EuraStudy
Samenvattingen/Wiskunde B/Goniometrische functies en radialen
Samenvattingen · Wiskunde BNL · VWO

Goniometrische functies en radialen

In de analyse meet je hoeken in radialen: de radiaal is de booglengte op de eenheidscirkel, met 2π2\pi2π rad =360∘=360^{\circ}=360∘. Op die eenheidscirkel zijn cos⁡θ\cos\thetacosθ en sin⁡θ\sin\thetasinθ de coördinaten van het draaipunt. De functies sin⁡\sinsin, cos⁡\coscos en tan⁡\tantan leveren periodieke grafieken die je met de standaardvorm y=asin⁡(b(x−c))+dy=a\sin\bigl(b(x-c)\bigr)+dy=asin(b(x−c))+d transformeert. Je lost goniometrische vergelijkingen op met de periodiciteit en differentieert en primitiveert sinus en cosinus.

5 Onderdelen·~20 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Standaard 2 · Verdieping 3

T·111111 / 16
Examenprofiel
D1 · Radialen en de eenheidscirkel; \cosθen \sinθals coördinatenDe functies \sin, \cos en \tan, hun grafieken en eigenschappenTransformaties van sinusoïden: amplitude, periode, evenwichtslijn, faseverschuivingGoniometrische vergelijkingen oplossen en \sin/\cos differentiëren en primitiveren
Operatoren:berekenbepaallos optoon aandifferentieerschetsleid af

basisniveau

Radialen, de eenheidscirkel, de goniometrische functies en hun transformaties horen tot de centraal-examenstof van domein D.

verhoogd niveau

Verdieping zit in het oplossen van goniometrische vergelijkingen met alle oplossingen (via periodiciteit), in de faseverschuiving bij het opstellen van een sinusformule, en in het combineren van de kettingregel met de goniometrische afgeleiden.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 5 onderdelen▾
  1. Goniometrische functies en radialen
    • 01Radialen en de eenheidscirkel◐
    • 02De functies sinus, cosinus en tangens◐
    • 03Transformaties van sinusoïden●
    • 04Goniometrische vergelijkingen●
    • 05Afgeleiden en primitieven van sinus en cosinus●
§ 01

Radialen en de eenheidscirkel#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-b-domein-D

Kernpunten

In de analyse meet je hoeken niet in graden maar in radialen. Eén radiaal is de hoek die op de eenheidscirkel (straal 111) een boog van lengte 111 afsnijdt. Omdat de hele omtrek 2π2\pi2π is, komt een volledige draai (360∘360^{\circ}360∘) overeen met 2π2\pi2π rad; daaruit volgt 180∘=π180^{\circ}=\pi180∘=π rad, 90∘=π290^{\circ}=\dfrac{\pi}{2}90∘=2π​ rad, 60∘=π360^{\circ}=\dfrac{\pi}{3}60∘=3π​ rad en 30∘=π630^{\circ}=\dfrac{\pi}{6}30∘=6π​ rad. Radialen zijn de natuurlijke maat voor goniometrische functies, want alleen in radialen gelden de eenvoudige afgeleiden ddxsin⁡x=cos⁡x\dfrac{d}{dx}\sin x=\cos xdxd​sinx=cosx en ddxcos⁡x=−sin⁡x\dfrac{d}{dx}\cos x=-\sin xdxd​cosx=−sinx.
De eenheidscirkel is het hart van de goniometrie. Draai je een punt over een hoek θ\thetaθ (in radialen) tegen de klok in vanaf de positieve xxx-as, dan zijn de coördinaten van dat draaipunt precies (cos⁡θ,sin⁡θ)(\cos\theta,\sin\theta)(cosθ,sinθ). In Afb. 1 ligt het draaipunt PPP op (0,6; 0,8)(0{,}6;\,0{,}8)(0,6;0,8): dan is cos⁡θ=0,6\cos\theta=0{,}6cosθ=0,6 (de xxx-coördinaat) en sin⁡θ=0,8\sin\theta=0{,}8sinθ=0,8 (de yyy-coördinaat). Deze definitie — cosinus is de xxx-coördinaat, sinus de yyy-coördinaat op de eenheidscirkel — geldt voor élke hoek, ook groter dan 90∘90^{\circ}90∘ of negatief, en breidt de vertrouwde driehoeksdefinitie uit tot alle draaihoeken.

Cosinus en sinus als coördinaten op de eenheidscirkel

Eenheidscirkel: cos θ en sin θGeometrische Zeichnung, O, A, P(0,6; 0,8), r = 1OAP(0,6; 0,8)x1x2r = 1θ
Afb. 1Afb. 1 — Op de eenheidscirkel is het draaipunt P = (cos θ, sin θ). Hier P = (0,6; 0,8), dus cos θ = 0,6 en sin θ = 0,8.
Uit de eenheidscirkel volgen meteen de belangrijkste eigenschappen. Omdat het punt op de cirkel met straal 111 ligt, geldt de grondformule van de goniometrie sin⁡2θ+cos⁡2θ=1\sin^{2}\theta+\cos^{2}\theta=1sin2θ+cos2θ=1 (dat is de stelling van Pythagoras op de eenheidscirkel). De tekens van sinus en cosinus hangen af van het kwadrant: in het tweede kwadrant is cos⁡<0\cos<0cos<0 en sin⁡>0\sin>0sin>0, in het derde beide negatief, enzovoort. En omdat je na een volle draai weer op hetzelfde punt staat, zijn de functies periodiek met periode 2π2\pi2π: sin⁡(θ+2π)=sin⁡θ\sin(\theta+2\pi)=\sin\thetasin(θ+2π)=sinθ.
Een handvol standaardhoeken hoor je exact te kennen, want ze komen op het examen zonder rekenmachine terug. Zo is sin⁡π6=12\sin\dfrac{\pi}{6}=\dfrac{1}{2}sin6π​=21​, cos⁡π6=123\cos\dfrac{\pi}{6}=\dfrac{1}{2}\sqrt{3}cos6π​=21​3​, sin⁡π4=cos⁡π4=122\sin\dfrac{\pi}{4}=\cos\dfrac{\pi}{4}=\dfrac{1}{2}\sqrt{2}sin4π​=cos4π​=21​2​, sin⁡π3=123\sin\dfrac{\pi}{3}=\dfrac{1}{2}\sqrt{3}sin3π​=21​3​ en cos⁡π3=12\cos\dfrac{\pi}{3}=\dfrac{1}{2}cos3π​=21​. Deze exacte waarden leid je af uit de eenheidscirkel of uit de speciale rechthoekige driehoeken (de half-gelijkzijdige en de gelijkbenige). Ze zijn de bouwstenen om goniometrische vergelijkingen exact op te lossen. Het omrekenen tussen graden en radialen (rad=π180∘⋅graden\text{rad}=\dfrac{\pi}{180^{\circ}}\cdot\text{graden}rad=180∘π​⋅graden) is daarbij een routinehandeling die je vlot moet beheersen.
De eenheidscirkel maakt niet alleen de definities helder, maar ook het periodieke en symmetrische gedrag dat de grafieken van sin⁡\sinsin en cos⁡\coscos verklaart. Draai je een extra 2π2\pi2π, dan verandert er niets (periodiciteit). Spiegel je de hoek in de xxx-as (θ→−θ\theta\to-\thetaθ→−θ), dan blijft de xxx-coördinaat gelijk maar keert de yyy-coördinaat om: cos⁡(−θ)=cos⁡θ\cos(-\theta)=\cos\thetacos(−θ)=cosθ (cosinus is even) en sin⁡(−θ)=−sin⁡θ\sin(-\theta)=-\sin\thetasin(−θ)=−sinθ (sinus is oneven). Zulke symmetrieën, direct afleesbaar op de cirkel, gebruik je bij het vereenvoudigen van goniometrische uitdrukkingen en bij het vinden van alle oplossingen van een vergelijking.
2π rad=360∘rad=π180∘⋅graden2\pi\ \text{rad}=360^{\circ}\qquad \text{rad}=\frac{\pi}{180^{\circ}}\cdot\text{graden}2π rad=360∘rad=180∘π​⋅graden

Radialen

Een volledige draai is 2π2\pi2π rad; reken graden naar radialen met de factor π180∘\tfrac{\pi}{180^{\circ}}180∘π​.

P=(cos⁡θ, sin⁡θ)op de eenheidscirkel,sin⁡2θ+cos⁡2θ=1P=(\cos\theta,\ \sin\theta)\quad\text{op de eenheidscirkel},\qquad \sin^{2}\theta+\cos^{2}\theta=1P=(cosθ, sinθ)op de eenheidscirkel,sin2θ+cos2θ=1

Eenheidscirkel

Cosinus en sinus zijn de xxx- en yyy-coördinaat van het draaipunt; hun kwadraten tellen op tot 111.

Uitgewerkt voorbeeld

Graden en radialen, en een exacte waarde

Reken 150∘150^{\circ}150∘ om naar radialen en bepaal exact sin⁡150∘\sin 150^{\circ}sin150∘ en cos⁡150∘\cos 150^{\circ}cos150∘.

  1. 01Omrekenen naar radialen

    Gebruik de factor π180∘\tfrac{\pi}{180^{\circ}}180∘π​.

    150∘=150⋅π180=5π6 rad150^{\circ}=150\cdot\frac{\pi}{180}=\frac{5\pi}{6}\ \text{rad}150∘=150⋅180π​=65π​ rad
  2. 02Kwadrant bepalen

    5π6\tfrac{5\pi}{6}65π​ ligt in het tweede kwadrant: daar is sin⁡>0\sin>0sin>0 en cos⁡<0\cos<0cos<0. De referentiehoek is π−5π6=π6\pi-\tfrac{5\pi}{6}=\tfrac{\pi}{6}π−65π​=6π​.

  3. 03Exacte waarden

    Gebruik de standaardwaarden bij π6\tfrac{\pi}{6}6π​ met de tekens van het tweede kwadrant.

    sin⁡5π6=12,cos⁡5π6=−123\sin\tfrac{5\pi}{6}=\tfrac{1}{2},\qquad \cos\tfrac{5\pi}{6}=-\tfrac{1}{2}\sqrt{3}sin65π​=21​,cos65π​=−21​3​

Resultaat: 150∘=5π6150^{\circ}=\dfrac{5\pi}{6}150∘=65π​ rad; sin⁡5π6=12\sin\dfrac{5\pi}{6}=\dfrac{1}{2}sin65π​=21​ en cos⁡5π6=−123\cos\dfrac{5\pi}{6}=-\dfrac{1}{2}\sqrt{3}cos65π​=−21​3​.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: hoeken omrekenen tussen graden en radialen en de standaardhoeken exact kennen.
  • Examendoel: cos⁡θ\cos\thetacosθ en sin⁡θ\sin\thetasinθ als coördinaten op de eenheidscirkel gebruiken, inclusief de tekens per kwadrant.
  • Examendoel: de grondformule sin⁡2θ+cos⁡2θ=1\sin^{2}\theta+\cos^{2}\theta=1sin2θ+cos2θ=1 en de symmetrieën toepassen.

Veelgemaakte fouten

  • In graden blijven rekenen bij de analyse; de afgeleiden ddxsin⁡x=cos⁡x\dfrac{d}{dx}\sin x=\cos xdxd​sinx=cosx gelden alleen in radialen.
  • De tekens per kwadrant vergeten (in het tweede kwadrant is de cosinus negatief).
  • sin⁡\sinsin en cos⁡\coscos verwisselen als yyy- respectievelijk xxx-coördinaat op de cirkel.
  • sin⁡2θ\sin^{2}\thetasin2θ als sin⁡(θ2)\sin(\theta^{2})sin(θ2) lezen; het betekent (sin⁡θ)2(\sin\theta)^{2}(sinθ)2.

Actieve herhaling

Reken 3π4\dfrac{3\pi}{4}43π​ rad om naar graden en bepaal exact sin⁡3π4\sin\dfrac{3\pi}{4}sin43π​ en cos⁡3π4\cos\dfrac{3\pi}{4}cos43π​. Bereken ook tan⁡π3\tan\dfrac{\pi}{3}tan3π​ exact.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde B (VWO) (CvTE / DUO)

§ 02

De functies sinus, cosinus en tangens#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-b-domein-D

De grafieken van y = sin x en y = cos x

y = sin x en y = cos xSchaubild von y = sin x, Nullstellen bei x = 0, 3.142, 6.283, Hochpunkt bei (1.571, 1), Tiefpunkt bei (4.712, -1), y-Achsenabschnitt bei y = 0, im Bereich x von 0 bis 6.283, Schaubild von y = cos x, Nullstellen bei x = 1.571, 4.712, Tiefpunkt bei (3.142, -1), Hochpunkt bei (6.283, 1), y-Achsenabschnitt bei y = 1, im Bereich x von 0 bis 6.283123456−1.5−1−0.50.511.5max sin(0; 1)y = sin xy = cos xyx (rad)
Afb. 2Afb. 1 — y = sin x (doorgetrokken) en y = cos x (gestreept) op [0; 2π]. Amplitude 1, periode 2π; de cosinus is de sinus verschoven over π/2.

Kernpunten

Laat je de hoek xxx (in radialen) vrij variëren, dan worden sin⁡x\sin xsinx en cos⁡x\cos xcosx functies met een golfvormige grafiek. In Afb. 1 staan y=sin⁡xy=\sin xy=sinx en y=cos⁡xy=\cos xy=cosx op [0,2π][0,2\pi][0,2π]. Beide golven hebben amplitude 111 (ze schommelen tussen −1-1−1 en 111), periode 2π2\pi2π (na 2π2\pi2π herhaalt de golf zich) en de xxx-as als evenwichtslijn. De sinus start in de oorsprong (sin⁡0=0\sin 0=0sin0=0) en stijgt; de cosinus start in haar top (cos⁡0=1\cos 0=1cos0=1). De twee golven zijn elkaars horizontale verschuiving over π2\tfrac{\pi}{2}2π​: cos⁡x=sin⁡(x+π2)\cos x=\sin\bigl(x+\tfrac{\pi}{2}\bigr)cosx=sin(x+2π​).
De sinus en de cosinus hebben elk hun karakteristieke punten binnen één periode. Voor y=sin⁡xy=\sin xy=sinx: nulpunten bij x=0,π,2πx=0,\pi,2\pix=0,π,2π, een maximum 111 bij x=π2x=\tfrac{\pi}{2}x=2π​ en een minimum −1-1−1 bij x=3π2x=\tfrac{3\pi}{2}x=23π​. Voor y=cos⁡xy=\cos xy=cosx: een maximum 111 bij x=0x=0x=0 (en 2π2\pi2π), nulpunten bij x=π2x=\tfrac{\pi}{2}x=2π​ en 3π2\tfrac{3\pi}{2}23π​, en een minimum −1-1−1 bij x=πx=\pix=π. Deze „vijf punten per periode” (twee nulpunten, een top, een dal, en het herhaalpunt) zijn genoeg om een sinusoïde snel en correct te schetsen.
Sinus en cosinus zijn symmetrisch: de cosinus is een even functie (cos⁡(−x)=cos⁡x\cos(-x)=\cos xcos(−x)=cosx, symmetrisch in de yyy-as) en de sinus een oneven functie (sin⁡(−x)=−sin⁡x\sin(-x)=-\sin xsin(−x)=−sinx, puntsymmetrisch in de oorsprong). Deze symmetrieën, samen met de periodiciteit, maken dat je de hele grafiek kent zodra je één periode kent. Ze zijn ook rekentechnisch handig: sin⁡(−x)=−sin⁡x\sin(-x)=-\sin xsin(−x)=−sinx en cos⁡(π−x)=−cos⁡x\cos(\pi-x)=-\cos xcos(π−x)=−cosx helpen goniometrische uitdrukkingen te vereenvoudigen zonder rekenmachine.
De tangens tan⁡x=sin⁡xcos⁡x\tan x=\dfrac{\sin x}{\cos x}tanx=cosxsinx​ is de derde goniometrische functie. Haar grafiek verschilt sterk van die van sinus en cosinus: ze heeft periode π\piπ (niet 2π2\pi2π), verticale asymptoten waar cos⁡x=0\cos x=0cosx=0 (bij x=π2+kπx=\tfrac{\pi}{2}+k\pix=2π​+kπ), en loopt tussen twee asymptoten van −∞-\infty−∞ naar +∞+\infty+∞. Meetkundig is tan⁡θ\tan\thetatanθ de richtingscoëfficiënt van de lijn door de oorsprong die hoek θ\thetaθ met de xxx-as maakt. De tangens komt vooral voor bij hoeken tussen lijnen (bijvoorbeeld de hoek van een raaklijn).
De golfvorm van sinus en cosinus maakt ze het natuurlijke gereedschap om periodieke verschijnselen te modelleren: getijden, wisselstroom, temperatuur over de seizoenen, trillingen. In zulke modellen krijgt de golf een amplitude (de uitwijking), een periode (de tijd van één cyclus), een evenwichtslijn (het gemiddelde niveau) en een faseverschuiving (het startmoment) — precies de vier parameters die je in de volgende paragraaf met de standaardtransformatie regelt. Het herkennen van sinus en cosinus als „bouwstenen voor golven” verbindt de zuivere goniometrie met haar toepassingen.
y=sin⁡x: amplitude 1, periode 2π, nulpunten 0,π,2πy=\sin x:\ \text{amplitude }1,\ \text{periode }2\pi,\ \text{nulpunten }0,\pi,2\piy=sinx: amplitude 1, periode 2π, nulpunten 0,π,2π

De sinusgrafiek

De sinus schommelt tussen −1-1−1 en 111 met periode 2π2\pi2π; maximum bij π2\tfrac{\pi}{2}2π​, minimum bij 3π2\tfrac{3\pi}{2}23π​.

tan⁡x=sin⁡xcos⁡x: periode π, asymptoten bij x=π2+kπ\tan x=\frac{\sin x}{\cos x}:\ \text{periode }\pi,\ \text{asymptoten bij }x=\tfrac{\pi}{2}+k\pitanx=cosxsinx​: periode π, asymptoten bij x=2π​+kπ

De tangens

De tangens heeft periode π\piπ en verticale asymptoten waar de cosinus nul wordt.

Uitgewerkt voorbeeld

Karakteristieke punten van een sinusgrafiek

Geef binnen [0,2π][0,2\pi][0,2π] de nulpunten, het maximum en het minimum van y=cos⁡xy=\cos xy=cosx.

  1. 01Maximum en minimum

    De cosinus is 111 waar de hoek 000 (of 2π2\pi2π) is, en −1-1−1 bij π\piπ.

    max 1 bij x=0, 2π;min −1 bij x=π\text{max }1\ \text{bij}\ x=0,\,2\pi;\qquad \text{min }-1\ \text{bij}\ x=\pimax 1 bij x=0,2π;min −1 bij x=π
  2. 02Nulpunten

    De cosinus is nul waar het draaipunt op de yyy-as ligt.

    cos⁡x=0 bij x=π2 en x=3π2\cos x=0\ \text{bij}\ x=\tfrac{\pi}{2}\ \text{en}\ x=\tfrac{3\pi}{2}cosx=0 bij x=2π​ en x=23π​

Resultaat: Nulpunten x=π2,3π2x=\tfrac{\pi}{2},\tfrac{3\pi}{2}x=2π​,23π​; maximum 111 bij x=0x=0x=0 en 2π2\pi2π; minimum −1-1−1 bij x=πx=\pix=π.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de grafieken van sin⁡\sinsin, cos⁡\coscos en tan⁡\tantan met hun amplitude, periode, nulpunten en asymptoten kennen en schetsen.
  • Examendoel: de symmetrie (cosinus even, sinus oneven) en het verband cos⁡x=sin⁡(x+π2)\cos x=\sin(x+\tfrac{\pi}{2})cosx=sin(x+2π​) gebruiken.
  • Examendoel: sinus en cosinus herkennen als bouwstenen voor periodieke modellen.

Veelgemaakte fouten

  • De periode van de tangens (π\piπ) verwarren met die van sinus en cosinus (2π2\pi2π).
  • De grafieken van sinus en cosinus verwisselen (de sinus start in 000, de cosinus in 111).
  • Bij de tangens de verticale asymptoten (waar cos⁡x=0\cos x=0cosx=0) vergeten.
  • De hoek in graden invullen bij een grafiek die in radialen is uitgezet.

Actieve herhaling

Schets y=sin⁡xy=\sin xy=sinx en y=tan⁡xy=\tan xy=tanx op [0,2π][0,2\pi][0,2π]. Geef bij de tangens de verticale asymptoten en bij de sinus de nulpunten, het maximum en het minimum.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde B (VWO) (CvTE / DUO)

§ 03

Transformaties van sinusoïden#

●●●VerdiepingLPexamenblad-wiskunde-b-domein-D

De sinusoïde y = 2 sin x + 1

y = 2 sin x + 1Schaubild von y = sin x, Nullstellen bei x = 0, 3.142, 6.283, Hochpunkt bei (1.571, 1), Tiefpunkt bei (4.712, -1), y-Achsenabschnitt bei y = 0, im Bereich x von 0 bis 6.283, Schaubild von y = 2 sin x + 1, Nullstellen bei x = 3.665, 5.76, Hochpunkt bei (1.571, 3), Tiefpunkt bei (4.712, -1), y-Achsenabschnitt bei y = 1, im Bereich x von 0 bis 6.283123456−2−11234max = 3evenwichtslijn y = 1y = sin xy = 2 sin x + 1yx (rad)
Afb. 3Afb. 1 — y = 2 sin x + 1 (doorgetrokken) heeft amplitude 2 en evenwichtslijn y = 1; de basisgolf y = sin x (gestreept) heeft amplitude 1 en evenwichtslijn y = 0.

Kernpunten

Een algemene sinusoïde schrijf je in de standaardvorm y=asin⁡(b(x−c))+dy=a\sin\bigl(b(x-c)\bigr)+dy=asin(b(x−c))+d, waarin de vier parameters elk een eigen kenmerk regelen. aaa is de amplitude: de halve afstand tussen top en dal, dus ∣a∣|a|∣a∣ (bij a<0a<0a<0 is de golf bovendien in de evenwichtslijn gespiegeld). ddd is de evenwichtslijn: het gemiddelde niveau y=dy=dy=d waaromheen de golf schommelt. In Afb. 1 staat y=2sin⁡x+1y=2\sin x+1y=2sinx+1: amplitude 222 (schommelt tussen −1-1−1 en 333) en evenwichtslijn y=1y=1y=1, vergeleken met de basisgolf y=sin⁡xy=\sin xy=sinx.
De parameter bbb regelt de periode. Omdat de sinus zich herhaalt na 2π2\pi2π in zijn argument, herhaalt sin⁡(b(x−c))\sin\bigl(b(x-c)\bigr)sin(b(x−c)) zich als b(x−c)b(x-c)b(x−c) met 2π2\pi2π toeneemt, dus na een xxx-toename van 2πb\dfrac{2\pi}{b}b2π​. De periode is dan periode=2πb\text{periode}=\dfrac{2\pi}{b}periode=b2π​. Een grotere bbb geeft een kortere periode (de golf wordt „ingedrukt”), precies de horizontale vermenigvuldiging uit het onderwerp transformaties. Uit een gegeven periode PPP vind je omgekeerd b=2πPb=\dfrac{2\pi}{P}b=P2π​ — de manier waarop je bij het opstellen van een sinusmodel de bbb berekent.
De parameter ccc is de horizontale (fase)verschuiving: de golf is ccc naar rechts opgeschoven. Let op: de bbb moet buiten haakjes staan (de vorm b(x−c)b(x-c)b(x−c)) voordat je ccc afleest. Staat er bijvoorbeeld sin⁡(2x−π)\sin(2x-\pi)sin(2x−π), dan haal je eerst de 222 buiten haakjes: sin⁡(2(x−π2))\sin\bigl(2(x-\tfrac{\pi}{2})\bigr)sin(2(x−2π​)), waaruit c=π2c=\tfrac{\pi}{2}c=2π​ (en niet π\piπ). Deze „buiten haakjes halen”-stap is precies dezelfde als bij de samengestelde transformaties, en het vergeten ervan is de meest gemaakte fout bij de faseverschuiving.
Bij het schetsen van een sinusoïde gebruik je de vier parameters systematisch: teken eerst de evenwichtslijn y=dy=dy=d, bepaal met de amplitude ∣a∣|a|∣a∣ het maximum (d+∣a∣d+|a|d+∣a∣) en het minimum (d−∣a∣d-|a|d−∣a∣), bereken de periode 2πb\dfrac{2\pi}{b}b2π​, en verschuif het startpunt met ccc. De vijf karakteristieke punten per periode (twee snijpunten met de evenwichtslijn, een top, een dal, en het herhaalpunt) plaats je dan op de juiste plaatsen en verbind je met een vloeiende golf. Zo krijg je uit het voorschrift snel een correcte schets — en omgekeerd uit een gegeven golf het voorschrift.
Het opstellen van een sinusformule uit een beschreven situatie is een kernvaardigheid. Uit de gegeven grootste en kleinste waarde bereken je de amplitude a=max−min2a=\dfrac{\text{max}-\text{min}}{2}a=2max−min​ en de evenwichtslijn d=max+min2d=\dfrac{\text{max}+\text{min}}{2}d=2max+min​; uit de periode PPP volgt b=2πPb=\dfrac{2\pi}{P}b=P2π​; en uit het moment waarop de golf een bekende waarde bereikt (bijvoorbeeld het maximum), bepaal je de faseverschuiving ccc. Zo modelleer je getijden, temperaturen of trillingen met één formule. Een nette uitwerking benoemt alle vier de parameters en controleert of de opgestelde formule de gegeven waarden reproduceert.
y=asin⁡(b(x−c))+dy=a\sin\bigl(b(x-c)\bigr)+dy=asin(b(x−c))+d

Algemene sinusoïde

aaa amplitude, ddd evenwichtslijn, ccc faseverschuiving (naar rechts), bbb regelt de periode.

periode=2πb,a=max−min2,d=max+min2\text{periode}=\frac{2\pi}{b},\qquad a=\frac{\text{max}-\text{min}}{2},\qquad d=\frac{\text{max}+\text{min}}{2}periode=b2π​,a=2max−min​,d=2max+min​

Parameters uit de gegevens

Uit de periode volgt bbb; uit maximum en minimum volgen de amplitude en de evenwichtslijn.

Uitgewerkt voorbeeld

Een sinusformule opstellen

Het waterpeil in een haven schommelt tussen 111 m (laagwater) en 555 m (hoogwater) met een periode van 121212 uur; hoogwater is op t=3t=3t=3 uur. Stel een formule h(t)=asin⁡(b(t−c))+dh(t)=a\sin\bigl(b(t-c)\bigr)+dh(t)=asin(b(t−c))+d op.

  1. 01Amplitude en evenwichtslijn

    Bereken aaa en ddd uit hoog- en laagwater.

    a=5−12=2,d=5+12=3a=\frac{5-1}{2}=2,\qquad d=\frac{5+1}{2}=3a=25−1​=2,d=25+1​=3
  2. 02b uit de periode

    Gebruik b=2πPb=\dfrac{2\pi}{P}b=P2π​ met P=12P=12P=12.

    b=2π12=π6b=\frac{2\pi}{12}=\frac{\pi}{6}b=122π​=6π​
  3. 03Faseverschuiving c

    De sinus bereikt haar maximum een kwart periode na t=ct=ct=c; met hoogwater op t=3t=3t=3 en een kwart periode =3=3=3 uur volgt c=0c=0c=0. (Controle: h(3)=2sin⁡(π6⋅3)+3=2sin⁡π2+3=5h(3)=2\sin(\tfrac{\pi}{6}\cdot 3)+3=2\sin\tfrac{\pi}{2}+3=5h(3)=2sin(6π​⋅3)+3=2sin2π​+3=5, hoogwater.)

    h(t)=2sin⁡(π6 t)+3h(t)=2\sin\Bigl(\tfrac{\pi}{6}\,t\Bigr)+3h(t)=2sin(6π​t)+3

Resultaat: h(t)=2sin⁡(π6t)+3h(t)=2\sin\bigl(\tfrac{\pi}{6}t\bigr)+3h(t)=2sin(6π​t)+3 (in meters, ttt in uren).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: uit een sinusformule de amplitude, periode (2πb\tfrac{2\pi}{b}b2π​), evenwichtslijn en faseverschuiving aflezen en de golf schetsen.
  • Examendoel: een sinusformule opstellen uit gegeven maximum, minimum, periode en fase.
  • Examendoel: de faseverschuiving correct bepalen door eerst bbb buiten haakjes te halen.

Veelgemaakte fouten

  • De faseverschuiving aflezen zonder eerst bbb buiten haakjes te halen (sin⁡(2x−π)\sin(2x-\pi)sin(2x−π) heeft c=π2c=\tfrac{\pi}{2}c=2π​, niet π\piπ).
  • De periode als bbb nemen in plaats van 2πb\dfrac{2\pi}{b}b2π​.
  • De amplitude verwarren met de afstand tussen top en dal (dat is 2∣a∣2|a|2∣a∣, de amplitude is ∣a∣|a|∣a∣).
  • De evenwichtslijn vergeten en de golf om de xxx-as tekenen in plaats van om y=dy=dy=d.

Actieve herhaling

Gegeven y=3sin⁡(2(x−π4))−1y=3\sin\bigl(2(x-\tfrac{\pi}{4})\bigr)-1y=3sin(2(x−4π​))−1. Bepaal de amplitude, de periode, de evenwichtslijn en de faseverschuiving, en schets één periode.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde B (VWO) (CvTE / DUO)

§ 04

Goniometrische vergelijkingen#

●●●VerdiepingLPexamenblad-wiskunde-b-domein-D

De vergelijking sin x = ½ grafisch

sin x = ½Schaubild von y = sin x, Nullstellen bei x = 0, 3.142, 6.283, Hochpunkt bei (1.571, 1), Tiefpunkt bei (4.712, -1), y-Achsenabschnitt bei y = 0, im Bereich x von 0 bis 6.283123456−1.5−1−0.50.511.5x = π/6x = 5π/6y = ½y = sin xyx (rad)
Afb. 4Afb. 1 — sin x = ½ op [0; 2π]: de lijn y = ½ snijdt de sinusgolf bij x = π/6 ≈ 0,52 en x = 5π/6 ≈ 2,62.

Kernpunten

Een goniometrische vergelijking als sin⁡x=12\sin x=\tfrac{1}{2}sinx=21​ heeft, door de periodiciteit, oneindig veel oplossingen. Je vindt ze in twee stappen: bepaal eerst één oplossing (de „basishoek”) uit een bekende waarde of de eenheidscirkel, en gebruik dan de symmetrie en periodiciteit om alle andere te vinden. In Afb. 1 zie je sin⁡x=12\sin x=\tfrac{1}{2}sinx=21​: de horizontale lijn y=12y=\tfrac{1}{2}y=21​ snijdt de sinusgolf binnen [0,2π][0,2\pi][0,2π] tweemaal, bij x=π6x=\tfrac{\pi}{6}x=6π​ en x=5π6x=\tfrac{5\pi}{6}x=65π​. Op de eenheidscirkel corresponderen die met de twee punten op dezelfde hoogte 12\tfrac{1}{2}21​.
De algemene oplossing van sin⁡x=sin⁡α\sin x=\sin\alphasinx=sinα is x=α+k⋅2πx=\alpha+k\cdot 2\pix=α+k⋅2π of x=π−α+k⋅2πx=\pi-\alpha+k\cdot 2\pix=π−α+k⋅2π (met kkk een geheel getal), want de sinus neemt dezelfde waarde aan bij een hoek α\alphaα en bij zijn „spiegelhoek” π−α\pi-\alphaπ−α, en beide herhalen zich elke 2π2\pi2π. Voor de cosinus geldt cos⁡x=cos⁡α⇒x=α+k⋅2π\cos x=\cos\alpha\Rightarrow x=\alpha+k\cdot 2\picosx=cosα⇒x=α+k⋅2π of x=−α+k⋅2πx=-\alpha+k\cdot 2\pix=−α+k⋅2π. Voor de tangens (periode π\piπ): tan⁡x=tan⁡α⇒x=α+k⋅π\tan x=\tan\alpha\Rightarrow x=\alpha+k\cdot\pitanx=tanα⇒x=α+k⋅π. Deze algemene-oplossingsformules zijn het gereedschap om álle oplossingen te geven; welke je nodig hebt, hangt af van de functie in de vergelijking.
Meestal vraagt een opgave de oplossingen binnen een bepaald interval, bijvoorbeeld [0,2π][0,2\pi][0,2π] of [0,360∘][0,360^{\circ}][0,360∘]. Dan stel je de algemene oplossing op en kies je de gehele waarden van kkk die een oplossing binnen het interval geven. Voor sin⁡x=12\sin x=\tfrac{1}{2}sinx=21​ op [0,2π][0,2\pi][0,2π] geeft x=π6+k⋅2πx=\tfrac{\pi}{6}+k\cdot 2\pix=6π​+k⋅2π alleen π6\tfrac{\pi}{6}6π​ (voor k=0k=0k=0), en x=π−π6+k⋅2π=5π6+k⋅2πx=\pi-\tfrac{\pi}{6}+k\cdot 2\pi=\tfrac{5\pi}{6}+k\cdot 2\pix=π−6π​+k⋅2π=65π​+k⋅2π alleen 5π6\tfrac{5\pi}{6}65π​. De twee oplossingen π6\tfrac{\pi}{6}6π​ en 5π6\tfrac{5\pi}{6}65π​ zijn precies de snijpunten in de figuur. Vergeet nooit de tweede reeks oplossingen — beide takken meenemen is essentieel.
Vaak staat de vergelijking niet meteen in de vorm sin⁡(…)=waarde\sin(\ldots)=\text{waarde}sin(…)=waarde en moet je eerst herleiden. Een vergelijking als 2sin⁡x−1=02\sin x-1=02sinx−1=0 herschrijf je tot sin⁡x=12\sin x=\tfrac{1}{2}sinx=21​. Een vergelijking met een samengesteld argument als cos⁡(2x)=0\cos(2x)=0cos(2x)=0 los je op door eerst 2x2x2x als één geheel te behandelen (2x=π2+kπ2x=\tfrac{\pi}{2}+k\pi2x=2π​+kπ) en dan door 222 te delen (x=π4+kπ2x=\tfrac{\pi}{4}+k\tfrac{\pi}{2}x=4π​+k2π​); let erop dat het interval voor 2x2x2x dan tweemaal zo groot is, zodat er meer oplossingen zijn. En een vergelijking met zowel sin⁡\sinsin als cos⁡\coscos herleid je soms met de grondformule sin⁡2x+cos⁡2x=1\sin^{2}x+\cos^{2}x=1sin2x+cos2x=1 tot één functie.
Bij goniometrische vergelijkingen tellen zorgvuldigheid en volledigheid extra zwaar, omdat er meerdere oplossingen zijn. Controleer altijd: heb je beide takken (bij sinus en cosinus) meegenomen? Heb je bij een samengesteld argument het interval mee opgeschaald? Vallen alle gevonden oplossingen binnen het gevraagde interval? Een grafische controle — teken de golf en de horizontale lijn en tel de snijpunten — is een betrouwbare manier om te zien of je het juiste aantal oplossingen hebt. Deze combinatie van algebraïsch oplossen en grafisch controleren voorkomt de klassieke fout van „een halve set oplossingen”.
sin⁡x=sin⁡α  ⇒  x=α+k⋅2π of x=π−α+k⋅2π\sin x=\sin\alpha\;\Rightarrow\; x=\alpha+k\cdot 2\pi\ \text{of}\ x=\pi-\alpha+k\cdot 2\pisinx=sinα⇒x=α+k⋅2π of x=π−α+k⋅2π

Algemene oplossing (sinus)

De sinus neemt dezelfde waarde aan bij α\alphaα en bij π−α\pi-\alphaπ−α; beide herhalen zich elke 2π2\pi2π.

cos⁡x=cos⁡α  ⇒  x=±α+k⋅2π,tan⁡x=tan⁡α  ⇒  x=α+k⋅π\cos x=\cos\alpha\;\Rightarrow\; x=\pm\alpha+k\cdot 2\pi,\qquad \tan x=\tan\alpha\;\Rightarrow\; x=\alpha+k\cdot\picosx=cosα⇒x=±α+k⋅2π,tanx=tanα⇒x=α+k⋅π

Algemene oplossing (cosinus, tangens)

De cosinus is even (dus ±α\pm\alpha±α); de tangens heeft periode π\piπ.

Uitgewerkt voorbeeld

Een goniometrische vergelijking oplossen op een interval

Los op: 2cos⁡x+1=02\cos x+1=02cosx+1=0 voor x∈[0,2π]x\in[0,2\pi]x∈[0,2π].

  1. 01Herleiden

    Isoleer de cosinus.

    cos⁡x=−12\cos x=-\tfrac{1}{2}cosx=−21​
  2. 02Basishoek

    cos⁡α=−12\cos\alpha=-\tfrac{1}{2}cosα=−21​ geeft de referentiehoek π3\tfrac{\pi}{3}3π​; in het tweede en derde kwadrant is de cosinus negatief.

    α=π−π3=2π3\alpha=\pi-\tfrac{\pi}{3}=\tfrac{2\pi}{3}α=π−3π​=32π​
  3. 03Algemene oplossing en interval

    Gebruik x=±α+k⋅2πx=\pm\alpha+k\cdot 2\pix=±α+k⋅2π en kies de oplossingen in [0,2π][0,2\pi][0,2π].

    x=2π3 of x=2π−2π3=4π3x=\tfrac{2\pi}{3}\ \text{of}\ x=2\pi-\tfrac{2\pi}{3}=\tfrac{4\pi}{3}x=32π​ of x=2π−32π​=34π​

Resultaat: x=2π3x=\dfrac{2\pi}{3}x=32π​ en x=4π3x=\dfrac{4\pi}{3}x=34π​.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: goniometrische vergelijkingen oplossen met de algemene-oplossingsformules en alle oplossingen binnen het gevraagde interval geven.
  • Examendoel: beide takken (bij sinus en cosinus) meenemen en bij een samengesteld argument het interval mee opschalen.
  • Examendoel: de oplossingen grafisch controleren door de golf en de horizontale lijn te tekenen.

Veelgemaakte fouten

  • Slechts één van de twee oplossingsreeksen geven (de spiegelhoek π−α\pi-\alphaπ−α of −α-\alpha−α vergeten).
  • Bij een samengesteld argument (zoals cos⁡2x\cos 2xcos2x) niet delen door de factor, of het interval niet opschalen.
  • De periode van de tangens (π\piπ) verwarren met 2π2\pi2π.
  • Oplossingen buiten het gevraagde interval meenemen, of oplossingen binnen het interval missen.

Actieve herhaling

Los op voor x∈[0,2π]x\in[0,2\pi]x∈[0,2π]: (a) 2sin⁡x−3=02\sin x-\sqrt{3}=02sinx−3​=0; (b) cos⁡(2x)=12\cos(2x)=\tfrac{1}{2}cos(2x)=21​ (let op het opschalen van het interval).

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde B (VWO) (CvTE / DUO)

§ 05

Afgeleiden en primitieven van sinus en cosinus#

●●●VerdiepingLPexamenblad-wiskunde-b-domein-DLPexamenblad-wiskunde-b-subdomein-C1

sin x en zijn afgeleide cos x

sin x en zijn afgeleide cos xSchaubild von y = sin x, Nullstellen bei x = 0, 3.142, 6.283, Hochpunkt bei (1.571, 1), Tiefpunkt bei (4.712, -1), y-Achsenabschnitt bei y = 0, im Bereich x von 0 bis 6.283, Schaubild von y = cos x = (sin x)', Nullstellen bei x = 1.571, 4.712, Tiefpunkt bei (3.142, -1), Hochpunkt bei (6.283, 1), y-Achsenabschnitt bei y = 1, im Bereich x von 0 bis 6.283123456−1.5−1−0.50.511.5top sincos = 0y = sin xy = cos x = (sinx)'yx (rad)
Afb. 5Afb. 1 — y = sin x (doorgetrokken) en zijn afgeleide y = cos x (gestreept). Bij de top van sin (x = π/2) is cos = 0: daar is de helling van de sinus nul.

Kernpunten

De sinus en de cosinus hebben eenvoudige, elkaars „ronddraaiende” afgeleiden: ddxsin⁡x=cos⁡x\dfrac{d}{dx}\sin x=\cos xdxd​sinx=cosx en ddxcos⁡x=−sin⁡x\dfrac{d}{dx}\cos x=-\sin xdxd​cosx=−sinx. Deze regels gelden alleen als xxx in radialen is — dát is de diepere reden waarom radialen de natuurlijke hoekmaat van de analyse zijn. In Afb. 1 staan sin⁡x\sin xsinx en zijn afgeleide cos⁡x\cos xcosx samen: waar de sinus haar maximum bereikt (bij x=π2x=\tfrac{\pi}{2}x=2π​), is haar helling nul, en inderdaad is daar cos⁡π2=0\cos\tfrac{\pi}{2}=0cos2π​=0. De cosinusgrafiek is dus letterlijk de hellingfunctie van de sinus.
Met de kettingregel breid je deze afgeleiden uit naar samengestelde goniometrische functies: ddxsin⁡(g(x))=cos⁡(g(x))⋅g′(x)\dfrac{d}{dx}\sin\bigl(g(x)\bigr)=\cos\bigl(g(x)\bigr)\cdot g'(x)dxd​sin(g(x))=cos(g(x))⋅g′(x) en ddxcos⁡(g(x))=−sin⁡(g(x))⋅g′(x)\dfrac{d}{dx}\cos\bigl(g(x)\bigr)=-\sin\bigl(g(x)\bigr)\cdot g'(x)dxd​cos(g(x))=−sin(g(x))⋅g′(x). Zo is ddxsin⁡(3x)=3cos⁡(3x)\dfrac{d}{dx}\sin(3x)=3\cos(3x)dxd​sin(3x)=3cos(3x) en ddxcos⁡(x2)=−2xsin⁡(x2)\dfrac{d}{dx}\cos(x^{2})=-2x\sin(x^{2})dxd​cos(x2)=−2xsin(x2). Voor een algemene sinusoïde y=asin⁡(b(x−c))+dy=a\sin\bigl(b(x-c)\bigr)+dy=asin(b(x−c))+d geeft dat dydx=abcos⁡(b(x−c))\dfrac{dy}{dx}=ab\cos\bigl(b(x-c)\bigr)dxdy​=abcos(b(x−c)) — handig om de steilheid, de snelheid of de extremen van een periodiek model te bepalen.
De primitieven volgen door de afgeleiden achterstevoren te lezen, met aandacht voor het teken: ∫cos⁡x dx=sin⁡x+C\int\cos x\,dx=\sin x+C∫cosxdx=sinx+C en ∫sin⁡x dx=−cos⁡x+C\int\sin x\,dx=-\cos x+C∫sinxdx=−cosx+C. Het minteken bij de primitieve van de sinus is de tegenhanger van het minteken bij de afgeleide van de cosinus, en wordt vaak vergeten. Voor samengestelde vormen deel je door de binnenste factor: ∫cos⁡(bx) dx=1bsin⁡(bx)+C\int\cos(bx)\,dx=\dfrac{1}{b}\sin(bx)+C∫cos(bx)dx=b1​sin(bx)+C en ∫sin⁡(bx) dx=−1bcos⁡(bx)+C\int\sin(bx)\,dx=-\dfrac{1}{b}\cos(bx)+C∫sin(bx)dx=−b1​cos(bx)+C. Deze primitieven heb je nodig om de oppervlakte onder een sinusgolf of de gemiddelde waarde van een periodiek signaal te berekenen.
De afgeleiden en primitieven van sinus en cosinus laten een prachtige cyclus zien: differentieer je sin⁡x\sin xsinx herhaald, dan krijg je cos⁡x\cos xcosx, −sin⁡x-\sin x−sinx, −cos⁡x-\cos x−cosx en na vier keer weer sin⁡x\sin xsinx. Dit „rondje van vier” verklaart waarom sinus en cosinus samen zo natuurlijk trillingen beschrijven: hun afgeleide (de snelheid) is opnieuw een sinusoïde, en hun tweede afgeleide is de functie zelf met een minteken (d2dx2sin⁡x=−sin⁡x\dfrac{d^{2}}{dx^{2}}\sin x=-\sin xdx2d2​sinx=−sinx). Die eigenschap — de tweede afgeleide is min de functie — is de wiskundige handtekening van een harmonische trilling.
In toepassingen gebruik je deze afgeleiden en primitieven om periodieke modellen te analyseren. De afgeleide van een waterstands- of temperatuurmodel geeft de snelheid van stijgen of dalen; nul stellen ervan geeft de momenten van hoog- en laagwater (de extremen). De primitieve geeft de totale opgetelde grootheid over een periode of de oppervlakte onder de golf. Bij het examen wordt gevraagd een goniometrische functie correct te differentiëren (met de kettingregel) of te primitiveren (met de deelfactor 1b\tfrac{1}{b}b1​), en de uitkomst in de context te interpreteren — bijvoorbeeld als de snelheid waarmee het water stijgt op een bepaald tijdstip.
ddxsin⁡x=cos⁡xddxcos⁡x=−sin⁡x\frac{d}{dx}\sin x=\cos x\qquad \frac{d}{dx}\cos x=-\sin xdxd​sinx=cosxdxd​cosx=−sinx

Afgeleiden (in radialen)

De sinus differentieert naar de cosinus, de cosinus naar min de sinus; alleen geldig in radialen.

∫cos⁡x dx=sin⁡x+C∫sin⁡x dx=−cos⁡x+C\int\cos x\,dx=\sin x+C\qquad \int\sin x\,dx=-\cos x+C∫cosxdx=sinx+C∫sinxdx=−cosx+C

Primitieven

De afgeleiden achterstevoren; let op het minteken bij de primitieve van de sinus.

ddxsin⁡(b(x−c))=bcos⁡(b(x−c))\frac{d}{dx}\sin\bigl(b(x-c)\bigr)=b\cos\bigl(b(x-c)\bigr)dxd​sin(b(x−c))=bcos(b(x−c))

Met de kettingregel

De extra factor bbb (de afgeleide van de binnenkant) hoort bij elke samengestelde sinus of cosinus.

Uitgewerkt voorbeeld

Differentiëren en primitiveren van een sinusoïde

Differentieer f(x)=3sin⁡(2x)f(x)=3\sin(2x)f(x)=3sin(2x) en bepaal ∫3sin⁡(2x) dx\int 3\sin(2x)\,dx∫3sin(2x)dx.

  1. 01Differentiëren met de kettingregel

    De afgeleide van sin⁡(2x)\sin(2x)sin(2x) is 2cos⁡(2x)2\cos(2x)2cos(2x) (binnenste factor 222).

    f′(x)=3⋅2cos⁡(2x)=6cos⁡(2x)f'(x)=3\cdot 2\cos(2x)=6\cos(2x)f′(x)=3⋅2cos(2x)=6cos(2x)
  2. 02Primitiveren met de deelfactor

    De primitieve van sin⁡(2x)\sin(2x)sin(2x) is −12cos⁡(2x)-\tfrac{1}{2}\cos(2x)−21​cos(2x) (deel door de binnenste factor 222).

    ∫3sin⁡(2x) dx=3⋅(−12cos⁡(2x))+C=−32cos⁡(2x)+C\int 3\sin(2x)\,dx=3\cdot\Bigl(-\tfrac{1}{2}\cos(2x)\Bigr)+C=-\tfrac{3}{2}\cos(2x)+C∫3sin(2x)dx=3⋅(−21​cos(2x))+C=−23​cos(2x)+C
  3. 03Controle

    Differentieer de primitieve terug: ddx(−32cos⁡(2x))=−32⋅(−sin⁡(2x))⋅2=3sin⁡(2x)\dfrac{d}{dx}\bigl(-\tfrac{3}{2}\cos(2x)\bigr)=-\tfrac{3}{2}\cdot(-\sin(2x))\cdot 2=3\sin(2x)dxd​(−23​cos(2x))=−23​⋅(−sin(2x))⋅2=3sin(2x). Klopt.

Resultaat: f′(x)=6cos⁡(2x)f'(x)=6\cos(2x)f′(x)=6cos(2x) en ∫3sin⁡(2x) dx=−32cos⁡(2x)+C\int 3\sin(2x)\,dx=-\tfrac{3}{2}\cos(2x)+C∫3sin(2x)dx=−23​cos(2x)+C.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: sinus en cosinus differentiëren en primitiveren, ook samengesteld (met de kettingregel respectievelijk de deelfactor 1b\tfrac{1}{b}b1​).
  • Examendoel: de extremen van een periodiek model vinden door de afgeleide nul te stellen.
  • Examendoel: de oppervlakte onder een sinusgolf of een gemiddelde met een primitieve berekenen, met correcte tekens.

Veelgemaakte fouten

  • Het minteken vergeten: ddxcos⁡x=−sin⁡x\dfrac{d}{dx}\cos x=-\sin xdxd​cosx=−sinx en ∫sin⁡x dx=−cos⁡x+C\int\sin x\,dx=-\cos x+C∫sinxdx=−cosx+C.
  • De kettingfactor bbb vergeten bij sin⁡(bx)\sin(bx)sin(bx), of de deelfactor 1b\tfrac{1}{b}b1​ bij de primitieve.
  • Differentiëren of primitiveren met de hoek in graden (de regels gelden alleen in radialen).
  • Bij het primitiveren de sinus en cosinus verwisselen.

Actieve herhaling

Differentieer f(x)=cos⁡(3x)+2sin⁡xf(x)=\cos(3x)+2\sin xf(x)=cos(3x)+2sinx en bepaal ∫(4cos⁡(2x)−sin⁡x) dx\int\bigl(4\cos(2x)-\sin x\bigr)\,dx∫(4cos(2x)−sinx)dx. Bereken daarna ∫0πsin⁡x dx\int_{0}^{\pi}\sin x\,dx∫0π​sinxdx.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde B (VWO) (CvTE / DUO)

Inhoud

Sectie -- / 05

    • 01Radialen en de eenheidscirkel◐
    • 02De functies sinus, cosinus en tangens◐
    • 03Transformaties van sinusoïden●
    • 04Goniometrische vergelijkingen●
    • 05Afgeleiden en primitieven van sinus en cosinus●

0/5 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Goniometrische functies en radialen

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~20
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / DUO

  • Examenblad.nl — wiskunde B (VWO)

Vorig onderwerp

Integraalrekening en primitieven

Volgend onderwerp

Meetkundige vaardigheden (SE)

EuraStudy·Samenvattingen T·11·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.