EuraStudy
Samenvattingen/Wiskunde A/Functies, grafieken, vergelijkingen en ongelijkheden
Samenvattingen · Wiskunde ANL · VWO

Functies, grafieken, vergelijkingen en ongelijkheden

Dit onderwerp bouwt het functiebegrip op — domein, bereik en functiewaarden — en leert grafieken lezen en interpreteren, met snijpunten met de assen en met andere grafieken. Je lost vergelijkingen op, exact (isoleren, ontbinden, abc-formule) en met de intersect-functie van de grafische rekenmachine, en je lost ongelijkheden op via grafiek en tekenverloop, met de oplossing netjes als interval. Steeds ligt de nadruk op het interpreteren van de uitkomst in de context en op het opstellen van een passende formule bij een situatie (modelleren).

4 Onderdelen·~20 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0444 / 15
Examenprofiel
Functiebegrip: domein, bereik en functiewaarden bepalen (domein C2/C3)Grafieken lezen en interpreteren; snijpunten met de assen en met andere grafieken bepalenVergelijkingen exact en met de grafische rekenmachine oplossen (snijpunt-methode)Ongelijkheden oplossen via grafiek en tekenverloop; de oplossing als interval noteren
Operatoren:berekenbepaallos oplees afleg uitinterpreteertekenstel op

basisniveau

Gemeenschappelijke eindexamenstof: domein en bereik bepalen, snijpunten aflezen, en vergelijkingen en ongelijkheden oplossen — exact waar het kan en anders met de grafische rekenmachine.

verhoogd niveau

Verdieping: transformaties van grafieken herkennen en beschrijven en bij een situatie of grafiek zelf een passende formule opstellen (modelleren), met zo veel mogelijk exact-algebraïsch werk.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Functies, grafieken, vergelijkingen en ongelijkheden
    • 01Functiebegrip: domein, bereik en functiewaarden○
    • 02Grafieken en snijpunten lezen◐
    • 03Vergelijkingen oplossen (exact en met de GR)◐
    • 04Ongelijkheden en intervallen●
§ 01

Functiebegrip: domein, bereik en functiewaarden#

●○○BasisLPexamenblad-wiskunde-a-domein-C2-C3

Kernpunten

Een functie is een voorschrift dat bij elke toegestane invoer xxx precies één uitvoer f(x)f(x)f(x) hoort. We noemen xxx de onafhankelijke variabele (die kies je zelf; hij staat horizontaal) en y=f(x)y=f(x)y=f(x) de afhankelijke variabele (die volgt uit xxx; hij staat verticaal). In Afb. 1 staat de grafiek van h(x)=−0,5x2+2x+1h(x)=-0{,}5x^2+2x+1h(x)=−0,5x2+2x+1 getekend voor xxx tussen 0 en 4: elk punt op de kromme is een paar (x, h(x))(x,\ h(x))(x, h(x)). De functiewaarde h(2)=3h(2)=3h(2)=3 betekent bijvoorbeeld dat het punt (2, 3)(2,\ 3)(2, 3) op de grafiek ligt.

Grafiek van h(x) = -0,5x² + 2x + 1 op [0, 4]

h(x) = -0,5x² + 2x + 1 op [0, 4]Schaubild von h, Hochpunkt bei (2, 3), y-Achsenabschnitt bei y = 1, im Bereich x von 0 bis 40.511.522.533.540.511.522.533.54top (2; 3)(0; 1)(4; 1)hh(x)x
Afb. 1Afb. 1 — De baan h(x)=−0,5x2+2x+1h(x)=-0{,}5x^2+2x+1h(x)=−0,5x2+2x+1 op domein D=[0, 4]D=[0,\ 4]D=[0, 4]. De top ligt bij (2; 3)(2;\ 3)(2; 3) en de randpunten zijn (0; 1)(0;\ 1)(0; 1) en (4; 1)(4;\ 1)(4; 1); daarom is het bereik B=[1, 3]B=[1,\ 3]B=[1, 3].
Het domein van een functie is de verzameling van alle xxx-waarden die je mag invullen. Soms wordt het domein door de context bepaald — een afstand of een tijd begint bij 0 en stopt ergens, zoals de [0, 4][0,\ 4][0, 4] in Afb. 1 — en soms door de wiskunde: je mag niet delen door 0, geen wortel trekken uit een negatief getal en geen logaritme nemen van 0 of een negatief getal. Bij f(x)=x−2f(x)=\sqrt{x-2}f(x)=x−2​ moet bijvoorbeeld x−2≥0x-2\ge 0x−2≥0, dus x≥2x\ge 2x≥2 en het domein is [2, →⟩[2,\ \rightarrow\rangle[2, →⟩. Is er geen beperking, dan is het domein alle reële getallen.
Het bereik is de verzameling van alle functiewaarden (yyy-waarden) die de functie op haar domein aanneemt. Je leest het af aan de grafiek: van de laagste tot de hoogste waarde die voorkomt. Bij een kwadratische functie let je op de top én op de randen van het domein. In Afb. 1 ligt de top bij (2, 3)(2,\ 3)(2, 3) en zijn de randwaarden h(0)=1h(0)=1h(0)=1 en h(4)=1h(4)=1h(4)=1; de hoogte loopt dus van 1 tot 3 en het bereik is [1, 3][1,\ 3][1, 3]. Zonder domeinbeperking zou deze bergparabool een bereik ⟨←, 3]\langle\leftarrow,\ 3]⟨←, 3] hebben, dus alles tot en met de top.
Een functiewaarde bereken je door in te vullen: voor h(2)h(2)h(2) vervang je elke xxx door 2 en reken je uit. Andersom komt ook voor: als gevraagd wordt voor welke xxx geldt h(x)=1h(x)=1h(x)=1, dan los je een vergelijking op (zie §3) en vind je hier x=0x=0x=0 en x=4x=4x=4. Let op de notatie: h(2)h(2)h(2) is een getal (de uitvoer), terwijl h(x)h(x)h(x) het hele voorschrift is. De haakjes betekenen hier ‘ingevuld in’, niet ‘maal’.
In toepassingen dragen de variabelen een betekenis en een eenheid. De onafhankelijke variabele is meestal wat je regelt of afleest (tijd, afstand, aantal), de afhankelijke is wat daarvan afhangt (hoogte, kosten, temperatuur). Domein en bereik volgen dan uit de situatie: negatieve tijden of afstanden vallen af, en het bereik zegt iets over de mogelijke uitkomsten. Zo maakt het functiebegrip van een tabel of een verhaal een wiskundig model dat je kunt doorrekenen.
y=f(x)y = f(x)y=f(x)

Functienotatie

xxx is de onafhankelijke variabele (invoer), y=f(x)y=f(x)y=f(x) de afhankelijke variabele (uitvoer). f(a)f(a)f(a) is de functiewaarde bij x=ax=ax=a; het punt (a, f(a))(a,\ f(a))(a, f(a)) ligt op de grafiek.

D=[0,  4],B=[1,  3]D = [0,\;4], \qquad B = [1,\;3]D=[0,4],B=[1,3]

Domein en bereik

Het domein DDD is de verzameling toegestane xxx-waarden; het bereik BBB is de verzameling bijbehorende functiewaarden (hier de waarden bij de functie uit Afb. 1).

xtop=−b2ax_{\text{top}} = -\frac{b}{2a}xtop​=−2ab​

Top van een parabool

Bij een kwadratische functie f(x)=ax2+bx+cf(x)=ax^2+bx+cf(x)=ax2+bx+c ligt de top hier; met de top en de randwaarden bepaal je het bereik.

Uitgewerkt voorbeeld

Domein, bereik en maximale hoogte van een waterstraal

Een waterstraal volgt de baan h(x)=−0,5x2+2x+1h(x)=-0{,}5x^2+2x+1h(x)=−0,5x2+2x+1, waarbij xxx de horizontale afstand (in m) is en hhh de hoogte (in m). De straal loopt van x=0x=0x=0 tot x=4x=4x=4. Bepaal het domein en het bereik van hhh en de maximale hoogte.

  1. 01Domein uit de context

    De horizontale afstand loopt van 0 tot 4 meter, dus het domein is D=[0, 4]D=[0,\ 4]D=[0, 4]. Hier is xxx de onafhankelijke variabele en h(x)h(x)h(x) de afhankelijke.

    D=[0,  4]D = [0,\;4]D=[0,4]
  2. 02Top van de parabool

    De coëfficiënten zijn a=−0,5a=-0{,}5a=−0,5 en b=2b=2b=2. De top ligt bij x=−b2ax=-\frac{b}{2a}x=−2ab​, en dat valt binnen het domein.

    xtop=−b2a=−22⋅(−0,5)=2x_{\text{top}} = -\frac{b}{2a} = -\frac{2}{2\cdot(-0{,}5)} = 2xtop​=−2ab​=−2⋅(−0,5)2​=2
  3. 03Maximale hoogte

    Vul x=2x=2x=2 in: de maximale hoogte is 3 m.

    h(2)=−0,5⋅22+2⋅2+1=3h(2) = -0{,}5\cdot 2^2 + 2\cdot 2 + 1 = 3h(2)=−0,5⋅22+2⋅2+1=3
  4. 04Randwaarden en minimum

    Aan de randen geldt h(0)=1h(0)=1h(0)=1 en h(4)=1h(4)=1h(4)=1. Omdat dit een bergparabool is, is de laagste waarde op [0, 4][0,\ 4][0, 4] dus 1.

    h(0)=1,h(4)=1h(0) = 1, \qquad h(4) = 1h(0)=1,h(4)=1
  5. 05Bereik aflezen

    De hoogte loopt van 1 m (aan de randen) tot 3 m (in de top), dus het bereik is B=[1, 3]B=[1,\ 3]B=[1, 3].

    B=[1,  3]B = [1,\;3]B=[1,3]

Resultaat: Domein D=[0, 4]D=[0,\ 4]D=[0, 4] (m), bereik B=[1, 3]B=[1,\ 3]B=[1, 3] (m); de maximale hoogte is 3 m bij x=2x=2x=2 m.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: uit een formule, tabel of context het domein en (met de grafiek of de top) het bereik van een functie bepalen.
  • Examendoel: functiewaarden berekenen — f(a)f(a)f(a) uitrekenen en omgekeerd uit f(x)=bf(x)=bf(x)=b de xxx vinden — en het verband tussen de onafhankelijke en de afhankelijke variabele in de context benoemen.

Veelgemaakte fouten

  • Domein en bereik verwisselen: het domein gaat over de xxx-waarden (horizontaal), het bereik over de yyy-waarden (verticaal).
  • Bij een kwadratische functie alleen de randwaarden invullen en de top vergeten, waardoor het bereik te klein wordt (of andersom bij een dalparabool).
  • Vergeten dat de context het domein beperkt (een afstand of een tijd kan bijvoorbeeld niet negatief zijn).

Actieve herhaling

Gegeven f(x)=x−2f(x)=\sqrt{x-2}f(x)=x−2​. Bepaal het domein en het bereik van fff en bereken f(6)f(6)f(6).

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)

§ 02

Grafieken en snijpunten lezen#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-a-domein-C2-C3

Kernpunten

In Afb. 2 zie je twee grafieken die elkaar in twee punten snijden. Een grafiek lezen begint bij de bijzondere punten, en de snijpunten met de assen zijn het belangrijkst. Op de xxx-as is de yyy-waarde nul, dus die snijpunten — de nulpunten — vind je door f(x)=0f(x)=0f(x)=0 op te lossen; het snijpunt met de yyy-as vind je door x=0x=0x=0 in te vullen en f(0)f(0)f(0) te berekenen. Een functie heeft hoogstens één snijpunt met de yyy-as (want bij x=0x=0x=0 hoort precies één functiewaarde), maar ze kan meerdere nulpunten hebben.

Snijpunten van f(x) = 0,5x + 1 en g(x) = -x² + 4x - 1

f(x) = g(x): twee snijpuntenSchaubild von f, y-Achsenabschnitt bei y = 1, steigend, im Bereich x von -1 bis 5, Schaubild von g, Nullstellen bei x = 0.268, 3.732, Hochpunkt bei (2, 3), y-Achsenabschnitt bei y = -1, im Bereich x von -1 bis 5−112345−2−11234S₁S₂fgyx
Afb. 2Afb. 2 — De grafieken van f(x)=0,5x+1f(x)=0{,}5x+1f(x)=0,5x+1 (rechte lijn) en g(x)=−x2+4x−1g(x)=-x^2+4x-1g(x)=−x2+4x−1 (parabool) snijden elkaar in S1≈(0,72; 1,36)S_1\approx(0{,}72;\ 1{,}36)S1​≈(0,72; 1,36) en S2≈(2,78; 2,39)S_2\approx(2{,}78;\ 2{,}39)S2​≈(2,78; 2,39). In een snijpunt geldt f(x)=g(x)f(x)=g(x)f(x)=g(x).
Twee grafieken snijden elkaar waar ze dezelfde functiewaarde hebben, dus waar f(x)=g(x)f(x)=g(x)f(x)=g(x). Grafisch is dat het punt waar de krommen elkaar kruisen; in een context betekent het dat twee grootheden op dat moment even groot zijn (bijvoorbeeld waar de kosten gelijk zijn aan de opbrengst). De xxx-coördinaat vind je door de vergelijking f(x)=g(x)f(x)=g(x)f(x)=g(x) op te lossen (§3), de yyy-coördinaat door die xxx in fff of ggg in te vullen. Op de grafische rekenmachine gebruik je hiervoor de intersect-functie.
Behalve de snijpunten lees je aan een grafiek het gedrag af: waar stijgt de functie (de grafiek loopt omhoog als je van links naar rechts gaat) en waar daalt ze, en waar liggen een maximum of een minimum. Bij een stijgend deel neemt de afhankelijke variabele toe als de onafhankelijke toeneemt; bij een dalend deel neemt ze af. Deze taal — toenemend, afnemend, maximaal, minimaal — heb je nodig om een grafiek in woorden te beschrijven en te interpreteren.
Veel functies zijn vervormingen van een standaardgrafiek. Vier transformaties komen steeds terug: f(x)+cf(x)+cf(x)+c verschuift de grafiek ccc omhoog (of omlaag als c<0c<0c<0); f(x−a)f(x-a)f(x−a) verschuift hem aaa naar rechts; a⋅f(x)a\cdot f(x)a⋅f(x) rekt hem verticaal uit met factor aaa (en spiegelt in de xxx-as als a<0a<0a<0); en f(−x)f(-x)f(−x) spiegelt hem in de yyy-as. Zo is y=(x−2)2−1y=(x-2)^2-1y=(x−2)2−1 de standaardparabool y=x2y=x^2y=x2, twee naar rechts en één omlaag geschoven. Het herkennen van zulke transformaties helpt je snel een grafiek te schetsen en een formule te doorzien.
Andersom kun je bij een situatie of een gegeven grafiek zelf een passende formule opstellen — dat heet modelleren. Eerst kies je een functietype dat bij het gedrag past: een rechte lijn bij een constante toename, een parabool bij een verhaal met een top of dal, een exponentiële functie bij een vast groeipercentage. Daarna bepaal je de parameters uit gegeven punten, of je laat de grafische rekenmachine met regressie de best passende formule berekenen. Een model is altijd een benadering; controleer of het binnen het zinvolle domein realistische waarden geeft.
snijpunt met de x-as:f(x)=0\text{snijpunt met de } x\text{-as}: \quad f(x) = 0snijpunt met de x-as:f(x)=0

Nulpunt

Op de xxx-as is y=0y=0y=0; de oplossingen van f(x)=0f(x)=0f(x)=0 zijn de xxx-coördinaten van de snijpunten met de xxx-as.

snijpunt met de y-as:x=0⇒(0, f(0))\text{snijpunt met de } y\text{-as}: \quad x = 0 \Rightarrow (0,\ f(0))snijpunt met de y-as:x=0⇒(0, f(0))

Snijpunt met de y-as

Vul x=0x=0x=0 in; er is hoogstens één zo'n snijpunt.

snijpunt van twee grafieken:f(x)=g(x)\text{snijpunt van twee grafieken}: \quad f(x) = g(x)snijpunt van twee grafieken:f(x)=g(x)

Snijpunt van grafieken

Los f(x)=g(x)f(x)=g(x)f(x)=g(x) op voor de xxx-coördinaat en vul die in fff of ggg in voor de yyy-coördinaat.

Uitgewerkt voorbeeld

Snijpunten met de assen en met een andere grafiek

Gegeven f(x)=0,5x+1f(x)=0{,}5x+1f(x)=0,5x+1 en g(x)=−x2+4x−1g(x)=-x^2+4x-1g(x)=−x2+4x−1 (zie Afb. 2). a) Lees de snijpunten van fff en ggg af. b) Bereken exact de snijpunten van ggg met de xxx-as. c) Geef het snijpunt van ggg met de yyy-as.

  1. 01a) Snijpunten van de grafieken aflezen

    Uit Afb. 2 lees je af: de krommen kruisen bij S1≈(0,72; 1,36)S_1\approx(0{,}72;\ 1{,}36)S1​≈(0,72; 1,36) en S2≈(2,78; 2,39)S_2\approx(2{,}78;\ 2{,}39)S2​≈(2,78; 2,39). De exacte berekening (via f(x)=g(x)f(x)=g(x)f(x)=g(x)) volgt in §3.

  2. 02b) Snijpunt met de x-as: los g(x) = 0 op

    Op de xxx-as is y=0y=0y=0, dus los −x2+4x−1=0-x^2+4x-1=0−x2+4x−1=0 op. Vermenigvuldig eerst met −1-1−1.

    −x2+4x−1=0  ⟺  x2−4x+1=0-x^2 + 4x - 1 = 0 \iff x^2 - 4x + 1 = 0−x2+4x−1=0⟺x2−4x+1=0
  3. 03Discriminant en abc-formule

    Met a=1, b=−4, c=1a=1,\ b=-4,\ c=1a=1, b=−4, c=1 is D=(−4)2−4⋅1⋅1=12D=(-4)^2-4\cdot1\cdot1=12D=(−4)2−4⋅1⋅1=12.

    x=4±122=2±3x = \frac{4 \pm \sqrt{12}}{2} = 2 \pm \sqrt{3}x=24±12​​=2±3​
  4. 04Nulpunten benaderen

    Omdat 3≈1,73\sqrt{3}\approx1{,}733​≈1,73 is x≈0,27x\approx0{,}27x≈0,27 of x≈3,73x\approx3{,}73x≈3,73. De snijpunten met de xxx-as zijn (2−3; 0)(2-\sqrt{3};\ 0)(2−3​; 0) en (2+3; 0)(2+\sqrt{3};\ 0)(2+3​; 0).

  5. 05c) Snijpunt met de y-as

    Vul x=0x=0x=0 in ggg in.

    g(0)=−(0)2+4⋅0−1=−1g(0) = -(0)^2 + 4\cdot 0 - 1 = -1g(0)=−(0)2+4⋅0−1=−1

Resultaat: Snijpunten van fff en ggg: ≈(0,72; 1,36)\approx(0{,}72;\ 1{,}36)≈(0,72; 1,36) en (2,78; 2,39)(2{,}78;\ 2{,}39)(2,78; 2,39). ggg snijdt de xxx-as in x=2±3x=2\pm\sqrt{3}x=2±3​ (≈0,27\approx0{,}27≈0,27 en 3,733{,}733,73) en de yyy-as in (0; −1)(0;\ -1)(0; −1).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: snijpunten met de assen bepalen — de nulpunten via f(x)=0f(x)=0f(x)=0 en het snijpunt met de yyy-as via f(0)f(0)f(0).
  • Examendoel: snijpunten van twee grafieken bepalen en interpreteren; herkennen welke transformatie (verschuiven, vermenigvuldigen, spiegelen) een grafiek heeft ondergaan en bij een situatie een passende formule opstellen.

Veelgemaakte fouten

  • Snijpunt met de xxx-as en met de yyy-as verwisselen: op de xxx-as is y=0y=0y=0 (los f(x)=0f(x)=0f(x)=0 op), op de yyy-as is x=0x=0x=0 (bereken f(0)f(0)f(0)).
  • Bij f(x)=g(x)f(x)=g(x)f(x)=g(x) maar één snijpunt opschrijven terwijl er twee zijn (of andersom) — controleer aan de grafiek hoeveel snijpunten er zijn.
  • Een grafiek verkeerd verschuiven: f(x−a)f(x-a)f(x−a) gaat naar rechts (niet naar links) en f(x)+cf(x)+cf(x)+c omhoog (niet opzij).

Actieve herhaling

De grafiek van g(x)=x2−4x+3g(x)=x^2-4x+3g(x)=x2−4x+3 is gegeven. Bepaal de snijpunten met de xxx-as en met de yyy-as, en beschrijf hoe de grafiek van ggg uit de standaardparabool y=x2y=x^2y=x2 ontstaat door verschuiven.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)

§ 03

Vergelijkingen oplossen (exact en met de GR)#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-a-domein-C2-C3

Kernpunten

Een vergelijking oplossen betekent alle xxx-waarden vinden waarvoor de linkerkant gelijk is aan de rechterkant. De sleutel is dat f(x)=g(x)f(x)=g(x)f(x)=g(x) hetzelfde is als f(x)−g(x)=0f(x)-g(x)=0f(x)−g(x)=0: je brengt alles naar één kant en zoekt de nulpunten van de verschilfunctie. In Afb. 3 staat die verschilfunctie h(x)=f(x)−g(x)=x2−3,5x+2h(x)=f(x)-g(x)=x^2-3{,}5x+2h(x)=f(x)−g(x)=x2−3,5x+2 getekend; haar nulpunten x1≈0,72x_1\approx0{,}72x1​≈0,72 en x2≈2,78x_2\approx2{,}78x2​≈2,78 zijn precies de xxx-coördinaten van de snijpunten uit Afb. 2. Een vergelijking oplossen en snijpunten zoeken zijn dus twee kanten van dezelfde medaille.

Nulpunten van de verschilfunctie h(x) = x² - 3,5x + 2

h(x) = 0 oplossenSchaubild von h, Nullstellen bei x = 0.719, 2.781, Tiefpunkt bei (1.75, -1.063), y-Achsenabschnitt bei y = 2, im Bereich x von -0.5 bis 41234−2−11234x₁ ≈ 0,72x₂ ≈ 2,78tophh(x)x
Afb. 3Afb. 3 — De verschilfunctie h(x)=f(x)−g(x)=x2−3,5x+2h(x)=f(x)-g(x)=x^2-3{,}5x+2h(x)=f(x)−g(x)=x2−3,5x+2. De vergelijking f(x)=g(x)f(x)=g(x)f(x)=g(x) is gelijkwaardig aan h(x)=0h(x)=0h(x)=0; de nulpunten x1≈0,72x_1\approx0{,}72x1​≈0,72 en x2≈2,78x_2\approx2{,}78x2​≈2,78 zijn precies de xxx-coördinaten van de snijpunten uit Afb. 2.
Voor exacte oplossingen heb je een gereedschapskist. Een lineaire vergelijking los je op door de onbekende te isoleren. Een kwadratische vergelijking breng je eerst in de vorm ax2+bx+c=0ax^2+bx+c=0ax2+bx+c=0 en los je dan op door te ontbinden in factoren (als dat lukt) of met de abc-formule x=−b±D2ax=\frac{-b\pm\sqrt{D}}{2a}x=2a−b±D​​, waarbij D=b2−4acD=b^2-4acD=b2−4ac de discriminant is. Kwadraatafsplitsen is een alternatief dat meteen de top laat zien. Werk netjes en houd bij elke stap de tekens in de gaten.
Lang niet elke vergelijking is exact op te lossen, en op het examen mag je de grafische rekenmachine gebruiken. De snijpunt-methode werkt altijd: voer de linkerkant in als Y1Y_1Y1​ en de rechterkant als Y2Y_2Y2​, kies een venster waarin je het snijpunt ziet, en gebruik 2ND → CALC → 5:intersect; geef een linker- en een rechtergrens en de GR leest de xxx-coördinaat af. Voor een vergelijking van de vorm f(x)=0f(x)=0f(x)=0 kun je ook CALC → 2:zero gebruiken. Rond af zoals de opgave vraagt (vaak op twee decimalen) en schrijf op wat je hebt ingevoerd, zodat je uitwerking navolgbaar is.
Het aantal oplossingen kun je vooraf inschatten. Bij een kwadratische vergelijking bepaalt de discriminant het aantal: D>0D>0D>0 geeft twee oplossingen, D=0D=0D=0 één en D<0D<0D<0 geen (reële) oplossing. Grafisch komt dit overeen met het aantal snijpunten: twee grafieken kunnen elkaar twee keer snijden, één keer raken of elkaar niet snijden. Zo weet je of je alle oplossingen te pakken hebt.
Sluit altijd af met controleren en interpreteren. Vul een gevonden xxx terug in de oorspronkelijke vergelijking om je antwoord te toetsen. In een context is niet elke wiskundige oplossing zinvol: een negatieve tijd, een negatief aantal of een waarde buiten het domein valt af. Vermeld alleen de oplossingen die binnen de context passen, en geef je antwoord met de juiste eenheid.
f(x)=g(x)  ⟺  f(x)−g(x)=0f(x) = g(x) \iff f(x) - g(x) = 0f(x)=g(x)⟺f(x)−g(x)=0

Naar één kant brengen

Een snijpunt/oplossing van f(x)=g(x)f(x)=g(x)f(x)=g(x) is een nulpunt van de verschilfunctie h=f−gh=f-gh=f−g.

x=−b±D2a,D=b2−4acx = \frac{-b \pm \sqrt{D}}{2a}, \qquad D = b^2 - 4acx=2a−b±D​​,D=b2−4ac

abc-formule en discriminant

Voor ax2+bx+c=0ax^2+bx+c=0ax2+bx+c=0. D>0D>0D>0: twee oplossingen; D=0D=0D=0: één; D<0D<0D<0: geen reële oplossing.

GR: Y1=…, Y2=… → intersect  x\text{GR: } Y_1 = \ldots,\ Y_2 = \ldots \ \xrightarrow{\ \text{intersect}\ } \ xGR: Y1​=…, Y2​=…  intersect ​ x

Snijpunt-methode

Voer beide kanten in als Y1Y_1Y1​ en Y2Y_2Y2​ en lees het snijpunt af met 2ND CALC 5:intersect (of CALC 2:zero voor f(x)=0f(x)=0f(x)=0).

Uitgewerkt voorbeeld

Een vergelijking exact oplossen én controleren met de GR

Los de vergelijking 0,5x+1=−x2+4x−10{,}5x+1=-x^2+4x-10,5x+1=−x2+4x−1 exact op. Controleer je antwoord met de intersect-functie van de grafische rekenmachine.

  1. 01Alles naar één kant

    Breng alles naar links: 0,5x+1+x2−4x+1=00{,}5x+1+x^2-4x+1=00,5x+1+x2−4x+1=0. Dit is h(x)=0h(x)=0h(x)=0 met h=f−gh=f-gh=f−g (Afb. 3).

    0,5x+1=−x2+4x−1  ⟺  x2−3,5x+2=00{,}5x + 1 = -x^2 + 4x - 1 \iff x^2 - 3{,}5x + 2 = 00,5x+1=−x2+4x−1⟺x2−3,5x+2=0
  2. 02Discriminant

    Met a=1, b=−3,5, c=2a=1,\ b=-3{,}5,\ c=2a=1, b=−3,5, c=2: er zijn twee oplossingen want D>0D>0D>0.

    D=(−3,5)2−4⋅1⋅2=12,25−8=4,25D = (-3{,}5)^2 - 4\cdot 1\cdot 2 = 12{,}25 - 8 = 4{,}25D=(−3,5)2−4⋅1⋅2=12,25−8=4,25
  3. 03abc-formule

    Vul in en vereenvoudig; door teller en noemer met 2 te vermenigvuldigen krijg je de nette exacte vorm.

    x=3,5±4,252=7±174x = \frac{3{,}5 \pm \sqrt{4{,}25}}{2} = \frac{7 \pm \sqrt{17}}{4}x=23,5±4,25​​=47±17​​
  4. 04Benaderen

    Omdat 17≈4,12\sqrt{17}\approx4{,}1217​≈4,12 is x1≈0,72x_1\approx0{,}72x1​≈0,72 en x2≈2,78x_2\approx2{,}78x2​≈2,78.

  5. 05Controle met de GR

    Voer in Y1=0,5X+1Y_1=0{,}5X+1Y1​=0,5X+1 en Y2=−X2+4X−1Y_2=-X^2+4X-1Y2​=−X2+4X−1. Kies 2ND → CALC → 5:intersect, geef rond elk snijpunt een linker- en rechtergrens en bevestig. De GR leest X≈0,72X\approx0{,}72X≈0,72 en X≈2,78X\approx2{,}78X≈2,78 — dezelfde waarden.

Resultaat: x=7±174x=\frac{7\pm\sqrt{17}}{4}x=47±17​​, oftewel x≈0,72x\approx0{,}72x≈0,72 of x≈2,78x\approx2{,}78x≈2,78.

Uitgewerkt voorbeeld

Een vergelijking met de GR: wanneer haalt het spaarbedrag €900?

Een spaarbedrag groeit jaarlijks met 8%: B(t)=500⋅1,08 tB(t)=500\cdot 1{,}08^{\,t}B(t)=500⋅1,08t euro, met ttt in jaren. Na hoeveel jaar is het bedrag €900? Los op met de intersect-functie van de GR.

  1. 01Stel de vergelijking op

    Gevraagd is B(t)=900B(t)=900B(t)=900. Deze vergelijking is niet met ontbinden of de abc-formule op te lossen; gebruik de GR.

    500⋅1,08 t=900500 \cdot 1{,}08^{\,t} = 900500⋅1,08t=900
  2. 02GR: twee grafieken en intersect

    Voer in Y1=500⋅1,08XY_1=500\cdot 1{,}08^{X}Y1​=500⋅1,08X en Y2=900Y_2=900Y2​=900. Kies een venster met 0≤X≤150\le X\le 150≤X≤15 en gebruik 2ND → CALC → 5:intersect.

  3. 03Aflezen (en exact met de logaritme)

    De GR geeft X≈7,64X\approx7{,}64X≈7,64. Exact kan het met de logaritme (zie het onderwerp exponentiële functies).

    t=log⁡1,8log⁡1,08≈7,64t = \frac{\log 1{,}8}{\log 1{,}08} \approx 7{,}64t=log1,08log1,8​≈7,64
  4. 04Interpreteren in de context

    Na 7 jaar is B(7)≈ EUR856,91B(7)\approx\,\text{EUR}856{,}91B(7)≈EUR856,91 (nog te weinig) en na 8 jaar B(8)≈ EUR925,47B(8)\approx\,\text{EUR}925{,}47B(8)≈EUR925,47. Het spaarbedrag haalt de €900 dus in de loop van het 8e jaar.

Resultaat: t≈7,64t\approx7{,}64t≈7,64 jaar; pas vanaf het 8e jaar is het spaarbedrag minstens €900.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: vergelijkingen exact oplossen (isoleren, ontbinden, abc-formule) én met de intersect-functie van de GR, met correcte afronding.
  • Examendoel: de snijpunt-methode toepassen — Y1Y_1Y1​ en Y2Y_2Y2​ invoeren en met 2ND CALC 5:intersect het snijpunt aflezen — bij vergelijkingen die niet exact op te lossen zijn.

Veelgemaakte fouten

  • Een minteken kwijtraken bij het naar één kant brengen, bijvoorbeeld −x2+4x−1-x^2+4x-1−x2+4x−1 verkeerd van teken voorzien.
  • De GR-uitkomst niet of verkeerd afronden, of de intersect-grenzen zo kiezen dat de GR het verkeerde (of geen) snijpunt vindt.
  • Denken dat elke vergelijking exact op te lossen is; bij bijvoorbeeld 500⋅1,08t=900500\cdot 1{,}08^{t}=900500⋅1,08t=900 is de GR (of de logaritme) nodig.

Actieve herhaling

Los exact op: x2−3=2xx^2-3=2xx2−3=2x. Los daarna met de GR op: 2x=52^{x}=52x=5 (rond af op twee decimalen).

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)

§ 04

Ongelijkheden en intervallen#

●●●VerdiepingLPexamenblad-wiskunde-a-domein-C2-C3

Kernpunten

Een ongelijkheid zoals f(x)>g(x)f(x)>g(x)f(x)>g(x) vraagt niet naar losse punten maar naar een heel gebied van xxx-waarden. De aanpak is steeds hetzelfde: bepaal eerst de grens door de bijbehorende vergelijking f(x)=g(x)f(x)=g(x)f(x)=g(x) op te lossen, en beslis daarna op welke stukken de ene grafiek boven de andere ligt. In Afb. 4 zie je dat de parabool fff tussen x=1x=1x=1 en x=4x=4x=4 boven de lijn ggg ligt; dat gearceerde gebied is de oplossing. Het tekenschema (Afb. 5) en de getallenlijn (Afb. 6) laten hetzelfde antwoord op twee andere manieren zien.

Waar geldt f(x) > g(x)? — het gearceerde gebied

f(x) > g(x) op het interval van 1 tot 4Schaubild von f, Nullstellen bei x = 1, 5, Hochpunkt bei (3, 4), y-Achsenabschnitt bei y = -5, im Bereich x von 0 bis 5, Schaubild von g, Nullstellen bei x = 1, y-Achsenabschnitt bei y = -1, steigend, im Bereich x von 0 bis 512345−3−2−112345(1; 0)(4; 3)fgyx
Afb. 4Afb. 4 — f(x)=−x2+6x−5f(x)=-x^2+6x-5f(x)=−x2+6x−5 (parabool) en g(x)=x−1g(x)=x-1g(x)=x−1 (rechte lijn). Tussen de snijpunten (1; 0)(1;\ 0)(1; 0) en (4; 3)(4;\ 3)(4; 3) ligt de parabool boven de lijn: daar geldt f(x)>g(x)f(x)>g(x)f(x)>g(x). Het gearceerde gebied hoort bij de oplossing 1<x<41<x<41<x<4.

Tekenschema van f(x) - g(x) = -(x - 1)(x - 4)

Tekenschema f − gTabel met 4 kolommen en 3 rijen, Gegevens: factor · x < 1 · 1 < x < 4 · x > 4; x − 1 · − · + · +; x − 4 · − · − · +; f(x) − g(x) · − · + · −, gemarkeerde cel: +FACTORX < 11 < X < 4X > 4X − 1−++X − 4−−+F(X) − G(X)−+−
Afb. 5Afb. 5 — Tekenschema van f(x)−g(x)=−(x−1)(x−4)f(x)-g(x)=-(x-1)(x-4)f(x)−g(x)=−(x−1)(x−4). Alleen op 1<x<41<x<41<x<4 is f(x)−g(x)f(x)-g(x)f(x)−g(x) positief, dus daar geldt f(x)>g(x)f(x)>g(x)f(x)>g(x).

De oplossing 1 < x < 4 op de getallenlijn

Oplossing: x ∈ ⟨1, 4⟩Getallenlijn, 1, 4, 1 < x < 4−101234561 < x < 4
Afb. 6Afb. 6 — De oplossing van f(x)>g(x)f(x)>g(x)f(x)>g(x) is het open interval ⟨1, 4⟩\langle 1,\ 4\rangle⟨1, 4⟩: alle xxx met 1<x<41<x<41<x<4. De randen 1 en 4 horen er niet bij (open bolletjes), want daar geldt f(x)=g(x)f(x)=g(x)f(x)=g(x).
De grafische methode is vaak het snelst. Teken of lees beide grafieken (eventueel met de GR), zoek de snijpunten — dat zijn de grenzen — en kijk simpelweg waar de gevraagde grafiek boven (of onder) de andere loopt. Voor f(x)>g(x)f(x)>g(x)f(x)>g(x) neem je de xxx-waarden waar de grafiek van fff hoger ligt; voor f(x)<g(x)f(x)<g(x)f(x)<g(x) juist waar hij lager ligt. De snijpunten zelf horen bij een strikte ongelijkheid niet tot de oplossing.
Wil je het zonder grafiek doen, dan gebruik je het tekenverloop. Breng alles naar één kant zodat je f(x)−g(x)f(x)-g(x)f(x)−g(x) krijgt, ontbind die uitdrukking in factoren en bepaal per interval — begrensd door de nulpunten — het teken van elke factor en van het product. In een tekenschema (Afb. 5) zet je de nulpunten op een lijn en noteer je in elk vak of het resultaat positief of negatief is. Daar waar het teken past bij de ongelijkheid, ligt de oplossing.
De oplossing schrijf je als interval. Gebruik rechte haken voor gesloten randen die erbij horen — [a, b][a,\ b][a, b] bij ≤\le≤ of ≥\ge≥ — en punthaken voor open randen die er niet bij horen — ⟨a, b⟩\langle a,\ b\rangle⟨a, b⟩ bij <<< of >>>. Een halfopen interval als ⟨a, b]\langle a,\ b]⟨a, b] komt voor als één rand wel en de andere niet meetelt. Losse stukken combineer je met het verenigingsteken ∪\cup∪, en ∞\infty∞ of −∞-\infty−∞ krijgt altijd een punthaak omdat oneindig nooit meetelt. Op de getallenlijn teken je een open rand als een open bolletje en een gesloten rand als een dichte stip.
Twee zaken vragen extra aandacht. Ten eerste de randen: bij een strikte ongelijkheid (<<< of >>>) tellen de grenspunten niet mee, bij een niet-strikte (≤\le≤ of ≥\ge≥) wél. Ten tweede het rekenen: als je beide kanten van een ongelijkheid met een negatief getal vermenigvuldigt of deelt, draait het ongelijkteken om. Vergeet dat niet, want het is een klassieke bron van fouten.
f(x)>g(x)f(x) > g(x)f(x)>g(x)

Ongelijkheid

Bepaal de grens met f(x)=g(x)f(x)=g(x)f(x)=g(x) en kijk daarna met de grafiek of het tekenverloop waar fff boven ggg ligt.

[a, b] gesloten,⟨a, b⟩ open,⟨a, b] halfopen[a,\,b]\ \text{gesloten}, \quad \langle a,\,b\rangle\ \text{open}, \quad \langle a,\,b]\ \text{halfopen}[a,b] gesloten,⟨a,b⟩ open,⟨a,b] halfopen

Intervalnotatie

Rechte haak = rand hoort erbij (≤,≥\le,\ge≤,≥); punthaak = rand hoort er niet bij (<,><,><,>). Bij ±∞\pm\infty±∞ altijd een punthaak.

1<x<4  ⟺  x∈⟨1,  4⟩1 < x < 4 \iff x \in \langle 1,\;4 \rangle1<x<4⟺x∈⟨1,4⟩

Van ongelijkheid naar interval

Een strikte dubbele ongelijkheid wordt een open interval.

Uitgewerkt voorbeeld

Een ongelijkheid oplossen en als interval noteren

Los op: −x2+6x−5>x−1-x^2+6x-5>x-1−x2+6x−5>x−1. Noteer de oplossing als interval.

  1. 01Grenzen: los f(x) = g(x) op

    De grens ligt waar −x2+6x−5=x−1-x^2+6x-5=x-1−x2+6x−5=x−1. Breng alles naar één kant en vermenigvuldig met −1-1−1.

    −x2+6x−5=x−1  ⟺  x2−5x+4=0-x^2 + 6x - 5 = x - 1 \iff x^2 - 5x + 4 = 0−x2+6x−5=x−1⟺x2−5x+4=0
  2. 02Ontbinden

    Dit ontbindt netjes; de oplossingen zijn de snijpunten (1; 0)(1;\ 0)(1; 0) en (4; 3)(4;\ 3)(4; 3) uit Afb. 4.

    (x−1)(x−4)=0  ⟺  x=1 of x=4(x-1)(x-4) = 0 \iff x = 1 \ \text{of}\ x = 4(x−1)(x−4)=0⟺x=1 of x=4
  3. 03Tekenverloop bepalen

    Schrijf f(x)−g(x)=−(x−1)(x−4)f(x)-g(x)=-(x-1)(x-4)f(x)−g(x)=−(x−1)(x−4). Voor xxx tussen 1 en 4 is (x−1)>0(x-1)>0(x−1)>0 en (x−4)<0(x-4)<0(x−4)<0, dus het product is negatief en −(x−1)(x−4)-(x-1)(x-4)−(x−1)(x−4) is positief: daar geldt f(x)>g(x)f(x)>g(x)f(x)>g(x) (zie het tekenschema, Afb. 5).

    f(x)−g(x)=−(x−1)(x−4)f(x) - g(x) = -(x-1)(x-4)f(x)−g(x)=−(x−1)(x−4)
  4. 04Grafische controle

    In Afb. 4 ligt de parabool fff precies tussen x=1x=1x=1 en x=4x=4x=4 boven de lijn ggg — dat bevestigt het gebied.

  5. 05Als interval noteren

    De ongelijkheid is strikt (>>>), dus de randen x=1x=1x=1 en x=4x=4x=4 horen er niet bij (daar geldt f=gf=gf=g). De oplossing is het open interval (Afb. 6).

    1<x<4  ⟺  x∈⟨1,  4⟩1 < x < 4 \iff x \in \langle 1,\;4 \rangle1<x<4⟺x∈⟨1,4⟩

Resultaat: f(x)>g(x)f(x)>g(x)f(x)>g(x) voor 1<x<41<x<41<x<4, oftewel x∈⟨1, 4⟩x\in\langle 1,\ 4\ranglex∈⟨1, 4⟩.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een ongelijkheid f(x)>g(x)f(x)>g(x)f(x)>g(x) oplossen via de grafiek of het tekenverloop en de grenzen bepalen met f(x)=g(x)f(x)=g(x)f(x)=g(x).
  • Examendoel: de oplossing correct als interval noteren, met open of gesloten randen afhankelijk van <,≤<,\le<,≤ en het onderscheid ⟨a, b⟩\langle a,\,b\rangle⟨a,b⟩ tegenover [a, b][a,\,b][a,b].

Veelgemaakte fouten

  • De grens wel of niet meenemen door elkaar halen: bij >>> of <<< open randen (⟨ ⟩\langle\ \rangle⟨ ⟩), bij ≥\ge≥ of ≤\le≤ gesloten randen ([ ][\ ][ ]).
  • Bij het vermenigvuldigen of delen door een negatief getal vergeten het ongelijkteken om te draaien.
  • Alleen de snijpunten opschrijven en niet aangeven op welk interval fff boven ggg ligt.

Actieve herhaling

Los op en noteer als interval: x2−4x+3≤0x^2-4x+3\le 0x2−4x+3≤0.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Functiebegrip: domein, bereik en functiewaarden○
    • 02Grafieken en snijpunten lezen◐
    • 03Vergelijkingen oplossen (exact en met de GR)◐
    • 04Ongelijkheden en intervallen●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Functies, grafieken, vergelijkingen en ongelijkheden

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~20
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / DUO

  • Examenblad.nl — wiskunde A (VWO)

Vorig onderwerp

Standaardfuncties

Volgend onderwerp

Rijen: rekenkundig en meetkundig

EuraStudy·Samenvattingen T·04·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.