar exacter. De z-score heb je hierbij niet meer nodig; μ\muμ en σ\sigmaσ voer je rechtstreeks in.
Soms is de kans gegeven en zoek je de bijbehorende grenswaarde — het omgekeerde probleem. Daarvoor dient `invNorm(oppervlakte-links, μ, σ)`: je geeft de oppervlakte lïnks van de grens (de cumulatieve kans) en krijgt de waarde xxx terug. Wil je bijvoorbeeld de lengte waarboven de langste 5%5\%5% van de vrouwen valt, dan zit links van die grens 95%95\%95%, dus reken je invNorm(0.95, 170, 8) ≈183,2\approx 183{,}2≈183,2 cm. Zo bepaal je percentielen en grenswaarden. Let op de valkuil: invNorm verwacht altijd de oppervlakte lïnks van de grens, dus voor „de bovenste 5%5\%5%” voer je 0,950{,}950,95 in, niet 0,050{,}050,05.
P(a<X<b)=normalcdf(a, b, μ, σ)P(a<X<b)=\text{normalcdf}(a,\,b,\,\mu,\,\sigma)P(a<X<b)=normalcdf(a,b,μ,σ)

Normale kans met de GR

De oppervlakte onder de klokkromme tussen a en b; voor een eenzijdige kans gebruik je 10^99 of −10^99 als ontbrekende grens.

P(μ−σ<X<μ+σ)≈0,68P(\mu-\sigma<X<\mu+\sigma)\approx 0{,}68P(μ−σ<X<μ+σ)≈0,68

Vuistregel (1σ)

Binnen één standaardafwijking van het gemiddelde ligt ongeveer 68% van de waarnemingen.

P(μ−2σ<X<μ+2σ)≈0,95P(\mu-2\sigma<X<\mu+2\sigma)\approx 0{,}95P(μ−2σ<X<μ+2σ)≈0,95

Vuistregel (2σ)

Binnen twee standaardafwijkingen ligt ongeveer 95%.

x=invNorm(p, μ, σ)x=\text{invNorm}(p,\,\mu,\,\sigma)x=invNorm(p,μ,σ)

Inverse normale (grenswaarde)

Bij een gegeven oppervlakte p links van de grens de bijbehorende waarde x terugvinden (percentiel).

Uitgewerkt voorbeeld

Normale kansen: vuistregel, normalcdf en invNorm

De lengte van volwassen vrouwen is normaal verdeeld met μ=170\mu=170μ=170 cm en σ=8\sigma=8σ=8 cm. (a) Welk percentage is tussen 154154154 en 186186186 cm? (b) Bereken P(X>186)P(X>186)P(X>186) met de vuistregel én met de GR. (c) Bepaal met invNorm de lengte waarboven de langste 5%5\%5% valt.

  1. 01(a) Herken μ ± 2σ

    154=170−2⋅8=μ−2σ154=170-2\cdot 8=\mu-2\sigma154=170−2⋅8=μ−2σ en 186=170+2⋅8=μ+2σ186=170+2\cdot 8=\mu+2\sigma186=170+2⋅8=μ+2σ. Tussen μ−2σ\mu-2\sigmaμ−2σ en μ+2σ\mu+2\sigmaμ+2σ ligt volgens de vuistregel ongeveer 95%95\%95%. Exact met de GR: normalcdf(154, 186, 170, 8) ≈0,9545\approx 0{,}9545≈0,9545.

  2. 02(b) P(X>186) met de vuistregel

    186=μ+2σ186=\mu+2\sigma186=μ+2σ. Buiten de band μ±2σ\mu\pm2\sigmaμ±2σ ligt 5%5\%5%, en door de symmetrie zit in de rechterstaart de helft: P(X>186)≈2,5%P(X>186)\approx 2{,}5\%P(X>186)≈2,5%.

  3. 03(b) P(X>186) met de GR

    Eenzijdig: normalcdf(186, 10^99, 170, 8) ≈0,0228\approx 0{,}0228≈0,0228, oftewel 2,28%2{,}28\%2,28% — dat bevestigt de schatting, maar nauwkeuriger.

  4. 04(c) De langste 5% met invNorm

    Boven de gezochte grens ligt 5%5\%5%, dus eronder 95%95\%95%: x=x=x= invNorm(0.95, 170, 8) ≈183,2\approx 183{,}2≈183,2 cm.

    x=invNorm(0,95; 170; 8)≈183,2x=\text{invNorm}(0{,}95;\,170;\,8)\approx 183{,}2x=invNorm(0,95;170;8)≈183,2

Resultaat: (a) ongeveer 95%95\%95% (exact 0,95450{,}95450,9545); (b) P(X>186)≈2,5%P(X>186)\approx 2{,}5\%P(X>186)≈2,5% met de vuistregel en 2,28%2{,}28\%2,28% met de GR; (c) de langste 5%5\%5% is langer dan ongeveer 183183183 cm.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: met de vuistregels 686868–959595–99,7%99{,}7\%99,7% een normale kans schatten en staartkansen via het complement en de symmetrie bepalen.
  • Examendoel: normale kansen exact berekenen met normalcdf, en met invNorm een grenswaarde of percentiel bij een gegeven kans terugvinden.

Veelgemaakte fouten

  • Bij een eenzijdige kans de tweede grens vergeten of 000 invoeren; gebruik 109910^{99}1099 als bovengrens of −1099-10^{99}−1099 als ondergrens.
  • invNorm voeden met de rechteroppervlakte: invNorm verwacht de oppervlakte links van de grens. Voor de bovenste 5%5\%5% voer je 0,950{,}950,95 in, niet 0,050{,}050,05.
  • De vuistregels toepassen op grenzen die géén heel aantal σ\sigmaσ van het gemiddelde liggen; 686868–959595–99,799{,}799,7 geldt precies bij μ±σ\mu\pm\sigmaμ±σ, μ±2σ\mu\pm2\sigmaμ±2σ en μ±3σ\mu\pm3\sigmaμ±3σ, voor andere grenzen gebruik je de GR.

Actieve herhaling

De scores op een SE-onderdeel zijn normaal verdeeld met μ=64\mu=64μ=64 en σ=10\sigma=10σ=10. (a) Schat met de vuistregels welk percentage tussen 444444 en 848484 ligt. (b) Bereken met de GR P(X>75)P(X>75)P(X>75). (c) Bepaal met invNorm de score die hoort bij het 90e90^{\text{e}}90e percentiel.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)

§ 04

De normale benadering van de binomiale verdeling#

●●●VerdiepingLPexamenblad-wiskunde-d-domein-B

Kernpunten

Bij een grote nnn wordt het optellen van veel binomiale kansen bewerkelijk, en dan komt een handige eigenschap van pas: een binomiale verdeling met voldoende grote nnn lijkt sterk op een normale verdeling. Je mag Bin(n,p)\text{Bin}(n,p)Bin(n,p) daarom benaderen door een normale verdeling met hetzelfde midden en dezelfde spreiding: μ=np\mu=npμ=np en σ=np(1−p)\sigma=\sqrt{np(1-p)}σ=np(1−p)​. De gebruikelijke vuistregel is dat de benadering goed is zolang np≥5np\ge 5np≥5 én n(1−p)≥5n(1-p)\ge 5n(1−p)≥5 — dan liggen genoeg staven links én rechts van de top om de klokvorm te herkennen. Afb. 6 toont de benaderende normale kromme voor n=50n=50n=50, p=0,4p=0{,}4p=0,4, met μ=20\mu=20μ=20 en σ=12≈3,46\sigma=\sqrt{12}\approx 3{,}46σ=12​≈3,46.

Afb. 6 — Normale benadering van Bin(50; 0,4)

Normale benadering van Bin(50; 0,4)Schaubild von N(20; 3,46), Hochpunkt bei (20, 0.115), im Bereich x von 6 bis 3410152025300.020.040.060.080.10.12μ = 20grens 24,5N(20; 3,46)kansdichtheidaantal successen
Afb. 6De normale benadering van Bin(50; 0,4)\text{Bin}(50;\,0{,}4)Bin(50;0,4) heeft μ=np=20\mu=np=20μ=np=20 en σ=12≈3,46\sigma=\sqrt{12}\approx 3{,}46σ=12​≈3,46. Voor P(X≥25)P(X\ge 25)P(X≥25) ligt de gecorrigeerde grens bij 24,524{,}524,5 (gestreept), waarna je de gearceerde rechterstaart neemt.
Er is één subtiliteit: je vervangt een discrete verdeling (die alleen de gehele waarden 0,1,2,…0,1,2,\dots0,1,2,… aanneemt) door een continue kromme. Een losse staaf bij X=kX=kX=k heeft in het binomiale plaatje breedte 111 en strekt zich uit van k−12k-\tfrac{1}{2}k−21​ tot k+12k+\tfrac{1}{2}k+21​; om de oppervlakte goed te vangen, verschuif je de grens met 12\tfrac{1}{2}21​. Dit heet de continuïteitscorrectie. Voor „minstens kkk” reken je dus P(X≥k)≈P ⁣(Y>k−12)P(X\ge k)\approx P\!\left(Y>k-\tfrac{1}{2}\right)P(X≥k)≈P(Y>k−21​) met YYY normaal verdeeld, en voor „hoogstens kkk” P(X≤k)≈P ⁣(Y<k+12)P(X\le k)\approx P\!\left(Y<k+\tfrac{1}{2}\right)P(X≤k)≈P(Y<k+21​). In Afb. 6 is de grens voor P(X≥25)P(X\ge 25)P(X≥25) daarom niet 252525 maar 24,524{,}524,5 (de gestreepte lijn), waarna je de rechterstaart neemt.
Na de correctie reken je de kans zoals in de vorige paragraaf: met normalcdf, of via de z-score z=(k∓12)−μσz=\frac{(k\mp\tfrac{1}{2})-\mu}{\sigma}z=σ(k∓21​)−μ​. Voor n=50n=50n=50, p=0,4p=0{,}4p=0,4 en P(X≥25)P(X\ge 25)P(X≥25) geeft dat z=24,5−2012≈1,30z=\frac{24{,}5-20}{\sqrt{12}}\approx 1{,}30z=12​24,5−20​≈1,30, en P(Z>1,30)≈0,0970P(Z>1{,}30)\approx 0{,}0970P(Z>1,30)≈0,0970. De exacte binomiale waarde is 1−binomcdf(50; 0,4; 24)≈0,09781-\text{binomcdf}(50;\,0{,}4;\,24)\approx 0{,}09781−binomcdf(50;0,4;24)≈0,0978: de benadering wijkt met continuïteitscorrectie nog geen half procent af. Zónder de correctie zou je z=25−2012≈1,44z=\frac{25-20}{\sqrt{12}}\approx 1{,}44z=12​25−20​≈1,44 en P(Z>1,44)≈0,0745P(Z>1{,}44)\approx 0{,}0745P(Z>1,44)≈0,0745 krijgen — een duidelijk slechtere schatting.
De normale benadering is dezelfde brug die achter veel statistiek zit: de som (of het aantal) van veel onafhankelijke pogingen is bij benadering normaal verdeeld. Sinds elke grafische rekenmachine binomcdf tot grote nnn exact aankan, gebruik je de benadering in de praktijk vooral als denkgereedschap — om te zïen dat een aantal successen normaal verdeeld raakt — en bij het toetsen van hypothesen met grote steekproeven. Vergeet de continuïteitscorrectie niet zolang je met de discrete binomiale telvariabele werkt; laat je haar weg, dan krijg je systematisch een iets te kleine of te grote staartkans.
μ=np,σ=np(1−p)\mu=np,\qquad \sigma=\sqrt{np(1-p)}μ=np,σ=np(1−p)​

Benaderende normale verdeling

Voor grote n benader je Bin(n, p) door een normale verdeling met dit gemiddelde en deze standaardafwijking.

np≥5  eˊn  n(1−p)≥5np\ge 5\ \text{ én }\ n(1-p)\ge 5np≥5  eˊn  n(1−p)≥5

Vuistregel: mag de benadering?

Zolang zowel np als n(1−p) minstens 5 is, is de normale benadering betrouwbaar.

P(X≥k)≈P ⁣(Y>k−12),P(X≤k)≈P ⁣(Y<k+12)P(X\ge k)\approx P\!\left(Y>k-\tfrac{1}{2}\right),\quad P(X\le k)\approx P\!\left(Y<k+\tfrac{1}{2}\right)P(X≥k)≈P(Y>k−21​),P(X≤k)≈P(Y<k+21​)

Continuïteitscorrectie

Verschuif de grens met een halve: naar k−½ bij „minstens”, naar k+½ bij „hoogstens”.

z=(k∓12)−μσz=\frac{\left(k\mp\tfrac{1}{2}\right)-\mu}{\sigma}z=σ(k∓21​)−μ​

z-score met correctie

De gecorrigeerde grens gestandaardiseerd; daarna reken je de staartkans met de standaardnormale verdeling.

Uitgewerkt voorbeeld

Een binomiale kans schatten met de normale benadering

Op een webpagina vult gemiddeld 40%40\%40% van de bezoekers een korte enquête in. Op een dag komen er 505050 onafhankelijke bezoekers. Zij XXX het aantal dat de enquête invult. (a) Waarom mag je hier de normale benadering gebruiken? (b) Schat P(X≥25)P(X\ge 25)P(X≥25) met de normale benadering en continuïteitscorrectie. (c) Vergelijk met de exacte binomiale waarde.

  1. 01(a) Mag de benadering?

    μ=np=50⋅0,4=20\mu=np=50\cdot 0{,}4=20μ=np=50⋅0,4=20 en n(1−p)=50⋅0,6=30n(1-p)=50\cdot 0{,}6=30n(1−p)=50⋅0,6=30; beide zijn ≥5\ge 5≥5, dus de vuistregel is ruim vervuld. De spreiding is σ=np(1−p)=50⋅0,4⋅0,6=12≈3,46\sigma=\sqrt{np(1-p)}=\sqrt{50\cdot 0{,}4\cdot 0{,}6}=\sqrt{12}\approx 3{,}46σ=np(1−p)​=50⋅0,4⋅0,6​=12​≈3,46.

    μ=20,σ=12≈3,46\mu=20,\quad \sigma=\sqrt{12}\approx 3{,}46μ=20,σ=12​≈3,46
  2. 02(b) Continuïteitscorrectie en z-score

    „Minstens 252525” wordt P(X≥25)≈P(Y>24,5)P(X\ge 25)\approx P(Y>24{,}5)P(X≥25)≈P(Y>24,5). De z-score is z=24,5−2012≈1,30z=\frac{24{,}5-20}{\sqrt{12}}\approx 1{,}30z=12​24,5−20​≈1,30, dus P(Y>24,5)=P(Z>1,30)≈0,0970P(Y>24{,}5)=P(Z>1{,}30)\approx 0{,}0970P(Y>24,5)=P(Z>1,30)≈0,0970 (op de GR: normalcdf(24.5, 10^99, 20, 3.4641)).

    z=24,5−2012≈1,30,P(Z>1,30)≈0,0970z=\frac{24{,}5-20}{\sqrt{12}}\approx 1{,}30,\quad P(Z>1{,}30)\approx 0{,}0970z=12​24,5−20​≈1,30,P(Z>1,30)≈0,0970
  3. 03(c) Vergelijk met de exacte waarde

    Exact: P(X≥25)=1−binomcdf(50; 0,4; 24)≈0,0978P(X\ge 25)=1-\text{binomcdf}(50;\,0{,}4;\,24)\approx 0{,}0978P(X≥25)=1−binomcdf(50;0,4;24)≈0,0978. De benadering (0,09700{,}09700,0970) wijkt daar nog geen half procent van af. Zónder correctie zou je z≈1,44z\approx 1{,}44z≈1,44 en P(Z>1,44)≈0,0745P(Z>1{,}44)\approx 0{,}0745P(Z>1,44)≈0,0745 krijgen — duidelijk te laag.

Resultaat: De normale benadering met continuïteitscorrectie geeft P(X≥25)≈0,097P(X\ge 25)\approx 0{,}097P(X≥25)≈0,097, vrijwel gelijk aan de exacte binomiale waarde 0,0980{,}0980,098. Weglaten van de 12\tfrac{1}{2}21​-correctie (0,0750{,}0750,075) zou een duidelijke onderschatting zijn.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: beoordelen of de normale benadering mag (np≥5np\ge 5np≥5 én n(1−p)≥5n(1-p)\ge 5n(1−p)≥5) en de benaderende verdeling μ=np\mu=npμ=np, σ=np(1−p)\sigma=\sqrt{np(1-p)}σ=np(1−p)​ opstellen.
  • Examendoel: een binomiale kans schatten met de normale benadering inclusief de continuïteitscorrectie van 12\tfrac{1}{2}21​, en de uitkomst met de exacte waarde vergelijken.

Veelgemaakte fouten

  • De continuïteitscorrectie vergeten en met kkk in plaats van k±12k\pm\tfrac{1}{2}k±21​ rekenen; dat geeft een systematisch te kleine of te grote staartkans.
  • De correctie de verkeerde kant op toepassen. Voor „minstens kkk” (P(X≥k)P(X\ge k)P(X≥k)) verschuif je naar k−12k-\tfrac{1}{2}k−21​, voor „hoogstens kkk” (P(X≤k)P(X\le k)P(X≤k)) naar k+12k+\tfrac{1}{2}k+21​.
  • σ=np(1−p)\sigma=\sqrt{np(1-p)}σ=np(1−p)​ verwarren met de variantie np(1−p)np(1-p)np(1−p) of met np\sqrt{np}np​; neem echt de wortel van np(1−p)np(1-p)np(1−p).

Actieve herhaling

Een munt wordt 100100100 keer geworpen. Zij XXX het aantal keer kop. (a) Ga na dat de normale benadering mag en geef μ\muμ en σ\sigmaσ. (b) Schat met de normale benadering en continuïteitscorrectie de kans op hoogstens 454545 keer kop, P(X≤45)P(X\le 45)P(X≤45). (c) Vergelijk desgewenst met de exacte binomiale waarde op de GR.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01De binomiale verdeling◐
    • 02De normale verdeling en de z-score◐
    • 03Normale kansen: vuistregels en de GR●
    • 04De normale benadering van de binomiale verdeling●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Kansverdelingen (binomiaal en normaal)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~20
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / DUO

  • Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO)

Vorig onderwerp

Toevalsvariabelen en verwachtingswaarde

Volgend onderwerp

Het toetsen van hypothesen

EuraStudy·Samenvattingen T·05·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.