EuraStudy
Samenvattingen/Muziek/Jazz, pop en wereldmuziek
Samenvattingen · MuziekNL · VWO

Jazz, pop en wereldmuziek

Naast de westerse kunstmuziek staat een enorme wereld van jazz, pop en niet-westerse muziek. Dit onderwerp behandelt de jazz (oorsprong in blues en ragtime, de stijlen van New Orleans tot fusion, en de kenmerken improvisatie, swing, blue notes en het twaalf-maats bluesschema), de pop en rock (de coupletrefreinvorm, backbeat, riff, bandbezetting en de rol van de studio), en de wereldmuziek (andere toonsystemen en tradities, van de Indiase raga tot de gamelan en de Afrikaanse polyritmiek). Deze muziek hoort tot de CE-muziekgeschiedenis en -analyse.

3 Onderdelen·~11 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2

T·141414 / 16
Examenprofiel
Jazz herkennen aan improvisatie, swing, blue notes en het twaalf-maats bluesschema, en de belangrijkste stijlen onderscheiden.Pop en rock ontleden in coupletten en refreinen en de bandbezetting en de rol van de studio benoemen.Wereldmuzikale kenmerken (andere toonsystemen, raga en tala, polyritmiek) herkennen.
Operatoren:herkenbeschrijfbenoemanalyseervergelijk

basisniveau

Voor iedereen: leer swing en improvisatie herkennen (jazz) en couplet en refrein onderscheiden (pop); dat dekt veel vragen.

verhoogd niveau

Verdieping: het twaalf-maats bluesschema en de jazzstijlen benoemen en wereldmuzikale systemen (raga, tala, gamelan) toelichten.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 3 onderdelen▾
  1. Jazz, pop en wereldmuziek
    • 01Jazz: van blues tot bebop en verder○
    • 02Pop en rock: vorm, bezetting en studio◐
    • 03Wereldmuziek: andere systemen en tradities◐
§ 01

Jazz: van blues tot bebop en verder#

●○○BasisLPexamenblad-muziek-jazz-pop-wereld

Kernpunten

Jazz ontstond rond 1900 in de Verenigde Staten, vooral in New Orleans, uit een samensmelting van de blues, de ragtime en Afrikaanse en Europese muziektradities. Twee eigenschappen maken jazz onmiddellijk herkenbaar: improvisatie (de musici verzinnen hun partij grotendeels ter plekke, binnen een afgesproken kader) en swing (een zwevend, licht ternair onderverdeeld ritme dat de muziek doet dansen). Daarbovenop klinken blue notes: licht verlaagde tonen (vooral de derde, vijfde en zevende) die de karakteristieke, klagende bluesklank geven.
Een veelgebruikt harmonisch kader is het twaalf-maats bluesschema. Afb. 1 toont het: twaalf maten met een vast verloop van de functies tonica (I), subdominant (IV) en dominant (V) — dezelfde functionele harmonie als in de klassieke muziek, maar in een strak, herhaald schema van twaalf maten. Op dat vaste raamwerk improviseren de musici hun solo's. Doordat het schema zo bekend is, kunnen jazzmuzikanten die elkaar niet kennen toch samen spelen: het bluesschema is hun gedeelde taal.

Het twaalf-maats bluesschema

Het twaalf-maats bluesschemaTwaalf maten I I I I IV IV I I V IV I V.IIIIIVIVIIVIVIV15912
Afb. 1Afb. 1 — Het twaalf-maats bluesschema: een vast verloop van de functies I (tonica), IV (subdominant) en V (dominant). De overgangen naar IV (maat 5) en V (maat 9, accent) zijn de spil van het schema.
Uit deze wortels groeide een hele reeks stijlen, die Afb. 2 op een rij zet. De vroege New Orleans-jazz kende collectieve improvisatie van een blaassectie; de swing van de jaren dertig maakte er dansmuziek voor grote bigbands van (Duke Ellington). De bebop van de jaren veertig werd juist virtuoos en complex, voor kleine combo's en om naar te luisteren (Charlie Parker). Daarna volgden de ingetogen cool jazz, de op toonladders in plaats van akkoorden improviserende modale jazz (Miles Davis) en de fusion, die jazz met rock en elektronica mengde.

De ontwikkeling van de jazzstijlen

JazzstijlenTabel met 3 kolommen en 6 rijen, Gegevens: stijl · periode · kenmerk; New Orleans · ca. 1900-1920 · collectieve improvisatie, blaassectie; swing / bigband · jaren 1930 · dansbaar, grote band, arrangementen; bebop · jaren 1940 · virtuoos, kleine combo, complexe harmonie; cool · jaren 1950 · ingetogen, ontspannen; modal · eind jaren 1950 · improvisatie op toonladders (modi); fusion · jaren 1970 · jazz met rock en elektronica, gemarkeerde cel: virtuoos, kleine combo, complexe harmonieSTIJLPERIODEKENMERKNew Orleansca. 1900-1920collectieve improvisatie,blaassectieswing / bigbandjaren 1930dansbaar, grote band,arrangementenbebopjaren 1940virtuoos, kleine combo,complexe harmoniecooljaren 1950ingetogen, ontspannenmodaleind jaren 1950improvisatie op toonladders(modi)fusionjaren 1970jazz met rock en elektronica
Afb. 2Afb. 2 — De belangrijkste jazzstijlen in de tijd, met hun periode en kenmerk, van de collectieve improvisatie van New Orleans tot de fusion.
De grote namen markeren die ontwikkeling: Louis Armstrong, de trompettist en zanger die de solo-improvisatie groot maakte; Duke Ellington, de componist en bandleider van de swing; Charlie Parker, de saxofonist van de bebop; en Miles Davis, die zich telkens opnieuw uitvond, van cool via modal tot fusion. Je hoeft geen biografieen te kennen, maar deze namen en de stijlen waaraan ze verbonden zijn, horen tot de basiskennis.
Jazz herken je dus aan de combinatie van improvisatie, swing en blue notes, vaak boven een bluesschema of een liedvorm met akkoordsymbolen, gespeeld door een combo of bigband met een ritmesectie (piano, bas, drums) en blazers. Op het examen kan gevraagd worden een jazzstijl te benoemen, een improvisatie te herkennen of het bluesschema aan te wijzen. Let daarbij op het ritme (swingt het?), de harmonie (bluesschema?) en de bezetting.
Uitgewerkt voorbeeld

Het bluesschema meetellen

Je hoort een blues in een swingend tempo. Hoe controleer je of het het twaalf-maats schema volgt, en waar verwacht je de wisseling naar IV en V?

  1. 01Maten tellen

    Tel de maten mee vanaf het begin van een refrein of soloronde.

  2. 02Eerste vier maten

    De eerste vier maten blijven op de tonica (I).

  3. 03Wisseling naar IV

    In maat 5 gaat het naar de subdominant (IV): een duidelijke harmonische verschuiving.

  4. 04Wisseling naar V

    In maat 9 komt de dominant (V), het spanningspunt, waarna het via IV naar I terugkeert.

Resultaat: Als de harmonie na vier maten I naar IV (maat 5) en later naar V (maat 9) gaat en na twaalf maten opnieuw begint, volgt het fragment het twaalf-maats bluesschema. Het meetellen bevestigt de vorm.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: jazz herkennen aan improvisatie, swing en blue notes en het twaalf-maats bluesschema aanwijzen.
  • Examendoel: de belangrijkste jazzstijlen (New Orleans, swing, bebop, cool, modal, fusion) onderscheiden.

Veelgemaakte fouten

  • Elke muziek met saxofoon jazz noemen; jazz vraagt improvisatie en swing, niet alleen een bepaald instrument.
  • Het bluesschema als een vrije vorm zien; het is juist een vast harmonisch raamwerk van twaalf maten (I, IV, V).

Actieve herhaling

Beluister een jazzfragment en wijs de improvisatie en de swing aan. Probeer, als het een blues is, het twaalf-maats schema mee te tellen en de overgangen naar IV en V te horen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Syllabus muziek vwo — jazz (CvTE / Examenblad)

§ 02

Pop en rock: vorm, bezetting en studio#

●●○StandaardLPexamenblad-muziek-jazz-pop-wereld

Kernpunten

De populaire muziek van de twintigste en eenentwintigste eeuw — rock-'n-roll, pop, rock en hun vele vertakkingen — groeide uit de blues, de country en de gospel. Haar meest kenmerkende vorm is de coupletrefreinvorm. Afb. 3 toont haar: coupletten (waarin de tekst het verhaal vertelt, telkens met andere woorden op dezelfde muziek) wisselen af met het refrein (dat steeds hetzelfde terugkeert, met de pakkende hoofdregel), vaak aangevuld met een contrasterende brug. Het refrein is de haak die je onthoudt.

De coupletrefreinvorm

De coupletrefreinvormCouplet refrein couplet refrein brug refrein.coupletrefreincoupletrefreinbrugrefrein
Afb. 3Afb. 3 — De coupletrefreinvorm van een popsong. Het refrein (accent) keert steeds terug als de pakkende haak; de coupletten dragen het verhaal, de brug geeft contrast.
Ritmisch wordt popmuziek gedragen door de backbeat: het drumstel legt de nadruk op de tellen twee en vier (in plaats van op de zware een en drie), wat de muziek zijn dansende, stuwende gevoel geeft. Daarnaast is de riff belangrijk: een kort, pakkend melodisch of ritmisch motief (vaak op de gitaar of bas) dat zich door het nummer heen herhaalt en het herkenbaar maakt. Denk aan een gitaarriff die je meteen naar een bepaald nummer laat gaan.
De standaardbezetting van een popband is klein en vast: een of meer zangers, elektrische gitaar, basgitaar, drumstel en vaak toetsen. De elektrische versterking is wezenlijk: zij maakt niet alleen meer volume mogelijk, maar ook geheel nieuwe klanken (vervorming, effecten). Anders dan bij een akoestisch orkest is de klank van popmuziek onlosmakelijk verbonden met elektronica en versterking.
Kenmerkend voor de populaire muziek is bovendien dat het eigenlijke kunstwerk vaak de opname is, niet de partituur of de live-uitvoering. In de studio wordt muziek laag voor laag opgebouwd, bewerkt, gemixt en van effecten voorzien; de producer is daarbij een creatieve sleutelfiguur. Sinds de digitalisering kan vrijwel elk geluid worden gemaakt en bewerkt, en met sampling worden bestaande opnamen in nieuwe muziek verwerkt. De studio is zo een instrument geworden.
Popmuziek herken je dus aan de coupletrefreinvorm, de backbeat, riffs, een vaste elektrisch versterkte bandbezetting en de centrale rol van de opname. Op het examen kan gevraagd worden een popsong in coupletten, refreinen en brug te ontleden, de bezetting te benoemen of de rol van de studio te bespreken. Let op de terugkeer van het refrein (de haak) en op het ritme (de backbeat) om de vorm en het genre te bepalen.
Uitgewerkt voorbeeld

Een popsong ontleden

Een nummer begint met een strofe met een verhaal, gevolgd door een pakkende, terugkerende regel; daarna weer een strofe met nieuwe tekst en opnieuw diezelfde regel, en na een contrasterend deel nog eenmaal die regel. Benoem de vorm.

  1. 01Eerste strofe

    Een strofe die het verhaal vertelt met eigen tekst is een couplet.

  2. 02Pakkende regel

    De terugkerende, pakkende regel is het refrein (de haak).

  3. 03Herhaling

    Couplet en refrein wisselen elkaar af; de tekst van het couplet verandert, het refrein niet.

  4. 04Contrast

    Het contrasterende deel voor het laatste refrein is de brug.

Resultaat: De vorm is couplet-refrein-couplet-refrein-brug-refrein: de coupletrefreinvorm. Het refrein keert als vaste haak terug, de coupletten dragen het verhaal, de brug geeft contrast voor het slotrefrein.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een popsong ontleden in coupletten, refreinen en eventueel een brug (coupletrefreinvorm).
  • Examendoel: de bandbezetting, de backbeat en de rol van de studio/opname in popmuziek benoemen.

Veelgemaakte fouten

  • Couplet en refrein verwisselen: het couplet heeft telkens andere tekst, het refrein keert (tekst en muziek) steeds hetzelfde terug.
  • De opname en de partituur gelijkstellen; in de populaire muziek is de opname vaak het eigenlijke kunstwerk.

Actieve herhaling

Beluister een popsong en noteer de vorm in delen (intro, couplet, refrein, brug, ...). Wijs het refrein aan (de terugkerende haak) en benoem de instrumenten van de band.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Syllabus muziek vwo — pop en rock (CvTE / Examenblad)

§ 03

Wereldmuziek: andere systemen en tradities#

●●○StandaardLPexamenblad-muziek-jazz-pop-wereld

Kernpunten

De westerse kunstmuziek is maar een van vele muziekculturen. Onder wereldmuziek verstaan we de muziek van niet-westerse culturen, die vaak heel andere uitgangspunten heeft dan de onze. Afb. 4 zet enkele grote tradities op een rij. Veel wereldmuziek wordt mondeling doorgegeven (zonder notatie), gebruikt andere toonsystemen dan onze twaalf halve tonen, en heeft een sterke functie in het gemeenschapsleven (rituelen, feesten, arbeid). Kennis hiervan verbreedt je blik: onze manier van muziek maken is niet de enige.

Enkele wereldmuziektradities

WereldmuziektraditiesTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: traditie · kenmerk · herkomst; Indiase klassieke muziek · raga en tala, drone, improvisatie · India (sitar, tabla); gamelan · gestemd slagwerk, cyclisch, eigen stemming · Indonesie (Java, Bali); Afrikaanse muziek · polyritmiek, call-and-response, percussie · West-Afrika; overkoepelend · mondelinge traditie, andere toonsystemen · wereldwijd, gemarkeerde cel: raga en tala, drone, improvisatieTRADITIEKENMERKHERKOMSTIndiase klassieke muziekraga en tala, drone,improvisatieIndia (sitar, tabla)gamelangestemd slagwerk, cyclisch,eigen stemmingIndonesie (Java, Bali)Afrikaanse muziekpolyritmiek, call-and-response, percussieWest-Afrikaoverkoepelendmondelinge traditie, anderetoonsystemenwereldwijd
Afb. 4Afb. 4 — Enkele grote wereldmuziektradities met hun kenmerken. Ze gebruiken vaak andere toonsystemen, cyclische vormen en een sterke ritmische of gemeenschapsfunctie.
De Indiase klassieke muziek is gebouwd op twee begrippen: de raga (een melodisch kader van een reeks tonen met een eigen sfeer en vaste wendingen, waarop de musicus improviseert) en de tala (een cyclisch ritmisch patroon van een vast aantal tellen). Boven een aangehouden grondtoon (de drone) improviseert een solist (bijvoorbeeld op de sitar) binnen de raga, begeleid door de tabla (trommels) die de tala houdt. De muziek is grotendeels improvisatorisch en kan lang uitgesponnen worden.
De Indonesische gamelan is een orkest van vooral gestemde metalen slaginstrumenten (metallofonen en gongs), aangevuld met trommels en soms fluit of zang, uit Java en Bali. De muziek is cyclisch opgebouwd rond terugkerende gongslagen, met lagen die in verschillende snelheden dezelfde kernmelodie omspelen. De gamelan gebruikt eigen stemmingen (slendro en pelog) die niet met onze toonladders samenvallen, waardoor de klank voor westerse oren exotisch en zwevend is — een klank die ook Debussy inspireerde.
In veel Afrikaanse muziek staat het ritme centraal, vaak als polyritmiek: meerdere ritmische patronen die tegelijk klinken en tegen elkaar in werken, gespeeld op een keur van trommels en percussie. Ook de call-and-response (een voorzanger die door de groep wordt beantwoord) en de nauwe verbinding met dans en gemeenschap zijn kenmerkend. Deze Afrikaanse ritmische en vocale tradities zijn bovendien, via de trans-Atlantische geschiedenis, een van de wortels van de blues, de jazz en de pop.
Wereldmuziek herken je dus aan kenmerken die van de westerse traditie afwijken: andere toonsystemen en stemmingen, improvisatie binnen vaste kaders (raga, tala), cyclische in plaats van doelgerichte vormen, en een sterke rol van ritme en gemeenschap. Op het examen hoef je geen specialist te zijn, maar je moet zulke kenmerken kunnen herkennen en benoemen, en kunnen uitleggen hoe wereldmuziek de westerse muziek heeft beinvloed (van de jazz tot het impressionisme). Het besef dat muziek in elke cultuur anders werkt, is het einddoel.
Uitgewerkt voorbeeld

Wereldmuziek herkennen en verbinden

Je hoort een orkest van gestemde metalen slaginstrumenten met terugkerende gongslagen en een stemming die niet met onze toonladders samenvalt. Welke traditie is dit, en welke westerse componist liet zich erdoor inspireren?

  1. 01Bezetting

    Gestemde metalen slaginstrumenten (metallofonen) en gongs wijzen op een gamelan.

  2. 02Structuur

    De terugkerende gongslagen wijzen op de cyclische opbouw van de gamelan.

  3. 03Stemming

    Een stemming die niet met onze toonladders samenvalt (slendro of pelog) bevestigt de gamelan.

  4. 04Invloed

    Debussy hoorde gamelan op de wereldtentoonstelling in Parijs (1889) en liet zich erdoor inspireren tot zijn zwevende, kleurrijke impressionisme.

Resultaat: Dit is een Indonesische gamelan: gestemd slagwerk, cyclische gongstructuur en een eigen stemming. Debussy liet zich door de gamelanklank inspireren, wat laat zien hoe wereldmuziek de westerse kunstmuziek heeft verrijkt.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: wereldmuzikale kenmerken herkennen (andere toonsystemen, raga en tala, gamelan, polyritmiek).
  • Examendoel: uitleggen hoe niet-westerse muziek de westerse muziek heeft beinvloed (jazz, impressionisme).

Veelgemaakte fouten

  • Alle niet-westerse muziek op een hoop gooien; tradities als de Indiase raga, de gamelan en de Afrikaanse polyritmiek verschillen sterk.
  • Wereldmuziek als primitief zien; het gaat om andere, vaak zeer verfijnde systemen (raga, tala) dan de westerse.

Actieve herhaling

Beluister een fragment gamelan of Indiase klassieke muziek en beschrijf wat afwijkt van de westerse muziek (toonsysteem, vorm, ritme, improvisatie). Noem een voorbeeld van invloed van wereldmuziek op de westerse muziek.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Syllabus muziek vwo — wereldmuziek (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 03

    • 01Jazz: van blues tot bebop en verder○
    • 02Pop en rock: vorm, bezetting en studio◐
    • 03Wereldmuziek: andere systemen en tradities◐

0/3 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Jazz, pop en wereldmuziek

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~11
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Syllabus muziek vwo — jazz

Vorig onderwerp

Stijlperiode: twintigste-eeuwse kunstmuziek

Volgend onderwerp

Muziek in culturele en maatschappelijke context en functie

EuraStudy·Samenvattingen T·14·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.