EuraStudy
Samenvattingen/Wiskunde C/Rekenen en algebra
Samenvattingen · Wiskunde CNL · VWO

Rekenen en algebra

Rekenen en algebra vormen het gereedschap waarmee je bij wiskunde C alle andere onderwerpen aanpakt. Je frist het rekenen met machten, wortels, procenten en wetenschappelijke notatie op, leert algebraïsche uitdrukkingen herleiden en formules herschrijven, en lost lineaire en kwadratische vergelijkingen op. De groeifactor legt bovendien de brug naar de exponentiële verbanden verderop. Dit onderwerp hoort tot de centraal-examenstof (subdomein B1).

4 Onderdelen·~18 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3

T·0111 / 17
Examenprofiel
B1 · Rekenen met breuken, procenten, machten, wortels en wetenschappelijke notatie in context, met correcte afrondingB1 · Algebraïsch herleiden en formules herschrijven; een variabele vrijmakenB1 · Lineaire vergelijkingen exact oplossen en kwadratische vergelijkingen met ontbinden of de abc-formuleB1 · Procentuele verandering en de groeifactor g = 1 + p/100 hanteren, ook bij herhaalde verandering
Operatoren:berekenherleidlos opherschrijfvereenvoudigtoon aan

basisniveau

Rekenen en algebra (subdomein B1) is basisgereedschap voor alle profielen; het meeste is een herhaling en aanscherping van de onderbouw, gebracht op eindexamenniveau.

verhoogd niveau

Verdieping: het exact oplossen van kwadratische vergelijkingen met de abc-formule en het vlot herschrijven van formules zijn de vaardigheden die je bij verbanden, veranderingen en statistiek voortdurend nodig hebt.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Rekenen en algebra
    • 01Getallen, machten, wortels en wetenschappelijke notatie○
    • 02Algebraïsch herleiden en formules herschrijven◐
    • 03Vergelijkingen: lineair en kwadratisch◐
    • 04Procenten, promillages en groeifactoren◐
§ 01

Getallen, machten, wortels en wetenschappelijke notatie#

●○○BasisLPexamenblad-wiskunde-c-domein-B1

Kernpunten

Een macht is een korte schrijfwijze voor herhaald vermenigvuldigen: ana^{n}an betekent dat je het grondtal aaa precies nnn keer met zichzelf vermenigvuldigt, dus 24=2⋅2⋅2⋅2=162^{4}=2\cdot 2\cdot 2\cdot 2=1624=2⋅2⋅2⋅2=16. Het getal aaa heet het grondtal en nnn de exponent. Met dit idee komen de rekenregels voor machten vanzelf. Vermenigvuldig je twee machten met hetzelfde grondtal, dan tel je de exponenten op (am⋅an=am+na^{m}\cdot a^{n}=a^{m+n}am⋅an=am+n), want je zet gewoon de rijtjes factoren achter elkaar; deel je ze, dan trek je de exponenten af (am:an=am−na^{m}:a^{n}=a^{m-n}am:an=am−n). Een macht van een macht geeft (am)n=am⋅n(a^{m})^{n}=a^{m\cdot n}(am)n=am⋅n. Uit de deelregel volgt dat a0=1a^{0}=1a0=1 (elk getal, behalve 000, tot de macht nul is 111) en dat een negatieve exponent een breuk betekent: a−n=1ana^{-n}=\frac{1}{a^{n}}a−n=an1​. Deze regels gebruik je overal — bij groeifactoren, bij machtsverbanden en in de wetenschappelijke notatie.
De worteltrekking is de omgekeerde bewerking van machtsverheffen. De wortel a\sqrt{a}a​ is het (niet-negatieve) getal waarvan het kwadraat aaa is: omdat 32=93^{2}=932=9 geldt 9=3\sqrt{9}=39​=3. Afb. 1 laat dat omkeren zien: de kromme y=x2y=x^{2}y=x2 (kwadrateren) en de kromme y=xy=\sqrt{x}y=x​ (worteltrekken) zijn elkaars spiegelbeeld in de lijn y=xy=xy=x. Wat de ene functie doet, maakt de andere ongedaan — daarom snijden ze elkaar op die spiegellijn in de punten (0,0)(0,0)(0,0) en (1,1)(1,1)(1,1). Een wortel is bovendien een macht met een gebroken exponent: a=a1/2\sqrt{a}=a^{1/2}a​=a1/2 en algemener an=a1/n\sqrt[n]{a}=a^{1/n}na​=a1/n. Zo passen wortels naadloos in de machtsregels, en kun je bijvoorbeeld a⋅a=a1/2⋅a1/2=a1=a\sqrt{a}\cdot\sqrt{a}=a^{1/2}\cdot a^{1/2}=a^{1}=aa​⋅a​=a1/2⋅a1/2=a1=a meteen verklaren.

Afb. 1 — Kwadrateren en worteltrekken zijn elkaars omgekeerde

Kwadrateren en worteltrekkenSchaubild von y=x^2, Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von 0 bis 2, Schaubild von y=√x, Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von 0 bis 2, Schaubild von y=x, Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von 0 bis 20.511.520.511.52y = x2y = √xy = xyx
Afb. 1Afb. 1 — y=x2y=x^{2}y=x2 en y=xy=\sqrt{x}y=x​ zijn elkaars spiegelbeeld in de lijn y=xy=xy=x: worteltrekken maakt kwadrateren ongedaan. De krommen ontmoeten elkaar op de spiegellijn in (0,0)(0,0)(0,0) en (1,1)(1,1)(1,1).
Voor heel grote of heel kleine getallen is de wetenschappelijke notatie handig: je schrijft een getal als a⋅10na\cdot 10^{n}a⋅10n, waarbij 1≤∣a∣<101\le |a|<101≤∣a∣<10 en nnn een geheel getal is. De afstand aarde–zon is ongeveer 1,5⋅10111{,}5\cdot 10^{11}1,5⋅1011 meter, en de diameter van een rode bloedcel ongeveer 8⋅10−68\cdot 10^{-6}8⋅10−6 meter. Het getal aaa (de mantisse) legt de betekenisvolle cijfers vast, en de macht van 101010 geeft de ordegrootte — hoe vaak je het decimaalpunt moet verschuiven. Vermenigvuldigen en delen gaat in deze notatie snel: je vermenigvuldigt de mantissen en telt de exponenten van 101010 op. Op de grafische rekenmachine verschijnt 1,5⋅10111{,}5\cdot 10^{11}1,5⋅1011 als 1.5E11; die « E » is de tienmacht en heeft niets met het getal eee van Euler te maken.
Rekenresultaten in een context rond je zinvol af. Bij afronden op decimalen kijk je naar het eerste cijfer dat wegvalt: is dat 555 of meer, dan rond je naar boven af, anders naar beneden. Belangrijker in het examen is dat je niet té vroeg afrondt: reken zo lang mogelijk met exacte of onafgeronde waarden door en rond pas het eindantwoord af, anders stapelen afrondingsfouten zich op. Let ten slotte op de eenheden. Bij oppervlakte hoort een kwadraateenheid (m2\text{m}^{2}m2) en bij inhoud een derdemachtseenheid (m3\text{m}^{3}m3); omrekenen van m2\text{m}^{2}m2 naar cm2\text{cm}^{2}cm2 gaat met een factor 1002=10 000100^{2}=10\,0001002=10000, niet met 100100100. Deze zorgvuldigheid met cijfers en eenheden levert op het examen deelpunten op.
am⋅an=am+n,aman=am−n,(am)n=am⋅na^{m}\cdot a^{n}=a^{m+n}, \qquad \frac{a^{m}}{a^{n}}=a^{m-n}, \qquad (a^{m})^{n}=a^{m\cdot n}am⋅an=am+n,anam​=am−n,(am)n=am⋅n

Machtsregels

Bij hetzelfde grondtal: vermenigvuldigen = exponenten optellen, delen = aftrekken, macht van een macht = vermenigvuldigen.

a0=1,a−n=1an,an=a1/na^{0}=1, \qquad a^{-n}=\frac{1}{a^{n}}, \qquad \sqrt[n]{a}=a^{1/n}a0=1,a−n=an1​,na​=a1/n

Nul-, negatieve en gebroken exponent

Elk getal (≠0) tot de macht 0 is 1; een negatieve exponent geeft een breuk; een wortel is een macht met gebroken exponent.

a⋅10nmet1≤∣a∣<10a\cdot 10^{n} \quad \text{met}\quad 1\le |a|<10a⋅10nmet1≤∣a∣<10

Wetenschappelijke notatie

De mantisse a legt de betekenisvolle cijfers vast, de macht van 10 de ordegrootte.

Uitgewerkt voorbeeld

Rekenen met machten en wetenschappelijke notatie

Schrijf zo eenvoudig mogelijk: (a) 25⋅2326\dfrac{2^{5}\cdot 2^{3}}{2^{6}}2625⋅23​; (b) 49⋅5−2\sqrt{49}\cdot 5^{-2}49​⋅5−2; (c) bereken (3⋅104)⋅(2⋅10−7)(3\cdot 10^{4})\cdot(2\cdot 10^{-7})(3⋅104)⋅(2⋅10−7) in wetenschappelijke notatie.

  1. 01(a) Pas de machtsregels toe

    Teller: exponenten optellen, dan de noemer aftrekken.

    25⋅2326=2826=28−6=22=4\frac{2^{5}\cdot 2^{3}}{2^{6}}=\frac{2^{8}}{2^{6}}=2^{8-6}=2^{2}=42625⋅23​=2628​=28−6=22=4
  2. 02(b) Wortel en negatieve exponent

    49=7\sqrt{49}=749​=7 en 5−2=1255^{-2}=\frac{1}{25}5−2=251​, dus het product is 725\frac{7}{25}257​.

    49⋅5−2=7⋅125=725=0,28\sqrt{49}\cdot 5^{-2}=7\cdot\frac{1}{25}=\frac{7}{25}=0{,}2849​⋅5−2=7⋅251​=257​=0,28
  3. 03(c) Mantissen maal, exponenten erbij

    Vermenigvuldig de mantissen (3⋅2=63\cdot 2=63⋅2=6) en tel de tienmachten op (4+(−7)=−34+(-7)=-34+(−7)=−3).

    (3⋅104)(2⋅10−7)=6⋅10−3(3\cdot 10^{4})(2\cdot 10^{-7})=6\cdot 10^{-3}(3⋅104)(2⋅10−7)=6⋅10−3

Resultaat: (a) 444; (b) 725=0,28\frac{7}{25}=0{,}28257​=0,28; (c) 6⋅10−36\cdot 10^{-3}6⋅10−3 (oftewel 0,0060{,}0060,006).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: rekenen met machten, wortels en wetenschappelijke notatie, en de machtsregels correct toepassen (inclusief nul-, negatieve en gebroken exponenten).
  • Examendoel: resultaten in een context op de juiste manier afronden en met de juiste eenheden noteren.

Veelgemaakte fouten

  • am⋅ana^{m}\cdot a^{n}am⋅an berekenen als am⋅na^{m\cdot n}am⋅n in plaats van am+na^{m+n}am+n — bij vermenigvuldigen worden de exponenten opgeteld, niet vermenigvuldigd.
  • De « E » op de rekenmachine (bijv. 1.5E11) verwarren met het getal eee; het is gewoon de tienmacht ⋅1011\cdot 10^{11}⋅1011.
  • Te vroeg afronden in tussenstappen, waardoor het eindantwoord merkbaar afwijkt.

Actieve herhaling

Schrijf zonder negatieve of gebroken exponent: (a) a3⋅a−5a−1\dfrac{a^{3}\cdot a^{-5}}{a^{-1}}a−1a3⋅a−5​; (b) a⋅a2\sqrt{a}\cdot a^{2}a​⋅a2 als één macht van aaa. Bereken daarna (4⋅106):(8⋅102)(4\cdot 10^{6}):(8\cdot 10^{2})(4⋅106):(8⋅102) in wetenschappelijke notatie.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde C (VWO), domein B: Algebra en tellen (CvTE / DUO)

§ 02

Algebraïsch herleiden en formules herschrijven#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-c-domein-B1

Kernpunten

Herleiden is een uitdrukking in een gelijkwaardige, eenvoudiger vorm schrijven zonder de waarde te veranderen. Het begint bij het samennemen van gelijksoortige termen: termen met precies dezelfde variabele in dezelfde macht mag je optellen of aftrekken, dus 3x+5x=8x3x+5x=8x3x+5x=8x, maar 3x3x3x en 2x22x^{2}2x2 blijven apart staan omdat ze niet gelijksoortig zijn. Haakjes werk je weg met de distributieve regel a(b+c)=ab+aca(b+c)=ab+aca(b+c)=ab+ac: elke term binnen de haakjes wordt met de factor ervoor vermenigvuldigd. Let daarbij scherp op het teken vóór de haakjes; bij een minteken keren álle tekens binnen de haakjes om, zoals in −(x−4)=−x+4-(x-4)=-x+4−(x−4)=−x+4. Deze twee bewerkingen — haakjes wegwerken en gelijksoortige termen samennemen — zijn het fundament van bijna elke algebraïsche herleiding.
Twee haakjes met elkaar vermenigvuldigen doe je door élke term van het ene paar met élke term van het andere te vermenigvuldigen: (x+3)(x+5)=x2+5x+3x+15=x2+8x+15(x+3)(x+5)=x^{2}+5x+3x+15=x^{2}+8x+15(x+3)(x+5)=x2+5x+3x+15=x2+8x+15. Voor veelvoorkomende gevallen bestaan handige merkwaardige producten die je uit het hoofd wilt kennen: (a+b)2=a2+2ab+b2(a+b)^{2}=a^{2}+2ab+b^{2}(a+b)2=a2+2ab+b2, (a−b)2=a2−2ab+b2(a-b)^{2}=a^{2}-2ab+b^{2}(a−b)2=a2−2ab+b2 en (a+b)(a−b)=a2−b2(a+b)(a-b)=a^{2}-b^{2}(a+b)(a−b)=a2−b2. Het gevaarlijkst is het eerste: (a+b)2(a+b)^{2}(a+b)2 is níet a2+b2a^{2}+b^{2}a2+b2 — de dubbele productterm 2ab2ab2ab hoort er onlosmakelijk bij. Deze producten kom je bij de kwadratische verbanden voortdurend tegen, zowel bij het uitwerken als, andersom gelezen, bij het ontbinden in factoren.
Ontbinden in factoren is het omgekeerde van haakjes wegwerken: je schrijft een som als een product. Vaak begin je met het buiten haakjes halen van een gemeenschappelijke factor, zoals 6x2+9x=3x(2x+3)6x^{2}+9x=3x(2x+3)6x2+9x=3x(2x+3). Een tweeterm van de vorm a2−b2a^{2}-b^{2}a2−b2 ontbind je met het verschil van kwadraten tot (a+b)(a−b)(a+b)(a-b)(a+b)(a−b), dus x2−16=(x+4)(x−4)x^{2}-16=(x+4)(x-4)x2−16=(x+4)(x−4). Een drieterm x2+bx+cx^{2}+bx+cx2+bx+c probeer je te schrijven als (x+p)(x+q)(x+p)(x+q)(x+p)(x+q) met p+q=bp+q=bp+q=b en p⋅q=cp\cdot q=cp⋅q=c: voor x2+8x+15x^{2}+8x+15x2+8x+15 zoek je twee getallen met som 888 en product 151515, namelijk 333 en 555, dus x2+8x+15=(x+3)(x+5)x^{2}+8x+15=(x+3)(x+5)x2+8x+15=(x+3)(x+5). Ontbinden is de sleutel tot het exact oplossen van kwadratische vergelijkingen in de volgende paragraaf.
Een formule herschrijven betekent dat je hem naar een andere variabele omwerkt — je maakt die variabele « vrij ». Je gebruikt dat je aan beide kanten van het isgelijkteken dezelfde bewerking mag uitvoeren zonder de gelijkheid te verstoren: bij beide kanten hetzelfde optellen of aftrekken, met hetzelfde (niet-nul) getal vermenigvuldigen of delen, of aan beide kanten de wortel of het kwadraat nemen. Uit de omtrekformule O=2πrO=2\pi rO=2πr maak je zo de straal vrij: deel beide kanten door 2π2\pi2π en je krijgt r=O2πr=\frac{O}{2\pi}r=2πO​. Werk telkens de bewerking weg die het « verst » van de gezochte variabele staat, net als het uitpakken van een cadeautje van buiten naar binnen. Deze vaardigheid heb je nodig zodra je uit een verband een grootheid moet terugrekenen.
a(b+c)=ab+aca(b+c)=ab+aca(b+c)=ab+ac

Distributieve regel

Haakjes wegwerken: elke term binnen de haakjes met de factor ervoor vermenigvuldigen.

(a+b)2=a2+2ab+b2,(a−b)(a+b)=a2−b2(a+b)^{2}=a^{2}+2ab+b^{2}, \qquad (a-b)(a+b)=a^{2}-b^{2}(a+b)2=a2+2ab+b2,(a−b)(a+b)=a2−b2

Merkwaardige producten

Twee producten die je uit het hoofd kent; let op de dubbele productterm 2ab bij het kwadraat.

x2+bx+c=(x+p)(x+q)metp+q=b, p⋅q=cx^{2}+bx+c=(x+p)(x+q) \quad\text{met}\quad p+q=b,\ p\cdot q=cx2+bx+c=(x+p)(x+q)metp+q=b, p⋅q=c

Ontbinden van een drieterm

Zoek twee getallen met som b en product c.

Uitgewerkt voorbeeld

Herleiden, ontbinden en een formule omwerken

(a) Werk uit en herleid: (x+4)2−(x+2)(x−2)(x+4)^{2}-(x+2)(x-2)(x+4)2−(x+2)(x−2). (b) Ontbind x2−2x−15x^{2}-2x-15x2−2x−15 in factoren. (c) Maak in de formule A=πr2A=\pi r^{2}A=πr2 de straal rrr vrij.

  1. 01(a) Merkwaardige producten toepassen

    (x+4)2=x2+8x+16(x+4)^{2}=x^{2}+8x+16(x+4)2=x2+8x+16 en (x+2)(x−2)=x2−4(x+2)(x-2)=x^{2}-4(x+2)(x−2)=x2−4. Trek af.

    (x2+8x+16)−(x2−4)=8x+20(x^{2}+8x+16)-(x^{2}-4)=8x+20(x2+8x+16)−(x2−4)=8x+20
  2. 02(b) Twee getallen zoeken

    Som −2-2−2 en product −15-15−15: dat zijn 333 en −5-5−5 (want 3+(−5)=−23+(-5)=-23+(−5)=−2 en 3⋅(−5)=−153\cdot(-5)=-153⋅(−5)=−15).

    x2−2x−15=(x+3)(x−5)x^{2}-2x-15=(x+3)(x-5)x2−2x−15=(x+3)(x−5)
  3. 03(c) De variabele vrijmaken

    Deel beide kanten door π\piπ en neem de (positieve) wortel.

    r2=Aπ ⇒ r=Aπr^{2}=\frac{A}{\pi}\ \Rightarrow\ r=\sqrt{\frac{A}{\pi}}r2=πA​ ⇒ r=πA​​

Resultaat: (a) 8x+208x+208x+20; (b) (x+3)(x−5)(x+3)(x-5)(x+3)(x−5); (c) r=Aπr=\sqrt{\dfrac{A}{\pi}}r=πA​​.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: uitdrukkingen herleiden met de distributieve regel, de merkwaardige producten en het samennemen van gelijksoortige termen.
  • Examendoel: een drieterm of verschil van kwadraten ontbinden en een formule naar een gevraagde variabele herschrijven.

Veelgemaakte fouten

  • (a+b)2(a+b)^{2}(a+b)2 herleiden tot a2+b2a^{2}+b^{2}a2+b2 en de dubbele productterm 2ab2ab2ab vergeten.
  • Bij een minteken vóór de haakjes maar één teken binnen de haakjes omkeren in plaats van alle.
  • Bij het vrijmaken de wortel maar bij één kant nemen, of het ±\pm±-teken vergeten wanneer dat wél nodig is.

Actieve herhaling

Herleid (2x−3)2+(x+1)(x−1)(2x-3)^{2}+(x+1)(x-1)(2x−3)2+(x+1)(x−1) tot één zo eenvoudig mogelijke uitdrukking. Ontbind daarna x2+2x−24x^{2}+2x-24x2+2x−24, en maak in V=13πr2hV=\frac{1}{3}\pi r^{2}hV=31​πr2h de hoogte hhh vrij.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde C (VWO), domein B: Algebra en tellen (CvTE / DUO)

§ 03

Vergelijkingen: lineair en kwadratisch#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-c-domein-B1

Afb. 3 — Oplossing van de ongelijkheid als interval

Oplossing van x²−4x+3 ≤ 0Getallenlijn, 1, 3, 1 ≤ x ≤ 3−10123451 ≤ x ≤ 313
Afb. 3Afb. 3 — De ongelijkheid x2−4x+3≤0x^{2}-4x+3\le 0x2−4x+3≤0 geldt tussen de nulpunten: het gesloten interval [1,3][1,3][1,3].

Kernpunten

Een lineaire vergelijking bevat de onbekende alleen in de eerste macht, zoals 3x+5=173x+5=173x+5=17. Je lost hem op door de onbekende te isoleren: doe aan beide kanten dezelfde bewerking totdat xxx alleen overblijft. Trek eerst 555 van beide kanten af (3x=123x=123x=12) en deel dan door 333 (x=4x=4x=4). Staan er aan beide kanten termen met xxx, breng ze dan eerst bij elkaar; staan er haakjes, werk die eerst weg. Elke lineaire vergelijking heeft precies één oplossing (tenzij de xxx-en tegen elkaar wegvallen, wat op een strijdigheid of een identiteit wijst). Een lineaire vergelijking hoort bij het snijpunt van een rechte lijn met een horizontale lijn — een idee dat terugkomt bij de verbanden.
Een kwadratische vergelijking bevat een term met x2x^{2}x2 en heeft de standaardvorm ax2+bx+c=0ax^{2}+bx+c=0ax2+bx+c=0. Breng eerst álles naar één kant zodat er 000 aan de andere kant staat; dat is essentieel, want de oplosmethoden gaan uit van die nulvorm. In Afb. 2 zie je waarom je op nul herleidt: de oplossingen van x2−4x+3=0x^{2}-4x+3=0x2−4x+3=0 zijn precies de xxx-coördinaten van de punten waar de parabool y=x2−4x+3y=x^{2}-4x+3y=x2−4x+3 de xxx-as snijdt, hier x=1x=1x=1 en x=3x=3x=3. De top van de parabool ligt op de symmetrieas x=2x=2x=2, precies midden tussen de twee nulpunten, en het snijpunt met de yyy-as is (0,3)(0,3)(0,3). Een kwadratische vergelijking kan twee, één of geen oplossingen hebben — afhankelijk van of de parabool de xxx-as twee keer, één keer of niet snijdt.

Afb. 2 — Nulpunten van een parabool zijn de oplossingen

y = x² − 4x + 3Schaubild von y=x²−4x+3, Nullstellen bei x = 1, 3, Tiefpunkt bei (2, -1), y-Achsenabschnitt bei y = 3, im Bereich x von -0.5 bis 4.51234−2−11234nulpunttop (2,−1)y = x²−4x+3yx
Afb. 2Afb. 2 — De oplossingen van x2−4x+3=0x^{2}-4x+3=0x2−4x+3=0 zijn de xxx-waarden van de nulpunten: x=1x=1x=1 en x=3x=3x=3. De top ligt bij (2,−1)(2,-1)(2,−1) op de symmetrieas x=2x=2x=2; het snijpunt met de yyy-as is (0,3)(0,3)(0,3).
Voor het oplossen zijn er twee hoofdmethoden. Lukt het om te ontbinden, dan gebruik je dat een product nul is precies wanneer een van de factoren nul is (de productregel): uit (x−1)(x−3)=0(x-1)(x-3)=0(x−1)(x−3)=0 volgt x−1=0x-1=0x−1=0 of x−3=0x-3=0x−3=0, dus x=1x=1x=1 of x=3x=3x=3. Lukt ontbinden niet netjes, dan gebruik je de abc-formule x=−b±b2−4ac2ax=\frac{-b\pm\sqrt{b^{2}-4ac}}{2a}x=2a−b±b2−4ac​​, waarin je aaa, bbb en ccc uit de standaardvorm afleest. De uitdrukking onder de wortel, de discriminant D=b2−4acD=b^{2}-4acD=b2−4ac, bepaalt het aantal oplossingen: bij D>0D>0D>0 zijn er twee, bij D=0D=0D=0 één en bij D<0D<0D<0 geen (reële) oplossing, omdat je dan de wortel uit een negatief getal zou moeten trekken.
Ook ongelijkheden komen voor. Bij een lineaire ongelijkheid los je op als bij een vergelijking, met één cruciale extra regel: vermenigvuldig of deel je beide kanten met een negatief getal, dan draait het ongelijkheidsteken om (uit −2x<6-2x<6−2x<6 volgt x>−3x>-3x>−3). Bij een kwadratische ongelijkheid bepaal je eerst de grenzen (de nulpunten) en gebruik je daarna een tekenverloop of de grafiek om te zien op welk interval de uitdrukking het gevraagde teken heeft. De oplossing noteer je als interval. Zo is de oplossing van x2−4x+3≤0x^{2}-4x+3\le 0x2−4x+3≤0 het gebied waar de parabool uit Afb. 2 op of onder de xxx-as ligt, dus 1≤x≤31\le x\le 31≤x≤3 — het gesloten interval [1,3][1,3][1,3].
ax2+bx+c=0 ⇒ x=−b±b2−4ac2aax^{2}+bx+c=0 \ \Rightarrow\ x=\frac{-b\pm\sqrt{b^{2}-4ac}}{2a}ax2+bx+c=0 ⇒ x=2a−b±b2−4ac​​

abc-formule

Los een kwadratische vergelijking op door a, b en c uit de nulvorm af te lezen.

D=b2−4acD=b^{2}-4acD=b2−4ac

Discriminant

D>0: twee oplossingen; D=0: één; D<0: geen reële oplossing.

(x−1)(x−3)=0 ⇔ x=1 of x=3(x-1)(x-3)=0 \ \Leftrightarrow\ x=1\ \text{of}\ x=3(x−1)(x−3)=0 ⇔ x=1 of x=3

Productregel

Een product is nul precies wanneer een van de factoren nul is.

Uitgewerkt voorbeeld

Een lineaire en een kwadratische vergelijking oplossen

Los op: (a) 5(x−2)=2x+75(x-2)=2x+75(x−2)=2x+7; (b) x2−4x+3=0x^{2}-4x+3=0x2−4x+3=0 (door ontbinden); (c) 2x2+3x−2=02x^{2}+3x-2=02x2+3x−2=0 (met de abc-formule).

  1. 01(a) Haakjes weg en x verzamelen

    5x−10=2x+7⇒3x=17⇒x=1735x-10=2x+7\Rightarrow 3x=17\Rightarrow x=\frac{17}{3}5x−10=2x+7⇒3x=17⇒x=317​.

    5x−10=2x+7 ⇒ 3x=17 ⇒ x=1735x-10=2x+7 \ \Rightarrow\ 3x=17 \ \Rightarrow\ x=\tfrac{17}{3}5x−10=2x+7 ⇒ 3x=17 ⇒ x=317​
  2. 02(b) Ontbinden en productregel

    Twee getallen met som −4-4−4 en product 333: −1-1−1 en −3-3−3. Dus (x−1)(x−3)=0(x-1)(x-3)=0(x−1)(x−3)=0.

    (x−1)(x−3)=0 ⇒ x=1 of x=3(x-1)(x-3)=0 \ \Rightarrow\ x=1\ \text{of}\ x=3(x−1)(x−3)=0 ⇒ x=1 of x=3
  3. 03(c) Discriminant berekenen

    Hier a=2a=2a=2, b=3b=3b=3, c=−2c=-2c=−2, dus D=32−4⋅2⋅(−2)=9+16=25D=3^{2}-4\cdot 2\cdot(-2)=9+16=25D=32−4⋅2⋅(−2)=9+16=25.

    D=b2−4ac=9+16=25D=b^{2}-4ac=9+16=25D=b2−4ac=9+16=25
  4. 04(c) abc-formule invullen

    25=5\sqrt{25}=525​=5, dus x=−3±54x=\frac{-3\pm 5}{4}x=4−3±5​: dat geeft x=24=12x=\frac{2}{4}=\frac{1}{2}x=42​=21​ of x=−84=−2x=\frac{-8}{4}=-2x=4−8​=−2.

    x=−3±54 ⇒ x=12 of x=−2x=\frac{-3\pm 5}{4}\ \Rightarrow\ x=\tfrac{1}{2}\ \text{of}\ x=-2x=4−3±5​ ⇒ x=21​ of x=−2

Resultaat: (a) x=173x=\frac{17}{3}x=317​; (b) x=1x=1x=1 of x=3x=3x=3; (c) x=12x=\frac{1}{2}x=21​ of x=−2x=-2x=−2.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een lineaire vergelijking exact oplossen door de onbekende te isoleren.
  • Examendoel: een kwadratische vergelijking oplossen met ontbinden of de abc-formule, en met de discriminant het aantal oplossingen bepalen.

Veelgemaakte fouten

  • De abc-formule toepassen zonder eerst op 000 te herleiden (waardoor aaa, bbb en ccc verkeerd worden afgelezen).
  • Bij een ongelijkheid vergeten het teken om te draaien na delen of vermenigvuldigen met een negatief getal.
  • Uit x2=9x^{2}=9x2=9 alleen x=3x=3x=3 concluderen en de oplossing x=−3x=-3x=−3 vergeten.

Actieve herhaling

Los op: 3(2x+1)=x−43(2x+1)=x-43(2x+1)=x−4; los daarna x2−5x+6=0x^{2}-5x+6=0x2−5x+6=0 op door ontbinden en x2+2x−4=0x^{2}+2x-4=0x2+2x−4=0 met de abc-formule. Bepaal ten slotte voor welke xxx geldt x2−5x+6<0x^{2}-5x+6<0x2−5x+6<0 en noteer die als interval.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde C (VWO), domein B: Algebra en tellen (CvTE / DUO)

§ 04

Procenten, promillages en groeifactoren#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-c-domein-B1

Kernpunten

Een percentage is een verhouding per honderd: p%p\%p% betekent p100\frac{p}{100}100p​. Om p%p\%p% van een bedrag te berekenen, vermenigvuldig je met p100\frac{p}{100}100p​: 17%17\%17% van 250250250 euro is 250⋅0,17=42,50250\cdot 0{,}17=42{,}50250⋅0,17=42,50 euro. Een promillage werkt hetzelfde, maar per duizend: het teken ‰ (promille) betekent delen door 100010001000. Het onderscheid dat op het examen de meeste fouten voorkomt, is dat tussen een percentage van een bedrag en een procentuele verandering van dat bedrag. Bij een verandering hoort niet alleen het percentage, maar ook of het om een toename of een afname gaat, en ten opzichte van welk beginbedrag.
Bij een procentuele toename of afname reken je het handigst met een groeifactor: het getal waarmee je het oude bedrag vermenigvuldigt om het nieuwe te krijgen. Bij een toename van p%p\%p% is de groeifactor g=1+p100g=1+\frac{p}{100}g=1+100p​, want je houdt de volle 100%100\%100% én de extra p%p\%p%: een prijsstijging van 8%8\%8% hoort bij g=1,08g=1{,}08g=1,08. Bij een afname van p%p\%p% is g=1−p100g=1-\frac{p}{100}g=1−100p​: 15%15\%15% korting geeft g=0,85g=0{,}85g=0,85. In één klap zie je hier het voordeel: een nieuwe prijs na 8%8\%8% stijging is gewoon oud⋅1,08\text{oud}\cdot 1{,}08oud⋅1,08, zonder los het bedrag van de stijging te berekenen en op te tellen. Andersom hoort bij een groeifactor ggg een verandering van (g−1)⋅100%(g-1)\cdot 100\%(g−1)⋅100%: g=1,20g=1{,}20g=1,20 betekent +20%+20\%+20% en g=0,97g=0{,}97g=0,97 betekent −3%-3\%−3%.
De echte kracht van de groeifactor blijkt bij herhaalde verandering. Verandert een grootheid elke periode met dezelfde factor ggg, dan is de factor over nnn periodes samen gng^{n}gn — je vermenigvuldigt telkens opnieuw met ggg. Afb. 4 toont een spaarbedrag van 100100100 euro dat elk jaar met 8%8\%8% groeit (g=1,08g=1{,}08g=1,08): na ttt jaar is het bedrag 100⋅1,08t100\cdot 1{,}08^{t}100⋅1,08t, en na 101010 jaar dus 100⋅1,0810≈215,89100\cdot 1{,}08^{10}\approx 215{,}89100⋅1,0810≈215,89 euro. Dit heet exponentiële (samengestelde) groei, en de grafiek buigt steeds steiler omhoog omdat de groei telkens over een groter bedrag gaat. Een veelgemaakte denkfout is hier optellen in plaats van vermenigvuldigen: 101010 jaar 8%8\%8% is níet 80%80\%80% erbij, maar 1,0810≈2,1591{,}08^{10}\approx 2{,}1591,0810≈2,159, oftewel bijna 116%116\%116% erbij.

Afb. 4 — Samengestelde groei van een spaarbedrag

Samengestelde groei bij 8% per jaarSchaubild von S=100·1,08^t, y-Achsenabschnitt bei y = 100, steigend, im Bereich x von 0 bis 1024681050100150200begin 100S = 100·1,08tbedrag S (euro)tijd t (jaar)
Afb. 4Afb. 4 — 100100100 euro tegen 8%8\%8% per jaar: het bedrag 100⋅1,08t100\cdot 1{,}08^{t}100⋅1,08t groeit exponentieel en bereikt na 101010 jaar ongeveer 216216216 euro. De beginwaarde 100100100 is het snijpunt met de verticale as.
Met de groeifactor reken je ook vlot terug en over. Wil je van het nieuwe bedrag naar het oude, deel dan door ggg (niet: trek het percentage er weer af). Ken je begin- en eindbedrag over nnn periodes, dan vind je de factor per periode als g=eind/beginng=\sqrt[n]{\text{eind}/\text{begin}}g=neind/begin​. En volgen twee veranderingen op elkaar, dan vermenigvuldig je hun groeifactoren: eerst +20%+20\%+20% en dan −20%-20\%−20% geeft 1,20⋅0,80=0,961{,}20\cdot 0{,}80=0{,}961,20⋅0,80=0,96, dus per saldo 4%4\%4% minder — níet 0%0\%0%, want de tweede verandering gaat over het al gewijzigde bedrag. Deze rekentechniek met groeifactoren is precies de brug naar het exponentiële verband dat je bij domein C uitgebreid tegenkomt.
g=1+p100 (toename),g=1−p100 (afname)g=1+\frac{p}{100}\ (\text{toename}), \qquad g=1-\frac{p}{100}\ (\text{afname})g=1+100p​ (toename),g=1−100p​ (afname)

Groeifactor

Het getal waarmee je het oude bedrag vermenigvuldigt om het nieuwe te krijgen.

nieuw=oud⋅gn\text{nieuw}=\text{oud}\cdot g^{n}nieuw=oud⋅gn

Herhaalde verandering

Bij n keer dezelfde procentuele verandering is de totale factor g tot de macht n.

p=(g−1)⋅100%p=(g-1)\cdot 100\%p=(g−1)⋅100%

Van groeifactor naar percentage

Uit een groeifactor het bijbehorende (positieve of negatieve) percentage terugrekenen.

Uitgewerkt voorbeeld

Prijsveranderingen met groeifactoren

Een jas kost €120. (a) Wat kost hij na een prijsstijging van 15%15\%15%? (b) Op de nieuwe prijs komt tijdens de uitverkoop 25%25\%25% korting — wat is de eindprijs, en welke procentuele verandering is dat ten opzichte van de oorspronkelijke €120? (c) Een ander product kost na 333 jaar prijsstijging van telkens 5%5\%5% per jaar €139. Wat was de beginprijs?

  1. 01(a) Groeifactor van de stijging

    +15%+15\%+15% hoort bij g=1,15g=1{,}15g=1,15, dus 120⋅1,15=138120\cdot 1{,}15=138120⋅1,15=138 euro.

    120⋅1,15=138120\cdot 1{,}15=138120⋅1,15=138
  2. 02(b) Tweede factor erbij

    −25%-25\%−25% hoort bij g=0,75g=0{,}75g=0,75. Vermenigvuldig de factoren: 1,15⋅0,75=0,86251{,}15\cdot 0{,}75=0{,}86251,15⋅0,75=0,8625.

    120⋅1,15⋅0,75=120⋅0,8625=103,50120\cdot 1{,}15\cdot 0{,}75=120\cdot 0{,}8625=103{,}50120⋅1,15⋅0,75=120⋅0,8625=103,50
  3. 03(b) Totale verandering

    De totale factor is 0,86250{,}86250,8625, dus (0,8625−1)⋅100%=−13,75%(0{,}8625-1)\cdot 100\%=-13{,}75\%(0,8625−1)⋅100%=−13,75%: de jas is per saldo 13,75%13{,}75\%13,75% goedkoper dan €120.

  4. 04(c) Terugrekenen door te delen

    Over 333 jaar is de totale factor 1,053=1,1576251{,}05^{3}=1{,}1576251,053=1,157625. Deel de eindprijs erdoor.

    begin=1391,053=1391,157625≈120,07\text{begin}=\frac{139}{1{,}05^{3}}=\frac{139}{1{,}157625}\approx 120{,}07begin=1,053139​=1,157625139​≈120,07

Resultaat: (a) €138; (b) eindprijs €103,50, een afname van 13,75%13{,}75\%13,75%; (c) de beginprijs was ongeveer €120,07.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: rekenen met procenten en groeifactoren, en de groeifactor bepalen bij een gegeven toename of afname.
  • Examendoel: herhaalde procentuele verandering berekenen met gng^{n}gn en terugrekenen naar begin- of tussenwaarden.

Veelgemaakte fouten

  • Bij herhaalde verandering de percentages optellen (10 jaar 8%8\%8% ≠ 80%80\%80%) in plaats van de groeifactoren te machtsverheffen.
  • Na +20%+20\%+20% en dan −20%-20\%−20% denken dat je weer op het begin uitkomt; het is 1,20⋅0,80=0,961{,}20\cdot 0{,}80=0{,}961,20⋅0,80=0,96, dus 4%4\%4% minder.
  • Terugrekenen door het percentage er weer af te trekken in plaats van door de groeifactor te delen.

Actieve herhaling

Een aandeel van €50 stijgt in jaar 1 met 10%10\%10% en daalt in jaar 2 met 10%10\%10%. Bereken de waarde na twee jaar en de totale procentuele verandering. Bereken daarna met welk vast percentage per jaar €200 in 555 jaar tot €322 groeit.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde C (VWO), domein B: Algebra en tellen (CvTE / DUO)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Getallen, machten, wortels en wetenschappelijke notatie○
    • 02Algebraïsch herleiden en formules herschrijven◐
    • 03Vergelijkingen: lineair en kwadratisch◐
    • 04Procenten, promillages en groeifactoren◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Rekenen en algebra

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~18
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / DUO

  • Examenblad.nl — syllabus wiskunde C (VWO), domein B: Algebra en tellen

Volgend onderwerp

Telproblemen

EuraStudy·Samenvattingen T·01·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.