EuraStudy
Samenvattingen/Nederlands/Mondelinge taalvaardigheid: voordracht, discussie en debat
Samenvattingen · NederlandsNL · VWO

Mondelinge taalvaardigheid: voordracht, discussie en debat

Mondelinge taalvaardigheid is de kunst van het spreken en luisteren: een monoloog houden (voordracht of presentatie) en deelnemen aan een dialoog (discussie of debat). Dit onderwerp leert je een presentatie op te bouwen en te brengen, mondeling te argumenteren en te weerleggen, en de gespreksregels te hanteren. Het hoort bij domein B en wordt in het schoolexamen (SE) getoetst, niet in het centraal examen.

4 Onderdelen·~17 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·111111 / 14
Examenprofiel
Een voordracht of presentatie voorbereiden en houden met een heldere structuurDeelnemen aan discussie en debat: argumenteren, weerleggen en gespreksregels hanterenLuisteren, samenvatten en verbale en non-verbale middelen inzetten
Operatoren:presenteerargumenteerweerlegreageervat samen

basisniveau

Mondelinge taalvaardigheid (domein B) wordt in het schoolexamen getoetst volgens het PTA; het is geen onderdeel van het CE.

verhoogd niveau

Mondeling argumenteren bouwt rechtstreeks voort op domein D: je zet standpunt, argumenten, weerlegging en drogredenenherkenning nu in een gesprek in.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Mondelinge taalvaardigheid: voordracht, discussie en debat
    • 01De monoloog: voordracht en presentatie○
    • 02De dialoog: discussie en debat◐
    • 03Argumenteren en weerleggen in gesprek◐
    • 04Luisteren, structuur en non-verbale communicatie●
§ 01

De monoloog: voordracht en presentatie#

●○○BasisLPexamenblad-nl-nederlands-vwo-domein-B

Kernpunten

Mondelinge taalvaardigheid valt uiteen in twee grote vormen, weergegeven in Afb. 1: de monoloog (één spreker aan het woord) en de dialoog (sprekers in wisselwerking). De monoloog omvat de voordracht en de presentatie: je draagt zelfstandig een samenhangend geheel voor aan een publiek. Net als bij een geschreven tekst bepaal je vooraf je doel (informeren, overtuigen, activeren) en je publiek, want die sturen inhoud, toon en opbouw. Een presentatie is dus geen improvisatie, maar een voorbereide, gestructureerde mondelinge tekst — met dit verschil dat de manier van brengen even zwaar telt als de inhoud.

Afb. 1 — Vormen van mondelinge taalvaardigheid

Monoloog en dialoogBoomdiagram, 4 paden, Gegevens: Monoloog → voordracht; Monoloog → presentatie; Dialoog → discussie; Dialoog → debatMonoloogDialoogMondelinge taalvaardigheidvoordrachtpresentatiediscussiedebat
Afb. 1De twee hoofdvormen: de monoloog (één spreker: voordracht, presentatie) en de dialoog (wisselwerking: discussie, debat). Beide worden in het schoolexamen getoetst.
De opbouw van een presentatie volgt dezelfde driedeling als een schriftelijke tekst — inleiding, kern, slot — met een mondelinge aanpassing. In de inleiding trek je de aandacht (een vraag, een voorbeeld, een prikkelende stelling), maak je het onderwerp duidelijk en kondig je de opbouw aan, zodat de luisteraar weet wat komt („Ik bespreek achtereenvolgens drie oorzaken”). Die vooraankondiging is bij spreken belangrijker dan bij schrijven, want de luisteraar kan niet terugbladeren. De kern behandelt de deelonderwerpen één voor één; het slot vat samen, trekt een conclusie en sluit krachtig af — vaak met een terugkoppeling naar de inleiding.
Bij een presentatie telt de presentatietechniek zwaar mee, want de boodschap komt niet alleen via de woorden binnen. Zorg voor verstaanbaarheid (duidelijke articulatie, een rustig tempo, voldoende volume), voor contact met het publiek (oogcontact, je richten tot de zaal in plaats van tot je notities) en voor een open, rustige lichaamshouding. Spreek vrij vanaf steekwoorden in plaats van een tekst voor te lezen: voorlezen doodt het contact en klinkt vlak. Visuele hulpmiddelen (dia's, beelden) ondersteunen je verhaal, maar mogen het niet vervangen — de spreker blijft de hoofdpersoon, niet de dia.
De afstemming op publiek en situatie bepaalt of je presentatie aankomt. Een technisch publiek verdraagt vaktermen; een breed publiek vraagt om uitleg en aansprekende voorbeelden. Het register (formeel of informeel), de hoeveelheid voorkennis die je veronderstelt en de voorbeelden die je kiest, stem je af op wie voor je zit. Een presentatie die haar publiek verkeerd inschat — te moeilijk, te lang, te afstandelijk — mist haar doel, hoe goed voorbereid ook. Houd tijdens het spreken de reactie van je publiek in de gaten en pas zo nodig je tempo of toelichting aan; dat is een luxe die de schrijver niet heeft.
Ten slotte vraagt een goede presentatie om oefening en tijdsbeheersing. Een presentatie heeft doorgaans een tijdslimiet; oefen daarom hardop en klok jezelf, zodat je binnen de tijd blijft en niet halverwege moet inkorten. Anticipeer op vragen uit het publiek en bereid antwoorden voor. Bij het schoolexamen wordt de presentatie beoordeeld op zowel inhoud en structuur als op presentatie en taalgebruik. Wie zijn verhaal goed heeft opgebouwd én het rustig, verstaanbaar en met contact brengt, laat de twee kanten van mondelinge taalvaardigheid samenkomen — de tekst en de performance.
Uitgewerkt voorbeeld

Een presentatie-inleiding opbouwen

Je houdt een presentatie over het nut van een tussenjaar. Ontwerp een inleiding die aan de drie eisen voldoet.

  1. 01De aandacht trekken

    Open met een prikkelende vraag of cijfer: „Wist je dat een op de zeven geslaagden een tussenjaar neemt — en dat de meesten er geen spijt van hebben?”

  2. 02Het onderwerp afbakenen

    Maak duidelijk waar je het over hebt: de voor- en nadelen van een tussenjaar na het vwo.

  3. 03De opbouw aankondigen

    Kondig de structuur aan: „Ik bespreek eerst drie voordelen, dan twee veelgehoorde bezwaren, en sluit af met een advies.”

Resultaat: Een inleiding die de aandacht trekt (vraag/cijfer), het onderwerp afbakent (tussenjaar na het vwo) en de opbouw aankondigt (drie voordelen, twee bezwaren, advies).

Eindexamen-focus

  • Examendoel (SE): een presentatie opbouwen met een aandachttrekkende inleiding die de opbouw aankondigt, een geordende kern en een krachtig slot.
  • Examendoel (SE): presentatietechniek beheersen — verstaanbaarheid, oogcontact, houding — en vrij spreken vanaf steekwoorden, niet voorlezen.

Veelgemaakte fouten

  • Een presentatie voorlezen in plaats van vrij spreken. Voorlezen verbreekt het contact met het publiek en klinkt vlak.
  • De opbouw niet aankondigen. Een luisteraar kan niet terugbladeren; een vooraankondiging van de structuur is bij spreken essentieel.

Actieve herhaling

Bereid een presentatie van vijf minuten voor over een actueel onderwerp. Maak een steekwoordenschema met inleiding (aandacht + aankondiging), kern (drie deelonderwerpen) en slot (conclusie). Oefen hardop, klok jezelf en let bewust op tempo, oogcontact en houding.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein B Mondelinge taalvaardigheid (CvTE / Examenblad)

§ 02

De dialoog: discussie en debat#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-nederlands-vwo-domein-B

Kernpunten

De dialoog is de mondelinge wisselwerking tussen sprekers, en discussie en debat zijn de twee belangrijkste vormen. Een discussie is een gezamenlijke uitwisseling van standpunten met het doel elkaars ideeën te begrijpen, een probleem te verkennen of tot een gedeeld inzicht of besluit te komen; ze is coöperatief. Een debat is formeler en competitiever: twee partijen verdedigen elk een vaststaand standpunt (vóór of tegen een stelling) met het doel de toehoorders of een jury te overtuigen. Het verschil in doel — samen verkennen tegenover overtuigend winnen — bepaalt de toon en de spelregels.
Een debat verloopt volgens een vaste structuur, weergegeven in Afb. 2: na de opening (de stelling en de spelregels) volgt de stellingname (beide partijen zetten hun positie neer), daarna de argumentatie (elke partij voert haar argumenten aan), vervolgens de weerlegging (elke partij reageert op de argumenten van de tegenstander) en ten slotte de afsluiting (een samenvattend slotpleidooi). Deze fasering geeft het debat zijn overzicht en eerlijkheid: iedere partij komt gelijk aan bod, en de weerleggingsronde dwingt de sprekers werkelijk op elkaar te reageren in plaats van langs elkaar heen te praten.

Afb. 2 — De fasen van een debat

Verloop van een debatGraaf, Opening → Stellingname, Stellingname → Argumentatie, Argumentatie → Weerlegging, Weerlegging → AfsluitingOpeningStellingnameArgumentatieWeerleggingAfsluiting
Afb. 2Het vaste verloop van een debat. De weerleggingsfase dwingt de partijen op elkaars argumenten te reageren; de afsluiting is een samenvattend slotpleidooi.
Gespreksregels maken een discussie of debat werkbaar. De belangrijkste zijn: beurten nemen en elkaar laten uitspreken, aandachtig luisteren voordat je reageert, je bijdrage aan laten sluiten op wat de vorige spreker zei, en respectvol blijven (de zaak bestrijden, niet de persoon — de persoonlijke aanval uit de drogredenenleer is ook mondeling ongepast). In veel discussievormen bewaakt een gespreksleider of voorzitter deze regels: hij verdeelt de beurten, houdt de tijd in de gaten en vat waar nodig samen. Wie de regels schendt — door de ander te overschreeuwen of van het onderwerp af te dwalen — schaadt niet alleen het gesprek maar ook zijn eigen geloofwaardigheid.
Effectief deelnemen aan een dialoog vraagt om drie vaardigheden tegelijk: luisteren, formuleren en reageren. Je moet nauwkeurig horen wat de ander beweert (en met welk argument), je eigen standpunt helder en beknopt onder woorden brengen, en gericht reageren — instemmen, nuanceren, doorvragen of weerleggen. Anders dan bij een geschreven tekst is er geen tijd om te herzien; je formuleert ter plekke. Daarom helpt voorbereiding: ken je standpunt en je sterkste argumenten, en anticipeer op de tegenargumenten die zullen komen, zodat je er een weerlegging voor klaar hebt.
Het onderscheid tussen discussie en debat bepaalt ook je houding. In een discussie mag je van standpunt veranderen als de ander je overtuigt — dat is juist een teken van een goed gesprek. In een debat verdedig je je toegewezen positie tot het eind, ongeacht je persoonlijke mening; het gaat om de kwaliteit van de argumentatie, niet om je eigen overtuiging. Deze rolvastheid maakt het debat tot een uitstekende oefening in argumenteren: je leert een standpunt zo sterk mogelijk verdedigen en de zwakke plekken van het tegenovergestelde standpunt vinden — precies de argumentatieve vaardigheid van domein D, nu mondeling en onder tijdsdruk.
Uitgewerkt voorbeeld

Discussie of debat?

Situatie A: een klas zoekt samen naar de beste bestemming voor het eindexamenfeest. Situatie B: twee teams verdedigen respectievelijk „vóór” en „tegen” de stelling dat sociale media verboden moeten worden voor jongeren. Typeer beide en benoem de passende houding.

  1. 01Situatie A typeren

    De klas wil samen tot één besluit komen; deelnemers mogen elkaar overtuigen en van mening veranderen. Dit is een discussie (coöperatief).

  2. 02Situatie B typeren

    Twee teams verdedigen elk een vaste, toegewezen positie om te overtuigen. Dit is een debat (competitief).

  3. 03De houding benoemen

    In A: open, luisterend, bereid je standpunt bij te stellen. In B: rolvast, je verdedigt je toegewezen positie ongeacht je persoonlijke mening.

Resultaat: A is een discussie (samen een besluit zoeken, open houding); B is een debat (vaste posities verdedigen, rolvaste houding).

Eindexamen-focus

  • Examendoel (SE): het verschil tussen een (coöperatieve) discussie en een (competitief) debat kennen en de fasen van een debat herkennen en doorlopen.
  • Examendoel (SE): de gespreksregels hanteren — beurten nemen, luisteren, aansluiten, respectvol blijven — en in een debat de toegewezen positie rolvast verdedigen.

Veelgemaakte fouten

  • Discussie en debat gelijkstellen. Een discussie verkent gezamenlijk (je mág van mening veranderen); een debat verdedigt competitief een vaste positie.
  • De gespreksregels schenden door de ander te overschreeuwen of van het onderwerp af te dwalen; dat schaadt de eigen geloofwaardigheid.

Actieve herhaling

Voer met de klas een kort debat over een prikkelende stelling. Wijs een voorzitter aan, verdeel de klas in voor- en tegenstanders, en doorloop de vijf fasen (opening, stellingname, argumentatie, weerlegging, afsluiting). Evalueer daarna of de gespreksregels zijn nageleefd.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein B Mondelinge taalvaardigheid (CvTE / Examenblad)

§ 03

Argumenteren en weerleggen in gesprek#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-nederlands-vwo-domein-B

Kernpunten

Mondeling argumenteren is de argumentatieleer van domein D, toegepast in een gesprek en onder tijdsdruk. Je neemt een helder standpunt in, onderbouwt het met dragende argumenten en anticipeert op tegenargumenten. Het verschil met schriftelijk argumenteren is dat je meteen wordt tegengesproken: de ander reageert, en jij moet ter plekke weerleggen. Daarom is voorbereiding cruciaal — ken niet alleen je eigen argumenten, maar ook de sterkste tegenargumenten, zodat je een antwoord klaar hebt. Wie alleen zijn eigen kant heeft doordacht, wordt in het gesprek overrompeld.
Weerleggen is de kernvaardigheid van een goed debat, en er zijn beproefde manieren. Je kunt de aanvaardbaarheid van een argument bestrijden (de premisse klopt niet), de relevantie (het argument doet niet ter zake), of de voldoende grond (het argument is te zwak of te beperkt) — precies de drie toetsen uit de drogredenenleer. Daarnaast kun je een tegenvoorbeeld geven, een onwenselijk gevolg van de positie van de ander aanwijzen, of een onuitgesproken vooronderstelling (garant) blootleggen en betwisten. Een sterke weerlegging benoemt precies wát er mis is met het argument van de ander, in plaats van er slechts een nieuw argument tegenover te zetten.
In het gesprek is het even belangrijk zélf geen drogredenen te gebruiken als ze bij de ander te herkennen. Onder druk is de verleiding groot om naar de persoon uit te halen (ad hominem), het standpunt van de ander te overdrijven (stroman) of op emoties te spelen. Wie dat doet, verzwakt zijn positie zodra de tegenstander of de jury de drogreden doorziet. Herken je omgekeerd een drogreden bij de ander, dan is het benoemen ervan een krachtige zet: „Dat is een stroman — ik heb nooit beweerd dat álle regels weg moeten.” Zo zet je de drogredenenleer offensief én defensief in.
Reageren op de ander gaat verder dan weerleggen alleen; het omvat ook doorvragen, samenvatten en nuanceren. Doorvragen („Wat bedoel je precies met …?”) dwingt de ander tot precisie en legt zwakke plekken bloot. Samenvatten wat de ander zei („Als ik je goed begrijp, stel je dat …”) toont dat je luistert en voorkomt misverstanden — en geeft je bedenktijd. Nuanceren („Daar heb je deels gelijk in, maar …”) erkent een terecht punt en behoudt zo je geloofwaardigheid, terwijl je toch je positie vasthoudt. Deze reactievormen maken van tegenspreken een gesprek in plaats van een botsing.
Wie de klassieke retorica kent, beschikt over een extra kader (verdieping, buiten de strikte examenstof): Aristoteles onderscheidt drie overtuigingsmiddelen — ethos (geloofwaardigheid van de spreker), logos (de kracht van het argument) en pathos (het gevoel van het publiek). Een overtuigend mondeling betoog combineert de drie: je toont deskundigheid en betrouwbaarheid (ethos), voert steekhoudende argumenten aan (logos) en spreekt het publiek ook op een gepaste emotie aan (pathos) — zolang dat laatste een argument begeleidt en niet vervangt. Dit kader helpt je bewust te kiezen hoe je overtuigt, maar het examen toetst vooral de logos: de kwaliteit van je argumentatie en weerlegging.
Uitgewerkt voorbeeld

Een tegenargument mondeling weerleggen

In een debat over gratis openbaar vervoer zegt de tegenstander: „Gratis ov is onbetaalbaar, want alles wat gratis is, wordt misbruikt en raakt overvol.” Formuleer een gerichte weerlegging.

  1. 01Het argument ontleden

    Standpunt tegenstander: gratis ov is onbetaalbaar. Argument: gratis dingen worden misbruikt en raken overvol. De onuitgesproken garant: „alles wat gratis is, wordt onvermijdelijk misbruikt.”

  2. 02Het zwakke punt kiezen

    De garant is een overhaaste generalisatie: niet alles wat gratis is, wordt misbruikt (denk aan gratis onderwijs of bibliotheken). De voldoende grond ontbreekt.

  3. 03De weerlegging formuleren

    „Dat is een te snelle generalisatie: gratis onderwijs en gratis bibliotheken worden niet massaal misbruikt. Drukte is bovendien op te vangen met meer capaciteit — dat maakt het niet onbetaalbaar, alleen een investering.”

Resultaat: De weerlegging valt de voldoende grond aan: de generalisatie „alles wat gratis is, wordt misbruikt” is te breed, met tegenvoorbeelden (onderwijs, bibliotheken), en drukte is een oplosbaar capaciteitsvraagstuk, geen bewijs van onbetaalbaarheid.

Eindexamen-focus

  • Examendoel (SE): mondeling een standpunt innemen, onderbouwen met argumenten en tegenargumenten gericht weerleggen (aanvaardbaarheid, relevantie, voldoende grond, tegenvoorbeeld).
  • Examendoel (SE): drogredenen bij de gesprekspartner herkennen en benoemen, en ze in de eigen bijdrage vermijden.

Veelgemaakte fouten

  • Op een tegenargument reageren met een nieuw eigen argument in plaats van het tegenargument echt te weerleggen. Benoem wát er mis is met het argument van de ander.
  • Onder druk zelf een drogreden gebruiken (persoonlijke aanval, stroman). Zodra de tegenstander of jury die doorziet, verzwakt je positie.

Actieve herhaling

Bereid je op een debatstelling voor door niet alleen je eigen drie argumenten uit te werken, maar ook de drie sterkste tegenargumenten met voor elk een weerlegging. Oefen het mondeling weerleggen door aan te geven of je de aanvaardbaarheid, de relevantie of de voldoende grond aanvalt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein B Mondelinge taalvaardigheid (CvTE / Examenblad)

§ 04

Luisteren, structuur en non-verbale communicatie#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-nederlands-vwo-domein-B

Kernpunten

Mondelinge taalvaardigheid is niet alleen spreken maar ook luisteren, en goed luisteren is een actieve vaardigheid. Actief luisteren betekent de hoofdzaken uit gesproken taal halen (het gesproken equivalent van kernzinnen zoeken), de structuur van het betoog van de ander volgen, en de argumentatie ontleden terwijl ze gesproken wordt. Dat is lastiger dan bij lezen, omdat je niet kunt terugbladeren en het tempo niet zelf bepaalt. Het helpt om tijdens het luisteren mee te denken in de bekende structuren — is dit een argument, een voorbeeld, een tegenwerping? — zodat je de gesproken tekst ordent terwijl hij voorbijkomt.
Luisteren en spreken grijpen in een gesprek in elkaar: je kunt pas gericht reageren als je precies hebt gehoord wat de ander beweerde. Een krachtig hulpmiddel is het samenvattend teruggeven: „Als ik het goed begrijp, is jouw belangrijkste bezwaar dat …”. Dat toont dat je hebt geluisterd, corrigeert eventuele misverstanden, en dwingt jezelf de kern van de ander te vatten voordat je reageert. Wie deze luistercontrole overslaat, reageert vaak op iets wat de ander niet bedoelde — de gesproken variant van de stroman, maar dan onbedoeld. Goed luisteren is dus de voorwaarde voor eerlijk en raak reageren.
De structuur van je eigen bijdrage moet ook mondeling glashelder zijn, juist omdat de luisteraar niet kan terugbladeren. Kondig aan wat je gaat zeggen, zeg het in een herkenbare volgorde, en markeer de overgangen hoorbaar met signaalwoorden („ten eerste”, „daar staat tegenover”, „samenvattend”). Deze signaalwoorden zijn bij spreken nog belangrijker dan bij schrijven: ze zijn de enige houvast die de luisteraar heeft om je gedachtegang te volgen. Een gestructureerde spreker die zijn stappen hoorbaar markeert, wordt begrepen; een spreker die associatief van de hak op de tak springt, raakt zijn publiek kwijt.
Non-verbale communicatie draagt een groot deel van de mondelinge boodschap. Je lichaamshouding, gebaren, gezichtsuitdrukking, oogcontact en vooral je stemgebruik (volume, tempo, intonatie, pauzes) bepalen mede hoe je woorden overkomen. Een goed geplaatste pauze geeft nadruk; een stijgende intonatie maakt een vraag; een rustige houding straalt zekerheid uit. Deze middelen zet je bewust in ter ondersteuning van je inhoud — niet als afleidende maniertjes. Non-verbale signalen moeten bovendien kloppen met je woorden: wie zegt overtuigd te zijn maar onrustig wegkijkt, ondermijnt zijn eigen boodschap.
In het schoolexamen wordt mondelinge taalvaardigheid beoordeeld op het geheel: inhoud en structuur, argumentatie en weerlegging, luister- en reactievaardigheid, en presentatie (taalgebruik, verstaanbaarheid, non-verbaal gedrag). Het is daarmee een integrerend onderdeel dat op de leesvaardigheid (structuur, hoofdzaken), de argumentatie (standpunt, weerlegging, drogredenen) en de schrijfvaardigheid (opbouw, register) voortbouwt — nu in het levende, tweerichtingsverkeer van het gesprek. Wie die onderdelen beheerst en ze rustig, gestructureerd en met contact weet te brengen, laat de volle breedte van taalvaardigheid zien: begrijpen, formuleren én overtuigen, ter plekke.
Uitgewerkt voorbeeld

Structuur hoorbaar maken

Een spreker somt in een presentatie associatief allerlei voordelen van vrijwilligerswerk op, zonder overgangen. Hoe maak je dezelfde inhoud voor de luisteraar helder?

  1. 01Aankondigen

    Begin met een vooraankondiging van de structuur: „Ik bespreek drie voordelen van vrijwilligerswerk: voor de samenleving, voor je cv en voor jezelf.”

  2. 02Ordenen en markeren

    Behandel de drie in vaste volgorde en markeer elke overgang hoorbaar: „ten eerste …”, „ten tweede …”, „en ten slotte …”.

  3. 03Samenvattend afsluiten

    Sluit met een hoorbaar signaal en een samenvatting: „Samenvattend levert vrijwilligerswerk winst op voor de samenleving, je cv én jezelf.”

Resultaat: Door de structuur aan te kondigen, de delen met signaalwoorden te markeren en samenvattend af te sluiten, wordt dezelfde inhoud voor de luisteraar helder en volgbaar.

Eindexamen-focus

  • Examendoel (SE): actief luisteren — hoofdzaken en argumentatiestructuur uit gesproken taal halen — en het gehoorde samenvattend teruggeven.
  • Examendoel (SE): de eigen bijdrage hoorbaar structureren met signaalwoorden en non-verbale middelen (stem, houding, oogcontact) bewust en congruent inzetten.

Veelgemaakte fouten

  • Reageren voordat je precies hebt gehoord wat de ander bedoelde. Geef de kern eerst samenvattend terug om misverstanden te voorkomen.
  • Non-verbaal gedrag dat de woorden tegenspreekt (wegkijken terwijl je overtuiging claimt). Laat stem en houding je boodschap ondersteunen, niet ondermijnen.

Actieve herhaling

Luister naar een gesproken betoog (bijvoorbeeld een korte speech of podcastfragment) en noteer tijdens het luisteren de hoofdzaken en de argumentatiestructuur. Vat het betoog daarna in twee zinnen samen en beoordeel of de spreker zijn structuur hoorbaar markeerde.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein B Mondelinge taalvaardigheid (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01De monoloog: voordracht en presentatie○
    • 02De dialoog: discussie en debat◐
    • 03Argumenteren en weerleggen in gesprek◐
    • 04Luisteren, structuur en non-verbale communicatie●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Mondelinge taalvaardigheid: voordracht, discussie en debat

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~17
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Nederlands VWO — domein B Mondelinge taalvaardigheid

Vorig onderwerp

Spelling, interpunctie en formuleren

Volgend onderwerp

Literaire ontwikkeling en leeservaring

EuraStudy·Samenvattingen T·11·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.