EuraStudy
Samenvattingen/Wiskunde C/Kansverdelingen
Samenvattingen · Wiskunde CNL · VWO

Kansverdelingen

Een toevalsvariabele koppelt aan elke uitkomst van een kansexperiment een getal; met de kansverdeling, de verwachtingswaarde E(X) en de standaardafwijking vat je zo'n variabele samen. Twee kansmodellen keren steeds terug: de binomiale verdeling voor het aantal successen bij n onafhankelijke pogingen, en de normale verdeling — de klokkromme waarbij kansen oppervlakten zijn. Je berekent ze met formules, met de z-score en de vuistregels 68–95–99,7%, en met de grafische rekenmachine. Dit onderwerp hoort tot de centraal-examenstof (subdomein E5).

4 Onderdelen·~16 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·151515 / 17
Examenprofiel
E5 · Toevalsvariabele, kansverdeling, verwachtingswaarde E(X)=Σ x·P(X=x) en standaardafwijking bepalenE5 · Binomiale kansen P(X=k)=C(n,k)·p^k·(1−p)^(n−k) berekenen, met E=np en σ=√(np(1−p))E5 · Normale verdeling: de z-score, de vuistregels 68–95–99,7% en kansen als oppervlakte onder de klokkrommeE5 · Binomiale en normale kansen berekenen met de grafische rekenmachine (binompdf/binomcdf, normalcdf/invNorm)
Operatoren:berekenbepaalinterpreteerschatstel op

basisniveau

Kansverdelingen, de binomiale en de normale verdeling zijn centraal-examenstof (subdomein E5) van wiskunde C.

verhoogd niveau

Verdieping: de binomiale en normale verdeling zijn het rekengereedschap voor de statistiek met ICT (steekproefverdelingen, betrouwbaarheidsintervallen).

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Kansverdelingen
    • 01Toevalsvariabele, verwachtingswaarde en standaardafwijking○
    • 02De binomiale verdeling◐
    • 03De normale verdeling en de z-score◐
    • 04Normale kansen met vuistregels en de GR●
§ 01

Toevalsvariabele, verwachtingswaarde en standaardafwijking#

●○○BasisLPexamenblad-wiskunde-c-domein-E5

Kernpunten

Een toevalsvariabele (ook stochast) koppelt aan elke uitkomst van een kansexperiment een getal; je schrijft hem met een hoofdletter, meestal XXX. Bij een discrete toevalsvariabele hoort een kansverdeling: een tabel of grafiek die bij elke mogelijke waarde xxx de kans P(X=x)P(X=x)P(X=x) geeft. Afb. 1 toont de kansverdeling van een loterij, waarbij XXX de gewonnen prijs (in euro) is: met kans 0,600{,}600,60 win je niets, en de hoofdprijs van €50 valt met kans 0,050{,}050,05. Het bepalende kenmerk van elke kansverdeling zie je meteen: alle kansen samen zijn precies 111, want er treedt met zekerheid één uitkomst op.

Afb. 1 — Kansverdeling van een loterijprijs

Kansverdeling loterijprijsKolomdiagram: P(X=x) naar prijs x (euro), Gegevens: P(X=x) · 0: 0.6; P(X=x) · 2: 0.25; P(X=x) · 10: 0.1; P(X=x) · 50: 0.0500.10.20.30.40.50.60210500.60.250.10.05P(X = x)prijs x (euro)
Afb. 1Afb. 1 — De kansverdeling van de gewonnen prijs XXX. De kansen samen zijn 111; de verwachtingswaarde is E(X)=4E(X)=4E(X)=4 euro.
De verwachtingswaarde E(X)E(X)E(X) vat samen wat je « op de lange duur gemiddeld » per keer krijgt. Je berekent hem als een gewogen gemiddelde: vermenigvuldig elke waarde met háár kans en tel alles op, E(X)=∑x⋅P(X=x)E(X)=\sum x\cdot P(X=x)E(X)=∑x⋅P(X=x). Voor de loterij geeft dat E(X)=0⋅0,60+2⋅0,25+10⋅0,10+50⋅0,05=0+0,50+1+2,50=4E(X)=0\cdot 0{,}60+2\cdot 0{,}25+10\cdot 0{,}10+50\cdot 0{,}05=0+0{,}50+1+2{,}50=4E(X)=0⋅0,60+2⋅0,25+10⋅0,10+50⋅0,05=0+0,50+1+2,50=4 euro. Twee dingen zijn belangrijk. Ten eerste hoeft de verwachtingswaarde zelf geen mogelijke uitkomst te zijn (je wint nooit precies €4). Ten tweede is E(X)E(X)E(X) meteen de eerlijke inleg voor een lot: kost een lot méér dan €4, dan verdient de organisator op termijn.
De verwachtingswaarde zegt niets over de spreiding — hoe ver de uitkomsten doorgaans van het midden liggen. Daarvoor gebruik je de variantie en de standaardafwijking. De variantie is de verwachte gekwadrateerde afwijking van het gemiddelde, Var(X)=∑(x−E(X))2⋅P(X=x)\text{Var}(X)=\sum (x-E(X))^{2}\cdot P(X=x)Var(X)=∑(x−E(X))2⋅P(X=x); je kwadrateert de afwijkingen zodat plus en min elkaar niet opheffen en grote afwijkingen zwaar meetellen. Omdat de variantie in « euro-kwadraten » staat, neem je de wortel terug: de standaardafwijking σ(X)=Var(X)\sigma(X)=\sqrt{\text{Var}(X)}σ(X)=Var(X)​. Zij meet de typische afstand tot de verwachtingswaarde: een kleine σ\sigmaσ betekent dat de uitkomsten dicht om E(X)E(X)E(X) liggen, een grote dat ze sterk uiteenlopen.
Op de grafische rekenmachine hoef je deze sommen niet met de hand te maken. Zet de waarden xxx in lijst L1L_{1}L1​ en de kansen P(X=x)P(X=x)P(X=x) in lijst L2L_{2}L2​, en kies 1-Var Stats met L1L_{1}L1​ als lijst en L2L_{2}L2​ als frequentielijst. De rekenmachine geeft xˉ\bar{x}xˉ, dat hier de verwachtingswaarde E(X)E(X)E(X) is, en σx\sigma xσx, de standaardafwijking. Deze truc — kansen als « frequenties » invoeren — werkt voor elke discrete kansverdeling en is een snelle controle op je handmatige berekening. De verwachtingswaarde en de standaardafwijking samen vatten zo een hele kansverdeling in twee getallen samen.
∑P(X=x)=1\sum P(X=x)=1∑P(X=x)=1

Kansverdeling

De som van alle kansen in een kansverdeling is precies 1.

E(X)=∑x⋅P(X=x)E(X)=\sum x\cdot P(X=x)E(X)=∑x⋅P(X=x)

Verwachtingswaarde

Het gewogen gemiddelde van de waarden, elk gewogen met zijn kans.

σ(X)=∑(x−E(X))2⋅P(X=x)\sigma(X)=\sqrt{\sum (x-E(X))^{2}\cdot P(X=x)}σ(X)=∑(x−E(X))2⋅P(X=x)​

Standaardafwijking

De wortel van de variantie; een maat voor de spreiding rond E(X).

Uitgewerkt voorbeeld

Verwachtingswaarde en standaardafwijking van een loterij

Bij een loterij is XXX de prijs in euro, met P(X=0)=0,60P(X=0)=0{,}60P(X=0)=0,60, P(X=2)=0,25P(X=2)=0{,}25P(X=2)=0,25, P(X=10)=0,10P(X=10)=0{,}10P(X=10)=0,10 en P(X=50)=0,05P(X=50)=0{,}05P(X=50)=0,05. (a) Bereken E(X)E(X)E(X). (b) Bereken σ(X)\sigma(X)σ(X). (c) Een lot kost €5 — is dat gunstig voor de speler?

  1. 01(a) Verwachtingswaarde

    E(X)=0⋅0,60+2⋅0,25+10⋅0,10+50⋅0,05=4E(X)=0\cdot 0{,}60+2\cdot 0{,}25+10\cdot 0{,}10+50\cdot 0{,}05=4E(X)=0⋅0,60+2⋅0,25+10⋅0,10+50⋅0,05=4 euro.

    E(X)=0,5+1+2,5=4E(X)=0{,}5+1+2{,}5=4E(X)=0,5+1+2,5=4
  2. 02(b) Variantie en standaardafwijking

    Var(X)=(0−4)2⋅0,60+(2−4)2⋅0,25+(10−4)2⋅0,10+(50−4)2⋅0,05=9,6+1+3,6+105,8=120\text{Var}(X)=(0-4)^2\cdot 0{,}60+(2-4)^2\cdot 0{,}25+(10-4)^2\cdot 0{,}10+(50-4)^2\cdot 0{,}05=9{,}6+1+3{,}6+105{,}8=120Var(X)=(0−4)2⋅0,60+(2−4)2⋅0,25+(10−4)2⋅0,10+(50−4)2⋅0,05=9,6+1+3,6+105,8=120; σ=120≈10,95\sigma=\sqrt{120}\approx 10{,}95σ=120​≈10,95.

    σ=120≈10,95\sigma=\sqrt{120}\approx 10{,}95σ=120​≈10,95
  3. 03(c) Inleg beoordelen

    De eerlijke prijs is E(X)=4E(X)=4E(X)=4 euro; een lot kost €5, dus de speler betaalt gemiddeld €1 meer dan hij terugkrijgt: ongunstig voor de speler.

Resultaat: (a) E(X)=4E(X)=4E(X)=4 euro; (b) σ≈10,95\sigma\approx 10{,}95σ≈10,95 euro; (c) ongunstig, want €5 kost meer dan de verwachte prijs van €4.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de verwachtingswaarde E(X)=∑x⋅P(X=x)E(X)=\sum x\cdot P(X=x)E(X)=∑x⋅P(X=x) berekenen en in de context interpreteren (bv. eerlijke inleg).
  • Examendoel: de standaardafwijking van een discrete kansverdeling bepalen en als spreidingsmaat uitleggen.

Veelgemaakte fouten

  • De verwachtingswaarde berekenen als het gewone gemiddelde van de uitkomsten in plaats van het gewogen gemiddelde met de kansen.
  • Vergeten de wortel te trekken: ∑(x−E(X))2P(X=x)\sum (x-E(X))^{2}P(X=x)∑(x−E(X))2P(X=x) is de variantie; de standaardafwijking is de wortel daarvan.

Actieve herhaling

Bij een spel kost meedoen €3. Je wint €10 met kans 0,20{,}20,2, €5 met kans 0,30{,}30,3 en niets met kans 0,50{,}50,5. Zij XXX de uitkering. Bereken E(X)E(X)E(X) en σ(X)\sigma(X)σ(X), en beoordeel of het spel voor de speler voordelig is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde C (VWO), domein E: Statistiek en kansrekening (CvTE / DUO)

§ 02

De binomiale verdeling#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-c-domein-E5

Kernpunten

Veel kansexperimenten bestaan uit het herhalen van eenzelfde poging met twee mogelijke aflopen: « succes » of « mislukking ». Als aan vier voorwaarden is voldaan, heet de telvariabele X=X=X= « het aantal successen » binomiaal verdeeld. Die voorwaarden zijn: (1) een vast aantal pogingen nnn; (2) elke poging heeft twee uitkomsten; (3) de succeskans ppp is bij elke poging gelijk; (4) de pogingen zijn onafhankelijk. Afb. 2 toont de binomiale verdeling voor n=6n=6n=6 en p=0,5p=0{,}5p=0,5 — bijvoorbeeld het aantal keer kop bij zes worpen met een eerlijke munt. De verdeling is symmetrisch, met de grootste kans in het midden bij 333 successen.

Afb. 2 — Binomiale verdeling (n = 6, p = 0,5)

Binomiaal n=6, p=0,5Kolomdiagram: P(X=k) naar aantal successen k, Gegevens: P(X=k) · 0: 0.016; P(X=k) · 1: 0.094; P(X=k) · 2: 0.234; P(X=k) · 3: 0.313; P(X=k) · 4: 0.234; P(X=k) · 5: 0.094; P(X=k) · 6: 0.01600.050.10.150.20.250.301234560.0160.0940.2340.3130.2340.0940.016P(X = k)aantal successen k
Afb. 2Afb. 2 — Aantal keer kop bij zes worpen met een eerlijke munt. Symmetrisch rond E(X)=np=3E(X)=np=3E(X)=np=3; de hoogste kans is (63)⋅0,56=2064=0,3125\binom{6}{3}\cdot 0{,}5^{6}=\frac{20}{64}=0{,}3125(36​)⋅0,56=6420​=0,3125.
De kans op precies kkk successen bereken je met P(X=k)=(nk)pk(1−p)n−kP(X=k)=\binom{n}{k}p^{k}(1-p)^{n-k}P(X=k)=(kn​)pk(1−p)n−k. Je leest de formule van rechts naar links: pkp^{k}pk is de kans op kkk successen, (1−p)n−k(1-p)^{n-k}(1−p)n−k de kans op de overige n−kn-kn−k mislukkingen, en de binomiaalcoëfficiënt (nk)\binom{n}{k}(kn​) telt op hoeveel volgordes die kkk successen kunnen vallen. Voor n=6n=6n=6, p=0,5p=0{,}5p=0,5, k=3k=3k=3: er zijn (63)=20\binom{6}{3}=20(36​)=20 volgordes, elk met kans 0,56=1640{,}5^{6}=\frac{1}{64}0,56=641​, samen 2064=0,3125\frac{20}{64}=0{,}31256420​=0,3125 — precies de hoogste staaf in Afb. 2. De binomiaalcoëfficiënt is hier de brug naar de combinatoriek uit domein B.
Bij een binomiale verdeling hoef je de verwachtingswaarde en standaardafwijking niet met de somformules uit te rekenen; er bestaan snelle formules: E(X)=n⋅pE(X)=n\cdot pE(X)=n⋅p en σ(X)=n p (1−p)\sigma(X)=\sqrt{n\,p\,(1-p)}σ(X)=np(1−p)​. Voor n=6n=6n=6, p=0,5p=0{,}5p=0,5 geeft dat E(X)=3E(X)=3E(X)=3 en σ=6⋅0,5⋅0,5=1,5≈1,22\sigma=\sqrt{6\cdot 0{,}5\cdot 0{,}5}=\sqrt{1{,}5}\approx 1{,}22σ=6⋅0,5⋅0,5​=1,5​≈1,22. Zodra p≠0,5p\neq 0{,}5p=0,5 wordt de verdeling scheef: bij een kleine ppp verschuift de top naar links en ontstaat een staart naar rechts. Deze formules maken het rekenen aan binomiale verdelingen kort en betrouwbaar.
Voor grotere nnn reken je binomiale kansen met de grafische rekenmachine. `binompdf(n, p, k)` geeft de kans op precies kkk successen, P(X=k)P(X=k)P(X=k). `binomcdf(n, p, k)` geeft de cumulatieve kans P(X≤k)P(X\le k)P(X≤k) — de kans op hóógstens kkk successen. Andere kansen leid je daaruit af met het complement en aftrekken: P(X≥k)=1−binomcdf(n,p,k−1)P(X\ge k)=1-\text{binomcdf}(n,p,k-1)P(X≥k)=1−binomcdf(n,p,k−1) en P(a≤X≤b)=binomcdf(n,p,b)−binomcdf(n,p,a−1)P(a\le X\le b)=\text{binomcdf}(n,p,b)-\text{binomcdf}(n,p,a-1)P(a≤X≤b)=binomcdf(n,p,b)−binomcdf(n,p,a−1). Vooral « minstens » en « hoogstens » zijn de klassieke valkuilen: let scherp op de grenzen kkk en k−1k-1k−1. Het herkennen van een binomiale situatie (vaste nnn, gelijke ppp, onafhankelijk) plus deze GR-functies dekt vrijwel elk examenvraagstuk.
P(X=k)=(nk)pk(1−p)n−kP(X=k)=\binom{n}{k}p^{k}(1-p)^{n-k}P(X=k)=(kn​)pk(1−p)n−k

Binomiale kans

Kans op precies k successen bij n onafhankelijke pogingen met succeskans p.

E(X)=n⋅p,σ(X)=n p (1−p)E(X)=n\cdot p, \qquad \sigma(X)=\sqrt{n\,p\,(1-p)}E(X)=n⋅p,σ(X)=np(1−p)​

Verwachting en spreiding (binomiaal)

Snelle formules voor het verwachte aantal successen en de spreiding.

P(X≥k)=1−binomcdf(n,p,k−1)P(X\ge k)=1-\text{binomcdf}(n,p,k-1)P(X≥k)=1−binomcdf(n,p,k−1)

« Minstens » via het complement

Let op de k−1: de cumulatieve kans t/m k−1 aftrekken van 1.

Uitgewerkt voorbeeld

Binomiale kansen bij een meerkeuzetoets

Een meerkeuzetoets heeft 888 vragen, elk met 444 opties waarvan één goed. Een leerling gokt elke vraag onafhankelijk, dus p=0,25p=0{,}25p=0,25. Zij XXX het aantal goede antwoorden. (a) Bereken P(X=2)P(X=2)P(X=2). (b) Bereken de kans op minstens 333 goede antwoorden. (c) Geef E(X)E(X)E(X) en σ(X)\sigma(X)σ(X).

  1. 01(a) Bereken P(X=2)

    P(X=2)=(82)(0,25)2(0,75)6=28⋅0,0625⋅0,17798≈0,3115P(X=2)=\binom{8}{2}(0{,}25)^{2}(0{,}75)^{6}=28\cdot 0{,}0625\cdot 0{,}17798\approx 0{,}3115P(X=2)=(28​)(0,25)2(0,75)6=28⋅0,0625⋅0,17798≈0,3115. Op de GR: binompdf(8, 0.25, 2).

    P(X=2)=(82)(0,25)2(0,75)6≈0,3115P(X=2)=\binom{8}{2}(0{,}25)^{2}(0{,}75)^{6}\approx 0{,}3115P(X=2)=(28​)(0,25)2(0,75)6≈0,3115
  2. 02(b) Minstens 3 via het complement

    P(X≥3)=1−binomcdf(8,0,25,2)P(X\ge 3)=1-\text{binomcdf}(8,0{,}25,2)P(X≥3)=1−binomcdf(8,0,25,2). De GR geeft binomcdf(8,0,25,2)≈0,6785\text{binomcdf}(8,0{,}25,2)\approx 0{,}6785binomcdf(8,0,25,2)≈0,6785, dus P(X≥3)≈0,3215P(X\ge 3)\approx 0{,}3215P(X≥3)≈0,3215.

  3. 03(c) Verwachting en spreiding

    E(X)=np=8⋅0,25=2E(X)=np=8\cdot 0{,}25=2E(X)=np=8⋅0,25=2 en σ=8⋅0,25⋅0,75=1,5≈1,22\sigma=\sqrt{8\cdot 0{,}25\cdot 0{,}75}=\sqrt{1{,}5}\approx 1{,}22σ=8⋅0,25⋅0,75​=1,5​≈1,22.

    E(X)=2,σ=1,5≈1,22E(X)=2,\quad \sigma=\sqrt{1{,}5}\approx 1{,}22E(X)=2,σ=1,5​≈1,22

Resultaat: (a) ≈0,3115\approx 0{,}3115≈0,3115; (b) ≈0,3215\approx 0{,}3215≈0,3215; (c) E(X)=2E(X)=2E(X)=2 en σ≈1,22\sigma\approx 1{,}22σ≈1,22.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een binomiale kans P(X=k)P(X=k)P(X=k) berekenen met de formule en met binompdf op de GR.
  • Examendoel: « minstens/hoogstens »-kansen bepalen met binomcdf en de verwachting npnpnp en spreiding np(1−p)\sqrt{np(1-p)}np(1−p)​ berekenen.

Veelgemaakte fouten

  • De binomiaalcoëfficiënt (nk)\binom{n}{k}(kn​) vergeten en alleen pk(1−p)n−kp^{k}(1-p)^{n-k}pk(1−p)n−k nemen (dan tel je maar één volgorde mee).
  • « Minstens kkk » gelijkstellen aan binomcdf(n,p,k)(n,p,k)(n,p,k); het is P(X≥k)=1−binomcdf(n,p,k−1)P(X\ge k)=1-\text{binomcdf}(n,p,k-1)P(X≥k)=1−binomcdf(n,p,k−1).

Actieve herhaling

In een fabriek is 10%10\%10% van de lampen defect. Uit de productie worden 151515 lampen onafhankelijk gekozen. Zij XXX het aantal defecte lampen. Bereken P(X=0)P(X=0)P(X=0), P(X≥2)P(X\ge 2)P(X≥2) en E(X)E(X)E(X) en σ(X)\sigma(X)σ(X).

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde C (VWO), domein E: Statistiek en kansrekening (CvTE / DUO)

§ 03

De normale verdeling en de z-score#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-c-domein-E5

Kernpunten

Veel grootheden in de praktijk — lichaamslengte, meetfouten, de inhoud van pakken — zijn continu en verdeeld volgens de normale verdeling: de bekende, symmetrische klokkromme. Een normale verdeling ligt volledig vast door twee getallen: het gemiddelde μ\muμ, dat het midden en de top bepaalt, en de standaardafwijking σ\sigmaσ, die de breedte bepaalt. Afb. 3 toont de klokkromme voor de lengte van mannen met μ=175\mu=175μ=175 cm en σ=8\sigma=8σ=8 cm. Anders dan bij een discrete variabele lees je een kans hier niet af als staafhoogte, maar als oppervlakte onder de kromme: P(a<X<b)P(a<X<b)P(a<X<b) is de oppervlakte tussen x=ax=ax=a en x=bx=bx=b. De totale oppervlakte is 111, en door de symmetrie ligt links en rechts van μ\muμ elk de helft.

Afb. 3 — Normale verdeling met μ = 175, σ = 8

Normale verdeling μ=175, σ=8Schaubild von N(175, 8), Hochpunkt bei (175, 0.05), im Bereich x von 151 bis 1991601701801900.010.020.030.040.05μ = 175N(175, 8)kansdichtheidlengte x (cm)
Afb. 3Afb. 3 — De normale kromme voor μ=175\mu=175μ=175, σ=8\sigma=8σ=8 (lengte in cm). De verticale lijn markeert μ=175\mu=175μ=175; de gearceerde oppervlakte van 175175175 tot 183183183 is P(175<X<183)=P(0<z<1)≈0,34P(175<X<183)=P(0<z<1)\approx 0{,}34P(175<X<183)=P(0<z<1)≈0,34.
Om verschillende normale verdelingen te vergelijken, standaardiseer je een waarde met de z-score: z=x−μσz=\frac{x-\mu}{\sigma}z=σx−μ​. De z-score vertelt hoeveel standaardafwijkingen een waarde boven (z>0z>0z>0) of onder (z<0z<0z<0) het gemiddelde ligt. Afb. 4 toont de z-schaal onder de lengteschaal voor μ=175\mu=175μ=175, σ=8\sigma=8σ=8: x=183x=183x=183 hoort bij z=1z=1z=1 (één σ\sigmaσ boven het midden) en x=159x=159x=159 bij z=−2z=-2z=−2 (twee σ\sigmaσ eronder). Zo verandert elke normale verdeling in dezelfde standaardnormale verdeling met gemiddelde 000 en standaardafwijking 111.

Afb. 4 — De z-schaal onder de normale verdeling

z-schaal (μ=175, σ=8)Getallenlijn, 175 (z=0), 167 (z=−1), 183 (z=1), 159 (z=−2), 191 (z=2)160170180190175 (z = 0)167 (z = −1)183 (z = 1)159 (z = −2)191 (z = 2)
Afb. 4Afb. 4 — Standaardiseren: elke lengte xxx hoort bij een z-score z=x−μσz=\frac{x-\mu}{\sigma}z=σx−μ​. Bij μ=175\mu=175μ=175, σ=8\sigma=8σ=8 ligt 183183183 op z=1z=1z=1 en 159159159 op z=−2z=-2z=−2.
De kracht van de z-score is dat je er ongelijksoortige dingen mee kunt vergelijken. Haalt Sanne een 888 op een toets met μ=6\mu=6μ=6 en σ=1\sigma=1σ=1, en Tim een 808080 op een toets met μ=70\mu=70μ=70 en σ=8\sigma=8σ=8, dan is Sannes z-score z=8−61=2z=\frac{8-6}{1}=2z=18−6​=2 en die van Tim z=80−708=1,25z=\frac{80-70}{8}=1{,}25z=880−70​=1,25. Sanne presteert dus relatief beter, ook al is haar ruwe cijfer veel lager. Door de symmetrie geldt bovendien P(Z<−a)=P(Z>a)P(Z<-a)=P(Z>a)P(Z<−a)=P(Z>a): de linkerstaart voorbij −a-a−a is even groot als de rechterstaart voorbij +a+a+a. Die spiegelsymmetrie gebruik je voortdurend om kansen om te rekenen.
Omdat elke normale verdeling na standaardiseren dezelfde vorm heeft, horen bij vaste afstanden tot het gemiddelde vaste kansen. Binnen één standaardafwijking van het midden — tussen μ−σ\mu-\sigmaμ−σ en μ+σ\mu+\sigmaμ+σ — ligt altijd ongeveer 68%68\%68% van de waarnemingen, ongeacht μ\muμ en σ\sigmaσ. Dit is de eerste van de vuistregels die je in de volgende paragraaf gebruikt om snel kansen te schatten. De geschaduwde oppervlakte in Afb. 3 (van 175175175 tot 183183183, oftewel van z=0z=0z=0 tot z=1z=1z=1) is een voorbeeld van zo'n kans: hij bedraagt ongeveer 0,340{,}340,34, de helft van 68%68\%68%.
z=x−μσz=\frac{x-\mu}{\sigma}z=σx−μ​

z-score

Het aantal standaardafwijkingen dat x boven (z>0) of onder (z<0) het gemiddelde ligt.

x=μ+z⋅σx=\mu+z\cdot\sigmax=μ+z⋅σ

Terug naar x

Uit een z-score de bijbehorende waarde x terugrekenen.

P(μ−σ<X<μ+σ)≈0,68P(\mu-\sigma<X<\mu+\sigma)\approx 0{,}68P(μ−σ<X<μ+σ)≈0,68

Vuistregel (1σ)

Binnen één standaardafwijking ligt ongeveer 68% van de waarnemingen.

Uitgewerkt voorbeeld

z-scores berekenen en vergelijken

De lengte van mannen is normaal verdeeld met μ=175\mu=175μ=175 cm en σ=8\sigma=8σ=8 cm. (a) Bepaal de z-score van een man van 191191191 cm. (b) Van een man van 167167167 cm. (c) Interpreteer beide.

  1. 01(a) z van 191

    z=191−1758=168=2z=\frac{191-175}{8}=\frac{16}{8}=2z=8191−175​=816​=2.

    z=191−1758=2z=\frac{191-175}{8}=2z=8191−175​=2
  2. 02(b) z van 167

    z=167−1758=−88=−1z=\frac{167-175}{8}=\frac{-8}{8}=-1z=8167−175​=8−8​=−1.

  3. 03(c) Interpreteren

    De man van 191191191 cm ligt 222 standaardafwijkingen bóven het gemiddelde (relatief lang); die van 167167167 cm ligt 111 standaardafwijking eronder. Volgens de vuistregels is minder dan 2,5%2{,}5\%2,5% langer dan 191191191 cm.

Resultaat: (a) z=2z=2z=2; (b) z=−1z=-1z=−1; (c) 191191191 cm is uitzonderlijk lang, 167167167 cm iets onder gemiddeld.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de z-score z=x−μσz=\frac{x-\mu}{\sigma}z=σx−μ​ berekenen en interpreteren als « aantal standaardafwijkingen van het gemiddelde ».
  • Examendoel: uitleggen dat een kans bij de normale verdeling een oppervlakte onder de klokkromme is en de symmetrie rond μ\muμ benutten.

Veelgemaakte fouten

  • In de z-score delen door de variantie in plaats van door de standaardafwijking (z=x−μσz=\frac{x-\mu}{\sigma}z=σx−μ​, met σ\sigmaσ).
  • Het teken van de z-score negeren; een waarde ónder het gemiddelde heeft een negatieve z-score.

Actieve herhaling

Pakken suiker hebben een inhoud die normaal verdeeld is met μ=1000\mu=1000μ=1000 g en σ=12\sigma=12σ=12 g. Bereken de z-score van een pak van 982982982 g en van een pak van 102410241024 g, en leg uit welk pak verder van het gemiddelde af ligt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde C (VWO), domein E: Statistiek en kansrekening (CvTE / DUO)

§ 04

Normale kansen met vuistregels en de GR#

●●●VerdiepingLPexamenblad-wiskunde-c-domein-E5

Kernpunten

De vuistregels (de 686868–959595–99,799{,}799,7-regel) geven de kansen die bij vaste afstanden tot het gemiddelde horen, en gelden voor elke normale verdeling. Tussen μ−σ\mu-\sigmaμ−σ en μ+σ\mu+\sigmaμ+σ ligt ongeveer 68%68\%68% van de waarnemingen; tussen μ−2σ\mu-2\sigmaμ−2σ en μ+2σ\mu+2\sigmaμ+2σ ongeveer 95%95\%95%; en tussen μ−3σ\mu-3\sigmaμ−3σ en μ+3σ\mu+3\sigmaμ+3σ ongeveer 99,7%99{,}7\%99,7%. Afb. 5 toont deze geneste gebieden voor μ=175\mu=175μ=175, σ=8\sigma=8σ=8: de band 167167167–183183183 vangt 68%68\%68%, de bredere band 159159159–191191191 vangt 95%95\%95%. Je gebruikt de vuistregels om zonder rekenmachine een kans te schatten, of om snel te controleren of een berekende kans klopt.

Afb. 5 — De vuistregels 68–95–99,7%

Vuistregels 68–95–99,7%Schaubild von N(175, 8), Hochpunkt bei (175, 0.05), im Bereich x von 151 bis 1991601701801900.010.020.030.040.05μ−2σμ+2σN(175, 8)kansdichtheidlengte x (cm)
Afb. 5Afb. 5 — De geneste vuistregelgebieden voor μ=175\mu=175μ=175, σ=8\sigma=8σ=8: μ±σ=167\mu\pm\sigma=167μ±σ=167–183183183 (≈68%\approx 68\%≈68%, gearceerd), μ±2σ=159\mu\pm2\sigma=159μ±2σ=159–191191191 (≈95%\approx 95\%≈95%) en μ±3σ=151\mu\pm3\sigma=151μ±3σ=151–199199199 (≈99,7%\approx 99{,}7\%≈99,7%).
Uit de vuistregels haal je met complement en symmetrie ook de staartkansen. Ligt 68%68\%68% binnen één σ\sigmaσ, dan valt 32%32\%32% erbuiten, en door de symmetrie zit daarvan de helft in elke staart: P(X>μ+σ)≈16%P(X>\mu+\sigma)\approx 16\%P(X>μ+σ)≈16%. Net zo geldt P(X>μ+2σ)≈100%−95%2=2,5%P(X>\mu+2\sigma)\approx \frac{100\%-95\%}{2}=2{,}5\%P(X>μ+2σ)≈2100%−95%​=2,5% en P(X>μ+3σ)≈0,15%P(X>\mu+3\sigma)\approx 0{,}15\%P(X>μ+3σ)≈0,15%. Zo reken je bijvoorbeeld uit dat maar 2,5%2{,}5\%2,5% van de mannen langer is dan 191191191 cm, want 191=μ+2σ191=\mu+2\sigma191=μ+2σ. Onthoud de kernpercentages 686868, 959595 en 99,799{,}799,7 — de rest leid je hieruit af.
Voor een precieze kans gebruik je op de GR `normalcdf(ondergrens, bovengrens, μ, σ)`: de oppervlakte onder de klokkromme tussen de grenzen. Voor een eenzijdige kans neem je als ontbrekende grens een heel groot getal: P(X>191)P(X>191)P(X>191) bereken je als normalcdf(191,1099,175,8)(191, 10^{99}, 175, 8)(191,1099,175,8) en P(X<167)P(X<167)P(X<167) als normalcdf(−1099,167,175,8)(-10^{99}, 167, 175, 8)(−1099,167,175,8). De GR geeft P(X>191)≈0,0228P(X>191)\approx 0{,}0228P(X>191)≈0,0228 — dus 2,28%2{,}28\%2,28%, keurig in de buurt van de 2,5%2{,}5\%2,5% uit de vuistregel, maar exacter. De z-score heb je hier niet meer nodig; μ\muμ en σ\sigmaσ voer je rechtstreeks in.
Soms is de kans gegeven en zoek je de bijbehorende grenswaarde — het omgekeerde probleem. Daarvoor dient `invNorm(oppervlakte-links, μ, σ)`: je geeft de oppervlakte links van de grens (de cumulatieve kans) en krijgt de waarde xxx terug. Wil je de lengte waarboven de langste 10%10\%10% ligt, dan zit links daarvan 90%90\%90%, dus reken je invNorm(0,90,175,8)≈185,3(0{,}90, 175, 8)\approx 185{,}3(0,90,175,8)≈185,3 cm. Zo bepaal je percentielen en grenswaarden. De vuistregels voor een snelle schatting, normalcdf voor een exacte kans en invNorm voor een grenswaarde: met deze drie gereedschappen beheers je alle normale-verdelingsvraagstukken van het examen.
P(a<X<b)=normalcdf(a, b, μ, σ)P(a<X<b)=\text{normalcdf}(a,\,b,\,\mu,\,\sigma)P(a<X<b)=normalcdf(a,b,μ,σ)

Normale kans met de GR

De oppervlakte tussen a en b; voor een eenzijdige kans gebruik je 10^99 of −10^99 als ontbrekende grens.

P(μ−2σ<X<μ+2σ)≈0,95,P(μ−3σ<X<μ+3σ)≈0,997P(\mu-2\sigma<X<\mu+2\sigma)\approx 0{,}95, \quad P(\mu-3\sigma<X<\mu+3\sigma)\approx 0{,}997P(μ−2σ<X<μ+2σ)≈0,95,P(μ−3σ<X<μ+3σ)≈0,997

Vuistregels (2σ, 3σ)

Binnen twee standaardafwijkingen ligt ongeveer 95%, binnen drie ongeveer 99,7%.

x=invNorm(p, μ, σ)x=\text{invNorm}(p,\,\mu,\,\sigma)x=invNorm(p,μ,σ)

Inverse normale (grenswaarde)

Bij een gegeven oppervlakte p links van de grens de bijbehorende waarde x (percentiel) terugvinden.

Interaktive Grafik lädt…

Uitgewerkt voorbeeld

Normale kansen: vuistregel, normalcdf en invNorm

De lengte van mannen is normaal verdeeld met μ=175\mu=175μ=175 en σ=8\sigma=8σ=8 cm. (a) Welk percentage is tussen 167167167 en 183183183 cm? (b) Bereken P(X>191)P(X>191)P(X>191) met de vuistregel én met de GR. (c) Bepaal met invNorm de lengte waarboven de langste 10%10\%10% ligt.

  1. 01(a) Herken μ ± σ

    167=μ−σ167=\mu-\sigma167=μ−σ en 183=μ+σ183=\mu+\sigma183=μ+σ: tussen μ±σ\mu\pm\sigmaμ±σ ligt ongeveer 68%68\%68%. Exact: normalcdf(167, 183, 175, 8) ≈ 0,6827.

  2. 02(b) P(X>191) met de vuistregel

    191=μ+2σ191=\mu+2\sigma191=μ+2σ. Buiten μ±2σ\mu\pm 2\sigmaμ±2σ ligt 5%5\%5%, in de rechterstaart de helft: ≈2,5%\approx 2{,}5\%≈2,5%.

  3. 03(b) P(X>191) met de GR

    Eenzijdig: normalcdf(191, 10^99, 175, 8) ≈ 0,0228, oftewel 2,28%2{,}28\%2,28%.

  4. 04(c) De langste 10% met invNorm

    Boven de grens ligt 10%10\%10%, dus eronder 90%90\%90%: x=x=x= invNorm(0.90, 175, 8) ≈185,3\approx 185{,}3≈185,3 cm.

    x=invNorm(0,90, 175, 8)≈185,3x=\text{invNorm}(0{,}90,\,175,\,8)\approx 185{,}3x=invNorm(0,90,175,8)≈185,3

Resultaat: (a) ongeveer 68%68\%68% (exact 0,68270{,}68270,6827); (b) ≈2,5%\approx 2{,}5\%≈2,5% (vuistregel) en 2,28%2{,}28\%2,28% (GR); (c) de grens ligt bij ongeveer 185185185 cm.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: met de vuistregels (686868–959595–99,7%99{,}7\%99,7%) een normale kans schatten en staartkansen via symmetrie bepalen.
  • Examendoel: normale kansen exact berekenen met normalcdf en met invNorm een grenswaarde of percentiel bepalen.

Veelgemaakte fouten

  • Bij een eenzijdige kans de tweede grens vergeten; gebruik 109910^{99}1099 (of −1099-10^{99}−1099) als ontbrekende grens.
  • invNorm voeden met de rechteroppervlakte; invNorm verwacht de oppervlakte links van de grens (voor de bovenste 10%10\%10% voer je 0,900{,}900,90 in).

Actieve herhaling

De examenscores zijn normaal verdeeld met μ=65\mu=65μ=65 en σ=12\sigma=12σ=12. (a) Schat met de vuistregels het percentage tussen 535353 en 777777. (b) Bereken met de GR P(X>80)P(X>80)P(X>80). (c) Bepaal met invNorm de score bij het 909090e percentiel.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde C (VWO), domein E: Statistiek en kansrekening (CvTE / DUO)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Toevalsvariabele, verwachtingswaarde en standaardafwijking○
    • 02De binomiale verdeling◐
    • 03De normale verdeling en de z-score◐
    • 04Normale kansen met vuistregels en de GR●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Kansverdelingen

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~16
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / DUO

  • Examenblad.nl — syllabus wiskunde C (VWO), domein E: Statistiek en kansrekening

Vorig onderwerp

Kansbegrip

Volgend onderwerp

Statistiek met ICT

EuraStudy·Samenvattingen T·15·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.