EuraStudy
Samenvattingen/Wiskunde A/Helling, toenamediagram en differentiequotiënt
Samenvattingen · Wiskunde ANL · VWO

Helling, toenamediagram en differentiequotiënt

Dit onderwerp gaat over verandering: hoe snel verandert een grootheid gemiddeld over een interval, en hoe steil loopt een grafiek in één punt? Je leert het differentiequotiënt ΔyΔx\frac{\Delta y}{\Delta x}ΔxΔy​ berekenen en interpreteren, een toenamediagram tekenen en aflezen, de momentane helling benaderen door het interval steeds kleiner te maken, en ten slotte de hellingsgrafiek schetsen. Het is centraal-examenstof (domein D, Verandering) en vormt de opstap naar de afgeleide.

4 Onderdelen·~22 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3

T·0666 / 15
Examenprofiel
Het differentiequotiënt (Δy/Δx) — de gemiddelde veranderingssnelheid op een interval [a, b] — berekenen en met de juiste eenheid in de context interpreterenEen toenamediagram bij een tabel of grafiek tekenen en aflezen, en de toenames verbinden met de steilheid van koordenDe momentane helling benaderen door het interval steeds kleiner te maken: de intuïtieve overgang van koorde naar raaklijnDe hellingsgrafiek bij een gegeven grafiek schetsen en de helling in een punt met de grafische rekenmachine aflezen
Operatoren:berekenbepaalleg uitinterpreteertekenschetslees afverklaarbenadertoon aan

basisniveau

Voor het CE moet je het differentiequotiënt op een interval kunnen berekenen en interpreteren, een toenamediagram kunnen tekenen en aflezen, de momentane helling met kleine intervallen of met de GR kunnen benaderen, en een hellingsgrafiek kunnen schetsen.

verhoogd niveau

Wie dieper gaat, ziet de koorde bij een steeds kleiner interval naar de raaklijn draaien (de intuïtieve limiet), gebruikt het symmetrische differentiequotiënt zoals de GR dat doet, en herkent dat de hellingsgrafiek van een parabool een rechte lijn is — de brug naar de afgeleide.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Helling, toenamediagram en differentiequotiënt
    • 01Gemiddelde veranderingssnelheid en differentiequotiënt○
    • 02Toenamediagram en koorden◐
    • 03Van gemiddeld naar momentaan (naar de afgeleide toe)◐
    • 04Hellingsgrafiek◐
§ 01

Gemiddelde veranderingssnelheid en differentiequotiënt#

●○○BasisLPexamenblad-wiskunde-a-domein-D1

Kernpunten

In veel contexten wil je weten hóe snel iets verandert: hoeveel graden stijgt de temperatuur per uur, hoeveel meter legt een auto per seconde af, hoeveel euro kost een extra product? Het antwoord op zulke vragen is een veranderingssnelheid. Over een heel interval reken je met de gemiddelde veranderingssnelheid, en die krijgt in de wiskunde een vaste naam: het differentiequotiënt. In Afb. 1 zie je de parabool f(x)=0,25x2f(x)=0{,}25x^2f(x)=0,25x2 met een rechte lijn (een koorde) door de punten (2,1)(2,1)(2,1) en (6,9)(6,9)(6,9). De helling van die koorde — hoe sterk hij stijgt — is precies de gemiddelde veranderingssnelheid van fff op het interval [2,6][2,6][2,6], en die blijkt 222 te zijn. Dit hoofdstuk draait om dat ene getal en om wat het betekent.

Afb. 1 — De koorde door twee punten van de grafiek

Funktionsgraph, f(x) = 0,25x² = 0.25*x^2, 2 markierte PunkteSchaubild von f(x) = 0,25x², Tiefpunkt bei (0, 0), y-Achsenabschnitt bei y = 0, im Bereich x von -0.5 bis 7123456724681012koordef(x) = 0,25x²yx
Afb. 1Het differentiequotiënt op [2, 6] is de helling van de koorde door (2, 1) en (6, 9): (9 − 1)/(6 − 2) = 2.
Het differentiequotiënt van een functie fff op een interval [a,b][a,b][a,b] is de verandering van de functiewaarde gedeeld door de verandering van xxx. We schrijven de verandering met het symbool Δ\DeltaΔ (spreek uit: delta), dat ‚verandering van' betekent: Δx=b−a\Delta x=b-aΔx=b−a is de stap op de horizontale as en Δy=f(b)−f(a)\Delta y=f(b)-f(a)Δy=f(b)−f(a) is de bijbehorende verandering van de uitkomst. Het differentiequotiënt is dan ΔyΔx=f(b)−f(a)b−a\frac{\Delta y}{\Delta x}=\frac{f(b)-f(a)}{b-a}ΔxΔy​=b−af(b)−f(a)​. Let op de volgorde: bovenaan (in de teller) staat de verandering van de úitkomst, onderaan (in de noemer) de verandering van de ínvoer. Het woord ‚gemiddelde' is wezenlijk: het getal beschrijft de verandering uitgesmeerd over het hele interval, niet op één moment — binnen het interval kan de werkelijke steilheid variëren.
Meetkundig heeft het differentiequotiënt een heldere betekenis: het is de richtingscoëfficiënt (de helling) van de koorde, de rechte lijn door de twee randpunten (a,f(a))(a,f(a))(a,f(a)) en (b,f(b))(b,f(b))(b,f(b)) van de grafiek. In Afb. 1 lees je dat direct af: van x=2x=2x=2 naar x=6x=6x=6 ga je Δx=4\Delta x=4Δx=4 naar rechts en Δy=9−1=8\Delta y=9-1=8Δy=9−1=8 omhoog, dus de koorde heeft helling 84=2\tfrac{8}{4}=248​=2. Het teken van het differentiequotiënt vertelt je de richting van de verandering: positief betekent dat fff over het interval gemiddeld stijgt, negatief dat fff gemiddeld daalt, en 000 dat fff in bbb op dezelfde hoogte eindigt als in aaa (netto geen verandering, ook al kan de grafiek er tussenin best zijn gestegen en gedaald).
De naam ‚veranderingssnelheid' verklaart waarom dit begrip zo vaak in contexten opduikt. Snelheid is immers niets anders dan verandering per tijdseenheid. In Afb. 2 staat de afgelegde afstand s(t)=2t2s(t)=2t^2s(t)=2t2 van een optrekkende auto; de koorde door (3,18)(3,18)(3,18) en (5,50)(5,50)(5,50) heeft helling 50−185−3=16\frac{50-18}{5-3}=165−350−18​=16, en dat is de gemiddelde snelheid van 161616 meter per seconde tussen t=3t=3t=3 en t=5t=5t=5. Bij elk differentiequotiënt hoort dus een eenheid van de vorm ‚eenheid van yyy per eenheid van xxx': m/s, °C per uur, euro per stuk, inwoners per jaar. Wie de eenheid weglaat of omdraait, mist de helft van het antwoord — de interpretatie in de context is bij wiskunde A minstens zo belangrijk als de berekening zelf.

Afb. 2 — Gemiddelde snelheid als helling van een koorde

Funktionsgraph, s(t) = 2t² = 2*t^2, 2 markierte PunkteSchaubild von s(t) = 2t², Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von 0 bis 5.512345102030405060koordes(t) = 2t²s (m)t (s)
Afb. 2De gemiddelde snelheid op [3, 5] is de helling van de koorde door (3, 18) en (5, 50): 16 m/s.
In de praktijk bereken je het differentiequotiënt bijna altijd in drie stapjes: reken eerst de twee functiewaarden f(a)f(a)f(a) en f(b)f(b)f(b) uit (met de hand of met de GR), trek ze af tot Δy\Delta yΔy, en deel door Δx=b−a\Delta x=b-aΔx=b−a. Werk je met een tabel in plaats van een formule, dan lees je f(a)f(a)f(a) en f(b)f(b)f(b) gewoon uit de tabel af. Belangrijk om te onthouden: dit hoofdstuk gaat over de gemiddelde verandering over een interval. In de latere secties maken we het interval steeds kleiner om de momentane helling in één punt te benaderen — de steilheid op één enkel moment — en dat leidt uiteindelijk naar de afgeleide. Het differentiequotiënt is daarvoor de onmisbare eerste stap.
ΔyΔx=f(b)−f(a)b−a\frac{\Delta y}{\Delta x}=\frac{f(b)-f(a)}{b-a}ΔxΔy​=b−af(b)−f(a)​

Differentiequotiënt op [a,b]

De gemiddelde veranderingssnelheid van fff op het interval [a,b][a,b][a,b]: de verandering van de functiewaarde gedeeld door de verandering van xxx. Tegelijk de helling van de koorde door de twee randpunten.

Δx=b−aΔy=f(b)−f(a)\Delta x = b-a \qquad \Delta y = f(b)-f(a)Δx=b−aΔy=f(b)−f(a)

De veranderingen Δx en Δy

Δ\DeltaΔ (delta) betekent ‚verandering van'. Δx\Delta xΔx is de stap op de horizontale as, Δy\Delta yΔy de bijbehorende verandering van de uitkomst.

Uitgewerkt voorbeeld

Differentiequotiënt van een parabool

Gegeven de functie f(x)=0,25x2f(x)=0{,}25x^2f(x)=0,25x2. Bereken het differentiequotiënt op het interval [2,6][2,6][2,6] en leg uit wat het betekent.

  1. 01Bepaal de twee functiewaarden

    Reken de uitkomsten in de randpunten x=2x=2x=2 en x=6x=6x=6 uit.

    f(2)=0,25⋅22=1f(6)=0,25⋅62=9f(2)=0{,}25\cdot 2^2=1 \qquad f(6)=0{,}25\cdot 6^2=9f(2)=0,25⋅22=1f(6)=0,25⋅62=9
  2. 02Vul het differentiequotiënt in

    Deel de verandering van yyy door de verandering van xxx.

    f(6)−f(2)6−2=9−14=2\frac{f(6)-f(2)}{6-2}=\frac{9-1}{4}=26−2f(6)−f(2)​=49−1​=2
  3. 03Interpreteer

    Over het interval [2,6][2,6][2,6] neemt f(x)f(x)f(x) gemiddeld met 222 toe per eenheid die xxx groter wordt. Meetkundig is 222 de helling van de koorde door (2,1)(2,1)(2,1) en (6,9)(6,9)(6,9) in Afb. 1.

Resultaat: Het differentiequotiënt is 222: op [2,6][2,6][2,6] stijgt fff gemiddeld met 222 per eenheid xxx.

Uitgewerkt voorbeeld

Gemiddelde snelheid van een auto

Een auto trekt op. De afgelegde afstand sss (in meter) na ttt seconden is s(t)=2t2s(t)=2t^2s(t)=2t2. Bereken de gemiddelde snelheid over het interval [3,5][3,5][3,5] en geef de betekenis met eenheid.

  1. 01Bereken de afstanden

    Reken sss uit in t=3t=3t=3 en t=5t=5t=5.

    s(3)=2⋅32=18s(5)=2⋅52=50s(3)=2\cdot 3^2=18 \qquad s(5)=2\cdot 5^2=50s(3)=2⋅32=18s(5)=2⋅52=50
  2. 02Differentiequotiënt = gemiddelde snelheid

    Snelheid is afstand per tijd, dus ΔsΔt\frac{\Delta s}{\Delta t}ΔtΔs​.

    s(5)−s(3)5−3=50−182=16\frac{s(5)-s(3)}{5-3}=\frac{50-18}{2}=165−3s(5)−s(3)​=250−18​=16
  3. 03Interpreteer met eenheid

    De auto legt tussen t=3t=3t=3 en t=5t=5t=5 gemiddeld 161616 meter per seconde af. Dat is de gemiddelde snelheid; op één enkel moment kan de snelheid hoger of lager zijn (Afb. 2).

Resultaat: De gemiddelde snelheid op [3,5][3,5][3,5] is 161616 m/s.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het differentiequotiënt f(b)−f(a)b−a\frac{f(b)-f(a)}{b-a}b−af(b)−f(a)​ op een gegeven interval [a,b][a,b][a,b] berekenen (Afb. 1) en het antwoord met de juiste eenheid in de context interpreteren.
  • Examendoel: herkennen dat het differentiequotiënt tegelijk de gemiddelde veranderingssnelheid is én de richtingscoëfficiënt (helling) van de koorde door de twee randpunten.

Veelgemaakte fouten

  • Teller en noemer verwisselen: het is ΔyΔx\frac{\Delta y}{\Delta x}ΔxΔy​ (verandering van de uitkomst gedeeld door verandering van de invoer), niet andersom.
  • De eenheid vergeten of fout kiezen. Een veranderingssnelheid heeft altijd de vorm ‚eenheid van yyy per eenheid van xxx', bijvoorbeeld m/s of °C per uur.
  • f(b)−f(a)f(b)-f(a)f(b)−f(a) verwarren met f(b−a)f(b-a)f(b−a). Reken eerst de twee functiewaarden apart uit en trek ze dan pas af.

Actieve herhaling

Gegeven f(x)=0,5x2+1f(x)=0{,}5x^2+1f(x)=0,5x2+1. Bereken het differentiequotiënt op het interval [1,4][1,4][1,4] en leg uit wat dit getal betekent voor de grafiek van fff.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)

§ 02

Toenamediagram en koorden#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-a-domein-D1

Afb. 1 — De data als grafiek: elk lijnstukje is een koorde

Lijndiagram: N (×1000) naar t (dagen)Lijndiagram: N (×1000) naar t (dagen)010203040012345N (×1000)t (dagen)
Afb. 3De weergaven per dag. De rechte stukjes tussen de punten zijn koorden; hun steilheid is de toename van dat interval — en die wordt steeds groter.

Kernpunten

Wanneer je gegevens in gelijke stappen hebt — bijvoorbeeld een meting per dag of per jaar — is het vaak leerzaam om niet naar de waarden zelf te kijken, maar naar de toenames: hoeveel komt er per stap bij (of gaat eraf)? Die toenames zet je als staafjes in een toenamediagram. In Afb. 1 staat het aantal weergaven NNN (in duizendtallen) van een video na ttt dagen als grafiek; in Afb. 2 staan de bijbehorende toenames per dag — 3,6,9,12,153, 6, 9, 12, 153,6,9,12,15 — als staafdiagram. Het toenamediagram maakt in één oogopslag zichtbaar hoe het tempo van de verandering zelf verandert: hier worden de staafjes steeds hoger, dus de video wordt met de dag sneller bekeken.
Een toenamediagram maak je in twee stappen. Bereken eerst per stap de toename: het verschil tussen twee opeenvolgende waarden, toename=f(x+Δx)−f(x)\text{toename}=f(x+\Delta x)-f(x)toename=f(x+Δx)−f(x). Voor de video: 5−2=35-2=35−2=3, 11−5=611-5=611−5=6, 20−11=920-11=920−11=9, enzovoort. Teken vervolgens boven elk interval een staafje met die hoogte. Werk je vanuit een tabel, dan zijn de toenames simpelweg de verschillen van de rij getallen; werk je vanuit een grafiek, dan lees je de functiewaarden eerst af en trek je ze af. Elk staafje hoort bij een héél stapje, niet bij één punt — daarom teken je het staafje boven het interval [x, x+Δx][x,\,x+\Delta x][x,x+Δx].
Het toenamediagram is een kompas voor de vórm van de oorspronkelijke grafiek. Steeds hogere staafjes betekenen: de grafiek loopt steeds steiler op (versnellende groei). Steeds lagere, maar nog positieve staafjes betekenen: de grafiek stijgt nog wel, maar remt af. Worden de staafjes negatief, dan dáált de grootheid en wijst het staafje omlaag. Zo lees je aan het toenamediagram af waar een verband snel of langzaam verandert, en waar het van stijgen naar dalen omslaat (daar wisselt het teken van de staafjes). Het diagram vertelt dus over de steilheid, terwijl de grafiek zelf over de hoogte gaat.
Er is een mooi verband tussen het toenamediagram en het differentiequotiënt uit sectie 1. Een koorde is de rechte verbinding tussen twee punten van een grafiek, en de helling van die koorde is het differentiequotiënt over dat interval. In een lijngrafiek van tabelgegevens (Afb. 1) is elk recht stukje tussen twee opeenvolgende punten precies zo'n koorde. Als de stapgrootte Δx=1\Delta x=1Δx=1 is, geldt bovendien ΔyΔx=Δy1=Δy\frac{\Delta y}{\Delta x}=\frac{\Delta y}{1}=\Delta yΔxΔy​=1Δy​=Δy: dan is de toename gelijk aan het differentiequotiënt over die stap. De staafjes in het toenamediagram zijn in dat geval dus letterlijk de hellingen van de koorden — de gemiddelde snelheden per dag.
Ten slotte het verband met de gemiddelde verandering over het héle interval. De gemiddelde toename per dag over [0,5][0,5][0,5] is het differentiequotiënt N(5)−N(0)5−0=47−25=9\frac{N(5)-N(0)}{5-0}=\frac{47-2}{5}=95−0N(5)−N(0)​=547−2​=9, en dat is precies het gemiddelde van de vijf staafjes: 3+6+9+12+155=9\frac{3+6+9+12+15}{5}=953+6+9+12+15​=9. Dat is geen toeval — de gemiddelde veranderingssnelheid over een interval is altijd het gemiddelde van de toenames binnen dat interval (bij gelijke stappen). Let bij het aflezen wél op de stapgrootte: alleen als Δx\Delta xΔx overal even groot is, mag je de staafjes zo netjes met elkaar en met het gemiddelde vergelijken.
toename=f(x+Δx)−f(x)\text{toename} = f(x+\Delta x)-f(x)toename=f(x+Δx)−f(x)

Toename per stap

De toename is het verschil tussen twee opeenvolgende functiewaarden; in een toenamediagram is dit de hoogte van het staafje boven dat interval.

Δx=1  ⇒  ΔyΔx=Δy\Delta x = 1 \;\Rightarrow\; \frac{\Delta y}{\Delta x}=\Delta yΔx=1⇒ΔxΔy​=Δy

Toename = differentiequotiënt bij stapgrootte 1

Als de stap 111 is, valt de noemer weg en is de toename precies gelijk aan het differentiequotiënt (de helling van de koorde) over die stap.

Afb. 2 — Toenamediagram van de weergaven per dag

Kolomdiagram: toename (×1000) naar interval (dagen), 5 waarden (maximum 15)Kolomdiagram: toename (×1000) naar interval (dagen), Gegevens: toename van N (×1000) · 0 → 1: 3; toename van N (×1000) · 1 → 2: 6; toename van N (×1000) · 2 → 3: 9; toename van N (×1000) · 3 → 4: 12; toename van N (×1000) · 4 → 5: 15024681012140 → 11 → 22 → 33 → 44 → 53691215toename (×1000)interval (dagen)
Afb. 4Het toenamediagram: de toename per dag (3, 6, 9, 12, 15) neemt steeds toe, dus de grafiek in Afb. 1 loopt steeds steiler.
Uitgewerkt voorbeeld

Toenamediagram bij een groeitabel

Het aantal weergaven NNN (in duizendtallen) van een video na ttt dagen staat in de tabel: bij t=0,1,2,3,4,5t=0,1,2,3,4,5t=0,1,2,3,4,5 is N=2,5,11,20,32,47N=2,5,11,20,32,47N=2,5,11,20,32,47. Bepaal de toenames per dag, teken het toenamediagram en bereken de gemiddelde toename per dag over [0,5][0,5][0,5].

  1. 01Bereken de toenames

    Trek elke waarde af van de volgende: dat is de toename ΔN\Delta NΔN per stap van één dag.

    5−2=3,  11−5=6,  20−11=9,  32−20=12,  47−32=155-2=3,\; 11-5=6,\; 20-11=9,\; 32-20=12,\; 47-32=155−2=3,11−5=6,20−11=9,32−20=12,47−32=15
  2. 02Teken het toenamediagram

    Zet de toenames 3,6,9,12,153, 6, 9, 12, 153,6,9,12,15 als staafjes boven de intervallen 0 ⁣− ⁣1,1 ⁣− ⁣2,…,4 ⁣− ⁣50\!-\!1, 1\!-\!2, \dots, 4\!-\!50−1,1−2,…,4−5 (Afb. 2). De staafjes worden steeds hoger: de video wordt steeds sneller bekeken.

  3. 03Gemiddelde toename over het hele interval

    Dat is het differentiequotiënt van NNN op [0,5][0,5][0,5].

    N(5)−N(0)5−0=47−25=9\frac{N(5)-N(0)}{5-0}=\frac{47-2}{5}=95−0N(5)−N(0)​=547−2​=9
  4. 04Verband met de staafjes

    Omdat elke stap Δt=1\Delta t=1Δt=1 dag is, is elke toename tegelijk het differentiequotiënt over die dag. Het gemiddelde 999 is precies het gemiddelde van de staafjes: 3+6+9+12+155=9\frac{3+6+9+12+15}{5}=953+6+9+12+15​=9.

Resultaat: Toenames: 3,6,9,12,153, 6, 9, 12, 153,6,9,12,15 (×1000). De grafiek loopt steeds steiler; de gemiddelde toename over [0,5][0,5][0,5] is 999 (×1000) weergaven per dag.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: uit een tabel of grafiek de toenames per stap berekenen en daarmee een toenamediagram tekenen (Afb. 2).
  • Examendoel: een toenamediagram aflezen — stijgende staafjes betekenen dat de grafiek steeds steiler loopt — en een toename over een stap herkennen als het differentiequotiënt over dat interval.

Veelgemaakte fouten

  • De functiewaarden zelf in het toenamediagram zetten in plaats van de verschillen (toenames) tussen opeenvolgende waarden.
  • Vergeten dat een staafje negatief kan zijn: als de grootheid daalt, is de toename negatief en wijst het staafje omlaag.
  • Aannemen dat de toename zonder meer het differentiequotiënt is; dat klopt alleen als de stapgrootte Δx\Delta xΔx overal 111 (of steeds even groot) is.

Actieve herhaling

Een tabel geeft het aantal deelnemers aan een online cursus: bij t=0,1,2,3,4t=0,1,2,3,4t=0,1,2,3,4 weken zijn dat 50,80,140,230,35050, 80, 140, 230, 35050,80,140,230,350 deelnemers. Bereken de toenames per week, teken het toenamediagram en beschrijf wat het over de groei zegt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)

§ 03

Van gemiddeld naar momentaan (naar de afgeleide toe)#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-a-domein-D1

Afb. 1 — De koorde draait naar de raaklijn

Funktionsgraph, f = 0.25*x^2, 2 markierte PunkteSchaubild von f, Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von 0 bis 512345−11234567P (2, 1)Q (4, 4)koorde [2, 4]raaklijn in x = 2fyx
Afb. 5De koorde op [2, 4] heeft helling (4 − 1)/(4 − 2) = 1,5. Schuift het tweede punt naar x = 2, dan draait de koorde naar de raaklijn met helling 1: de momentane helling in x = 2.

Kernpunten

Het differentiequotiënt geeft de gemiddelde verandering over een heel interval, maar vaak wil je de verandering op één enkel moment weten: hoe hard rijdt de auto precíes op t=4t=4t=4, hoe steil loopt de grafiek in precíes x=2x=2x=2? Dat heet de momentane helling (of momentane veranderingssnelheid). Het idee om daar te komen is verrassend eenvoudig: maak het interval steeds kleiner. In Afb. 1 zie je de parabool f(x)=0,25x2f(x)=0{,}25x^2f(x)=0,25x2 met de koorde over [2,4][2,4][2,4], die helling 1,51{,}51,5 heeft, en de raaklijn in het punt (2,1)(2,1)(2,1), die helling 111 heeft. Schuif je het rechterpunt van de koorde steeds dichter naar x=2x=2x=2, dan draait de koorde langzaam naar de raaklijn toe.
Wiskundig gebeurt er dit: je bekijkt het differentiequotiënt op [a, a+h][a,\,a+h][a,a+h], dus f(a+h)−f(a)h\frac{f(a+h)-f(a)}{h}hf(a+h)−f(a)​, en laat de stap hhh steeds kleiner worden. De bijbehorende koorden worden dan steeds kortere, steilere (of vlakkere) lijntjes die zich om het punt (a,f(a))(a,f(a))(a,f(a)) heen vlijen, en hun helling nadert één vast getal. Dat vaste getal is de momentane helling in x=ax=ax=a: de helling van de raaklijn in dat punt. In Afb. 2 zie je dat concreet gebeuren voor x=2x=2x=2: de differentiequotiënten 1,5; 1,25; 1,125; 1,025; 1,00251{,}5;\ 1{,}25;\ 1{,}125;\ 1{,}025;\ 1{,}00251,5; 1,25; 1,125; 1,025; 1,0025 kruipen steeds dichter naar 111 toe naarmate bbb naar 222 nadert.
Zo bereken je de momentane helling in de praktijk: kies een héél klein stapje hhh (bijvoorbeeld 0,010{,}010,01 of 0,0010{,}0010,001) en reken het differentiequotiënt f(a+h)−f(a)h\frac{f(a+h)-f(a)}{h}hf(a+h)−f(a)​ uit; dat is een goede benadering van de helling in aaa. Je kunt ook een paar steeds kleinere stapjes nemen en kijken naar welk getal de uitkomsten naderen — dat getal is het antwoord. Op wiskunde A werk je hierbij intuïtief: je hoeft de limiet niet formeel op te schrijven, maar je moet wél kunnen laten zien dat de differentiequotiënten naar één waarde toe kruipen. Hoe kleiner hhh, hoe beter de benadering; met hhh precies 000 zou je 00\tfrac{0}{0}00​ krijgen, en dáárom nader je de helling met kleine stapjes in plaats van hem direct in te vullen.
De grafische rekenmachine kan de momentane helling direct geven. Veel toestellen hebben in het grafiekenscherm een optie ‚dy/dx' (of ddx\tfrac{d}{dx}dxd​, soms ‚helling'), en er is de functie nDeriv (numerieke afgeleide). Onder de motorkap gebruikt de GR meestal het symmetrische differentiequotiënt f(a+h)−f(a−h)2h\frac{f(a+h)-f(a-h)}{2h}2hf(a+h)−f(a−h)​: een even groot stukje links én rechts van aaa. Dat is vaak nauwkeuriger dan een eenzijdig stapje. Voor f(x)=0,25x2f(x)=0{,}25x^2f(x)=0,25x2 in x=2x=2x=2 geeft het zelfs exact het goede antwoord: f(2,01)−f(1,99)0,02=1,010025−0,9900250,02=1\frac{f(2{,}01)-f(1{,}99)}{0{,}02}=\frac{1{,}010025-0{,}990025}{0{,}02}=10,02f(2,01)−f(1,99)​=0,021,010025−0,990025​=1. Reken bij een ‚momentane' vraag dus nooit met een groot interval — dat geeft de gemiddelde in plaats van de momentane helling.
Deze sectie is de brug naar het volgende onderwerp, de afgeleide. Waar je nu de momentane helling nog punt voor punt benadert met kleine stapjes of met de GR, geeft de afgeleide functie f′f'f′ straks in één klap een formule voor de helling in élk punt. De momentane helling in x=ax=ax=a is niets anders dan f′(a)f'(a)f′(a), de helling van de raaklijn in (a,f(a))(a,f(a))(a,f(a)). Onthoud daarom de kernbeweging van dit hoofdstuk: van een koorde over een interval, via steeds kleinere intervallen, naar de raaklijn in één punt — van gemiddelde verandering naar momentane verandering. Dat is precies de gedachte waarop het hele differentiëren rust.
helling in a≈f(a+h)−f(a)h(h klein)\text{helling in } a \approx \frac{f(a+h)-f(a)}{h}\quad(h\text{ klein})helling in a≈hf(a+h)−f(a)​(h klein)

Momentane helling benaderen

Voor een kleine stap hhh benadert het differentiequotiënt de helling in het punt x=ax=ax=a. Hoe kleiner hhh, hoe beter de benadering.

f(a+h)−f(a)h → de helling in a(h→0)\frac{f(a+h)-f(a)}{h}\ \to\ \text{de helling in }a \quad (h\to 0)hf(a+h)−f(a)​ → de helling in a(h→0)

Van koorde naar raaklijn

Laat je hhh naar 000 gaan, dan draait de koorde naar de raaklijn en nadert het differentiequotiënt de momentane helling. Op wiskunde A gebruik je dit intuïtief, zonder formele limiet.

f(a+h)−f(a−h)2h\frac{f(a+h)-f(a-h)}{2h}2hf(a+h)−f(a−h)​

Symmetrisch differentiequotiënt (GR)

De grafische rekenmachine berekent de helling met een even groot stukje links en rechts van aaa; dat geeft meestal een nauwkeuriger benadering van de momentane helling.

Afb. 2 — Het differentiequotiënt op [2, b] als b naar 2 nadert

Tabel met 3 kolommen en 6 rijenTabel met 3 kolommen en 6 rijen, Gegevens: b · Δx = b − 2 · differentiequotiënt op [2, b]; 4 · 2 · 1,5; 3 · 1 · 1,25; 2,5 · 0,5 · 1,125; 2,1 · 0,1 · 1,025; 2,01 · 0,01 · 1,0025; → 2 · → 0 · → 1BΔX = B − 2DIFFERENTIEQUOTIËNT OP[2, B]421,5311,252,50,51,1252,10,11,0252,010,011,0025→ 2→ 0→ 1
Afb. 6Hoe kleiner het interval, hoe dichter het differentiequotiënt bij 1 ligt. De momentane helling in x = 2 is 1.
Uitgewerkt voorbeeld

Van koorde naar raaklijn: de momentane helling

Gegeven f(x)=0,25x2f(x)=0{,}25x^2f(x)=0,25x2. Benader de momentane helling in x=2x=2x=2 door het differentiequotiënt over steeds kleinere intervallen te berekenen. Naar welk getal nadert het?

  1. 01Interval [2; 2,1]

    Bereken f(2,1)f(2{,}1)f(2,1) en het differentiequotiënt.

    f(2,1)−f(2)0,1=1,1025−10,1=1,025\frac{f(2{,}1)-f(2)}{0{,}1}=\frac{1{,}1025-1}{0{,}1}=1{,}0250,1f(2,1)−f(2)​=0,11,1025−1​=1,025
  2. 02Nog kleiner: [2; 2,01] en [2; 2,001]

    Herhaal met een steeds kleiner interval.

    f(2,01)−f(2)0,01=1,0025f(2,001)−f(2)0,001=1,00025\frac{f(2{,}01)-f(2)}{0{,}01}=1{,}0025 \qquad \frac{f(2{,}001)-f(2)}{0{,}001}=1{,}000250,01f(2,01)−f(2)​=1,00250,001f(2,001)−f(2)​=1,00025
  3. 03Symmetrisch interval (zoals de GR rekent)

    Neem een even groot stukje links en rechts van x=2x=2x=2.

    f(2,01)−f(1,99)0,02=1,010025−0,9900250,02=1\frac{f(2{,}01)-f(1{,}99)}{0{,}02}=\frac{1{,}010025-0{,}990025}{0{,}02}=10,02f(2,01)−f(1,99)​=0,021,010025−0,990025​=1
  4. 04Conclusie

    De differentiequotiënten 1,025; 1,0025; 1,000251{,}025;\ 1{,}0025;\ 1{,}000251,025; 1,0025; 1,00025 naderen 111; de koorde draait naar de raaklijn (Afb. 1). De momentane helling in x=2x=2x=2 is dus 111.

Resultaat: De momentane helling in x=2x=2x=2 is 111 (de helling van de raaklijn).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de momentane helling in een punt benaderen door het differentiequotiënt over een steeds kleiner interval te berekenen (Afb. 2) en de uitkomsten naar één getal zien naderen.
  • Examendoel: begrijpen dat de koorde bij een steeds kleiner interval naar de raaklijn draait (Afb. 1), zodat de momentane helling gelijk is aan de helling van de raaklijn.

Veelgemaakte fouten

  • Bij een ‚momentane' helling toch een groot interval gebruiken. Kies het interval heel klein (bijvoorbeeld Δx=0,01\Delta x=0{,}01Δx=0,01) of gebruik de helling-optie van de GR.
  • Denken dat de helling in een top of dal niet bestaat; daar is de momentane helling juist 000 (horizontale raaklijn).
  • De limietgedachte formeel proberen op te schrijven. Op wiskunde A hoef je alleen intuïtief te laten zien dat de differentiequotiënten naar één getal naderen.

Actieve herhaling

Gegeven f(x)=x2f(x)=x^2f(x)=x2. Benader de helling in x=3x=3x=3 door het differentiequotiënt op [3; 3,1][3;\,3{,}1][3;3,1] en op [3; 3,01][3;\,3{,}01][3;3,01] te berekenen. Naar welk geheel getal naderen de uitkomsten?

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)

§ 04

Hellingsgrafiek#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-a-domein-D1

Afb. 1 — Een functie en zijn hellingsgrafiek

Funktionsgraph, f(x) = 0,25x² = 0.25*x^2; hellingsgrafiek g(x) = 0,5x = 0.5*x, 2 markierte PunkteSchaubild von f(x) = 0,25x², Nullstellen bei x = 0, Tiefpunkt bei (0, 0), y-Achsenabschnitt bei y = 0, im Bereich x von -4 bis 4, Schaubild von hellingsgrafiek g(x) = 0,5x, Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von -4 bis 4−4−3−2−11234−2−11234raakpunt (3; 2,25)helling = 1,5raaklijn in x = 3f(x) = 0,25x²hellingsgrafiekg(x) = 0,5xyx
Afb. 7De hellingsgrafiek g(x) = 0,5x geeft in elke x de helling van f(x) = 0,25x². In x = 3 heeft de raaklijn helling 1,5, en de hellingsgrafiek leest daar ook 1,5 af.

Kernpunten

Tot nu toe berekende je de helling telkens in één los punt. Doe je dat in genoeg punten en zet je die hellingen als nieuwe grafiek uit, dan krijg je de hellingsgrafiek: een grafiek die bij elke xxx de momentane helling (de steilheid) van fff aangeeft. In Afb. 1 staat de parabool f(x)=0,25x2f(x)=0{,}25x^2f(x)=0,25x2 getekend samen met haar hellingsgrafiek g(x)=0,5xg(x)=0{,}5xg(x)=0,5x, de gestreepte rechte lijn. Dat je die twee in één plaatje ziet, is geen truc: de hoogte van ggg in een punt is precies de steilheid van fff in dat punt. In x=3x=3x=3 bijvoorbeeld heeft de raaklijn aan fff helling 1,51{,}51,5, en juist daar leest de hellingsgrafiek ook 1,51{,}51,5 af.
Een hellingsgrafiek schets je in drie stappen. Lees eerst in een aantal handig gekozen punten de momentane helling van fff af — met de raaklijn ‚op het oog', of nauwkeuriger met de helling-optie (dy/dx) van de GR. Zet die waarden vervolgens in een tabelletje van xxx tegen ‚helling', zoals in Afb. 2. Teken ten slotte de punten (x, helling)(x,\ \text{helling})(x, helling) in een nieuw assenstelsel en verbind ze tot een vloeiende grafiek. Kies de punten met zorg: neem er genoeg, en juist ook daar waar de grafiek het steilst loopt en waar hij (bijna) vlak is, want die uitersten bepalen de vorm van de hellingsgrafiek.
De hellingsgrafiek leest af als een verhaal over fff zelf. Waar fff stíjgt, is de helling positief en ligt de hellingsgrafiek bóven de xxx-as; waar fff dáált, is de helling negatief en ligt de hellingsgrafiek eronder. In een top of dal van fff is de raaklijn horizontaal, dus de helling is 000 en snijdt de hellingsgrafiek de xxx-as. Hoe steiler fff loopt, hoe verder de hellingsgrafiek van de xxx-as af ligt. Zo kun je de redenering ook omkeren: uit een gegeven hellingsgrafiek lees je af waar fff stijgt of daalt en waar fff een uiterste heeft — precies waar de hellingsgrafiek van teken wisselt.
Het voorbeeld f(x)=0,25x2f(x)=0{,}25x^2f(x)=0,25x2 laat een prachtig patroon zien. De afgelezen hellingen −2, −1, 0, 1, 2-2,\ -1,\ 0,\ 1,\ 2−2, −1, 0, 1, 2 in x=−4,−2,0,2,4x=-4,-2,0,2,4x=−4,−2,0,2,4 liggen keurig op één rechte lijn door de oorsprong: de hellingsgrafiek is g(x)=0,5xg(x)=0{,}5xg(x)=0,5x. De hellingsgrafiek van een parabool is dus altijd een rechte lijn. Dat sluit mooi aan bij sectie 2: de toenames van 0,25x20{,}25x^20,25x2 over gelijke stappen (0,25; 0,75; 1,25; …0{,}25;\ 0{,}75;\ 1{,}25;\ \dots0,25; 0,75; 1,25; …) namen zelf ook lineair toe. In x=0x=0x=0 is de helling 000 — daar heeft de parabool haar laagste punt met een horizontale raaklijn — en links daarvan is de helling negatief (dalende tak), rechts positief (stijgende tak).
De hellingsgrafiek is de laatste stap vóór de afgeleide. Waar je hem nu nog puntsgewijs schetst door hellingen af te lezen, zul je straks met de afgeleide functie f′f'f′ meteen de formule van de hellingsgrafiek kunnen opschrijven: voor f(x)=0,25x2f(x)=0{,}25x^2f(x)=0,25x2 blijkt dat f′(x)=0,5xf'(x)=0{,}5xf′(x)=0,5x — exact de lijn die we hierboven aflazen. Voor het examen is het belangrijk dat je een hellingsgrafiek kunt schetsen bij een gegeven grafiek én de kenmerken correct koppelt (stijgen ↔ positief, dalen ↔ negatief, top/dal ↔ nul), en dat je de helling in een punt met de GR kunt bepalen. Daarmee heb je alle gereedschappen in handen om in het volgende hoofdstuk het differentiëren zelf te leren.
g(x)=de helling (steilheid) van f in xg(x)=\text{de helling (steilheid) van }f\text{ in }xg(x)=de helling (steilheid) van f in x

Hellingsgrafiek g

De hellingsgrafiek ggg geeft bij elke xxx de momentane helling van fff. Je vindt g(x)g(x)g(x) door in dat punt de raaklijn te bekijken of met de GR de helling af te lezen.

f stijgt⇒g>0;f daalt⇒g<0;top/dal⇒g=0f\text{ stijgt}\Rightarrow g>0;\quad f\text{ daalt}\Rightarrow g<0;\quad \text{top/dal}\Rightarrow g=0f stijgt⇒g>0;f daalt⇒g<0;top/dal⇒g=0

Teken van de helling

Het teken van de hellingsgrafiek vertelt of fff stijgt, daalt of een top/dal heeft (horizontale raaklijn, helling 000).

Afb. 2 — De helling van f(x) = 0,25x² in enkele punten

Tabel met 2 kolommen en 5 rijenTabel met 2 kolommen en 5 rijen, Gegevens: x · helling van f in x; −4 · −2; −2 · −1; 0 · 0; 2 · 1; 4 · 2XHELLING VAN F IN X−4−2−2−1002142
Afb. 8De met de GR afgelezen helling in vijf punten. Uitgezet in een assenstelsel geven deze punten de hellingsgrafiek: de rechte lijn g(x) = 0,5x.
Uitgewerkt voorbeeld

De hellingsgrafiek van een parabool schetsen

Gegeven f(x)=0,25x2f(x)=0{,}25x^2f(x)=0,25x2. Lees in x=−4,−2,0,2,4x=-4,-2,0,2,4x=−4,−2,0,2,4 de momentane helling af (met de GR) en schets daarmee de hellingsgrafiek. Wat voor grafiek krijg je?

  1. 01Lees de helling af in elk punt

    Gebruik de helling-optie (dy/dx) van de GR in elke xxx.

    x=−4: −2x=−2: −1x=0: 0x=2: 1x=4: 2x=-4:\,-2 \quad x=-2:\,-1 \quad x=0:\,0 \quad x=2:\,1 \quad x=4:\,2x=−4:−2x=−2:−1x=0:0x=2:1x=4:2
  2. 02Zet de punten uit

    Teken de punten (−4,−2), (−2,−1), (0,0), (2,1), (4,2)(-4,-2),\ (-2,-1),\ (0,0),\ (2,1),\ (4,2)(−4,−2), (−2,−1), (0,0), (2,1), (4,2) in een nieuw assenstelsel (Afb. 2).

  3. 03Herken de vorm

    De punten liggen op één rechte lijn door de oorsprong: de hellingsgrafiek is g(x)=0,5xg(x)=0{,}5xg(x)=0,5x (Afb. 1). In x=0x=0x=0 is de helling 000 — daar heeft fff haar laagste punt met een horizontale raaklijn.

Resultaat: De hellingsgrafiek is een rechte lijn door de oorsprong: g(x)=0,5xg(x)=0{,}5xg(x)=0,5x.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: bij een gegeven grafiek de hellingsgrafiek schetsen door in genoeg punten de momentane helling af te lezen (Afb. 2) en die als nieuwe grafiek uit te zetten.
  • Examendoel: de kenmerken koppelen — waar fff stijgt is de helling positief, waar fff daalt negatief, en in een top of dal is de helling 000 (Afb. 1).

Veelgemaakte fouten

  • De hellingsgrafiek verwarren met de grafiek van fff zelf. De hellingsgrafiek geeft in elk punt de steilheid van fff, niet de hoogte.
  • Het teken vergeten: als fff daalt, ligt de hellingsgrafiek onder de xxx-as (negatieve helling).
  • Slechts naar een paar punten kijken; lees de helling in genoeg punten af (ook waar de grafiek het steilst is en waar hij vlak loopt) om de vorm goed te krijgen.

Actieve herhaling

De grafiek van f(x)=0,5x2f(x)=0{,}5x^2f(x)=0,5x2 is gegeven. Lees met de GR de helling af in x=−2,−1,0,1,2x=-2,-1,0,1,2x=−2,−1,0,1,2 en schets daarmee de hellingsgrafiek. Welke soort grafiek krijg je?

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Gemiddelde veranderingssnelheid en differentiequotiënt○
    • 02Toenamediagram en koorden◐
    • 03Van gemiddeld naar momentaan (naar de afgeleide toe)◐
    • 04Hellingsgrafiek◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Helling, toenamediagram en differentiequotiënt

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~22
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / DUO

  • Examenblad.nl — wiskunde A (VWO)

Vorig onderwerp

Rijen: rekenkundig en meetkundig

Volgend onderwerp

Afgeleide en differentiëren met rekenregels

EuraStudy·Samenvattingen T·06·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.