EuraStudy
Samenvattingen/Wiskunde A/Afgeleide en differentiëren met rekenregels
Samenvattingen · Wiskunde ANL · VWO

Afgeleide en differentiëren met rekenregels

De afgeleide f′(x)f'(x)f′(x) geeft de momentane helling van de grafiek van fff en dus de snelheid waarmee fff verandert. Met de rekenregels — machtsregel, som-, verschil-, product-, quotiënt- en kettingregel, plus de standaardafgeleiden van exe^{x}ex en ln⁡x\ln xlnx — differentieer je elke standaardfunctie uit het programma. Door f′(x)=0f'(x)=0f′(x)=0 op te lossen en het teken van f′f'f′ te onderzoeken vind je toppen en dalen, stel je raaklijnen op en los je optimaliseringsproblemen in context op.

4 Onderdelen·~22 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Standaard 3 · Verdieping 1

T·0777 / 15
Examenprofiel
D2 · De afgeleide functie f'(x) als momentane helling; de notaties f'(x) en \dfrac{dy}{dx}Differentiëren met de rekenregels: machtsregel, som-/verschil-/constante-veelvoudregel, product-, quotiënt- en kettingregelAfgeleiden van de standaardfuncties, waaronder \dfrac{d}{dx}ex=ex en \dfrac{d}{dx}\ln x=\dfrac{1}{x}Extremen bepalen met f'(x)=0 en tekenverloop; raaklijn opstellen en optimaliseren in context
Operatoren:berekenbepaaldifferentieerlos opstel optoon aanleg uitinterpreteeronderzoek

basisniveau

Differentiëren met de rekenregels, extremen bepalen, de raaklijn opstellen en optimaliseren horen tot de centraal-examenstof (domein D2, Verandering) voor alle profielen die wiskunde A volgen (N&G, E&M en C&M).

verhoogd niveau

Verdieping zit in samengestelde functies waarin product- en kettingregel tegelijk nodig zijn, in optimaliseren met randvoorwaarden en een begrensd domein, en in het koppelen van de afgeleide aan marginale en groeigrootheden in economische contexten.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Afgeleide en differentiëren met rekenregels
    • 01De afgeleide als momentane helling◐
    • 02Rekenregels voor differentiëren◐
    • 03Extremen bepalen met de afgeleide◐
    • 04Raaklijn en optimaliseren in context●
§ 01

De afgeleide als momentane helling#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-a-domein-D2

Kernpunten

In Afb. 1 raakt de rechte lijn de grafiek van fff in het punt PPP: dat is de raaklijn in PPP, en zijn helling noemen we de momentane (ogenblikkelijke) helling van fff in dat punt. Waar het differentiequotiënt f(b)−f(a)b−a\dfrac{f(b)-f(a)}{b-a}b−af(b)−f(a)​ de gemiddelde helling over een heel interval [a,b][a,b][a,b] geeft, beschrijft de momentane helling hoe snel fff op één enkel moment verandert. Je krijgt haar door het interval steeds kleiner te maken: laat je het rechterpunt b=a+hb=a+hb=a+h naar aaa toe kruipen, dan draait de koorde (secant) mee tot ze samenvalt met de raaklijn. De helling die dan overblijft, is de afgeleide van fff in x=ax=ax=a, genoteerd f′(a)f'(a)f′(a).

De afgeleide als helling van de raaklijn

Raaklijn aan f(x) = −0,5x² + 3x in x = 1Schaubild von y = f(x), Nullstellen bei x = 0, 6, Hochpunkt bei (3, 4.5), y-Achsenabschnitt bei y = 0, im Bereich x von -0.5 bis 6.5123456−2246raakpunt (1; 2,5)raaklijn(helling 2)y = f(x)yx
Afb. 1Afb. 1 — De raaklijn in het raakpunt P(1; 2,5) heeft helling f'(1) = 2: dat is de momentane helling van f in x = 1.
Formeel is f′(a)=lim⁡h→0f(a+h)−f(a)hf'(a)=\lim_{h\to 0}\dfrac{f(a+h)-f(a)}{h}f′(a)=limh→0​hf(a+h)−f(a)​: de limietwaarde van het differentiequotiënt als de stapgrootte hhh naar 000 gaat. Voor de grafiek in Afb. 1, f(x)=−0,5x2+3xf(x)=-0{,}5x^{2}+3xf(x)=−0,5x2+3x, reken je dat uit door f(1+h)=2,5+2h−0,5h2f(1+h)=2{,}5+2h-0{,}5h^{2}f(1+h)=2,5+2h−0,5h2 te vergelijken met f(1)=2,5f(1)=2{,}5f(1)=2,5: het differentiequotiënt wordt 2h−0,5h2h=2−0,5h\dfrac{2h-0{,}5h^{2}}{h}=2-0{,}5hh2h−0,5h2​=2−0,5h, en voor h→0h\to 0h→0 blijft f′(1)=2f'(1)=2f′(1)=2 over. De raaklijn in PPP heeft dus helling 222, precies wat de figuur laat zien. Op het examen benader je zo'n momentane helling vaak numeriek met de grafische rekenmachine (optie dydx\tfrac{dy}{dx}dxdy​ of nDeriv), maar met de rekenregels van de volgende paragraaf vind je hem exact.
Door f′f'f′ in élk punt te bepalen ontstaat een nieuwe functie, de afgeleide functie f′f'f′ (ook wel hellingfunctie). f′(x)f'(x)f′(x) vertelt voor iedere xxx hoe steil de grafiek van fff daar loopt: is f′(x)>0f'(x)>0f′(x)>0 dan stijgt fff, is f′(x)<0f'(x)<0f′(x)<0 dan daalt fff, en waar f′(x)=0f'(x)=0f′(x)=0 loopt de raaklijn horizontaal (zie de paragraaf over extremen). Naast f′(x)f'(x)f′(x) gebruiken we de Leibniz-notatie dydx\dfrac{dy}{dx}dxdy​ (of dfdx\dfrac{df}{dx}dxdf​); beide betekenen precies hetzelfde. dydx\dfrac{dy}{dx}dxdy​ benadrukt dat de afgeleide een verhouding is van een heel kleine verandering Δy\Delta yΔy ten opzichte van een heel kleine verandering Δx\Delta xΔx — handig zodra yyy en xxx eenheden dragen.
De kracht van de afgeleide zit in haar betekenis: f′(a)f'(a)f′(a) is de veranderingssnelheid van fff op het moment x=ax=ax=a, in de eenheid „eenheid van yyy per eenheid van xxx”. Beschrijft h(t)h(t)h(t) de hoogte (in m) op tijdstip ttt (in s), dan is h′(t)h'(t)h′(t) de snelheid in m/s; beschrijft K(q)K(q)K(q) de kosten (in €) bij een productie van qqq stuks, dan is K′(q)K'(q)K′(q) de marginale kosten in € per stuk. Het teken van f′(a)f'(a)f′(a) zegt of iets toeneemt of afneemt, de grootte hoe snel dat gebeurt. Dit interpreteren in de context is op het centraal examen minstens zo belangrijk als het rekenwerk zelf.
Let op het onderscheid met de vorige stof: het differentiequotiënt hoort bij een interval en is een gemiddelde, de afgeleide hoort bij één punt en is momentaan. De afgeleide is als het ware het differentiequotiënt „in de limiet”. Een correcte uitwerking noemt daarom expliciet in welk punt de helling wordt bepaald, gebruikt de oorspronkelijke functie om de bijbehorende yyy-waarde te vinden, en sluit af met een zin die het getal in de context van de opgave uitlegt.
f′(a)=lim⁡h→0f(a+h)−f(a)hf'(a)=\lim_{h\to 0}\frac{f(a+h)-f(a)}{h}f′(a)=h→0lim​hf(a+h)−f(a)​

De afgeleide als limiet

De momentane helling in x=ax=ax=a is de limiet van het differentiequotiënt over [a, a+h][a,\,a+h][a,a+h] als h→0h\to 0h→0.

f′(x)=dydxf'(x)=\frac{dy}{dx}f′(x)=dxdy​

Twee notaties

De afgeleide functie heet f′(x)f'(x)f′(x) (functienotatie) of dydx\dfrac{dy}{dx}dxdy​ (Leibniz-notatie); ze betekenen hetzelfde.

helling van de raaklijn in x=a  =  f′(a)\text{helling van de raaklijn in } x=a \;=\; f'(a)helling van de raaklijn in x=a=f′(a)

Raaklijnhelling

De afgeleide in een punt is precies de richtingscoëfficiënt (helling) van de raaklijn in dat punt.

Uitgewerkt voorbeeld

Momentane helling als limiet van het differentiequotiënt

Gegeven f(x)=−0,5x2+3xf(x)=-0{,}5x^{2}+3xf(x)=−0,5x2+3x. Bepaal de momentane helling van de grafiek in het punt met x=1x=1x=1 door het differentiequotiënt over [1, 1+h][1,\,1+h][1,1+h] te laten naderen, en geef de helling van de raaklijn in dat punt.

  1. 01Functiewaarden opstellen

    Bereken f(1)f(1)f(1) en f(1+h)f(1+h)f(1+h); werk f(1+h)f(1+h)f(1+h) uit met (1+h)2=1+2h+h2(1+h)^{2}=1+2h+h^{2}(1+h)2=1+2h+h2.

    f(1)=2,5,f(1+h)=−0,5 (1+2h+h2)+3(1+h)=2,5+2h−0,5h2f(1)=2{,}5,\qquad f(1+h)=-0{,}5\,(1+2h+h^{2})+3(1+h)=2{,}5+2h-0{,}5h^{2}f(1)=2,5,f(1+h)=−0,5(1+2h+h2)+3(1+h)=2,5+2h−0,5h2
  2. 02Differentiequotiënt vormen

    Trek f(1)f(1)f(1) af en deel door de stapgrootte hhh.

    f(1+h)−f(1)h=2h−0,5h2h=2−0,5h\frac{f(1+h)-f(1)}{h}=\frac{2h-0{,}5h^{2}}{h}=2-0{,}5hhf(1+h)−f(1)​=h2h−0,5h2​=2−0,5h
  3. 03Limiet nemen

    Laat h→0h\to 0h→0; de term −0,5h-0{,}5h−0,5h verdwijnt.

    f′(1)=lim⁡h→0 (2−0,5h)=2f'(1)=\lim_{h\to 0}\,(2-0{,}5h)=2f′(1)=h→0lim​(2−0,5h)=2
  4. 04Interpreteren en controleren

    De momentane helling in x=1x=1x=1 is 222; de raaklijn in het raakpunt (1; 2,5)(1;\,2{,}5)(1;2,5) heeft dus helling 222. Ter controle: met de machtsregel is f′(x)=−x+3f'(x)=-x+3f′(x)=−x+3, en inderdaad f′(1)=−1+3=2f'(1)=-1+3=2f′(1)=−1+3=2.

Resultaat: De momentane helling in x=1x=1x=1 is f′(1)=2f'(1)=2f′(1)=2; dat is ook de helling van de raaklijn in het raakpunt (1; 2,5)(1;\,2{,}5)(1;2,5).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de afgeleide f′(a)f'(a)f′(a) herkennen en gebruiken als momentane helling / veranderingssnelheid, en dat resultaat in de context van de opgave interpreteren met de juiste eenheid.
  • Examendoel: het verband leggen tussen het differentiequotiënt (gemiddelde verandering over een interval) en de afgeleide (momentane verandering) als limiet voor h→0h\to 0h→0.
  • Examendoel: de notaties f′(x)f'(x)f′(x) en dydx\dfrac{dy}{dx}dxdy​ lezen en het teken van f′f'f′ koppelen aan stijgen of dalen van fff.

Veelgemaakte fouten

  • Gemiddelde en momentane verandering verwarren: het differentiequotiënt f(b)−f(a)b−a\dfrac{f(b)-f(a)}{b-a}b−af(b)−f(a)​ hoort bij een interval, de afgeleide f′(a)f'(a)f′(a) bij één punt.
  • De afgeleide wel uitrekenen maar niet interpreteren: op het CE moet je zeggen wát f′(a)f'(a)f′(a) betekent en in welke eenheid, niet alleen een kaal getal geven.
  • De eenheid van f′f'f′ vergeten of verkeerd noteren; die is altijd „eenheid van yyy per eenheid van xxx”, bijvoorbeeld m/s of € per stuk.

Actieve herhaling

Een bedrijf modelleert de dagwinst met W(q)=−0,2q2+12q−50W(q)=-0{,}2q^{2}+12q-50W(q)=−0,2q2+12q−50 (in duizenden euro's) bij een productie van qqq duizend stuks. Leg uit wat W′(q)W'(q)W′(q) in deze context betekent, bepaal of W′(20)W'(20)W′(20) positief of negatief is en beschrijf wat dat zegt over de winst bij q=20q=20q=20.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)

§ 02

Rekenregels voor differentiëren#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-a-domein-D2

Een functie en haar afgeleide in één assenstelsel

f(x) = x³ − 3x en haar afgeleide f'(x) = 3x² − 3Schaubild von y = f(x), Nullstellen bei x = -1.732, 0, 1.732, Hochpunkt bei (-1, 2), Tiefpunkt bei (1, -2), y-Achsenabschnitt bei y = 0, im Bereich x von -2 bis 2, Schaubild von y = f'(x), Nullstellen bei x = -1, 1, Tiefpunkt bei (0, -3), y-Achsenabschnitt bei y = -3, im Bereich x von -2 bis 2−2−1.5−1−0.50.511.52−4−2246810top van fdal van ff' = 0f' = 0y = f(x)y = f'(x)yx
Afb. 2Afb. 1 — f (doorgetrokken) en haar afgeleide f' (gestreept). Waar f' door nul gaat (x = −1 en x = 1), heeft f een top respectievelijk een dal.

Kernpunten

In Afb. 1 staan een functie f(x)=x3−3xf(x)=x^{3}-3xf(x)=x3−3x en haar afgeleide f′(x)=3x2−3f'(x)=3x^{2}-3f′(x)=3x2−3 in één assenstelsel. Je hoeft voor f′f'f′ geen limieten meer uit te rekenen: met een handvol rekenregels differentieer je elke standaardfunctie uit het programma direct. De basis is de machtsregel ddxxn=n xn−1\dfrac{d}{dx}x^{n}=n\,x^{n-1}dxd​xn=nxn−1 — „breng de exponent naar voren en verlaag hem met 111” — die geldt voor elke vaste macht nnn, ook een negatieve of gebroken exponent. Zo wordt x3x^{3}x3 tot 3x23x^{2}3x2 en −3x=−3x1-3x=-3x^{1}−3x=−3x1 tot −3-3−3. Merk op dat de nulpunten van f′f'f′ (bij x=−1x=-1x=−1 en x=1x=1x=1) recht onder de top en het dal van fff liggen; dat verband gebruiken we in de volgende paragraaf.
Twee lineariteitsregels maken van de machtsregel een complete gereedschapskist. De constante-veelvoudregel (c⋅f)′=c⋅f′(c\cdot f)'=c\cdot f'(c⋅f)′=c⋅f′ zegt dat een constante factor blijft staan, en de som-/verschilregel (f±g)′=f′±g′(f\pm g)'=f'\pm g'(f±g)′=f′±g′ dat je term voor term mag differentiëren. Een veelterm pak je daarmee in één keer aan: ddx(2x4−5x2+7x−1)=8x3−10x+7\dfrac{d}{dx}\bigl(2x^{4}-5x^{2}+7x-1\bigr)=8x^{3}-10x+7dxd​(2x4−5x2+7x−1)=8x3−10x+7 (de constante −1-1−1 heeft afgeleide 000). Ook wortels en breuken schrijf je eerst als macht: x=x1/2\sqrt{x}=x^{1/2}x​=x1/2 en 1x=x−1\dfrac{1}{x}=x^{-1}x1​=x−1, waarna de machtsregel x1/2→12x−1/2x^{1/2}\to\tfrac{1}{2}x^{-1/2}x1/2→21​x−1/2 en x−1→−x−2x^{-1}\to -x^{-2}x−1→−x−2 geeft.
Voor een product en een quotiënt van twee functies mag je NIET losse afgeleiden vermenigvuldigen of delen. De productregel luidt (f⋅g)′=f′ g+f g′(f\cdot g)'=f'\,g+f\,g'(f⋅g)′=f′g+fg′ en de quotiëntregel (fg)′=f′ g−f g′g2\left(\dfrac{f}{g}\right)'=\dfrac{f'\,g-f\,g'}{g^{2}}(gf​)′=g2f′g−fg′​. Let bij de quotiëntregel op de volgorde in de teller (door het minteken mag je f′gf'gf′g en fg′fg'fg′ niet verwisselen) en op het kwadraat in de noemer. Voorbeeld met de productregel: ddx(x2ex)=2x ex+x2ex=(x2+2x)ex\dfrac{d}{dx}\bigl(x^{2}e^{x}\bigr)=2x\,e^{x}+x^{2}e^{x}=(x^{2}+2x)e^{x}dxd​(x2ex)=2xex+x2ex=(x2+2x)ex. Voorbeeld met de quotiëntregel: ddx2x−3x+1=2(x+1)−(2x−3)(x+1)2=5(x+1)2\dfrac{d}{dx}\dfrac{2x-3}{x+1}=\dfrac{2(x+1)-(2x-3)}{(x+1)^{2}}=\dfrac{5}{(x+1)^{2}}dxd​x+12x−3​=(x+1)22(x+1)−(2x−3)​=(x+1)25​.
De kettingregel is nodig zodra er een functie ín een functie zit (een „samengestelde” functie). Hij luidt ddxf(g(x))=f′(g(x))⋅g′(x)\dfrac{d}{dx}f\bigl(g(x)\bigr)=f'\bigl(g(x)\bigr)\cdot g'(x)dxd​f(g(x))=f′(g(x))⋅g′(x): differentieer de buitenste functie met de binnenkant blijven staan, en vermenigvuldig met de afgeleide van de binnenkant. Hierbij gebruik je de twee standaardafgeleiden die nieuw zijn in dit domein: ddxex=ex\dfrac{d}{dx}e^{x}=e^{x}dxd​ex=ex (de e-macht is haar eigen afgeleide) en ddxln⁡x=1x\dfrac{d}{dx}\ln x=\dfrac{1}{x}dxd​lnx=x1​. Zo is ddxe3x=e3x⋅3=3e3x\dfrac{d}{dx}e^{3x}=e^{3x}\cdot 3=3e^{3x}dxd​e3x=e3x⋅3=3e3x en ddxln⁡(x2+1)=1x2+1⋅2x=2xx2+1\dfrac{d}{dx}\ln(x^{2}+1)=\dfrac{1}{x^{2}+1}\cdot 2x=\dfrac{2x}{x^{2}+1}dxd​ln(x2+1)=x2+11​⋅2x=x2+12x​.
Kies de regel op grond van de bouw van de formule: is het een som van termen, differentieer dan term voor term met de machtsregel; is het een product, gebruik de productregel; is het een breuk, de quotiëntregel; zit er een functie binnen een functie (een macht van een haakje, eietse^{\text{iets}}eiets, ln⁡(iets)\ln(\text{iets})ln(iets) of iets\sqrt{\text{iets}}iets​), dan de kettingregel. Vaak combineer je ze: bij ddxx2e3x\dfrac{d}{dx}x^{2}e^{3x}dxd​x2e3x pas je de productregel toe én binnen de tweede factor de kettingregel. Herschrijf waar mogelijk eerst — een breuk als macht, een product uitvermenigvuldigen — dat scheelt een regel en dus foutkansen.
ddx xn=n xn−1\frac{d}{dx}\,x^{n}=n\,x^{n-1}dxd​xn=nxn−1

Machtsregel

Voor elke vaste macht nnn (ook negatief of gebroken): breng de exponent naar voren en verlaag hem met 111.

(c⋅f)′=c⋅f′(f±g)′=f′±g′(c\cdot f)'=c\cdot f' \qquad (f\pm g)'=f'\pm g'(c⋅f)′=c⋅f′(f±g)′=f′±g′

Constante-veelvoud- en som-/verschilregel

Een constante factor blijft staan; een som of verschil differentieer je term voor term.

(f⋅g)′=f′ g+f g′(f\cdot g)'=f'\,g+f\,g'(f⋅g)′=f′g+fg′

Productregel

Afgeleide van de eerste maal de tweede, plus de eerste maal de afgeleide van de tweede.

(fg)′=f′ g−f g′g2\left(\frac{f}{g}\right)'=\frac{f'\,g-f\,g'}{g^{2}}(gf​)′=g2f′g−fg′​

Quotiëntregel

Let op het minteken (volgorde in de teller telt) en op het kwadraat in de noemer.

ddx f(g(x))=f′(g(x))⋅g′(x)\frac{d}{dx}\,f\bigl(g(x)\bigr)=f'\bigl(g(x)\bigr)\cdot g'(x)dxd​f(g(x))=f′(g(x))⋅g′(x)

Kettingregel

Afgeleide van de buitenfunctie (met de binnenkant onveranderd) maal de afgeleide van de binnenfunctie.

ddx ex=exddx ln⁡x=1x\frac{d}{dx}\,e^{x}=e^{x} \qquad \frac{d}{dx}\,\ln x=\frac{1}{x}dxd​ex=exdxd​lnx=x1​

Twee standaardafgeleiden

De e-macht is haar eigen afgeleide; de natuurlijke logaritme heeft afgeleide 1x\tfrac{1}{x}x1​.

Uitgewerkt voorbeeld

Machtsregel met som, wortel en breuk

Differentieer f(x)=2x4−5x2+7x−1f(x)=2x^{4}-5x^{2}+7x-1f(x)=2x4−5x2+7x−1 en g(x)=3x+4xg(x)=3\sqrt{x}+\dfrac{4}{x}g(x)=3x​+x4​.

  1. 01Veelterm term voor term

    Pas de machtsregel op elke term van fff toe; de afgeleide van de constante −1-1−1 is 000.

    f′(x)=8x3−10x+7f'(x)=8x^{3}-10x+7f′(x)=8x3−10x+7
  2. 02Wortel en breuk als macht schrijven

    Herschrijf 3x=3x1/23\sqrt{x}=3x^{1/2}3x​=3x1/2 en 4x=4x−1\dfrac{4}{x}=4x^{-1}x4​=4x−1 zodat je de machtsregel kunt gebruiken.

    g(x)=3x1/2+4x−1g(x)=3x^{1/2}+4x^{-1}g(x)=3x1/2+4x−1
  3. 03Machtsregel toepassen op g

    Breng bij elke term de exponent naar voren en verlaag hem met 111; schrijf het antwoord daarna terug met wortel en breuk.

    g′(x)=32x−1/2−4x−2=32x−4x2g'(x)=\tfrac{3}{2}x^{-1/2}-4x^{-2}=\frac{3}{2\sqrt{x}}-\frac{4}{x^{2}}g′(x)=23​x−1/2−4x−2=2x​3​−x24​

Resultaat: f′(x)=8x3−10x+7f'(x)=8x^{3}-10x+7f′(x)=8x3−10x+7 en g′(x)=32x−4x2g'(x)=\dfrac{3}{2\sqrt{x}}-\dfrac{4}{x^{2}}g′(x)=2x​3​−x24​.

Uitgewerkt voorbeeld

Productregel met de e-macht

Differentieer f(x)=x2exf(x)=x^{2}e^{x}f(x)=x2ex.

  1. 01Factoren en hun afgeleiden

    Neem u=x2u=x^{2}u=x2 en v=exv=e^{x}v=ex, dan is u′=2xu'=2xu′=2x en v′=exv'=e^{x}v′=ex (want ddxex=ex\dfrac{d}{dx}e^{x}=e^{x}dxd​ex=ex).

  2. 02Productregel invullen

    Gebruik (uv)′=u′v+uv′(uv)'=u'v+uv'(uv)′=u′v+uv′.

    f′(x)=2x ex+x2exf'(x)=2x\,e^{x}+x^{2}e^{x}f′(x)=2xex+x2ex
  3. 03Vereenvoudigen

    Haal de gemeenschappelijke factor exe^{x}ex (en xxx) buiten haakjes.

    f′(x)=(x2+2x)ex=x(x+2)exf'(x)=(x^{2}+2x)e^{x}=x(x+2)e^{x}f′(x)=(x2+2x)ex=x(x+2)ex

Resultaat: f′(x)=(x2+2x)exf'(x)=(x^{2}+2x)e^{x}f′(x)=(x2+2x)ex.

Uitgewerkt voorbeeld

Quotiëntregel

Differentieer f(x)=2x−3x+1f(x)=\dfrac{2x-3}{x+1}f(x)=x+12x−3​.

  1. 01Teller, noemer en afgeleiden

    Neem u=2x−3u=2x-3u=2x−3 (dus u′=2u'=2u′=2) en v=x+1v=x+1v=x+1 (dus v′=1v'=1v′=1).

  2. 02Quotiëntregel invullen

    Gebruik (uv)′=u′v−uv′v2\left(\dfrac{u}{v}\right)'=\dfrac{u'v-uv'}{v^{2}}(vu​)′=v2u′v−uv′​.

    f′(x)=2(x+1)−(2x−3)⋅1(x+1)2f'(x)=\frac{2(x+1)-(2x-3)\cdot 1}{(x+1)^{2}}f′(x)=(x+1)22(x+1)−(2x−3)⋅1​
  3. 03Teller uitwerken

    Werk de haakjes in de teller weg en vereenvoudig.

    f′(x)=2x+2−2x+3(x+1)2=5(x+1)2f'(x)=\frac{2x+2-2x+3}{(x+1)^{2}}=\frac{5}{(x+1)^{2}}f′(x)=(x+1)22x+2−2x+3​=(x+1)25​

Resultaat: f′(x)=5(x+1)2f'(x)=\dfrac{5}{(x+1)^{2}}f′(x)=(x+1)25​; die is positief voor alle x≠−1x\neq -1x=−1, dus fff is overal op haar domein stijgend.

Uitgewerkt voorbeeld

Kettingregel met de logaritme en de e-macht

Differentieer p(x)=ln⁡(x2+1)p(x)=\ln(x^{2}+1)p(x)=ln(x2+1) en q(x)=e3xq(x)=e^{3x}q(x)=e3x.

  1. 01Binnen- en buitenfunctie benoemen

    Bij ppp is de buitenfunctie ln⁡(□)\ln(\square)ln(□) en de binnenfunctie x2+1x^{2}+1x2+1; gebruik ddxln⁡u=1u⋅u′\dfrac{d}{dx}\ln u=\dfrac{1}{u}\cdot u'dxd​lnu=u1​⋅u′.

  2. 02Kettingregel bij p

    Afgeleide van de buitenkant 1x2+1\dfrac{1}{x^{2}+1}x2+11​ maal de afgeleide van de binnenkant 2x2x2x.

    p′(x)=1x2+1⋅2x=2xx2+1p'(x)=\frac{1}{x^{2}+1}\cdot 2x=\frac{2x}{x^{2}+1}p′(x)=x2+11​⋅2x=x2+12x​
  3. 03Kettingregel bij q

    De buitenfunctie e□e^{\square}e□ blijft e□e^{\square}e□; vermenigvuldig met de afgeleide van de binnenkant 3x3x3x, namelijk 333.

    q′(x)=e3x⋅3=3e3xq'(x)=e^{3x}\cdot 3=3e^{3x}q′(x)=e3x⋅3=3e3x

Resultaat: p′(x)=2xx2+1p'(x)=\dfrac{2x}{x^{2}+1}p′(x)=x2+12x​ en q′(x)=3e3xq'(x)=3e^{3x}q′(x)=3e3x.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: elke standaardfunctie foutloos differentiëren met de machtsregel, de som-/verschil-/constante-veelvoudregel en de product-, quotiënt- en kettingregel.
  • Examendoel: de juiste regel(s) kiezen en combineren, inclusief de standaardafgeleiden ddxex=ex\dfrac{d}{dx}e^{x}=e^{x}dxd​ex=ex en ddxln⁡x=1x\dfrac{d}{dx}\ln x=\dfrac{1}{x}dxd​lnx=x1​.
  • Examendoel: wortels en breuken eerst als macht schrijven (x=x1/2\sqrt{x}=x^{1/2}x​=x1/2, 1xn=x−n\dfrac{1}{x^{n}}=x^{-n}xn1​=x−n) om de machtsregel te kunnen toepassen.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat (f⋅g)′=f′⋅g′(f\cdot g)'=f'\cdot g'(f⋅g)′=f′⋅g′ of (fg)′=f′g′\left(\dfrac{f}{g}\right)'=\dfrac{f'}{g'}(gf​)′=g′f′​ — dat is fout; gebruik de product- en de quotiëntregel.
  • De kettingregel vergeten: ddxe3x=3e3x\dfrac{d}{dx}e^{3x}=3e^{3x}dxd​e3x=3e3x (niet e3xe^{3x}e3x) en ddx(x2+1)5=5(x2+1)4⋅2x\dfrac{d}{dx}(x^{2}+1)^{5}=5(x^{2}+1)^{4}\cdot 2xdxd​(x2+1)5=5(x2+1)4⋅2x.
  • Bij de quotiëntregel de volgorde in de teller omdraaien (het is f′g−fg′f'g-fg'f′g−fg′) of het kwadraat in de noemer vergeten.
  • De afgeleide van een constante niet op 000 zetten, of bij x−1x^{-1}x−1 en x1/2x^{1/2}x1/2 de exponent verkeerd met 111 verlagen.

Actieve herhaling

Differentieer f(x)=(3x2−1) exf(x)=(3x^{2}-1)\,e^{x}f(x)=(3x2−1)ex met de productregel en g(x)=ln⁡(5x)+4xg(x)=\ln(5x)+\dfrac{4}{\sqrt{x}}g(x)=ln(5x)+x​4​ met de ketting- en machtsregel. Vereenvoudig je antwoorden zo ver mogelijk.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)

§ 03

Extremen bepalen met de afgeleide#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-a-domein-D2

Top en dal waar de afgeleide nul is

Extremen van f(x) = x³ − 3xSchaubild von y = f(x), Nullstellen bei x = -1.732, 0, 1.732, Hochpunkt bei (-1, 2), Tiefpunkt bei (1, -2), y-Achsenabschnitt bei y = 0, im Bereich x von -2.5 bis 2.5−2−112−6−4−2246topdalf' = 0f' = 0y = f(x)yx
Afb. 3Afb. 1 — In de top (−1; 2) en het dal (1; −2) loopt de raaklijn horizontaal: daar is f'(x) = 0.

Kernpunten

In Afb. 1 heeft de grafiek van f(x)=x3−3xf(x)=x^{3}-3xf(x)=x3−3x een top (maximum) en een dal (minimum); in beide punten loopt de raaklijn horizontaal, dus is daar f′(x)=0f'(x)=0f′(x)=0. Dat is de sleutel tot het bepalen van extremen: waar fff een (lokaal) maximum of minimum bereikt en de grafiek glad is, is de helling nul. Je zoekt kandidaat-extremen daarom door de vergelijking f′(x)=0f'(x)=0f′(x)=0 op te lossen. De xxx-waarden die daaruit komen, heten de kritieke of stationaire punten.
Niet elk punt met f′(x)=0f'(x)=0f′(x)=0 is een extremum, en f′=0f'=0f′=0 zegt op zichzelf niet of het een top of een dal is. Dat beslist het teken van f′f'f′ eromheen (Afb. 2, het tekenschema). Wisselt f′f'f′ van +++ naar −-−, dan stijgt fff eerst en daalt daarna: een maximum (top). Wisselt f′f'f′ van −-− naar +++, dan een minimum (dal). Wisselt het teken níet (bijvoorbeeld +, 0, ++,\,0,\,++,0,+), dan is het een buigpunt met horizontale raaklijn en géén extremum. Voor f′(x)=3x2−3=3(x−1)(x+1)f'(x)=3x^{2}-3=3(x-1)(x+1)f′(x)=3x2−3=3(x−1)(x+1) geldt f′>0f'>0f′>0 als x<−1x<-1x<−1, f′<0f'<0f′<0 als −1<x<1-1<x<1−1<x<1 en f′>0f'>0f′>0 als x>1x>1x>1: dus een top bij x=−1x=-1x=−1 en een dal bij x=1x=1x=1.
Het volledige stappenplan luidt: (1) bereken f′(x)f'(x)f′(x) met de rekenregels; (2) los f′(x)=0f'(x)=0f′(x)=0 op; (3) maak een tekenschema van f′f'f′ (kies proefwaarden links en rechts van elk nulpunt, of gebruik de ontbonden vorm); (4) benoem elk kritiek punt als top, dal of buigpunt; (5) bereken de bijbehorende yyy-waarde met de oorspronkelijke functie fff, niet met f′f'f′. Zo krijg je de coördinaten: voor f(x)=x3−3xf(x)=x^{3}-3xf(x)=x3−3x geeft f(−1)=2f(-1)=2f(−1)=2 de top (−1; 2)(-1;\,2)(−1;2) en f(1)=−2f(1)=-2f(1)=−2 het dal (1; −2)(1;\,-2)(1;−2).
Extremen leveren de grootste en kleinste functiewaarden (de extreme waarden) op en bepalen samen met het gedrag aan de randen het bereik van fff. Op een gesloten interval [a,b][a,b][a,b] — vaak het geval in contextopgaven met een beperkt domein — moet je behalve de inwendige kritieke punten óók de randpunten x=ax=ax=a en x=bx=bx=b meenemen: het absolute maximum of minimum kan op een rand liggen zonder dat f′f'f′ daar nul is. Vergelijk daarom de functiewaarden in álle kandidaten. Met de grafische rekenmachine kun je een extremum ook opsporen via de optie maximum/minimum, maar exact rekenen met f′(x)=0f'(x)=0f′(x)=0 hoort bij een nette uitwerking.
Het tekenverloop van f′f'f′ vertelt tegelijk waar fff stijgt en daalt, wat je nodig hebt om een grafiek te schetsen of te beschrijven. De monotonie-intervallen noteer je met open haakjes, bijvoorbeeld: fff is stijgend op ⟨−∞,−1⟩\langle -\infty,-1\rangle⟨−∞,−1⟩ en op ⟨1,∞⟩\langle 1,\infty\rangle⟨1,∞⟩ en dalend op ⟨−1,1⟩\langle -1,1\rangle⟨−1,1⟩. Deze taal — „stijgend/dalend op het interval …” en „(lokaal) maximum/minimum in het punt …” — wordt op het examen expliciet gevraagd, dus koppel je conclusie altijd terug aan de tekenwisselingen van f′f'f′.
f′(x)=0   eˊn   f′ wisselt van tekenf'(x)=0 \;\text{ én }\; f' \text{ wisselt van teken}f′(x)=0 eˊn f′ wisselt van teken

Voorwaarde voor een extremum

Een extremum ligt waar de afgeleide nul is én van teken verandert; zonder tekenwisseling is het een buigpunt.

f′>0⇒f stijgtf′<0⇒f daaltf'>0 \Rightarrow f\ \text{stijgt} \qquad f'<0 \Rightarrow f\ \text{daalt}f′>0⇒f stijgtf′<0⇒f daalt

Teken van f' en monotonie

Het teken van de afgeleide bepaalt of de functie stijgt of daalt; het tekenschema vat dit samen.

3x2−3=3(x−1)(x+1)=0  ⇒  x=−1 of x=13x^{2}-3=3(x-1)(x+1)=0 \;\Rightarrow\; x=-1 \ \text{of}\ x=13x2−3=3(x−1)(x+1)=0⇒x=−1 of x=1

Nulpunten van f' (voorbeeld)

Ontbinden maakt het oplossen van f′(x)=0f'(x)=0f′(x)=0 en het aflezen van de tekens eenvoudig.

Tekenschema van de afgeleide

Tekenschema van f'(x) = 3x² − 3Getallenlijn, top, dal, f' positief: f stijgt, f' negatief: f daalt, f' positief: f stijgt−2−1012f' positief: fstijgtf' negatief: fdaaltf' positief: fstijgttopdal
Afb. 4Afb. 2 — Tekenschema van f'. Het teken van f' bepaalt of f stijgt of daalt; de tekenwisselingen bij x = −1 en x = 1 markeren de top en het dal.
Uitgewerkt voorbeeld

Top en dal bepalen met een tekenschema

Bepaal de coördinaten van de extremen van f(x)=x3−3xf(x)=x^{3}-3xf(x)=x3−3x en geef aan waar fff stijgt en daalt.

  1. 01Afgeleide berekenen

    Differentieer met de machtsregel.

    f′(x)=3x2−3f'(x)=3x^{2}-3f′(x)=3x2−3
  2. 02f'(x)=0 oplossen

    Ontbind in factoren en lees de nulpunten af.

    3x2−3=3(x−1)(x+1)=0  ⇒  x=−1 of x=13x^{2}-3=3(x-1)(x+1)=0 \;\Rightarrow\; x=-1 \ \text{of}\ x=13x2−3=3(x−1)(x+1)=0⇒x=−1 of x=1
  3. 03Tekenschema van f'

    Voor x<−1x<-1x<−1 is f′>0f'>0f′>0, voor −1<x<1-1<x<1−1<x<1 is f′<0f'<0f′<0 en voor x>1x>1x>1 is f′>0f'>0f′>0. Dus fff stijgt op ⟨−∞,−1⟩\langle -\infty,-1\rangle⟨−∞,−1⟩, daalt op ⟨−1,1⟩\langle -1,1\rangle⟨−1,1⟩ en stijgt op ⟨1,∞⟩\langle 1,\infty\rangle⟨1,∞⟩.

  4. 04Soort en coördinaten

    Bij x=−1x=-1x=−1 gaat f′f'f′ van +++ naar −-− (top), bij x=1x=1x=1 van −-− naar +++ (dal). Reken de yyy-waarden met fff, niet met f′f'f′.

    f(−1)=(−1)3−3(−1)=2,f(1)=1−3=−2f(-1)=(-1)^{3}-3(-1)=2, \qquad f(1)=1-3=-2f(−1)=(−1)3−3(−1)=2,f(1)=1−3=−2

Resultaat: Top (−1; 2)(-1;\,2)(−1;2) en dal (1; −2)(1;\,-2)(1;−2); fff stijgt voor x<−1x<-1x<−1 en x>1x>1x>1, en daalt voor −1<x<1-1<x<1−1<x<1.

Uitgewerkt voorbeeld

Extremen van een derdegraadsfunctie

Onderzoek f(x)=x3−6x2+9x+1f(x)=x^{3}-6x^{2}+9x+1f(x)=x3−6x2+9x+1 op extremen en geef hun coördinaten.

  1. 01Afgeleide

    Machtsregel per term.

    f′(x)=3x2−12x+9f'(x)=3x^{2}-12x+9f′(x)=3x2−12x+9
  2. 02Nulpunten van f'

    Haal 333 buiten haakjes en ontbind de kwadratische vorm.

    3(x2−4x+3)=3(x−1)(x−3)=0  ⇒  x=1 of x=33(x^{2}-4x+3)=3(x-1)(x-3)=0 \;\Rightarrow\; x=1 \ \text{of}\ x=33(x2−4x+3)=3(x−1)(x−3)=0⇒x=1 of x=3
  3. 03Tekenschema

    f′>0f'>0f′>0 voor x<1x<1x<1, f′<0f'<0f′<0 voor 1<x<31<x<31<x<3 en f′>0f'>0f′>0 voor x>3x>3x>3. Dus x=1x=1x=1 is een top en x=3x=3x=3 een dal.

  4. 04Coördinaten

    Vul x=1x=1x=1 en x=3x=3x=3 in de oorspronkelijke functie fff in.

    f(1)=1−6+9+1=5,f(3)=27−54+27+1=1f(1)=1-6+9+1=5, \qquad f(3)=27-54+27+1=1f(1)=1−6+9+1=5,f(3)=27−54+27+1=1

Resultaat: Top (1; 5)(1;\,5)(1;5) en dal (3; 1)(3;\,1)(3;1).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: extremen bepalen door f′(x)=0f'(x)=0f′(x)=0 op te lossen en met een tekenschema van f′f'f′ te beslissen of het een top, een dal of een buigpunt is.
  • Examendoel: de exacte coördinaten van toppen en dalen geven (de yyy-waarde met fff, niet met f′f'f′) en het stijg- en daalgedrag beschrijven.
  • Examendoel: op een begrensd domein ook de randpunten meenemen bij het zoeken naar de grootste of kleinste waarde.

Veelgemaakte fouten

  • De yyy-coördinaat van een extremum uitrekenen met f′f'f′ in plaats van met de oorspronkelijke functie fff.
  • Aannemen dat elk punt met f′(x)=0f'(x)=0f′(x)=0 een extremum is; zonder tekenwisseling van f′f'f′ is het een buigpunt (zoals f(x)=x3f(x)=x^{3}f(x)=x3 in x=0x=0x=0).
  • Het tekenschema overslaan en „top of dal” gokken, of de randpunten van een gesloten domein vergeten mee te nemen.

Actieve herhaling

Bepaal de coördinaten van de top en het dal van f(x)=x3−12xf(x)=x^{3}-12xf(x)=x3−12x en geef met een tekenschema aan op welke intervallen fff stijgt en op welke fff daalt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)

§ 04

Raaklijn en optimaliseren in context#

●●●VerdiepingLPexamenblad-wiskunde-a-domein-D2LPexamenblad-wiskunde-a-domein-A

Raaklijn aan een parabool

Raaklijn aan f(x) = x² − 4x + 5 in x = 3Schaubild von y = f(x), Tiefpunkt bei (2, 1), y-Achsenabschnitt bei y = 5, im Bereich x von -0.5 bis 4.5123412345678raakpunt (3; 2)raaklijn y = 2x− 4y = f(x)yx
Afb. 5Afb. 1 — De raaklijn aan f in het raakpunt (3; 2) heeft helling f'(3) = 2 en vergelijking y = 2x − 4.

Kernpunten

In Afb. 1 is de raaklijn aan f(x)=x2−4x+5f(x)=x^{2}-4x+5f(x)=x2−4x+5 in het punt met x=3x=3x=3 getekend. De vergelijking van zo'n raaklijn stel je op met één formule: y=f(a)+f′(a)(x−a)y=f(a)+f'(a)(x-a)y=f(a)+f′(a)(x−a). Hierin is aaa de xxx-coördinaat van het raakpunt, f(a)f(a)f(a) de functiewaarde (de hoogte van het raakpunt) en f′(a)f'(a)f′(a) de helling van de raaklijn. Je hebt dus twee dingen nodig: het raakpunt op de grafiek en de afgeleide in dat punt.
Concreet voor f(x)=x2−4x+5f(x)=x^{2}-4x+5f(x)=x2−4x+5 en a=3a=3a=3: eerst f(3)=9−12+5=2f(3)=9-12+5=2f(3)=9−12+5=2, dan f′(x)=2x−4f'(x)=2x-4f′(x)=2x−4 dus f′(3)=2f'(3)=2f′(3)=2. Invullen geeft y=2+2(x−3)=2x−4y=2+2(x-3)=2x-4y=2+2(x−3)=2x−4. Controleer altijd dat het raakpunt op de lijn ligt: x=3⇒y=2⋅3−4=2x=3\Rightarrow y=2\cdot 3-4=2x=3⇒y=2⋅3−4=2, dat klopt. De raaklijn deelt in het raakpunt zowel de plaats (f(a)f(a)f(a)) als de richting (f′(a)f'(a)f′(a)) met de grafiek. Vraagt een opgave naar de raaklijn die evenwijdig is aan een gegeven lijn, stel dan f′(a)f'(a)f′(a) gelijk aan de gevraagde helling en los aaa op.
Optimaliseren betekent de grootste of de kleinste waarde van een grootheid in een context vinden, en dat is niets anders dan extremen bepalen toegepast op een zelf opgestelde formule. In Afb. 2 staat de oppervlakte A(x)=−2x2+40xA(x)=-2x^{2}+40xA(x)=−2x2+40x van een rechthoekige omheining tegen een muur; de top van deze bergparabool is de maximale oppervlakte. Het stappenplan: (1) kies een variabele en druk de te optimaliseren grootheid erin uit; (2) gebruik de gegeven randvoorwaarde (hier: 404040 m gaas) om alles in één variabele te schrijven; (3) bepaal het zinvolle domein; (4) los A′(x)=0A'(x)=0A′(x)=0 op en controleer met het tekenverloop dat het een maximum (of minimum) is; (5) beantwoord de vraag mét eenheid en interpretatie.
Voor de omheining met 404040 m gaas en één muurzijde is de zijde langs de muur 40−2x40-2x40−2x, dus A(x)=x(40−2x)=−2x2+40xA(x)=x(40-2x)=-2x^{2}+40xA(x)=x(40−2x)=−2x2+40x op het domein 0<x<200<x<200<x<20. Uit A′(x)=−4x+40=0A'(x)=-4x+40=0A′(x)=−4x+40=0 volgt x=10x=10x=10; omdat A′A'A′ bij x=10x=10x=10 van +++ naar −-− wisselt (of: A′′=−4<0A''=-4<0A′′=−4<0) is dit een maximum, dat binnen het domein ligt. De grootste oppervlakte is A(10)=200A(10)=200A(10)=200 m², bij afmetingen 10 m×20 m10\text{ m}\times 20\text{ m}10 m×20 m. Vergeet in dit soort opgaven nooit het domein te bewaken en het antwoord terug te vertalen naar de context — een wiskundig extremum buiten het toegestane bereik is geen geldige oplossing.
Bij een optimaliseringsopgave gaat het meeste werk vaak zitten in het opstellen van de formule vóór het differentiëren: teken een schets, benoem je variabele ondubbelzinnig en zet de randvoorwaarde in een vergelijking om overtollige variabelen te elimineren. Pas als de grootheid als functie van één variabele staat, gebruik je de afgeleide. Controleer aan het eind of je de gevráágde grootheid teruggeeft (vaak niet xxx zelf, maar een lengte, oppervlakte, volume of winst) en of het resultaat een maximum of minimum is — een verkeerd soort extremum is een klassieke misser.
y=f(a)+f′(a) (x−a)y=f(a)+f'(a)\,(x-a)y=f(a)+f′(a)(x−a)

Vergelijking van de raaklijn

In het raakpunt (a, f(a))\bigl(a,\,f(a)\bigr)(a,f(a)) heeft de raaklijn helling f′(a)f'(a)f′(a); deze formule levert direct de lijnvergelijking.

optimaliseren: los f′(x)=0 op binnen het domein en controleer het tekenverloop\text{optimaliseren: los } f'(x)=0 \text{ op binnen het domein en controleer het tekenverloop}optimaliseren: los f′(x)=0 op binnen het domein en controleer het tekenverloop

Optimaliseren met de afgeleide

Een maximum of minimum in een context vind je door de afgeleide van de opgestelde grootheid nul te stellen en het soort extremum te controleren.

A(x)=x (40−2x)=−2x2+40x,A′(x)=−4x+40A(x)=x\,(40-2x)=-2x^{2}+40x, \quad A'(x)=-4x+40A(x)=x(40−2x)=−2x2+40x,A′(x)=−4x+40

Oppervlaktemodel (voorbeeld)

De randvoorwaarde (404040 m gaas, drie zijden) schrijft de oppervlakte als functie van één variabele xxx.

Maximale oppervlakte via de afgeleide

Oppervlakte A(x) = −2x² + 40x, maximaal bij x = 10Schaubild von y = A(x), Nullstellen bei x = 0, 20, Hochpunkt bei (10, 200), y-Achsenabschnitt bei y = 0, im Bereich x von 0 bis 20510152050100150200maximum (10; 200)x = 10y = A(x)oppervlakte A (m²)breedte x (m)
Afb. 6Afb. 2 — De oppervlakte A(x) = −2x² + 40x is maximaal in de top: bij x = 10 is A = 200 m².
Uitgewerkt voorbeeld

Vergelijking van een raaklijn opstellen

Stel de vergelijking op van de raaklijn aan f(x)=x2−4x+5f(x)=x^{2}-4x+5f(x)=x2−4x+5 in het punt met x=3x=3x=3.

  1. 01Functiewaarde in het raakpunt

    Bereken f(3)f(3)f(3); dat is de hoogte van het raakpunt.

    f(3)=32−4⋅3+5=2f(3)=3^{2}-4\cdot 3+5=2f(3)=32−4⋅3+5=2
  2. 02Helling via de afgeleide

    Differentieer en vul x=3x=3x=3 in.

    f′(x)=2x−4  ⇒  f′(3)=2f'(x)=2x-4 \;\Rightarrow\; f'(3)=2f′(x)=2x−4⇒f′(3)=2
  3. 03Invullen in de raaklijnformule

    Gebruik y=f(a)+f′(a)(x−a)y=f(a)+f'(a)(x-a)y=f(a)+f′(a)(x−a) met a=3a=3a=3.

    y=2+2 (x−3)=2x−4y=2+2\,(x-3)=2x-4y=2+2(x−3)=2x−4
  4. 04Controle

    Het raakpunt (3; 2)(3;\,2)(3;2) moet op de lijn liggen: 2⋅3−4=22\cdot 3-4=22⋅3−4=2. Dat klopt.

Resultaat: De raaklijn heeft vergelijking y=2x−4y=2x-4y=2x−4.

Uitgewerkt voorbeeld

Grootste oppervlakte bij een omheining

Een rechthoekig weiland wordt aan drie zijden omheind met 404040 m gaas; de vierde zijde is een bestaande muur. Welke afmetingen geven de grootste oppervlakte, en hoe groot is die oppervlakte?

  1. 01Variabele kiezen en oppervlakte opstellen

    Noem de twee zijden loodrecht op de muur elk xxx. Dan geldt 2x+(zijde langs de muur)=402x+(\text{zijde langs de muur})=402x+(zijde langs de muur)=40, dus de zijde langs de muur is 40−2x40-2x40−2x.

    A(x)=x (40−2x)=−2x2+40xA(x)=x\,(40-2x)=-2x^{2}+40xA(x)=x(40−2x)=−2x2+40x
  2. 02Domein bepalen

    Beide zijden moeten positief zijn: x>0x>0x>0 en 40−2x>040-2x>040−2x>0, dus het zinvolle domein is 0<x<200<x<200<x<20.

  3. 03Afgeleide nul stellen

    Differentieer AAA en los A′(x)=0A'(x)=0A′(x)=0 op.

    A′(x)=−4x+40=0  ⇒  x=10A'(x)=-4x+40=0 \;\Rightarrow\; x=10A′(x)=−4x+40=0⇒x=10
  4. 04Maximum controleren

    A′A'A′ wisselt bij x=10x=10x=10 van +++ naar −-− (en A′′=−4<0A''=-4<0A′′=−4<0), dus dit is een maximum, dat binnen 0<x<200<x<200<x<20 ligt.

  5. 05Antwoord in de context

    Reken de maximale oppervlakte en de afmetingen uit.

    A(10)=−2⋅100+400=200 m2A(10)=-2\cdot 100+400=200\ \text{m}^{2}A(10)=−2⋅100+400=200 m2

Resultaat: Bij x=10x=10x=10 m (zijde langs de muur 40−2⋅10=2040-2\cdot 10=2040−2⋅10=20 m) is de oppervlakte maximaal: 10 m×20 m=20010\text{ m}\times 20\text{ m}=20010 m×20 m=200 m².

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de vergelijking van een raaklijn opstellen met y=f(a)+f′(a)(x−a)y=f(a)+f'(a)(x-a)y=f(a)+f′(a)(x−a), ook wanneer een gegeven helling of evenwijdigheid het raakpunt bepaalt.
  • Examendoel: een optimaliseringsprobleem in context vertalen naar een formule in één variabele, het domein bepalen en het extremum met de afgeleide vinden.
  • Examendoel: het antwoord met eenheid geven en in de context interpreteren, en controleren of de oplossing binnen het toegestane domein ligt.

Veelgemaakte fouten

  • De helling van de raaklijn vergeten te berekenen met f′(a)f'(a)f′(a), of f(a)f(a)f(a) en f′(a)f'(a)f′(a) verwisselen in y=f(a)+f′(a)(x−a)y=f(a)+f'(a)(x-a)y=f(a)+f′(a)(x−a).
  • Bij optimaliseren het domein vergeten, waardoor een extremum buiten het zinvolle bereik toch als antwoord wordt gegeven.
  • Bij optimaliseren niet controleren of f′(x)=0f'(x)=0f′(x)=0 een maximum of een minimum oplevert, of vergeten de gevraagde grootheid (niet xxx zelf) terug te rekenen.

Actieve herhaling

Een rechthoekige tuin wordt aan drie zijden omheind met 242424 m gaas (de vierde zijde is een muur). Druk de oppervlakte uit als functie van de breedte xxx, bepaal met de afgeleide de afmetingen met de grootste oppervlakte en geef die maximale oppervlakte in m².

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01De afgeleide als momentane helling◐
    • 02Rekenregels voor differentiëren◐
    • 03Extremen bepalen met de afgeleide◐
    • 04Raaklijn en optimaliseren in context●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Afgeleide en differentiëren met rekenregels

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~22
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / DUO

  • Examenblad.nl — wiskunde A (VWO)

Vorig onderwerp

Helling, toenamediagram en differentiequotiënt

Volgend onderwerp

Probleemstelling en onderzoeksontwerp

EuraStudy·Samenvattingen T·07·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.