EuraStudy
Samenvattingen/Wiskunde A/Standaardfuncties
Samenvattingen · Wiskunde ANL · VWO

Standaardfuncties

De zes standaardfuncties — lineair, kwadratisch, macht/wortel, exponentieel, logaritmisch en goniometrisch (de sinusoïde) — vormen de bouwstenen van domein C1. Bij elk type horen een herkenbare formule, een typische grafiekvorm en een set karakteristieke grootheden: richtingscoëfficiënt en startwaarde, top en nulpunten, asymptoot, groeifactor, amplitude, evenwichtslijn en periode. In dit onderwerp leer je elk functietype herkennen aan een formule, grafiek of tabel, de kengetallen bepalen, de grafiek schetsen en het gedrag beschrijven als transformatie (verschuiven en vermenigvuldigen) van een standaardgrafiek.

4 Onderdelen·~24 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0333 / 15
Examenprofiel
Herken het functietype (lineair, kwadratisch, macht/wortel, exponentieel, logaritmisch, goniometrisch) aan een formule, grafiek of tabelBepaal de karakteristieke grootheden: richtingscoëfficiënt, top en nulpunten, asymptoot, groeifactor, amplitude, evenwichtslijn en periodeSchets de grafiek van een standaardfunctie en beschrijf het groei- of afnamegedragBeschrijf en pas transformaties (verschuiven, vermenigvuldigen) van standaardgrafieken toe
Operatoren:berekenbepaalstel opherkenschetsbeschrijfleg uitinterpreteertoon aanlos op

basisniveau

Voor alle wiskunde-A-kandidaten: de zes standaardfuncties herkennen en hun karakteristieke grootheden (rc, top, asymptoot, amplitude, periode) bepalen en interpreteren in een context.

verhoogd niveau

Verdieping: sinusoïden met faseverschuiving opstellen uit een context en grafieken systematisch beschrijven als transformaties van een standaardgrafiek — met de grafische rekenmachine in radialen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Standaardfuncties
    • 01Lineaire en kwadratische functies○
    • 02Machts- en wortelfuncties◐
    • 03Exponentiële en logaritmische functies◐
    • 04Goniometrische functies (sinusoïde) en transformaties●
§ 01

Lineaire en kwadratische functies#

●○○BasisLPexamenblad-wiskunde-a-domein-C1

Kernpunten

De eenvoudigste standaardfuncties zijn de lineaire en de kwadratische functie. In Afb. 1 zie je een bergparabool y=f(x)y = f(x)y=f(x) met daarnaast een rechte lijn: die twee grafiekvormen — een rechte en een symmetrische parabool — horen bij de eerste twee functietypes. Een lineaire functie heeft de vorm y=ax+by = ax + by=ax+b en levert altijd een rechte lijn op; een kwadratische functie heeft de vorm y=ax2+bx+cy = ax^2 + bx + cy=ax2+bx+c (met a≠0a \neq 0a=0) en levert altijd een parabool op. Het herkennen van deze vorm — staat de xxx tot de eerste of tot de tweede macht? — is de eerste stap bij elke functievraag.

Parabool en rechte lijn op één assenstelsel

Parabool y = -0,5x² + 2x + 1 met een rechte lijnSchaubild von y = f(x), Nullstellen bei x = -0.449, 4.449, Hochpunkt bei (2, 3), y-Achsenabschnitt bei y = 1, im Bereich x von -1 bis 5, Schaubild von y = 0,5x + 1, y-Achsenabschnitt bei y = 1, steigend, im Bereich x von -1 bis 5−112345−2−11234top (2, 3)nulpuntnulpunty = f(x)y = 0,5x + 1yx
Afb. 1De parabool y=−0,5x2+2x+1y = -0{,}5x^2 + 2x + 1y=−0,5x2+2x+1 heeft top (2, 3)(2,\ 3)(2, 3) en nulpunten bij x≈−0,45x \approx -0{,}45x≈−0,45 en x≈4,45x \approx 4{,}45x≈4,45; de rechte lijn y=0,5x+1y = 0{,}5x + 1y=0,5x+1 deelt met haar het snijpunt (0, 1)(0,\ 1)(0, 1) op de yyy-as.
Bij y=ax+by = ax + by=ax+b heet aaa de richtingscoëfficiënt (rc): hij geeft de helling, oftewel hoeveel yyy verandert als xxx met 111 toeneemt. Je berekent hem uit twee punten met a=ΔyΔx=y2−y1x2−x1a = \frac{\Delta y}{\Delta x} = \frac{y_2 - y_1}{x_2 - x_1}a=ΔxΔy​=x2​−x1​y2​−y1​​. Is a>0a > 0a>0, dan stijgt de lijn; is a<0a < 0a<0, dan daalt hij; bij a=0a = 0a=0 is de lijn horizontaal. Het getal bbb is de startwaarde: het snijpunt met de yyy-as ligt in (0, b)(0,\ b)(0, b). Het nulpunt (snijpunt met de xxx-as) vind je door ax+b=0ax + b = 0ax+b=0 op te lossen, dus x=−bax = -\frac{b}{a}x=−ab​. Een lineair verband herken je in een tabel aan een constante toename: bij gelijke stappen in xxx komt er telkens hetzelfde bij yyy.
Bij een kwadratische functie y=ax2+bx+cy = ax^2 + bx + cy=ax2+bx+c bepaalt het teken van aaa de opening: bij a>0a > 0a>0 is het een dal-parabool (met een minimum), bij a<0a < 0a<0 een berg-parabool (met een maximum). De top is het hoogste of laagste punt; door de symmetrie van de parabool ligt de xxx-coördinaat van de top precies midden tussen de nulpunten, en die bereken je met xtop=−b2ax_{\text{top}} = -\frac{b}{2a}xtop​=−2ab​. De yyy-coördinaat volgt door deze xxx weer in de formule in te vullen. De verticale lijn x=−b2ax = -\frac{b}{2a}x=−2ab​ door de top is de symmetrieas; het snijpunt met de yyy-as is (0, c)(0,\ c)(0, c).
De nulpunten los je op uit ax2+bx+c=0ax^2 + bx + c = 0ax2+bx+c=0. Dat lukt soms door ontbinden in factoren, en anders altijd met de abc-formule x=−b±b2−4ac2ax = \frac{-b \pm \sqrt{b^2 - 4ac}}{2a}x=2a−b±b2−4ac​​. Het getal onder de wortel, de discriminant D=b2−4acD = b^2 - 4acD=b2−4ac, vertelt hoeveel nulpunten er zijn: bij D>0D > 0D>0 twee, bij D=0D = 0D=0 één (de top raakt de xxx-as), en bij D<0D < 0D<0 geen. Een kwadratisch verband herken je in een tabel aan een constante tweede toename: de toenames van de toenames zijn dan gelijk.
Om een parabool te schetsen heb je genoeg aan de top, de nulpunten en het snijpunt met de yyy-as; door de symmetrie ligt elk punt links van de as gespiegeld ook rechts ervan. Voor grote ∣x∣|x|∣x∣ groeit een kwadratische functie veel sneller dan een lineaire: op den duur wint de x2x^2x2-term het altijd van een xxx-term. Dat verschil in gedrag — een rechte lijn met constante helling tegenover een parabool die steeds steiler wordt — is precies waarom je in een context eerst het functietype vaststelt voordat je gaat rekenen.
y=ax+by = ax + by=ax+b

Lineaire functie

Rechte lijn met richtingscoëfficiënt aaa (helling) en startwaarde bbb; snijpunt met de yyy-as in (0, b)(0,\ b)(0, b).

a=ΔyΔx=y2−y1x2−x1a = \frac{\Delta y}{\Delta x} = \frac{y_2 - y_1}{x_2 - x_1}a=ΔxΔy​=x2​−x1​y2​−y1​​

Richtingscoëfficiënt uit twee punten

De verandering van yyy gedeeld door de verandering van xxx.

y=ax2+bx+cy = ax^2 + bx + cy=ax2+bx+c

Kwadratische functie

Parabool; a>0a > 0a>0 geeft een dal, a<0a < 0a<0 een berg; snijpunt met de yyy-as in (0, c)(0,\ c)(0, c).

xtop=−b2ax_{\text{top}} = -\frac{b}{2a}xtop​=−2ab​

x-coördinaat van de top

Vul deze xxx weer in de formule in voor de yyy-coördinaat; dit is ook de symmetrieas.

x=−b±b2−4ac2a,D=b2−4acx = \frac{-b \pm \sqrt{b^2 - 4ac}}{2a}, \qquad D = b^2 - 4acx=2a−b±b2−4ac​​,D=b2−4ac

abc-formule en discriminant

D>0D > 0D>0: twee nulpunten; D=0D = 0D=0: één; D<0D < 0D<0: geen.

Uitgewerkt voorbeeld

Volledige analyse van een parabool

Gegeven de functie f(x)=x2−4x+3f(x) = x^2 - 4x + 3f(x)=x2−4x+3. Bepaal de coördinaten van de top, de vergelijking van de symmetrieas, de nulpunten en het snijpunt met de yyy-as, en beschrijf de grafiek.

  1. 01Herken de vorm en de coëfficiënten

    fff is kwadratisch met a=1a = 1a=1, b=−4b = -4b=−4 en c=3c = 3c=3. Omdat a=1>0a = 1 > 0a=1>0 opent de parabool naar boven, dus de top is een minimum.

    a=1,b=−4,c=3a = 1, \quad b = -4, \quad c = 3a=1,b=−4,c=3
  2. 02Bereken de x-coördinaat van de top

    Gebruik xtop=−b2ax_{\text{top}} = -\frac{b}{2a}xtop​=−2ab​.

    xtop=−b2a=−−42⋅1=2x_{\text{top}} = -\frac{b}{2a} = -\frac{-4}{2 \cdot 1} = 2xtop​=−2ab​=−2⋅1−4​=2
  3. 03Bereken de y-coördinaat van de top

    Vul x=2x = 2x=2 in de formule in. De symmetrieas is de verticale lijn x=2x = 2x=2.

    f(2)=22−4⋅2+3=4−8+3=−1f(2) = 2^2 - 4 \cdot 2 + 3 = 4 - 8 + 3 = -1f(2)=22−4⋅2+3=4−8+3=−1
  4. 04Bepaal de nulpunten door ontbinden

    Los x2−4x+3=0x^2 - 4x + 3 = 0x2−4x+3=0 op. Zoek twee getallen die vermenigvuldigen tot 333 en optellen tot −4-4−4: dat zijn −1-1−1 en −3-3−3.

    x2−4x+3=(x−1)(x−3)=0 ⇒ x=1 of x=3x^2 - 4x + 3 = (x - 1)(x - 3) = 0 \ \Rightarrow\ x = 1 \ \text{of} \ x = 3x2−4x+3=(x−1)(x−3)=0 ⇒ x=1 of x=3
  5. 05Snijpunt met de y-as

    Vul x=0x = 0x=0 in: dat geeft ccc, dus het snijpunt met de yyy-as is (0, 3)(0,\ 3)(0, 3).

    f(0)=0−0+3=3f(0) = 0 - 0 + 3 = 3f(0)=0−0+3=3

Resultaat: De top is (2, −1)(2,\ -1)(2, −1) (een minimum), de symmetrieas is x=2x = 2x=2, de nulpunten zijn x=1x = 1x=1 en x=3x = 3x=3, en het snijpunt met de yyy-as is (0, 3)(0,\ 3)(0, 3). De grafiek is een dal-parabool door (1, 0)(1,\ 0)(1, 0) en (3, 0)(3,\ 0)(3, 0) met laagste punt (2, −1)(2,\ -1)(2, −1).

Uitgewerkt voorbeeld

Een lineair verband in een context opstellen en gebruiken

Een taxibedrijf rekent  EUR3,50\,\text{EUR}3{,}50EUR3,50 voorrijkosten plus  EUR2,20\,\text{EUR}2{,}20EUR2,20 per gereden kilometer. Stel een formule op voor de kosten KKK (in euro) bij xxx kilometer, geef de richtingscoëfficiënt en de betekenis ervan, bereken de kosten voor een rit van 121212 km, en bepaal bij welke afstand een rit  EUR25,50\,\text{EUR}25{,}50EUR25,50 kost.

  1. 01Stel de lineaire formule op

    De vaste voorrijkosten vormen de startwaarde b=3,50b = 3{,}50b=3,50; de kosten per kilometer vormen de richtingscoëfficiënt a=2,20a = 2{,}20a=2,20.

    K(x)=2,20 x+3,50K(x) = 2{,}20\,x + 3{,}50K(x)=2,20x+3,50
  2. 02Betekenis van de richtingscoëfficiënt

    a=2,20a = 2{,}20a=2,20 betekent dat elke extra kilometer de rit  EUR2,20\,\text{EUR}2{,}20EUR2,20 duurder maakt; b=3,50b = 3{,}50b=3,50 zijn de kosten bij 000 km.

  3. 03Kosten voor 12 km

    Vul x=12x = 12x=12 in.

    K(12)=2,20⋅12+3,50=26,40+3,50=29,90K(12) = 2{,}20 \cdot 12 + 3{,}50 = 26{,}40 + 3{,}50 = 29{,}90K(12)=2,20⋅12+3,50=26,40+3,50=29,90
  4. 04Afstand bij een rit van €25,50

    Los K(x)=25,50K(x) = 25{,}50K(x)=25,50 op door eerst de startwaarde af te trekken en dan te delen door de richtingscoëfficiënt.

    2,20 x+3,50=25,50 ⇒ 2,20 x=22,00 ⇒ x=102{,}20\,x + 3{,}50 = 25{,}50 \ \Rightarrow\ 2{,}20\,x = 22{,}00 \ \Rightarrow\ x = 102,20x+3,50=25,50 ⇒ 2,20x=22,00 ⇒ x=10

Resultaat: De formule is K(x)=2,20x+3,50K(x) = 2{,}20x + 3{,}50K(x)=2,20x+3,50; de richtingscoëfficiënt 2,202{,}202,20 is de prijs per kilometer. Een rit van 121212 km kost  EUR29,90\,\text{EUR}29{,}90EUR29,90, en bij  EUR25,50\,\text{EUR}25{,}50EUR25,50 hoort een afstand van 101010 km.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: bepaal uit een formule, grafiek of twee punten de richtingscoëfficiënt en het snijpunt met de assen van een lineaire functie, en stel de formule op.
  • Examendoel: bepaal de top, de symmetrieas en de nulpunten van een parabool en gebruik de discriminant om het aantal nulpunten te bepalen.
  • Examendoel: herken aan een tabel of context of een verband lineair (constante toename) of kwadratisch (constante tweede toename) is.

Veelgemaakte fouten

  • Het minteken in de topformule x=−b2ax = -\frac{b}{2a}x=−2ab​ vergeten, of delen door aaa in plaats van door 2a2a2a.
  • De richtingscoëfficiënt met de startwaarde verwarren: in y=ax+by = ax + by=ax+b is aaa de helling en bbb de waarde bij x=0x = 0x=0.
  • Alleen de xxx-coördinaat van de top geven: reken de yyy-waarde uit door xtopx_{\text{top}}xtop​ weer in te vullen, anders is het antwoord onvolledig.

Actieve herhaling

Gegeven f(x)=−2x2+8x−3f(x) = -2x^2 + 8x - 3f(x)=−2x2+8x−3. Bepaal de coördinaten van de top, de vergelijking van de symmetrieas en de nulpunten (afgerond op twee decimalen), en schets de grafiek.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)

§ 02

Machts- en wortelfuncties#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-a-domein-C1

Kernpunten

Een machtsfunctie heeft de vorm f(x)=a⋅xnf(x) = a \cdot x^{n}f(x)=a⋅xn: de variabele xxx staat in het grondtal en de macht nnn is een vast getal. In Afb. 2 zie je y=0,5x3y = 0{,}5x^3y=0,5x3 (een oneven macht) samen met y=x2y = x^2y=x2 (een even macht); Afb. 3 toont de wortelfunctie y=2xy = 2\sqrt{x}y=2x​. De grafiekvorm hangt sterk af van nnn: bij een even macht (n=2,4,…n = 2, 4, \dotsn=2,4,…) is de grafiek symmetrisch in de yyy-as en ligt hij (bij a>0a > 0a>0) helemaal boven de xxx-as; bij een oneven macht (n=3,5,…n = 3, 5, \dotsn=3,5,…) is de grafiek puntsymmetrisch in de oorsprong en loopt hij van linksonder naar rechtsboven.

Even en oneven macht: x² en 0,5x³

Oneven macht 0,5x³ tegenover even macht x²Schaubild von y = 0,5x³, Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von -3 bis 3, Schaubild von y = x², Nullstellen bei x = 0, Tiefpunkt bei (0, 0), y-Achsenabschnitt bei y = 0, im Bereich x von -3 bis 3−3−2−1123−10−5510O (0, 0)y = 0,5x³y = x²yx
Afb. 2Een oneven macht (y=0,5x3y = 0{,}5x^3y=0,5x3) is puntsymmetrisch in de oorsprong; een even macht (y=x2y = x^2y=x2) is symmetrisch in de yyy-as. Beide gaan door O(0, 0)O(0,\ 0)O(0, 0).

De wortelfunctie y = 2√x

Wortelfunctie y = 2√xSchaubild von y = 2√x, Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von 0 bis 924681234567y = 2√xyx
Afb. 3De wortelfunctie y=2xy = 2\sqrt{x}y=2x​ heeft domein x≥0x \ge 0x≥0, begint in (0, 0)(0,\ 0)(0, 0) en gaat door (4, 4)(4,\ 4)(4, 4) en (9, 6)(9,\ 6)(9, 6); ze stijgt steeds langzamer.
Het getal aaa rekt de grafiek verticaal uit (en spiegelt hem in de xxx-as als a<0a < 0a<0); de macht nnn bepaalt de vorm en het symmetriegedrag. Formeel geldt bij een even nnn dat f(−x)=f(x)f(-x) = f(x)f(−x)=f(x) (symmetrie in de yyy-as) en bij een oneven nnn dat f(−x)=−f(x)f(-x) = -f(x)f(−x)=−f(x) (puntsymmetrie in de oorsprong). Alle machtsfuncties met a>0a > 0a>0 en n≥1n \ge 1n≥1 gaan door de oorsprong (0, 0)(0,\ 0)(0, 0) en door (1, a)(1,\ a)(1, a). Hoe groter nnn, hoe vlakker de grafiek dicht bij de oorsprong en hoe steiler hij verder weg.
De wortelfunctie y=xy = \sqrt{x}y=x​ is een machtsfunctie met een gebroken exponent: x=x1/2\sqrt{x} = x^{1/2}x​=x1/2. Algemener geldt xn=x1/n\sqrt[n]{x} = x^{1/n}nx​=x1/n. Omdat je van een negatief getal geen (reële) wortel kunt trekken, is het domein van y=axy = a\sqrt{x}y=ax​ beperkt tot x≥0x \ge 0x≥0; het bereik is (bij a>0a > 0a>0) y≥0y \ge 0y≥0. De grafiek begint in de oorsprong en stijgt eerst snel en daarna steeds langzamer — het is precies de spiegeling in de lijn y=xy = xy=x van de rechtertak van de parabool y=x2y = x^2y=x2.
Verwar een machtsfunctie niet met een exponentiële functie: bij xnx^{n}xn staat de variabele in het grondtal en de macht vast, terwijl bij gxg^{x}gx (de volgende paragraaf) de variabele juist in de exponent staat. Machtsverbanden komen bij wiskunde A vaak voor als allometrische modellen: grootheden die met een vaste macht van elkaar afhangen, zoals lichaamsoppervlak en massa via A=c⋅m2/3A = c \cdot m^{2/3}A=c⋅m2/3. Zulke modellen reken je met de rekenmachine door; om de basisvariabele terug te rekenen uit xp=cx^{p} = cxp=c verhef je beide kanten tot de macht 1p\frac{1}{p}p1​.
Bij het schetsen let je op enkele vaste punten en op het gedrag aan de randen. Een machtsfunctie met een even nnn heeft een minimum (of, bij a<0a < 0a<0, een maximum) in de oorsprong; met een oneven nnn heeft hij daar juist een buigend verloop zonder top. Voor grote xxx groeit xnx^{n}xn sneller naarmate nnn groter is, terwijl de wortelfunctie x1/2x^{1/2}x1/2 steeds langzamer stijgt — een macht kleiner dan 111 buigt af naar de xxx-as toe in plaats van steeds steiler te worden.
f(x)=a⋅xnf(x) = a \cdot x^{n}f(x)=a⋅xn

Machtsfunctie

Variabele in het grondtal, vaste macht nnn; door (0, 0)(0,\ 0)(0, 0) en (1, a)(1,\ a)(1, a).

f(−x)=f(x) (even n),f(−x)=−f(x) (oneven n)f(-x) = f(x)\ (\text{even } n), \qquad f(-x) = -f(x)\ (\text{oneven } n)f(−x)=f(x) (even n),f(−x)=−f(x) (oneven n)

Symmetrie van machtsfuncties

Even macht: symmetrisch in de yyy-as; oneven macht: puntsymmetrisch in de oorsprong.

x=x12,xn=x1n\sqrt{x} = x^{\frac{1}{2}}, \qquad \sqrt[n]{x} = x^{\frac{1}{n}}x​=x21​,nx​=xn1​

Wortel als macht

Een wortel is een macht met gebroken exponent; het domein van x\sqrt{x}x​ is x≥0x \ge 0x≥0.

xp=c ⇒ x=c1px^{p} = c \ \Rightarrow\ x = c^{\frac{1}{p}}xp=c ⇒ x=cp1​

Basisvariabele terugrekenen

Verhef beide kanten tot de macht 1p\frac{1}{p}p1​ om xxx vrij te maken.

Uitgewerkt voorbeeld

Rekenen met een wortelfunctie

Gegeven f(x)=2xf(x) = 2\sqrt{x}f(x)=2x​. Bereken f(25)f(25)f(25), bepaal het domein van fff, en los op: voor welke xxx geldt f(x)=7f(x) = 7f(x)=7?

  1. 01Bereken f(25)

    Bereken eerst de wortel: 25=5\sqrt{25} = 525​=5.

    f(25)=225=2⋅5=10f(25) = 2\sqrt{25} = 2 \cdot 5 = 10f(25)=225​=2⋅5=10
  2. 02Bepaal het domein

    Onder het wortelteken mag geen negatief getal staan, dus geldt x≥0x \ge 0x≥0.

    domein: x≥0\text{domein: } x \ge 0domein: x≥0
  3. 03Los f(x) = 7 op

    Deel eerst door 222 en kwadrateer daarna beide kanten.

    2x=7 ⇒ x=3,5 ⇒ x=3,52=12,252\sqrt{x} = 7 \ \Rightarrow\ \sqrt{x} = 3{,}5 \ \Rightarrow\ x = 3{,}5^2 = 12{,}252x​=7 ⇒ x​=3,5 ⇒ x=3,52=12,25

Resultaat: f(25)=10f(25) = 10f(25)=10, het domein is x≥0x \ge 0x≥0, en f(x)=7f(x) = 7f(x)=7 voor x=12,25x = 12{,}25x=12,25.

Uitgewerkt voorbeeld

Een machtsverband (allometrisch model) doorrekenen

Voor het lichaamsoppervlak AAA (in m²) van een zoogdier geldt bij benadering A=0,11⋅m2/3A = 0{,}11 \cdot m^{2/3}A=0,11⋅m2/3, met mmm de massa in kg. a) Bereken AAA voor een dier van 606060 kg. b) Een dier heeft een lichaamsoppervlak van 111 m². Bereken zijn massa.

  1. 01a) Vul m = 60 in

    Bereken 602/360^{2/3}602/3 met de rekenmachine; dat is (603)2≈15,33\left(\sqrt[3]{60}\right)^2 \approx 15{,}33(360​)2≈15,33.

    A=0,11⋅602/3≈0,11⋅15,33≈1,69A = 0{,}11 \cdot 60^{2/3} \approx 0{,}11 \cdot 15{,}33 \approx 1{,}69A=0,11⋅602/3≈0,11⋅15,33≈1,69
  2. 02b) Stel de vergelijking op

    Vul A=1A = 1A=1 in en maak m2/3m^{2/3}m2/3 vrij.

    0,11⋅m2/3=1 ⇒ m2/3=10,11≈9,090{,}11 \cdot m^{2/3} = 1 \ \Rightarrow\ m^{2/3} = \frac{1}{0{,}11} \approx 9{,}090,11⋅m2/3=1 ⇒ m2/3=0,111​≈9,09
  3. 03Maak m vrij

    Verhef beide kanten tot de macht 32\frac{3}{2}23​ — dat is de inverse van 23\frac{2}{3}32​.

    m=9,093/2≈27,4m = 9{,}09^{3/2} \approx 27{,}4m=9,093/2≈27,4

Resultaat: Een dier van 606060 kg heeft een lichaamsoppervlak van ongeveer 1,691{,}691,69 m². Bij een oppervlak van 111 m² hoort een massa van ongeveer 27,427{,}427,4 kg.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: herken een machtsfunctie f(x)=a⋅xnf(x) = a \cdot x^{n}f(x)=a⋅xn en beschrijf de invloed van aaa (verticale rek/spiegeling) en van nnn (even: symmetrisch in de yyy-as; oneven: puntsymmetrisch in de oorsprong).
  • Examendoel: reken met de wortelfunctie als macht met exponent 12\frac{1}{2}21​ en bepaal het domein (x≥0x \ge 0x≥0).
  • Examendoel: gebruik een machtsverband om een grootheid te berekenen of, omgekeerd, de basisvariabele terug te rekenen met de rekenmachine.

Veelgemaakte fouten

  • Een machtsfunctie verwarren met een exponentiële functie: bij xnx^{n}xn staat de variabele in het grondtal, bij gxg^{x}gx in de exponent — dat zijn verschillende functietypes.
  • De wortelfunctie ook voor negatieve xxx invullen: x\sqrt{x}x​ bestaat niet voor x<0x < 0x<0 (het domein is x≥0x \ge 0x≥0).
  • Bij het terugrekenen van m2/3=cm^{2/3} = cm2/3=c vergeten tot de macht 32\frac{3}{2}23​ te verheffen, of 23\frac{2}{3}32​ en 32\frac{3}{2}23​ verwisselen.

Actieve herhaling

Gegeven f(x)=3⋅x1,5f(x) = 3 \cdot x^{1{,}5}f(x)=3⋅x1,5. Bereken f(4)f(4)f(4) exact. Los daarna op: voor welke xxx geldt f(x)=81f(x) = 81f(x)=81?

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)

§ 03

Exponentiële en logaritmische functies#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-a-domein-C1

Kernpunten

Een exponentiële functie heeft de vorm y=b⋅gxy = b \cdot g^{x}y=b⋅gx: nu staat de variabele xxx in de exponent en is ggg een vast, positief grondtal, de groeifactor. In Afb. 4 zie je twee zulke grafieken met dezelfde startwaarde: een groeiende (g>1g > 1g>1) en een afnemende (0<g<10 < g < 10<g<1). De startwaarde bbb is de functiewaarde bij x=0x = 0x=0, want g0=1g^{0} = 1g0=1, dus de grafiek snijdt de yyy-as in (0, b)(0,\ b)(0, b). Kenmerkend is de horizontale asymptoot y=0y = 0y=0: de grafiek nadert de xxx-as steeds dichter, maar raakt of snijdt hem nooit (bij b>0b > 0b>0 is yyy altijd positief).

Exponentiële groei en afname met dezelfde startwaarde

Exponentiële afname 3·0,5^x en groei 3·1,5^xSchaubild von y = 3·0,5^x (afname), y-Achsenabschnitt bei y = 3, fallend, im Bereich x von -2 bis 4, Schaubild von y = 3·1,5^x (groei), y-Achsenabschnitt bei y = 3, steigend, im Bereich x von -2 bis 4, waagerechte Asymptote bei y = 0−2−11234246810121416startwaarde (0, 3)asymptoot y = 0y = 3·0,5x(afname)y = 3·1,5x(groei)yx
Afb. 4Beide grafieken starten in (0, 3)(0,\ 3)(0, 3). Bij y=3⋅0,5xy = 3 \cdot 0{,}5^{x}y=3⋅0,5x (g<1g < 1g<1) is er afname, bij y=3⋅1,5xy = 3 \cdot 1{,}5^{x}y=3⋅1,5x (g>1g > 1g>1) groei; de horizontale asymptoot is y=0y = 0y=0.
De groeifactor koppelt exponentiële groei aan procenten: bij een toename van p%p\%p% per tijdstap is g=1+p100g = 1 + \frac{p}{100}g=1+100p​, en bij een afname van p%p\%p% is g=1−p100g = 1 - \frac{p}{100}g=1−100p​. Zo hoort bij +3%+3\%+3% de groeifactor g=1,03g = 1{,}03g=1,03 en bij −20%-20\%−20% de groeifactor g=0,8g = 0{,}8g=0,8. Een groeifactor groter dan 111 betekent toename, tussen 000 en 111 afname, en g=1g = 1g=1 betekent geen verandering. Herhaalde groei over nnn stappen geeft de factor gng^{n}gn — dat is precies waarom het verband exponentieel is.
Om een exponentiële vergelijking gx=cg^{x} = cgx=c op te lossen heb je de logaritme nodig: de logaritme met grondtal ggg is de inverse van de exponentiële functie. Er geldt glog⁡(x)=y  ⟺  gy=x{}^{g}\log(x) = y \iff g^{y} = xglog(x)=y⟺gy=x. Daarmee is x=glog⁡(c)x = {}^{g}\log(c)x=glog(c), wat je op de rekenmachine berekent als log⁡clog⁡g\frac{\log c}{\log g}logglogc​. De logaritmische functie y=glog⁡(x)y = {}^{g}\log(x)y=glog(x) is als inverse de spiegeling van y=gxy = g^{x}y=gx in de lijn y=xy = xy=x (zie Afb. 5): haar domein is x>0x > 0x>0, haar bereik alle reële getallen, en zij heeft een verticale asymptoot x=0x = 0x=0 en gaat door (1, 0)(1,\ 0)(1, 0).

y = 2ˣ en ²log(x) zijn elkaars inverse

y = 2^x en y = ²log(x), gespiegeld in y = xSchaubild von y = 2^x, y-Achsenabschnitt bei y = 1, steigend, im Bereich x von -4 bis 4, Schaubild von y = ²log(x), Nullstellen bei x = 1, steigend, im Bereich x von 0.063 bis 4, Schaubild von y = x, Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von -4 bis 4−4−3−2−11234−4−3−2−11234y = 2xy = ²log(x)y = xyx
Afb. 5De logaritmische functie y=2log⁡(x)y = {}^{2}\log(x)y=2log(x) is de spiegeling van y=2xy = 2^{x}y=2x in de lijn y=xy = xy=x: het punt (0, 1)(0,\ 1)(0, 1) wordt (1, 0)(1,\ 0)(1, 0). Het domein van de log is x>0x > 0x>0, met verticale asymptoot x=0x = 0x=0.
Exponentiële modellen beschrijven processen met een vaste vermenigvuldiging per tijdstap: samengestelde interest, bevolkingsgroei, radioactief verval, de afbraak van een medicijn. Twee veelgevraagde grootheden zijn de verdubbelingstijd (de tijd waarin de hoeveelheid ×2\times 2×2 wordt, bij groei) en de halveringstijd (de tijd waarin de hoeveelheid halveert, bij afname). Beide bereken je door gt=2g^{t} = 2gt=2 respectievelijk gt=0,5g^{t} = 0{,}5gt=0,5 met de logaritme op te lossen; ze hangen alleen van de groeifactor af, niet van de startwaarde.
Voor het herleiden met logaritmen zijn twee regels het handigst: glog⁡(a⋅b)=glog⁡(a)+glog⁡(b){}^{g}\log(a \cdot b) = {}^{g}\log(a) + {}^{g}\log(b)glog(a⋅b)=glog(a)+glog(b) (een product wordt een som) en glog⁡(ap)=p⋅glog⁡(a){}^{g}\log(a^{p}) = p \cdot {}^{g}\log(a)glog(ap)=p⋅glog(a) (een macht mag je naar voren halen). Vooral de tweede regel is nuttig, omdat je daarmee de onbekende uit de exponent haalt. Onthoud verder het verschil in gedrag: een exponentiële functie verandert steeds sneller (de grafiek wordt bij groei alsmaar steiler), terwijl de logaritmische functie juist steeds langzamer stijgt — ze zijn elkaars spiegelbeeld.
y=b⋅gxy = b \cdot g^{x}y=b⋅gx

Exponentiële functie

Startwaarde bbb is de waarde bij x=0x = 0x=0; groeifactor g>0g > 0g>0; horizontale asymptoot y=0y = 0y=0.

g=1+p100g = 1 + \frac{p}{100}g=1+100p​

Groeifactor en procent

+p%+p\%+p% per stap geeft g=1+p100g = 1 + \frac{p}{100}g=1+100p​; −p%-p\%−p% geeft g=1−p100g = 1 - \frac{p}{100}g=1−100p​.

glog⁡(x)=y  ⟺  gy=x{}^{g}\log(x) = y \iff g^{y} = xglog(x)=y⟺gy=x

Logaritme als inverse

De logaritme met grondtal ggg maakt de exponentiële functie ongedaan.

gx=c  ⟺  x=glog⁡(c)=log⁡clog⁡gg^{x} = c \iff x = {}^{g}\log(c) = \frac{\log c}{\log g}gx=c⟺x=glog(c)=logglogc​

Exponentiële vergelijking oplossen

Op de rekenmachine: deel de gewone logaritme van ccc door die van ggg.

glog⁡(a⋅b)=glog⁡a+glog⁡b,glog⁡(ap)=p⋅glog⁡a{}^{g}\log(a \cdot b) = {}^{g}\log a + {}^{g}\log b, \qquad {}^{g}\log(a^{p}) = p \cdot {}^{g}\log aglog(a⋅b)=gloga+glogb,glog(ap)=p⋅gloga

Rekenregels voor logaritmen

Een product wordt een som; een macht mag je naar voren halen.

Uitgewerkt voorbeeld

Exponentiële groei en de verdubbelingstijd

Een spaarrekening van  EUR2000\,\text{EUR}2000EUR2000 groeit met 3%3\%3% rente per jaar. a) Stel de formule op voor het bedrag BBB (in euro) na ttt jaar. b) Bereken BBB na 101010 jaar. c) Na hoeveel hele jaren is het beginbedrag voor het eerst verdubbeld?

  1. 01a) Groeifactor en formule

    Bij 3%3\%3% groei per jaar is de groeifactor g=1+3100=1,03g = 1 + \frac{3}{100} = 1{,}03g=1+1003​=1,03; de startwaarde is b=2000b = 2000b=2000.

    B(t)=2000⋅1,03 tB(t) = 2000 \cdot 1{,}03^{\,t}B(t)=2000⋅1,03t
  2. 02b) Bedrag na 10 jaar

    Vul t=10t = 10t=10 in.

    B(10)=2000⋅1,0310≈2000⋅1,3439≈2687,83B(10) = 2000 \cdot 1{,}03^{10} \approx 2000 \cdot 1{,}3439 \approx 2687{,}83B(10)=2000⋅1,0310≈2000⋅1,3439≈2687,83
  3. 03c) Verdubbeling — stel de vergelijking op

    Verdubbeld betekent B=4000B = 4000B=4000, dus 1,03t=21{,}03^{t} = 21,03t=2.

    2000⋅1,03t=4000 ⇒ 1,03t=22000 \cdot 1{,}03^{t} = 4000 \ \Rightarrow\ 1{,}03^{t} = 22000⋅1,03t=4000 ⇒ 1,03t=2
  4. 04Los op met de logaritme

    Neem de logaritme: t=1,03log⁡(2)=log⁡2log⁡1,03t = {}^{1{,}03}\log(2) = \frac{\log 2}{\log 1{,}03}t=1,03log(2)=log1,03log2​.

    t=log⁡2log⁡1,03≈0,30100,01284≈23,45t = \frac{\log 2}{\log 1{,}03} \approx \frac{0{,}3010}{0{,}01284} \approx 23{,}45t=log1,03log2​≈0,012840,3010​≈23,45

Resultaat: De formule is B(t)=2000⋅1,03tB(t) = 2000 \cdot 1{,}03^{t}B(t)=2000⋅1,03t; na 101010 jaar is er  EUR2687,83\,\text{EUR}2687{,}83EUR2687,83. De verdubbeling treedt op na t≈23,45t \approx 23{,}45t≈23,45 jaar, dus pas na 242424 hele jaren is het bedrag meer dan verdubbeld.

Uitgewerkt voorbeeld

Exponentiële afname van een medicijn

Van een medicijn geldt dat de hoeveelheid HHH (in mg) in het bloed na ttt uur wordt gegeven door H=50⋅0,8 tH = 50 \cdot 0{,}8^{\,t}H=50⋅0,8t. a) Hoeveel mg is er na 555 uur? b) Na hoeveel uur is er nog 101010 mg over?

  1. 01Interpreteer de groeifactor

    g=0,8g = 0{,}8g=0,8 betekent dat er elk uur 20%20\%20% verdwijnt (er blijft 80%80\%80% over); de starthoeveelheid is 505050 mg.

  2. 02a) Hoeveelheid na 5 uur

    Vul t=5t = 5t=5 in.

    H(5)=50⋅0,85=50⋅0,32768≈16,4H(5) = 50 \cdot 0{,}8^{5} = 50 \cdot 0{,}32768 \approx 16{,}4H(5)=50⋅0,85=50⋅0,32768≈16,4
  3. 03b) Stel de vergelijking op

    Los H=10H = 10H=10 op.

    50⋅0,8t=10 ⇒ 0,8t=0,250 \cdot 0{,}8^{t} = 10 \ \Rightarrow\ 0{,}8^{t} = 0{,}250⋅0,8t=10 ⇒ 0,8t=0,2
  4. 04Los op met de logaritme

    Deel de logaritme van 0,20{,}20,2 door die van 0,80{,}80,8.

    t=log⁡0,2log⁡0,8≈−0,699−0,0969≈7,2t = \frac{\log 0{,}2}{\log 0{,}8} \approx \frac{-0{,}699}{-0{,}0969} \approx 7{,}2t=log0,8log0,2​≈−0,0969−0,699​≈7,2

Resultaat: Na 555 uur is er nog ongeveer 16,416{,}416,4 mg; er is nog 101010 mg over na ongeveer 7,27{,}27,2 uur.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: stel bij een groei- of afnameproces de exponentiële formule y=b⋅gxy = b \cdot g^{x}y=b⋅gx op met de juiste startwaarde bbb en groeifactor ggg (via g=1+p100g = 1 + \frac{p}{100}g=1+100p​).
  • Examendoel: los een exponentiële vergelijking gx=cg^{x} = cgx=c op met de logaritme en interpreteer het antwoord in de context (bijvoorbeeld verdubbelings- of halveringstijd).
  • Examendoel: beschrijf de kenmerken van een exponentiële grafiek (startwaarde, groeifactor, horizontale asymptoot y=0y = 0y=0) en van de logaritmische grafiek als inverse (verticale asymptoot x=0x = 0x=0).

Veelgemaakte fouten

  • De startwaarde en de groeifactor verwisselen, of bij afname een groeifactor g>1g > 1g>1 gebruiken: afname betekent 0<g<10 < g < 10<g<1 (bij −20%-20\%−20% hoort g=0,8g = 0{,}8g=0,8, niet 1,21{,}21,2 of −0,2-0{,}2−0,2).
  • Bij het oplossen van gx=cg^{x} = cgx=c de exponent en het grondtal door elkaar halen: x=glog⁡(c)x = {}^{g}\log(c)x=glog(c), op de rekenmachine log⁡clog⁡g\frac{\log c}{\log g}logglogc​ — niet log⁡glog⁡c\frac{\log g}{\log c}logclogg​.
  • Denken dat de exponentiële grafiek de xxx-as snijdt: y=b⋅gxy = b \cdot g^{x}y=b⋅gx heeft y=0y = 0y=0 als horizontale asymptoot en wordt (bij b>0b > 0b>0) nooit precies 000.

Actieve herhaling

Een populatie bedraagt nu 800800800 dieren en groeit met 6%6\%6% per jaar. Stel de formule op, bereken de populatie na 151515 jaar (afgerond op een geheel getal) en bepaal na hoeveel hele jaren de populatie voor het eerst boven de 200020002000 komt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)

§ 04

Goniometrische functies (sinusoïde) en transformaties#

●●●VerdiepingLPexamenblad-wiskunde-a-domein-C1

Kernpunten

Verschijnselen die zich regelmatig herhalen — getijden, daglengte, temperatuur over een jaar — beschrijf je met een goniometrische functie, de sinusoïde. De algemene vorm is y=asin⁡(b(x−c))+dy = a\sin\big(b(x - c)\big) + dy=asin(b(x−c))+d. In Afb. 6 zie je de eenvoudige sinusoïde y=2sin⁡(x)+3y = 2\sin(x) + 3y=2sin(x)+3: een golf die op en neer beweegt rond een middenlijn. Vier getallen leggen zo'n golf volledig vast: aaa (de amplitude), ddd (de evenwichtslijn), bbb (via de periode) en ccc (de horizontale of faseverschuiving). Elk van die getallen kun je aflezen uit de grafiek én uit een context.

De sinusoïde y = 2·sin(x) + 3

Sinusoïde y = 2·sin(x) + 3Schaubild von y = 2·sin(x) + 3, Hochpunkt bei (1.571, 5), Tiefpunkt bei (4.712, 1), y-Achsenabschnitt bei y = 3, im Bereich x von 0 bis 71234567123456max = 5min = 1evenwichtslijn y = 3y = 2·sin(x) + 3yx
Afb. 6Amplitude 222 (de afstand tot de evenwichtslijn y=3y = 3y=3), maximum 555, minimum 111, en periode 2π≈6,282\pi \approx 6{,}282π≈6,28.
De evenwichtslijn y=dy = dy=d is de horizontale middenlijn waar de golf omheen slingert; je vindt ddd als het gemiddelde van de maximale en de minimale waarde: d=max+min2d = \frac{\text{max} + \text{min}}{2}d=2max+min​. De amplitude aaa is de afstand van de evenwichtslijn tot de top (of tot het dal), dus de helft van het verschil tussen max en min: a=max−min2a = \frac{\text{max} - \text{min}}{2}a=2max−min​. Daaruit volgt meteen: maximum =d+a= d + a=d+a en minimum =d−a= d - a=d−a. In Afb. 6 is d=3d = 3d=3 en a=2a = 2a=2, dus de top ligt op 555 en het dal op 111.
De periode is de lengte van één volledige golf, voordat het patroon zich herhaalt. Zij hangt samen met bbb via periode=2πb\text{periode} = \frac{2\pi}{b}periode=b2π​, oftewel b=2πperiodeb = \frac{2\pi}{\text{periode}}b=periode2π​. Let op: bbb is niet zelf de periode — een grotere bbb geeft juist een kortere periode (de golf herhaalt sneller). Bij b=1b = 1b=1 is de periode 2π2\pi2π, zoals bij y=2sin⁡(x)+3y = 2\sin(x) + 3y=2sin(x)+3; wil je een verschijnsel met periode 121212 (bijvoorbeeld maanden of getijdenuren), dan neem je b=2π12b = \frac{2\pi}{12}b=122π​ (zie Afb. 7). Reken bij sinusoïden altijd in radialen.

Sinusoïde met periode 12

Sinusoïde met periode 12Schaubild von y = 2·sin((2π/12)x) + 3, Hochpunkt bei (3, 5), Tiefpunkt bei (9, 1), y-Achsenabschnitt bei y = 3, im Bereich x von 0 bis 1324681012123456max (3, 5)min (9, 1)evenwichtslijn y = 3y = 2·sin((2π/12)x)…yx (maand / uur)
Afb. 7Met b=2π12b = \frac{2\pi}{12}b=122π​ is de periode 2πb=12\frac{2\pi}{b} = 12b2π​=12; de top 555 ligt bij x=3x = 3x=3, het dal 111 bij x=9x = 9x=9, rond de evenwichtslijn y=3y = 3y=3.
De faseverschuiving ccc schuift de hele golf horizontaal op: y=asin⁡(b(x−c))+dy = a\sin\big(b(x - c)\big) + dy=asin(b(x−c))+d is de basisgolf ccc eenheden naar rechts verplaatst. Je bepaalt ccc meestal via het tijdstip van het eerste maximum: de sinus is maximaal als het argument b(x−c)=π2b(x - c) = \frac{\pi}{2}b(x−c)=2π​ is, dus als x−c=π2bx - c = \frac{\pi}{2b}x−c=2bπ​. Bij het opstellen van een formule uit een context reken je daarom in deze volgorde: eerst ddd en aaa uit max en min, dan bbb uit de periode, en ten slotte ccc uit het tijdstip van de top.
De sinusoïde laat mooi zien wat transformaties van een standaardgrafiek zijn, en die regels gelden voor elke functie y=f(x)y = f(x)y=f(x). Verticaal: y=f(x)+dy = f(x) + dy=f(x)+d verschuift de grafiek ddd omhoog, en y=a⋅f(x)y = a \cdot f(x)y=a⋅f(x) rekt hem verticaal met factor aaa uit (bij a<0a < 0a<0 ook een spiegeling in de xxx-as). Horizontaal: y=f(x−c)y = f(x - c)y=f(x−c) verschuift ccc naar rechts, en y=f(b⋅x)y = f(b \cdot x)y=f(b⋅x) krimpt de grafiek horizontaal met factor 1b\frac{1}{b}b1​. Zo is elke sinusoïde te lezen als de standaardgrafiek y=sin⁡(x)y = \sin(x)y=sin(x) die verticaal is uitgerekt (amplitude), omhoog geschoven (evenwichtslijn), horizontaal geschaald (periode) en horizontaal verschoven (fase) — en dezelfde bril past op verschoven parabolen, machts- en exponentiële grafieken.
y=asin⁡(b(x−c))+dy = a\sin\big(b(x - c)\big) + dy=asin(b(x−c))+d

Algemene sinusoïde

aaa amplitude, ddd evenwichtslijn, bbb via de periode, ccc faseverschuiving.

a=max−min2,d=max+min2a = \frac{\text{max} - \text{min}}{2}, \qquad d = \frac{\text{max} + \text{min}}{2}a=2max−min​,d=2max+min​

Amplitude en evenwichtslijn

Halve afstand tussen top en dal; gemiddelde van max en min.

periode=2πb  ⟺  b=2πperiode\text{periode} = \frac{2\pi}{b} \iff b = \frac{2\pi}{\text{periode}}periode=b2π​⟺b=periode2π​

Periode en b

Een grotere bbb geeft een kortere periode; reken in radialen.

max=d+a,min=d−a\text{max} = d + a, \qquad \text{min} = d - amax=d+a,min=d−a

Maximum en minimum

De golf bereikt d+ad + ad+a als top en d−ad - ad−a als dal.

Uitgewerkt voorbeeld

Een sinusoïde opstellen uit een context

De temperatuur in een kas verloopt sinusvormig over een etmaal. Om 15:0015{:}0015:00 uur is het maximaal 262626 °C en om 3:003{:}003:00 uur minimaal 141414 °C. Stel een formule op van de vorm T=asin⁡(b(t−c))+dT = a\sin\big(b(t - c)\big) + dT=asin(b(t−c))+d, met ttt in uren na middernacht.

  1. 01Evenwichtslijn d en amplitude a

    ddd is het gemiddelde van max en min; aaa is de helft van hun verschil.

    d=26+142=20,a=26−142=6d = \frac{26 + 14}{2} = 20, \qquad a = \frac{26 - 14}{2} = 6d=226+14​=20,a=226−14​=6
  2. 02Periode en b

    Een etmaal duurt 242424 uur, dus de periode is 242424.

    b=2πperiode=2π24=π12b = \frac{2\pi}{\text{periode}} = \frac{2\pi}{24} = \frac{\pi}{12}b=periode2π​=242π​=12π​
  3. 03Faseverschuiving c

    Het maximum treedt op als b(t−c)=π2b(t - c) = \frac{\pi}{2}b(t−c)=2π​. Vul t=15t = 15t=15 in.

    π12(15−c)=π2 ⇒ 15−c=6 ⇒ c=9\frac{\pi}{12}(15 - c) = \frac{\pi}{2} \ \Rightarrow\ 15 - c = 6 \ \Rightarrow\ c = 912π​(15−c)=2π​ ⇒ 15−c=6 ⇒ c=9
  4. 04Controleer met het minimum

    Vul t=3t = 3t=3 in: het argument wordt −π2-\frac{\pi}{2}−2π​, dus sin⁡=−1\sin = -1sin=−1 en T=20−6=14T = 20 - 6 = 14T=20−6=14 — dat klopt met het minimum.

    T(3)=6sin⁡ ⁣(−π2)+20=−6+20=14T(3) = 6\sin\!\left(-\tfrac{\pi}{2}\right) + 20 = -6 + 20 = 14T(3)=6sin(−2π​)+20=−6+20=14

Resultaat: De formule is T=6sin⁡ ⁣(π12(t−9))+20T = 6\sin\!\big(\tfrac{\pi}{12}(t - 9)\big) + 20T=6sin(12π​(t−9))+20: amplitude 666, evenwichtslijn 202020 °C, periode 242424 uur, met het maximum om 15:0015{:}0015:00 uur.

Uitgewerkt voorbeeld

Karakteristieke grootheden van een sinusoïde aflezen en berekenen

Gegeven de sinusoïde y=2sin⁡ ⁣(2π12x)+3y = 2\sin\!\big(\tfrac{2\pi}{12}x\big) + 3y=2sin(122π​x)+3 (zie Afb. 7). a) Geef de amplitude, de evenwichtslijn en de periode. b) Bereken de maximale en de minimale waarde en de bijbehorende xxx in [0, 12][0,\ 12][0, 12]. c) Bereken yyy voor x=2x = 2x=2 (afgerond op twee decimalen).

  1. 01a) Karakteristieke grootheden

    In de vorm asin⁡(bx)+da\sin(bx) + dasin(bx)+d is a=2a = 2a=2, d=3d = 3d=3 en b=2π12b = \frac{2\pi}{12}b=122π​.

    amplitude=2,evenwichtslijn y=3,periode=2πb=2π2π/12=12\text{amplitude} = 2, \quad \text{evenwichtslijn } y = 3, \quad \text{periode} = \frac{2\pi}{b} = \frac{2\pi}{2\pi/12} = 12amplitude=2,evenwichtslijn y=3,periode=b2π​=2π/122π​=12
  2. 02b) Maximum en minimum

    Max =d+a=5= d + a = 5=d+a=5 waar sin⁡=1\sin = 1sin=1: 2π12x=π2\frac{2\pi}{12}x = \frac{\pi}{2}122π​x=2π​ geeft x=3x = 3x=3. Min =d−a=1= d - a = 1=d−a=1 waar sin⁡=−1\sin = -1sin=−1: x=9x = 9x=9.

    max 5 bij x=3,min 1 bij x=9\text{max } 5 \text{ bij } x = 3, \qquad \text{min } 1 \text{ bij } x = 9max 5 bij x=3,min 1 bij x=9
  3. 03c) Functiewaarde bij x = 2

    Reken in radialen: 2π12⋅2=π3\frac{2\pi}{12} \cdot 2 = \frac{\pi}{3}122π​⋅2=3π​ en sin⁡π3=123\sin\frac{\pi}{3} = \tfrac{1}{2}\sqrt{3}sin3π​=21​3​.

    y=2sin⁡ ⁣(π3)+3=2⋅123+3=3+3≈4,73y = 2\sin\!\left(\tfrac{\pi}{3}\right) + 3 = 2 \cdot \tfrac{1}{2}\sqrt{3} + 3 = \sqrt{3} + 3 \approx 4{,}73y=2sin(3π​)+3=2⋅21​3​+3=3​+3≈4,73

Resultaat: Amplitude 222, evenwichtslijn y=3y = 3y=3, periode 121212; het maximum 555 ligt bij x=3x = 3x=3 en het minimum 111 bij x=9x = 9x=9; en y(2)=3+3≈4,73y(2) = \sqrt{3} + 3 \approx 4{,}73y(2)=3​+3≈4,73.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: bepaal uit een sinusvormige grafiek of context de amplitude, de evenwichtslijn, de periode en (indien gevraagd) de faseverschuiving, en stel de formule y=asin⁡(b(x−c))+dy = a\sin(b(x - c)) + dy=asin(b(x−c))+d op.
  • Examendoel: bereken met een sinusoïde de maximale/minimale waarde en de tijdstippen waarop die optreden, of een functiewaarde op een gegeven tijdstip (rekenmachine in radialen).
  • Examendoel: beschrijf een grafiek als transformatie (verschuiven en vermenigvuldigen) van een standaardgrafiek.

Veelgemaakte fouten

  • De periode en bbb verwisselen: bbb is niet de periode; de periode is 2πb\frac{2\pi}{b}b2π​ (een grote bbb hoort bij een korte periode).
  • De amplitude als max−min\text{max} - \text{min}max−min nemen in plaats van de helft ervan: amplitude =max−min2= \frac{\text{max} - \text{min}}{2}=2max−min​.
  • De rekenmachine in graden laten staan terwijl de formule radialen gebruikt (zet hem op RAD), of de faseverschuiving ccc de verkeerde kant op toepassen.

Actieve herhaling

De waterhoogte bij een steiger is sinusvormig met hoogwater 4,24{,}24,2 m om 6:006{:}006:00 uur en laagwater 1,81{,}81,8 m om 12:0012{:}0012:00 uur. Stel een formule H=asin⁡(b(t−c))+dH = a\sin(b(t - c)) + dH=asin(b(t−c))+d op met ttt in uren na middernacht, en bereken de waterhoogte om 9:009{:}009:00 uur.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Lineaire en kwadratische functies○
    • 02Machts- en wortelfuncties◐
    • 03Exponentiële en logaritmische functies◐
    • 04Goniometrische functies (sinusoïde) en transformaties●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Standaardfuncties

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~24
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / DUO

  • Examenblad.nl — wiskunde A (VWO)

Vorig onderwerp

Telproblemen en combinatoriek

Volgend onderwerp

Functies, grafieken, vergelijkingen en ongelijkheden

EuraStudy·Samenvattingen T·03·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.