EuraStudy
Samenvattingen/Nederlands/Standpunt en soorten argumenten
Samenvattingen · NederlandsNL · VWO

Standpunt en soorten argumenten

Argumenteren is een standpunt aanvaardbaar maken met argumenten. Dit onderwerp leert je het standpunt (de these) te scheiden van de argumenten die het dragen, de onuitgesproken stap ertussen (de garant) te reconstrueren, en de soorten argumenten te benoemen. Het hoort bij domein D (Argumentatieve vaardigheden), dat samen met leesvaardigheid het centraal examen vormt.

4 Onderdelen·~16 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0555 / 14
Examenprofiel
Het standpunt (these) onderscheiden van de argumentenDe onuitgesproken pragmatische stap (garant) tussen argument en standpunt reconstruerenSoorten argumenten benoemen en hun kracht beoordelen
Operatoren:bepaal het standpuntwelk argumentwelke soort argumentleg uitberedeneer

basisniveau

Argumentatie herkennen is CE-stof (domein D) voor alle profielen; het bouwt voort op de leesvaardigheid van domein A.

verhoogd niveau

Bij schrijfvaardigheid en mondelinge taalvaardigheid gebruik je dezelfde bouwstenen actief: je bouwt zélf een betoog met standpunt, argumenten en weerlegging.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Standpunt en soorten argumenten
    • 01Standpunt, argument en de argumentatieve relatie○
    • 02Van gegeven naar standpunt: de garant (Toulmin)◐
    • 03Soorten argumenten en hun kracht◐
    • 04Standpunt en argument aanwijzen in het centraal examen●
§ 01

Standpunt, argument en de argumentatieve relatie#

●○○BasisLPexamenblad-nl-nederlands-vwo-domein-D

Kernpunten

Argumentatie is het geheel van een standpunt en de argumenten waarmee de schrijver dat standpunt aanvaardbaar wil maken. Het standpunt (ook these of bewering genoemd) is de mening die de lezer moet gaan aanvaarden; het argument (de grond) is de reden die ervoor pleit. De argumentatieve relatie is de bewering dat het argument het standpunt ondersteunt. Je vindt het onderscheid met twee vragen: „Wat wil de schrijver dat ik ga vinden?” levert het standpunt; „Waarom zou ik dat vinden?” levert de argumenten. Alles in een betoog draait om die twee rollen en hun verhouding.
Standpunten zijn er in soorten, en het type standpunt bepaalt welke argumenten passen. Een feitelijk standpunt beweert dat iets zo is („Het klimaat verandert sneller dan voorspeld”) en vraagt om feiten en onderzoek. Een waarderend standpunt geeft een oordeel („Deze roman is de beste van het jaar”) en vraagt om criteria en waarden. Een voorschrijvend of beleidsstandpunt bepleit een handeling of maatregel („De overheid moet vliegen zwaarder belasten”) en vraagt om argumenten over gevolgen, voor- en nadelen. Wie het type standpunt herkent, weet welke argumentatie de schrijver nodig heeft.
Een argument moet je onderscheiden van verwante maar andere tekstelementen. Een voorbeeld illustreert een bewering, maar bewijst haar niet; een toelichting verheldert een begrip zonder het te ondersteunen; een constatering geeft een feit zonder het aan een standpunt te koppelen. Pas als een uitspraak wordt aangevoerd óm het standpunt te steunen, is het een argument. Het signaalwoord helpt: „want”, „omdat”, „immers” en „aangezien” leiden argumenten in, terwijl „bijvoorbeeld” en „zo” voorbeelden inleiden. Toch beslist niet het woord maar de functie: draagt de uitspraak het standpunt, of illustreert ze het slechts?
Een enkel standpunt kan door meer argumenten worden gedragen, en die argumenten kunnen op hun beurt worden onderbouwd — dan ontstaat een gelaagde argumentatie (het onderwerp „Argumentatieschema's” tekent die lagen uit). Voor nu volstaat het basisbesef dat argumentatie hiërarchisch is: bovenaan het standpunt, daaronder de dragende argumenten, en soms daaronder nog subargumenten. Bij het lezen werk je van boven naar beneden: eerst het standpunt vaststellen, dan de argumenten eronder rangschikken. Zo houd je overzicht, ook in een lang en dichtbetoogd stuk.
De argumentatieve relatie is bovendien de plek waar de kwaliteit van een betoog beslist wordt. Een argument kan waar zijn maar niets met het standpunt te maken hebben (niet relevant), of relevant maar onvoldoende (te weinig grond), of eenvoudigweg onwaar (niet aanvaardbaar). Die drie toetsen — aanvaardbaarheid, relevantie en voldoende grond — behandelen we uitvoerig bij „Drogredenen”. Hier leg je de basis: je moet éérst standpunt en argument helder scheiden voordat je de relatie ertussen kunt beoordelen. Zonder die scheiding kun je een betoog niet wegen.
Uitgewerkt voorbeeld

Standpunt, argument of voorbeeld?

Een tekst stelt: „Scholen moeten de mobiele telefoon in de klas verbieden. Uit onderzoek blijkt dat leerlingen zich zonder telefoon beter concentreren. Op een school in Groningen stegen de cijfers na zo'n verbod.” Benoem het standpunt, het argument en het voorbeeld.

  1. 01Het standpunt zoeken

    „Scholen moeten de telefoon verbieden” is een voorschrijvend standpunt: het bepleit een maatregel.

  2. 02Het argument zoeken

    „Leerlingen concentreren zich zonder telefoon beter (uit onderzoek)” draagt het standpunt: het is de reden om te verbieden — een argument op grond van onderzoek.

  3. 03Het voorbeeld herkennen

    De school in Groningen illustreert het argument met een concreet geval, maar bewijst het niet: het is een voorbeeld, geen zelfstandig argument.

Resultaat: Standpunt: scholen moeten de telefoon verbieden (voorschrijvend). Argument: onderzoek toont betere concentratie zonder telefoon. Voorbeeld: de cijferstijging op de Groningse school.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: in een betoog het standpunt (these) aanwijzen en de argumenten die het dragen, ervan onderscheiden.
  • Examendoel: een argument onderscheiden van een voorbeeld, een toelichting of een losse constatering.

Veelgemaakte fouten

  • Een voorbeeld voor een argument aanzien. Een voorbeeld illustreert het standpunt, maar onderbouwt het niet.
  • Het standpunt verwarren met het onderwerp. Het onderwerp is waar het betoog over gaat; het standpunt is de verdedigde mening daarover.

Actieve herhaling

Neem een opiniestuk. Formuleer in één zin het hoofdstandpunt, bepaal of het een feitelijk, waarderend of voorschrijvend standpunt is, en noteer de twee belangrijkste argumenten. Controleer per argument of het het standpunt draagt of het slechts illustreert.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein D Argumentatieve vaardigheden (CvTE / Examenblad)

§ 02

Van gegeven naar standpunt: de garant (Toulmin)#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-nederlands-vwo-domein-D

Kernpunten

Tussen een argument en het standpunt zit altijd een stap die zelden wordt uitgesproken: de garant (in het model van de Britse filosoof Stephen Toulmin, 1958, de warrant). Toulmin ontleedt een argumentatie in een gegeven (data — het feit dat je aanvoert), een bewering (claim — het standpunt) en de garant (warrant — de algemene regel die zegt waaróm dat gegeven die bewering rechtvaardigt). Afb. 1 tekent die driehoek. De garant is de onuitgesproken vooronderstelling die de brug slaat: „Het is koud, dus trek een jas aan” steunt op de stilzwijgende regel „wie het koud heeft, hoort een jas aan te trekken”.

Afb. 1 — Toulmin: gegeven, garant en standpunt

Gegeven — garant — standpuntGraaf, Gegeven (grond) → Standpunt (these), Garant (onuitgesproken) → Standpunt (these)Gegeven (grond)Garant(onuitgesproken)Standpunt(these)dusrechtvaardigt
Afb. 1Het vereenvoudigde Toulmin-schema. Het gegeven draagt het standpunt alleen als de (meestal verzwegen) garant de stap rechtvaardigt. De garant is het scharnier van elke argumentatie.
De garant expliciet maken is een krachtig analyse-instrument, want juist in die verzwegen stap schuilt vaak de zwakte van een betoog. Neem: „Dit boek verkoopt goed, dus het is een goed boek.” Het gegeven (hoge verkoop) en het standpunt (hoge kwaliteit) klinken plausibel, maar de garant luidt: „Alles wat goed verkoopt, is van hoge kwaliteit” — en dat is een betwistbare aanname. Door de garant te formuleren, leg je bloot waarop de redenering rust en kun je haar toetsen. Veel drogredenen zijn niets anders dan een onhoudbare garant.
Toulmin voegt aan de basisdriehoek nog drie elementen toe die het VWO-examen niet als vaste stof eist, maar die het inzicht verdiepen: de rugdekking (backing) onderbouwt de garant zelf (bijvoorbeeld het onderzoek achter een vuistregel); de weerlegging (rebuttal) noemt de uitzondering waaronder de bewering tóch niet opgaat; en de graadmeter (qualifier) nuanceert de zekerheid („waarschijnlijk”, „in de meeste gevallen”). Voor het examen volstaat de kern — gegeven, garant, standpunt — maar wie de rugdekking en de weerlegging herkent, doorziet een betoog scherper.
In een examentekst is de garant zelden ingevuld; je moet hem zélf verwoorden. De examenvraag luidt dan bijvoorbeeld: „Welke onuitgesproken vooronderstelling ligt aan dit argument ten grondslag?” Je antwoordt met de algemene regel die het gegeven met het standpunt verbindt, geformuleerd als een volzin. Test je formulering met de invulproef: als je de garant tussen gegeven en standpunt plaatst, moet de redenering sluitend worden. Sluit ze niet, dan heb je de verkeerde garant te pakken.
De garant verbindt dit onderwerp met alle vervolgstof. Bij de argumentatieschema's tekenen we de expliciete lagen van standpunt en argumenten; bij de drogredenen toetsen we of de (vaak verzwegen) garant aanvaardbaar en relevant is. Wie leert de garant te horen achter een argument, leest argumentatie niet meer als een reeks losse beweringen maar als een geleed bouwwerk van stappen — en dat is precies de analytische blik die het VWO van de kandidaat vraagt.
Uitgewerkt voorbeeld

De garant reconstrueren en toetsen

In een betoog staat: „De nieuwe wet is slecht, want hij is met een kleine meerderheid aangenomen.” Reconstrueer de garant en beoordeel de redenering.

  1. 01Gegeven en standpunt benoemen

    Gegeven: de wet is met een kleine meerderheid aangenomen. Standpunt: de wet is slecht.

  2. 02De garant formuleren

    De verbindende algemene regel is: „Alles wat met een kleine meerderheid wordt aangenomen, is slecht.”

  3. 03De garant toetsen

    Die regel is onhoudbaar: de grootte van een meerderheid zegt niets over de inhoudelijke kwaliteit van een wet. De garant is niet aanvaardbaar, dus het argument draagt het standpunt niet.

Resultaat: De garant „wat met een kleine meerderheid wordt aangenomen, is slecht” is onhoudbaar; daarom is de redenering ondeugdelijk — het gegeven ondersteunt het standpunt niet.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de onuitgesproken vooronderstelling (garant) achter een argument formuleren als de algemene regel die gegeven en standpunt verbindt.
  • Examendoel: met de garant de houdbaarheid van een redenering toetsen — een onhoudbare garant duidt op een zwak argument of een drogreden.

Veelgemaakte fouten

  • De garant verwarren met een extra argument. De garant is de algemene regel die de stap van gegeven naar standpunt rechtvaardigt, geen nieuw feit.
  • Een te specifieke garant formuleren. De garant is een algemene regel; hij moet ook op andere, vergelijkbare gevallen toepasbaar zijn.

Actieve herhaling

Kies drie argumenten uit een betoog. Reconstrueer per argument de garant als een algemene regel en beoordeel of die regel aanvaardbaar is. Bepaal welk van de drie de zwakste garant heeft.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein D Argumentatieve vaardigheden (CvTE / Examenblad)

§ 03

Soorten argumenten en hun kracht#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-nederlands-vwo-domein-D

Kernpunten

Argumenten laten zich indelen naar hun grondslag, en het VWO-examen vraagt geregeld naar het soort argument. Afb. 2 zet de gangbare typen op een rij: het argument op grond van voor- en nadelen (pragmatisch, gericht op de gevolgen), het argument op grond van een kenmerk of definitie, het vergelijkings- of analogie-argument, het autoriteitsargument (een deskundige of gezaghebbende bron), het argument op grond van feiten of onderzoek, het oorzaak-gevolgargument en het argument op grond van waarden of normen (een principe). Elk type heeft zijn eigen overtuigingskracht én zijn eigen zwakke plek.

Afb. 2 — Soorten argumenten

ArgumenttypenBoomdiagram, 7 paden, Gegevens: voor- en nadelen (pragmatisch); kenmerk / definitie; vergelijking / analogie; autoriteit (deskundige bron); feiten / onderzoek; oorzaak – gevolg; waarden / normen (principe)Soorten argumentenvoor- en nadelen (pragmatisch)kenmerk / definitievergelijking / analogieautoriteit (deskundige bron)feiten / onderzoekoorzaak – gevolgwaarden / normen (principe)
Afb. 2De gangbare argumenttypen. Elk type is overtuigend onder een eigen voorwaarde; wordt die geschonden, dan ontstaat de bijbehorende drogreden.
Het autoriteitsargument beroept zich op het gezag van een deskundige of instantie: „Volgens het RIVM is de maatregel effectief.” Het is legitiem zolang de aangehaalde bron werkelijk deskundig, onafhankelijk en ter zake is. Zodra een van die voorwaarden ontbreekt — een beroemdheid die zich over geneeskunde uitspreekt, een belanghebbende die zijn eigen product prijst — verandert het in een drogreden (ondeugdelijk autoriteitsargument). Zo laat dit type zien hoe dun de grens is: hetzelfde argumenttype is sterk of drogredenachtig, afhankelijk van de invulling.
Het vergelijkings- of analogie-argument steunt op een overeenkomst: „Een land besturen is als een bedrijf leiden, dus …”. Het overtuigt zolang de vergeleken gevallen op de relevante punten werkelijk overeenkomen. Verschillen ze op een punt dat er juist toe doet (een land maakt geen winst en kent geen klanten), dan wordt het een onjuiste vergelijking — opnieuw een drogreden. Ook het argument op grond van voor- en nadelen (pragmatisch) is krachtig maar kwetsbaar: het weegt gevolgen tegen elkaar af en staat of valt met de vraag of álle relevante gevolgen zijn meegewogen.
Het argument op grond van feiten of onderzoek geldt doorgaans als het sterkst, mits het onderzoek deugdelijk en representatief is en de cijfers correct worden geïnterpreteerd. Toch is ook hier voorzichtigheid geboden: een correlatie is geen oorzaak, een klein of selectief steekproefje bewijst weinig, en cijfers kunnen misleidend worden gepresenteerd. Het waarden- of normenargument, ten slotte, beroept zich op een principe („Privacy is een grondrecht, dus …”) en is overtuigend voor wie het onderliggende waardeoordeel deelt, maar zwak tegenover wie andere waarden vooropstelt. De kracht van dit type hangt dus af van het publiek.
Voor het examen moet je het soort argument niet alleen benoemen maar ook kunnen wegen. De typische vraag is: „Van welke soort is dit argument, en hoe sterk is het?” Je antwoordt met de typenaam én met een oordeel over de aanvaardbaarheid ervan (is de bron deugdelijk, gaat de vergelijking op, zijn alle gevolgen meegewogen). Zo loopt dit onderwerp rechtstreeks over in de drogredenenleer: bijna elk argumenttype heeft een drogredenvariant die ontstaat zodra de bijbehorende voorwaarde geschonden wordt. Het herkennen van het type is de eerste stap; het beoordelen ervan de tweede.
Uitgewerkt voorbeeld

Soort en kracht van een argument bepalen

„We moeten investeren in leraren, want een bekende voetballer zei laatst dat goed onderwijs de basis van alles is.” Benoem het soort argument en beoordeel de kracht.

  1. 01Het type herkennen

    De schrijver beroept zich op een persoon met gezag: het is een autoriteitsargument.

  2. 02De voorwaarde toetsen

    Voor een sterk autoriteitsargument moet de bron ter zake deskundig zijn. Een voetballer is geen deskundige op het gebied van onderwijsbeleid.

  3. 03Het oordeel formuleren

    Omdat de aangehaalde autoriteit buiten haar vakgebied spreekt, is het argument zwak — het glijdt af naar een ondeugdelijk autoriteitsargument (een drogreden).

Resultaat: Soort: autoriteitsargument. Kracht: zwak — de aangehaalde bron is niet deskundig op het relevante gebied, waardoor het argument een ondeugdelijk autoriteitsargument wordt.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het soort argument benoemen (voor-/nadelen, kenmerk/definitie, vergelijking, autoriteit, feiten/onderzoek, oorzaak-gevolg, waarden/normen).
  • Examendoel: de kracht van een argument beoordelen aan de voorwaarde die bij zijn type hoort (deugdelijke bron, geldige vergelijking, volledige afweging).

Veelgemaakte fouten

  • Elk beroep op een naam als een geldig autoriteitsargument tellen. Alleen een ter zake deskundige, onafhankelijke bron maakt het argument sterk.
  • Een vergelijking automatisch als geldig aannemen. Een analogie overtuigt alleen als de gevallen op de relevante punten overeenkomen.

Actieve herhaling

Verzamel uit een betoog vijf argumenten. Benoem per argument de soort en beoordeel de kracht ervan aan de bijbehorende voorwaarde. Wijs het sterkste en het zwakste argument aan en verantwoord je keuze.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein D Argumentatieve vaardigheden (CvTE / Examenblad)

§ 04

Standpunt en argument aanwijzen in het centraal examen#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-nederlands-vwo-domein-D

Kernpunten

In het centraal examen worden standpunt en argumenten op vaste manieren getoetst: „Wat is het hoofdstandpunt van de schrijver?”, „Met welk argument onderbouwt hij zijn standpunt in alinea 4?”, „Van welke soort is dat argument?” en „Welke onuitgesproken vooronderstelling ligt eraan ten grondslag?”. De basisvaardigheid is telkens dezelfde: standpunt en argument scherp scheiden en hun relatie benoemen. Een systematische werkwijze — eerst het standpunt, dan de argumenten, dan per argument de soort en de garant — leidt je betrouwbaar door al deze vraagtypen.
Het hoofdstandpunt vind je door te vragen wat de schrijver uiteindelijk aanvaard wil zien. Het staat vaak in de inleiding of het slot, maar niet altijd letterlijk; soms moet je het formuleren uit de strekking van het betoog. Let op de subtiliteit dat een tekst een hoofdstandpunt kan hebben met daaronder deelstandpunten, elk met eigen argumenten. Bij een examenvraag naar „het standpunt” gaat het om het hoofdstandpunt, tenzij naar een specifieke alinea wordt verwezen. Formuleer het als een volledige, verdedigbare zin — net als de hoofdgedachte, maar dan expliciet als mening.
Argumenten aanwijzen vraagt discipline in het scheiden van functies. Zoek de zinnen die het standpunt dragen (herkenbaar aan „want”, „omdat”, „immers”, of impliciet) en onderscheid ze van voorbeelden, toelichtingen en tegenwerpingen. Een veelgemaakte fout is een tegenargument (een bezwaar dat de schrijver noemt om het te weerleggen) voor een eigen argument aanzien. Let daarom op de argumentatieve rol: pleit de uitspraak vóór het standpunt (argument), of tégen (tegenargument, meestal gevolgd door een weerlegging)?
Bij de zwaardere vragen combineer je alle deelvaardigheden. „Beoordeel of het argument in alinea 5 het standpunt overtuigend ondersteunt” vraagt om (1) het argument aanwijzen, (2) de soort bepalen, (3) de garant reconstrueren en (4) de aanvaardbaarheid en relevantie wegen. Zo'n vraag toetst in één keer het hele domein D. Het correctievoorschrift beloont een antwoord dat de stappen expliciet doorloopt en met de tekst onderbouwt — niet een kaal „ja/nee, want het klinkt logisch”. Redeneer zichtbaar en verankerd in de tekst.
Ten slotte: de analyse van standpunt en argumenten is niet alleen een leesvaardigheid maar ook een schrijf- en spreekvaardigheid. Wat je hier leert ontleden, bouw je bij schrijfvaardigheid (domein C) en mondelinge taalvaardigheid (domein B) zelf op: een overtuigend betoog heeft een helder standpunt, dragende argumenten van verschillende soorten, en anticipeert op tegenwerpingen. De examenkandidaat die argumentatie kan lézen, kan haar ook schríjven — en omgekeerd scherpt het zelf argumenteren het analytisch oog. De domeinen versterken elkaar.
Uitgewerkt voorbeeld

Argument of tegenargument?

Een schrijver bepleit gratis openbaar vervoer. Hij schrijft: „Tegenstanders werpen tegen dat het te duur is. Maar de maatschappelijke baten — minder files, schonere lucht — wegen ruimschoots op tegen de kosten.” Benoem de rollen van beide uitspraken.

  1. 01De eerste uitspraak plaatsen

    „Het is te duur” pleit tégen het standpunt van de schrijver; hij noemt het niet als eigen argument maar als bezwaar van tegenstanders — een tegenargument.

  2. 02Het signaalwoord duiden

    „Maar” markeert de omslag: wat volgt, weerlegt het zojuist genoemde bezwaar.

  3. 03De tweede uitspraak plaatsen

    „De baten wegen op tegen de kosten” is de weerlegging van het tegenargument én tegelijk een eigen argument (op grond van voor- en nadelen) vóór het standpunt.

Resultaat: „Het is te duur” is een tegenargument (van tegenstanders); „de baten wegen op tegen de kosten” is de weerlegging daarvan en een eigen pragmatisch argument van de schrijver.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het hoofdstandpunt formuleren en de dragende argumenten aanwijzen, met onderscheid tussen argument en tegenargument.
  • Examendoel: een samengestelde argumentatievraag stapsgewijs beantwoorden (argument aanwijzen, soort bepalen, garant reconstrueren, kracht wegen), verankerd in de tekst.

Veelgemaakte fouten

  • Een tegenargument dat de schrijver noemt om te weerleggen, voor een eigen argument van de schrijver aanzien. Let op de argumentatieve rol (vóór of tegen het standpunt).
  • Een beoordeling geven zonder de tekst („het klinkt logisch”). Het correctievoorschrift verlangt een onderbouwing die de stappen doorloopt en in de tekst verankert.

Actieve herhaling

Analyseer een compleet betoog: formuleer het hoofdstandpunt, breng alle argumenten en tegenargumenten in kaart, bepaal per argument de soort, reconstrueer bij het belangrijkste argument de garant en beoordeel of het het standpunt overtuigend draagt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein D Argumentatieve vaardigheden (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Standpunt, argument en de argumentatieve relatie○
    • 02Van gegeven naar standpunt: de garant (Toulmin)◐
    • 03Soorten argumenten en hun kracht◐
    • 04Standpunt en argument aanwijzen in het centraal examen●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Standpunt en soorten argumenten

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~16
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Nederlands VWO — domein D Argumentatieve vaardigheden

Vorig onderwerp

Signaal- en verwijswoorden

Volgend onderwerp

Argumentatieschema’s

EuraStudy·Samenvattingen T·05·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.