EuraStudy
Samenvattingen/Nederlands/Spelling, interpunctie en formuleren
Samenvattingen · NederlandsNL · VWO

Spelling, interpunctie en formuleren

Taalverzorging is de correctheid van je taal: de werkwoordspelling, de overige spellingregels, de interpunctie en het foutloos formuleren. Dit onderwerp leert je de d/t-kwesties met ’t kofschip op te lossen, correct te leestekenen en de klassieke zinsfouten (incongruentie, foute verwijzing, tangconstructie, contaminatie) te herkennen en te herstellen. Taalverzorging hoort bij domein C en telt in het schoolexamen mee bij de beoordeling van schrijfvaardigheid.

4 Onderdelen·~16 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·101010 / 14
Examenprofiel
De werkwoordspelling correct toepassen (stam, tijden, voltooid deelwoord, ’t kofschip)Overige spelling en interpunctie correct hanterenFormuleerfouten herkennen en herstellen (incongruentie, verwijzing, tangconstructie, contaminatie)
Operatoren:verbeterspel correctherstel de foutleg uitwelke zin is correct

basisniveau

Taalverzorging (spelling, interpunctie, formuleren) valt onder domein C en telt mee in het schoolexamen bij schrijfvaardigheid; het is geen apart onderdeel van het CE.

verhoogd niveau

Wie zuiver formuleert, schrijft niet alleen correcter maar ook overtuigender: heldere zinnen versterken de argumentatie.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Spelling, interpunctie en formuleren
    • 01Werkwoordspelling: stam, tijden en ’t kofschip○
    • 02Overige spelling: los/aaneen, hoofdletters en tussenletters◐
    • 03Interpunctie◐
    • 04Formuleren: veelgemaakte zinsfouten●
§ 01

Werkwoordspelling: stam, tijden en ’t kofschip#

●○○BasisLPexamenblad-nl-nederlands-vwo-domein-C

Kernpunten

De beruchtste spelfouten zijn de d/t-fouten in werkwoorden, en die los je systematisch op met een klein stappenplan (Afb. 1). Alles begint bij de stam: dat is het hele werkwoord min de uitgang -en (werken → werk, antwoorden → antwoord). Uit die stam leid je alle vormen af. In de tegenwoordige tijd geldt: de ik-vorm is de kale stam (ik werk), en de jij-/hij-/zij-vorm is stam + t (jij werkt, hij antwoordt), behalve wanneer het onderwerp „je/jij” ná de persoonsvorm staat (werk jij?), want dan valt de t weg. Deze regels gelden ook als de stam al op een d of t eindigt: word + t = wordt, antwoord + t = antwoordt.

Afb. 1 — Stappenplan werkwoordspelling

Stappenplan werkwoordspellingBoomdiagram, 3 paden, Gegevens: Tegenwoordige tijd → stam / stam + t; Verleden tijd → stam + te/de (’t kofschip); Voltooid deelwoord → ge + stam + t/d (’t kofschip)Tegenwoordige tijdVerleden tijdVoltooid deelwoordWerkwoordsvormstam / stam + tstam + te/de (’t kofschip)ge + stam + t/d (’t kofschip)
Afb. 1Bepaal eerst de functie van de werkwoordsvorm; die bepaalt de regel. De tegenwoordige tijd volgt stam(+t), de verleden tijd en het voltooid deelwoord volgen ’t kofschip.
Voor de verleden tijd en het voltooid deelwoord van zwakke (regelmatige) werkwoorden beslist ’t kofschip, weergegeven in Afb. 2. De vraag is simpel: eindigt de stam op een van de medeklinkers van ’t kofschip — t, k, f, s, ch, p (het ezelsbruggetje „’t kofschip” of „soft ketchup” bevat ze alle)? Zo ja, dan krijgt de verleden tijd -te(n) en het voltooid deelwoord -t (werken → werkte, gewerkt). Zo nee, dan wordt het -de(n) en -d (antwoorden → antwoordde, geantwoord). De regel berust op klank: na een stemloze medeklinker klinkt een t, na een stemhebbende een d.

Afb. 2 — ’t Kofschip beslist tussen t en d

’t KofschipGraaf, Stam op t k f s ch p? → ja → -te / -t, Stam op t k f s ch p? → nee → -de / -dStam op t k f sch p?ja → −te / −tnee → −de / −djanee
Afb. 2De ’t-kofschipregel: eindigt de stam op een stemloze medeklinker (t, k, f, s, ch, p), dan -te/-t; anders -de/-d. De regel volgt de klank, maar beslist de spelling.
Het voltooid deelwoord vraagt extra aandacht, want daar treedt de d/t-fout het vaakst op. Je vormt het als ge- + stam + t of d, waarbij ’t kofschip de laatste letter bepaalt: gebeuren → gebeurd (stam „gebeur” eindigt niet op ’t kofschip, dus -d), verrassen → verrast (stam „verras” eindigt op s, dus -t). Let op de valkuil dat de klank je bedriegt: aan het woordeinde klinken d en t identiek („gebeurd” en „gebeurt” klinken gelijk), dus de regel — niet je oor — moet beslissen. Controleer bij twijfel met een vorm waarin de letter hoorbaar wordt: „het is gebeurd” tegenover „het gebeurde”.
De klassieke verwarring „word/wordt” en „gebeurd/gebeurt” los je op door eerst te bepalen of je met een persoonsvorm (tegenwoordige tijd) of een voltooid deelwoord te maken hebt. „Er wordt gewerkt”: „wordt” is persoonsvorm (hij-vorm van worden), dus stam + t. „Het is gebeurd”: „gebeurd” is voltooid deelwoord, dus ’t kofschip (stam eindigt niet op ’t kofschip → -d). De proef: kun je het woord vervangen door een duidelijk andere tijd („er werd gewerkt”), dan was het een persoonsvorm; hoort er „is/heeft” bij, dan is het een voltooid deelwoord. Bepaal de functie, dan volgt de spelling.
Sterke (onregelmatige) werkwoorden volgen ’t kofschip níét: hun verleden tijd en voltooid deelwoord veranderen van klinker en eindigen vaak op -en (lopen → liep, gelopen; schrijven → schreef, geschreven). ’t Kofschip geldt dus alleen voor de zwakke werkwoorden. Twijfel je of een werkwoord sterk of zwak is, dan verraadt de verleden tijd het: klinkt die met een andere klinker (zwom, brak), dan is het sterk en past ’t kofschip niet. Deze afbakening voorkomt de fout om een sterk werkwoord ten onrechte een -te of -de te geven.
Uitgewerkt voorbeeld

Word of wordt, gebeurd of gebeurt?

Spel correct: „Er (word/wordt) hard (gewerkt/gewerkd), en zodra het examen is (gebeurd/gebeurt), vieren we feest.”

  1. 01„word/wordt” bepalen

    „Er wordt gewerkt” — „wordt” is persoonsvorm (hij-vorm van worden): stam „word” + t = wordt.

  2. 02„gewerkt/gewerkd” bepalen

    Voltooid deelwoord van werken; stam „werk” eindigt op k (’t kofschip), dus -t: gewerkt.

  3. 03„gebeurd/gebeurt” bepalen

    „is gebeurd” — voltooid deelwoord (hoort bij „is”); stam „gebeur” eindigt niet op ’t kofschip, dus -d: gebeurd.

Resultaat: Correct: „Er wordt hard gewerkt, en zodra het examen is gebeurd, vieren we feest.” (wordt = persoonsvorm; gewerkt = ’t kofschip; gebeurd = voltooid deelwoord met -d.)

Eindexamen-focus

  • Examendoel (SE): werkwoordsvormen correct spellen door eerst de functie (persoonsvorm of voltooid deelwoord) en dan de regel (stam + t, ’t kofschip) te bepalen.
  • Examendoel (SE): d/t aan het woordeinde volgens de regel spellen, niet volgens de klank (gebeurd/gebeurt klinken gelijk).

Veelgemaakte fouten

  • Op je gehoor afgaan bij een d/t aan het woordeinde. „Gebeurd” en „gebeurt” klinken gelijk; alleen de functie en de regel beslissen.
  • ’t Kofschip toepassen op een sterk werkwoord. Sterke werkwoorden veranderen van klinker (liep, schreef) en volgen de regel niet.

Actieve herhaling

Vervoeg tien zwakke en vijf sterke werkwoorden in de verleden tijd en het voltooid deelwoord. Bepaal per zwak werkwoord met ’t kofschip de uitgang, en controleer bij elk voltooid deelwoord de d/t met een vorm waarin de letter hoorbaar wordt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein C Schrijfvaardigheid (taalverzorging) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Overige spelling: los/aaneen, hoofdletters en tussenletters#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-nederlands-vwo-domein-C

Kernpunten

Naast de werkwoordspelling toetst het schoolexamen de overige spellingregels, die de officiële Woordenlijst (het „Groene Boekje”) vastlegt. De eerste grote categorie is los of aaneen. Samenstellingen — twee woorden die samen één begrip vormen — schrijf je in het Nederlands aaneen: hogedrukgebied, langetermijnvisie, drie-eenheid. Dit is een berucht struikelblok, omdat het Engels juist losschrijft en die invloed doorsijpelt („school leiding” in plaats van „schoolleiding”). De vuistregel: vormen twee woorden samen één begrip met één hoofdklemtoon, dan aaneen. Twijfel je, dan geeft de Woordenlijst uitsluitsel.
De tussenletters -e(n)- en -s- in samenstellingen volgen eigen regels. De tussen-n schrijf je in de regel wanneer het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat alleen een meervoud op -en heeft: pannenkoek (pan → pannen), boekenkast (boek → boeken). Heeft het eerste deel ook een meervoud op -s, of gaat het niet om een telbaar meervoud, dan vaak geen tussen-n (zonnestraal, ruggengraat kent uitzonderingen). De tussen-s schrijf je als de klank erom vraagt: stationsplein, dorpsstraat, scheidsrechter. Deze regels ken je niet uit je hoofd voor elk woord; je kent het principe en controleert de twijfelgevallen.
De hoofdletterregels zijn in het Nederlands zuiniger dan veel leerlingen denken. Je schrijft een hoofdletter aan het begin van een zin, bij eigennamen (personen, plaatsen, instellingen: Amsterdam, de Tweede Kamer) en bij afleidingen van aardrijkskundige namen die naar herkomst verwijzen (de Nederlandse taal, Franse kaas). Maar — anders dan in het Engels — schrijf je dagen, maanden, seizoenen, windrichtingen en talen-als-vak met een kleine letter (maandag, april, het noorden, wiskunde). Een veelgemaakte fout is de „Engelse” hoofdletter bij een maand of een weekdag; in het Nederlands blijft die klein.
Enkele diakritische tekens vragen aandacht. Het trema scheidt twee klinkers die anders als één klank gelezen zouden worden, binnen één woord: zeeën, geïnteresseerd, financiën. Het koppelteken gebruik je bij klinkerbotsing tussen samenstellingsdelen (zee-egel, na-apen, auto-ongeluk) en bij bepaalde samenstellingen met cijfers of hoofdletters (24-jarige, sms-bericht). Het accent aigu of grave gebruik je in leenwoorden (café, scène) en soms voor klemtoon of betekenis (hét boek, vóórkomen tegenover voorkómen). Deze tekens zijn geen versiering: ze sturen de uitspraak en soms de betekenis.
De overige spelling leer je niet door regels stampen maar door bewust te controleren en de Woordenlijst te raadplegen. Bij het schoolexamen mag je vaak een woordenboek gebruiken; benut dat voor de twijfelgevallen (los/aaneen, tussenletters, diakriet). Belangrijker dan alle uitzonderingen kennen is weten wanneer je moet twijfelen — het gevoel dat hier een spellingbeslissing ligt. Wie dat gevoel ontwikkelt en de twijfelgevallen opzoekt, maakt de meeste overige-spellingfouten niet meer. Automatiseer de hoofdregels, en zoek de rest gericht op.
Uitgewerkt voorbeeld

Los/aaneen, hoofdletter en trema herstellen

Verbeter: „Op Maandag bespreekt de school leiding het lange termijn beleid, waar ook de leerlingenraad ideeen over heeft.”

  1. 01Hoofdletter corrigeren

    „Maandag” is een weekdag: in het Nederlands met kleine letter → „maandag”.

  2. 02Samenstellingen aaneenschrijven

    „school leiding” → „schoolleiding”; „lange termijn beleid” → „langetermijnbeleid” (één begrip, aaneen).

  3. 03Trema plaatsen

    „ideeen” krijgt een trema op de tweede e om de klinkerbotsing te scheiden → „ideeën”.

Resultaat: Correct: „Op maandag bespreekt de schoolleiding het langetermijnbeleid, waar ook de leerlingenraad ideeën over heeft.”

Eindexamen-focus

  • Examendoel (SE): samenstellingen correct aaneenschrijven en de tussenletters -e(n)- en -s- volgens het principe hanteren.
  • Examendoel (SE): de zuinige Nederlandse hoofdletterregels toepassen (dagen, maanden, talen-als-vak met kleine letter) en trema/koppelteken correct plaatsen.

Veelgemaakte fouten

  • Samenstellingen los schrijven onder Engelse invloed („school leiding” in plaats van „schoolleiding”). Eén begrip met één hoofdklemtoon schrijf je aaneen.
  • Dagen, maanden of vaknamen met een hoofdletter schrijven. In het Nederlands blijven die klein (maandag, april, wiskunde).

Actieve herhaling

Verbeter een tekstje vol spellingvalkuilen: losgeschreven samenstellingen, foutieve tussenletters, verkeerde hoofdletters en ontbrekende trema's. Zoek de twijfelgevallen op in de Woordenlijst en verantwoord elke correctie met de regel.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein C Schrijfvaardigheid (taalverzorging) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Interpunctie#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-nederlands-vwo-domein-C

Kernpunten

Leestekens sturen de zin: ze verdelen hem in eenheden en maken de structuur zichtbaar. De punt sluit een mededelende zin af; het vraagteken een vraag; het uitroepteken een uitroep of nadrukkelijke oproep. Deze zinseindtekens zijn eenvoudig, maar bepalen wél de zinsgrenzen — en een van de grofste interpunctiefouten is de kommasplitsing: twee volledige hoofdzinnen met alleen een komma aan elkaar plakken („Het regende, we bleven binnen”). Twee zelfstandige zinnen scheid je met een punt, een puntkomma of een voegwoord, niet met een kale komma.
De komma is het subtielste en meest getoetste leesteken, met een handvol kernregels. Je zet een komma tussen de delen van een opsomming (rood, wit en blauw), vóór en na een tussenzin of bijstelling (de directeur, die net terug was, opende de vergadering), na een aansprekende of ingeleide bijzin die vóór de hoofdzin staat (Toen het licht werd, vertrokken we), en bij een aanspreking (Kom, Anna, we gaan). Vuistregel voor de bijzin: een bijzin die je kunt weglaten zonder de kern aan te tasten (een uitbreidende bijzin), zet je tussen komma's; een bijzin die de betekenis beperkt (een beperkende bijzin), niet.
De puntkomma en de dubbele punt hebben elk een eigen functie die verder reikt dan de komma. De puntkomma verbindt twee zelfstandige, maar inhoudelijk nauw verwante hoofdzinnen zonder voegwoord („De een zweeg; de ander sprak onophoudelijk”): sterker dan een komma, zwakker dan een punt. De dubbele punt kondigt aan wat volgt — een opsomming, een verklaring, een uitwerking of een citaat („Er is maar één oplossing: samenwerken”). Beide leestekens tillen je interpunctie boven het elementaire uit; wie ze correct gebruikt, laat zien dat hij de fijnstructuur van de zin beheerst.
Aanhalingstekens, gedachtestreep en haakjes verzorgen de inbedding van andermans woorden en van terzijdes. Aanhalingstekens omsluiten een letterlijk citaat of de directe rede („Ik kom morgen”, zei ze); in het Nederlands gebruikt men bij voorkeur de „lage-hoge” variant. De gedachtestreep markeert een nadrukkelijke onderbreking of toevoeging — vaak krachtiger dan komma's of haakjes — en de haakjes bergen een terloopse aanvulling die je ook zou kunnen weglaten. Belangrijk is de consistentie: wat je met een gedachtestreep opent, sluit je ook met een gedachtestreep, en een citaat opent én sluit je met aanhalingstekens.
Interpunctie is geen kosmetiek maar betekenisdrager: een verkeerd geplaatste komma kan de zin veranderen. Het klassieke voorbeeld „We gaan eten, opa” tegenover „We gaan eten opa” laat zien dat een komma over leven en dood van grootvader beslist. Bij het reviseren van je eigen tekst controleer je daarom de interpunctie apart: lees elke zin en vraag je af of de leestekens de bedoelde structuur weergeven. Correcte interpunctie maakt je tekst niet alleen foutloos maar ook leesbaar — ze loodst de lezer door je zinnen zoals signaalwoorden hem door je tekst loodsen.
Uitgewerkt voorbeeld

Komma's plaatsen en een kommasplitsing herstellen

Interpuncteer correct: „De docent die streng maar rechtvaardig was gaf ons veel huiswerk, we klaagden niet.”

  1. 01De bijzin beoordelen

    „die streng maar rechtvaardig was” is hier een uitbreidende (weglaatbare) toevoeging over de docent: zet haar tussen komma's.

  2. 02De kommasplitsing herkennen

    „...veel huiswerk, we klaagden niet” plakt twee hoofdzinnen met een kale komma aaneen: een kommasplitsing.

  3. 03De splitsing herstellen

    Scheid de twee hoofdzinnen met een puntkomma of een voegwoord: „...veel huiswerk; we klaagden niet” of „...veel huiswerk, maar we klaagden niet”.

Resultaat: Correct: „De docent, die streng maar rechtvaardig was, gaf ons veel huiswerk; we klaagden niet.” (bijzin tussen komma's; kommasplitsing hersteld met een puntkomma.)

Eindexamen-focus

  • Examendoel (SE): de kernkommaregels toepassen (opsomming, tussenzin, vooropgeplaatste bijzin, aanspreking) en het onderscheid uitbreidende/beperkende bijzin hanteren.
  • Examendoel (SE): de kommasplitsing vermijden en puntkomma en dubbele punt functioneel gebruiken.

Veelgemaakte fouten

  • Kommasplitsing: twee volledige hoofdzinnen met alleen een komma verbinden. Gebruik een punt, puntkomma of voegwoord.
  • Een uitbreidende (weglaatbare) bijzin niet tussen komma's zetten, of een beperkende bijzin juist wel. Het weglaatbaarheidscriterium beslist.

Actieve herhaling

Zet de interpunctie in een ongepunctueerd tekstfragment. Verantwoord elke komma met een regel (opsomming, tussenzin, bijzin), plaats waar passend een puntkomma of dubbele punt, en controleer of je nergens een kommasplitsing hebt gemaakt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein C Schrijfvaardigheid (taalverzorging) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Formuleren: veelgemaakte zinsfouten#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-nederlands-vwo-domein-C

Kernpunten

Foutloos formuleren is meer dan spelling: het gaat om correcte, heldere zinnen. De examinatoren letten op een vaste reeks formuleerfouten. De eerste is de incongruentie: onderwerp en persoonsvorm komen niet overeen in getal. „Het aantal fietsers nemen toe” is fout — het onderwerp is „het aantal” (enkelvoud), dus „neemt toe”. De verwarring ontstaat doordat het meervoudige „fietsers” dichter bij de persoonsvorm staat. Zoek daarom altijd de kern van het onderwerp (het aantal), niet het dichtstbijzijnde zelfstandig naamwoord, en laat de persoonsvorm dáármee congrueren.
De tweede veelvoorkomende fout is de foutieve verwijzing: een verwijswoord dat niet klopt met zijn antecedent in getal of geslacht. „Het bedrijf ontsloeg hun werknemers” is fout — „het bedrijf” is enkelvoud en onzijdig, dus „zijn werknemers”. Ook een verwijzing zonder duidelijk antecedent hoort hierbij („Ze zeggen dat …” — wie?). Deze fout is de keerzijde van de verwijsvaardigheid uit de leesvaardigheid: wat je daar leerde herkennen (het antecedent van een verwijswoord), moet je hier zelf correct maken. Controleer bij elk verwijswoord of het in getal en geslacht bij zijn antecedent past.
De tangconstructie is een typische VWO-formuleerfout, weergegeven in Afb. 3: twee woorden die grammaticaal bij elkaar horen — meestal het onderwerp en de persoonsvorm, of de delen van een werkwoordelijk gezegde — worden zó ver uit elkaar getrokken door een lange tussenzin dat de lezer de draad kwijtraakt. „De minister heeft, ondanks de vele bezwaren die vanuit de oppositie en de samenleving naar voren werden gebracht, besloten” zet „heeft” en „besloten” mijlenver uiteen. De oplossing: kort de tussenzin in, of verplaats hem naar buiten de tang, zodat de bij elkaar horende delen dichter bijeen komen.

Afb. 3 — De tangconstructie: bijeenhorende delen uiteengetrokken

TangconstructieSchema met 4 elementen, onderwerp, lange tussenzin, werkwoord, uiteengetrokken tangonderwerplange tussenzinwerkwoorduiteengetrokkentang
Afb. 3Bij een tangconstructie staan grammaticaal bijeenhorende delen (onderwerp en werkwoord) te ver uiteen door een lange inschuiving. Kort de tussenzin in of plaats hem buiten de tang.
Verder let het examen op de contaminatie, de foutieve samentrekking en het pleonasme/de tautologie. Een contaminatie versmelt twee correcte uitdrukkingen tot een foute („duur kosten” uit „duur zijn” + „veel kosten”; „optie hebben op” uit „recht hebben op” + „optie op”). Een foutieve samentrekking laat een woord weg dat in de twee samengetrokken delen een verschillende vorm of functie heeft („De hond kwispelde met zijn staart en blafte” gaat goed, maar „Zij wast zich en de kinderen” niet, want „zich” en „de kinderen” hebben een verschillende functie). Een pleonasme („witte sneeuw”) en een tautologie („maar toch”, „eerst beginnen”) herhalen overbodig dezelfde informatie.
Deze formuleerfouten herstel je door je zinnen bij de revisie kritisch te lezen, bij voorkeur hardop. Splits een lange, verstrengelde zin in kortere; controleer of onderwerp en persoonsvorm congrueren; toets elk verwijswoord aan zijn antecedent; en wees op je hoede bij samengetrokken en samengestelde uitdrukkingen. Taalverzorging telt in het schoolexamen zwaar mee bij de beoordeling van schrijfvaardigheid: een inhoudelijk sterk stuk vol formuleerfouten oogt slordig en verliest punten. Formuleren is de laatste, beslissende laag van goed schrijven — de laag die de lezer, vaak onbewust, als kwaliteit of als slordigheid ervaart.
Uitgewerkt voorbeeld

Formuleerfouten herkennen en herstellen

Verbeter: „Het aantal leerlingen dat kiest voor een technische studie nemen toe, wat het bedrijfsleven, die om technici staat te springen, hard nodig heeft.”

  1. 01De incongruentie herstellen

    Kern van het onderwerp is „het aantal” (enkelvoud): „nemen toe” → „neemt toe”.

  2. 02De foutieve verwijzing herstellen

    „het bedrijfsleven” is enkelvoud en onzijdig; het verwijswoord „die” → „dat”.

  3. 03De tangconstructie beoordelen

    De ingeschoven bijzin „die/dat om technici staat te springen” trekt „het bedrijfsleven” en „nodig heeft” uiteen; kort in of herstructureer voor de leesbaarheid.

Resultaat: Correct: „Het aantal leerlingen dat voor een technische studie kiest, neemt toe. Dat heeft het bedrijfsleven, dat om technici staat te springen, hard nodig.” (incongruentie en verwijzing hersteld; de tang opgeknipt in twee zinnen.)

Eindexamen-focus

  • Examendoel (SE): formuleerfouten herkennen en herstellen — incongruentie, foutieve verwijzing, tangconstructie, contaminatie, foutieve samentrekking, pleonasme/tautologie.
  • Examendoel (SE): de persoonsvorm met de kern van het onderwerp laten congrueren en verwijswoorden met hun antecedent in getal en geslacht.

Veelgemaakte fouten

  • De persoonsvorm laten congrueren met het dichtstbijzijnde zelfstandig naamwoord in plaats van met de kern van het onderwerp („het aantal fietsers nemen toe”).
  • Twee correcte uitdrukkingen versmelten tot een contaminatie („duur kosten”). Kies één van beide correcte uitdrukkingen.

Actieve herhaling

Verbeter tien zinnen die elk één formuleerfout bevatten (incongruentie, foute verwijzing, tangconstructie, contaminatie, foutieve samentrekking, pleonasme). Benoem per zin de fout en geef een correcte herformulering.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein C Schrijfvaardigheid (taalverzorging) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Werkwoordspelling: stam, tijden en ’t kofschip○
    • 02Overige spelling: los/aaneen, hoofdletters en tussenletters◐
    • 03Interpunctie◐
    • 04Formuleren: veelgemaakte zinsfouten●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Spelling, interpunctie en formuleren

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~16
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Nederlands VWO — domein C Schrijfvaardigheid (taalverzorging)

Vorig onderwerp

Schrijfvaardigheid (uiteenzetting, beschouwing, betoog)

Volgend onderwerp

Mondelinge taalvaardigheid: voordracht, discussie en debat

EuraStudy·Samenvattingen T·10·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.