EuraStudy
Samenvattingen/Geschiedenis/Tijd van Grieken en Romeinen (oudheid)
Samenvattingen · GeschiedenisNL · VWO

Tijd van Grieken en Romeinen (oudheid)

Het tweede tijdvak (3000 v.Chr.–500 n.Chr.) is de oudheid, waarin de Grieks-Romeinse beschaving de fundamenten legde van de Europese cultuur. De kenmerkende aspecten zijn het ontstaan van wetenschappelijk denken en van burgerschap en democratie in de Griekse stadstaat, de klassieke vormentaal, de groei van het Romeinse rijk met romanisering en de confrontatie met de Germaanse cultuur, en het ontstaan van jodendom en christendom als eerste monotheïstische godsdiensten. Deze erfenis werkt tot vandaag door.

4 Onderdelen·~13 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Standaard 4

T·0444 / 16
Examenprofiel
De Griekse stadstaat en de Atheense democratie beschrijven en het ontstaan van wetenschappelijk denken uitleggen.De klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur herkennen en de doorwerking ervan verklaren.De groei van het Romeinse rijk, romanisering en de confrontatie met de Germaanse cultuur uitleggen.Het ontstaan en de verspreiding van jodendom en christendom verklaren.
Operatoren:beschrijfleg uitverklaarvergelijktoon aan

basisniveau

Voor iedereen: Griekse stadstaat en democratie, klassieke cultuur, Romeins rijk en romanisering, en jodendom en christendom zijn de kenmerkende aspecten van tijdvak 2.

verhoogd niveau

Verdieping: de erfenis van de oudheid (democratie, wetenschap, klassieke vormentaal, monotheïsme) als lange lijn volgen naar de renaissance en de moderne tijd.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Tijd van Grieken en Romeinen (oudheid)
    • 01De Griekse stadstaat: burgerschap, democratie en wetenschap◐
    • 02De klassieke Grieks-Romeinse cultuur◐
    • 03Het Romeinse rijk, romanisering en de Germaanse wereld◐
    • 04Jodendom en christendom◐
§ 01

De Griekse stadstaat: burgerschap, democratie en wetenschap#

●●○StandaardLPexamenblad-geschiedenis-tijdvak-2

Kernpunten

De Griekse wereld bestond niet uit één staat maar uit honderden zelfstandige stadstaten (poleis), zoals Athene en Sparta, elk met een stad en het omringende platteland. Doordat het bergachtige, versnipperde landschap eenheid bemoeilijkte, ontwikkelde elke polis een eigen bestuur, wetten en identiteit. In deze stadstaten ontstond het idee van burgerschap: het idee dat de vrije inwoners samen verantwoordelijk waren voor hun gemeenschap en mochten meebeslissen. Dat burgers zich met de politiek van hun stad bemoeiden, was een nieuw en invloedrijk idee dat de Europese politieke traditie mede heeft gevormd.
In Athene groeide dit uit tot de eerste democratie (letterlijk „volksheerschappij”). Vanaf de hervormingen omstreeks 508 v.Chr. beslisten de volwassen mannelijke burgers rechtstreeks over wetten en oorlog in de volksvergadering; een door loting samengestelde Raad bereidde de besluiten voor en veel ambten werden bij loting vervuld. Dit was een directe democratie: burgers stemden zelf, in plaats van vertegenwoordigers te kiezen. In Afb. 1 zie je hoe de organen samenhingen, met de volksvergadering als hart. Belangrijk voor het examen is dat deze democratie beperkt was: vrouwen, slaven en vreemdelingen (metoiken) waren uitgesloten, zodat maar een minderheid mocht meebeslissen.

De Atheense directe democratie

Bestuur van AtheneGraaf, volwassen mannelijke burgers → Raad van 500 (loting), volwassen mannelijke burgers → volksvergadering, volwassen mannelijke burgers → volksrechtbanken, Raad van 500 (loting) → volksvergadering, volksvergadering → wetten & oorlogvolwassenmannelijkeburgersRaad van 500(loting)volksvergaderingvolksrechtbankenwetten & oorloglotingstemmenlotingagenda
Afb. 1Afb. 1 — In de Atheense directe democratie beslisten de volwassen mannelijke burgers zelf in de volksvergadering; een door loting gevormde Raad bereidde besluiten voor. Vrouwen, slaven en vreemdelingen waren uitgesloten.
Tegelijk met de politiek ontstond in de Griekse wereld het wetenschappelijk denken. Denkers als filosofen en natuuronderzoekers begonnen de wereld te verklaren uit natuurlijke oorzaken en met redeneringen, in plaats van uitsluitend uit mythen en goden. Ze stelden vragen, zochten naar algemene wetten en bekritiseerden elkaars argumenten — de kiem van wat later de wetenschap zou worden. Deze rationele houding, het vertrouwen dat de mens de wereld met zijn verstand kan begrijpen, is een van de belangrijkste erfenissen van de Grieken.
Athene was niet representatief voor alle poleis; Sparta bijvoorbeeld was een militaire samenleving met een heel ander bestuur. Dat de stadstaten onderling sterk verschilden en elkaar bevochten (zoals in de Peloponnesische Oorlog), toont dat „de Griekse wereld” divers was. Toch deelden ze een taal, goden en cultuur, en juist de Atheense combinatie van burgerschap, democratie en wetenschappelijk denken heeft de latere Europese geschiedenis het sterkst beïnvloed. Op het examen moet je die erfenis kunnen benoemen zonder haar te idealiseren of anachronistisch met moderne democratie gelijk te stellen.
Uitgewerkt voorbeeld

Directe versus vertegenwoordigende democratie

Leg uit waarom de Atheense democratie „direct” heet en waarom je haar niet zomaar met de moderne democratie mag gelijkstellen.

  1. 01Direct

    De burgers stemden zelf, in eigen persoon, in de volksvergadering over wetten en oorlog; ze kozen geen vertegenwoordigers die namens hen beslisten.

  2. 02Beperkte kring

    Alleen volwassen mannelijke burgers deden mee; vrouwen, slaven en vreemdelingen waren uitgesloten, dus een minderheid van de bevolking regeerde.

  3. 03Geen anachronisme

    Onze democratie is vertegenwoordigend en kent algemeen kiesrecht; de Atheense was direct maar exclusief. Ze gelijkstellen is anachronistisch — je moet ze in haar eigen tijd plaatsen.

Resultaat: „Direct” omdat burgers zelf stemden; niet gelijk aan onze democratie omdat het kiesrecht tot mannelijke burgers beperkt was en het bestuur direct in plaats van vertegenwoordigend was.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de Griekse stadstaat, burgerschap en de (directe, beperkte) Atheense democratie beschrijven en verklaren.
  • Examendoel: het ontstaan van wetenschappelijk denken uitleggen als verklaren uit natuurlijke oorzaken en redeneren.

Veelgemaakte fouten

  • De Atheense democratie gelijkstellen met de moderne (anachronisme); ze was direct én beperkt tot mannelijke burgers.
  • Denken dat heel Griekenland democratisch was; poleis als Sparta hadden een heel ander bestuur.

Actieve herhaling

Vergelijk de Atheense democratie met een moderne vertegenwoordigende democratie op de punten wie mag meebeslissen en hoe besluiten worden genomen, en benoem één overeenkomst en twee verschillen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma geschiedenis vwo — tijdvak 2 (CvTE / Examenblad)

§ 02

De klassieke Grieks-Romeinse cultuur#

●●○StandaardLPexamenblad-geschiedenis-tijdvak-2

Kernpunten

De Grieken ontwikkelden een herkenbare klassieke vormentaal in kunst, bouwkunst, literatuur en denken: een streven naar harmonie, evenwicht, ideale verhoudingen en natuurgetrouwheid. Tempels met zuilen, beeldhouwwerk van het menselijk lichaam, theater en epische poëzie droegen dit ideaal uit. De Romeinen namen die klassieke cultuur grotendeels over en verspreidden haar over hun rijk; men spreekt daarom van de Grieks-Romeinse cultuur. In Afb. 2 staan de belangrijkste terreinen van die klassieke erfenis met voorbeelden.

De klassieke erfenis op vier terreinen

Klassieke vormentaalTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: terrein · voorbeeld · doorwerking; bouwkunst · tempels met zuilen, koepels · klassieke bouwstijl keert steeds terug; kunst · natuurgetrouwe beeldhouwkunst · voorbeeld voor de renaissance; denken · filosofie en wetenschap · basis van westerse wetenschap; recht/bestuur · Romeins recht, Latijn · grondslag van later recht en taalTERREINVOORBEELDDOORWERKINGbouwkunsttempels met zuilen, koepelsklassieke bouwstijl keertsteeds terugkunstnatuurgetrouwebeeldhouwkunstvoorbeeld voor derenaissancedenkenfilosofie en wetenschapbasis van westersewetenschaprecht/bestuurRomeins recht, Latijngrondslag van later recht entaal
Afb. 2Afb. 2 — De klassieke Grieks-Romeinse erfenis op hoofdterreinen. De Grieken leverden vooral het denken en de vormentaal, de Romeinen de toepassing, organisatie en het recht.
In de wetenschap en filosofie legden de Grieken een basis die eeuwen zou meegaan. Op het gebied van wiskunde, geneeskunde, geschiedschrijving, sterrenkunde en wijsbegeerte werd systematisch geredeneerd en geordend. De Romeinen waren minder theoretisch maar uitstekend in de toepassing: wegen, aquaducten, bruggen, beton en een uitgewerkt recht (het Romeinse recht) getuigen van hun praktische, ingenieursachtige aanleg. Samen leverden Grieken en Romeinen zo een klassieke erfenis op twee sporen: het Griekse denken en de Romeinse toepassing en organisatie.
Deze klassieke cultuur werd het gemeenschappelijke referentiepunt van Europa. Het Latijn van de Romeinen bleef eeuwenlang de taal van kerk, wetenschap en bestuur; de klassieke bouwvormen keerden telkens terug. Bij het examen is de kernbegrip doorwerking: de klassieke oudheid werd in latere tijdvakken herhaaldelijk als voorbeeld genomen. In de renaissance (tijdvak 5) grepen kunstenaars en geleerden bewust terug op de klassieke vormentaal en teksten, en ook daarna bleef „het klassieke” een ideaal.
Belangrijk is dat de klassieke cultuur niet statisch was en niet zonder schaduwzijden. De prachtige tempels en beelden bestonden in een samenleving die op slavernij dreef en waarin oorlog gewoon was. De „klassieke” idealen van harmonie en burgerschap golden voor een beperkte groep vrije mannen. Een goed historisch oordeel benoemt zowel de blijvende culturele erfenis als de context waarin ze tot stand kwam, zonder in bewondering of afkeer door te schieten.
Uitgewerkt voorbeeld

Doorwerking van de klassieke cultuur

Leg met het begrip „doorwerking” uit waarom de klassieke oudheid ook ná tijdvak 2 belangrijk bleef, en geef een voorbeeld uit een later tijdvak.

  1. 01Begrip doorwerking

    Doorwerking betekent dat verschijnselen uit een tijdvak in latere tijdvakken invloed blijven uitoefenen; de klassieke cultuur werd telkens opnieuw als voorbeeld genomen.

  2. 02Waarom juist de klassieke cultuur

    Latijn, klassieke teksten en bouwvormen bleven het gedeelde referentiepunt van geletterd Europa, bewaard onder meer in kloosters en kerk.

  3. 03Voorbeeld

    In de renaissance (tijdvak 5) grepen kunstenaars en humanisten bewust terug op de klassieke oudheid — vandaar de naam „wedergeboorte” van de klassieke cultuur.

Resultaat: De klassieke cultuur werkte door omdat Latijn, teksten en vormen bewaard bleven en telkens als ideaal dienden; de renaissance is daarvan het duidelijkste latere voorbeeld.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur herkennen en beschrijven.
  • Examendoel: de doorwerking van de klassieke oudheid in latere tijdvakken (met name de renaissance) uitleggen.

Veelgemaakte fouten

  • Grieken en Romeinen als hetzelfde behandelen; de Grieken leverden vooral het denken, de Romeinen de toepassing en organisatie.
  • De klassieke cultuur idealiseren en de context van slavernij en oorlog vergeten.

Actieve herhaling

Noem twee elementen van de klassieke Grieks-Romeinse cultuur en leg voor elk uit hoe het in een later tijdvak doorwerkte.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma geschiedenis vwo — tijdvak 2 (CvTE / Examenblad)

§ 03

Het Romeinse rijk, romanisering en de Germaanse wereld#

●●○StandaardLPexamenblad-geschiedenis-tijdvak-2

Kernpunten

Rome groeide van een stadstaat uit tot een reusachtig imperium rond de Middellandse Zee. Na eeuwen als Republiek (met senaat en gekozen ambtenaren) werd Rome vanaf omstreeks 27 v.Chr. onder Augustus een keizerrijk. Op het hoogtepunt strekte het zich uit van Brittannië tot het Midden-Oosten en van Noord-Afrika tot de Rijn en de Donau. In Afb. 3 staan de belangrijkste momenten van de oudheid op een tijdbalk, van de Atheense democratie tot de val van het West-Romeinse rijk. Het bestuur van zo'n groot rijk vergde wegen, een leger, een geldstelsel en recht — precies de organisatiekracht waarin Rome uitblonk.

Mijlpalen van de oudheid

Oudheid 800 v.Chr.–500 n.Chr.Tijdlijn van -800 tot 500, -508: democratie Athene, -336: Alexander de Grote, -27: keizertijd Rome, 313: Edict van Milaan, 476: val West-Rome, -800–-323: Griekse wereld, -509–-27: Romeinse Republiek, -27–476: Romeinse Keizerrijk−800500jaarGriekse wereldRomeinse RepubliekRomeinseKeizerrijk−508democratieAthene−336Alexander deGrote−27keizertijd Rome313Edict van Milaan476val West-Rome
Afb. 3Afb. 3 — De oudheid van de Atheense democratie tot de val van het West-Romeinse rijk (476), de conventionele grens met de middeleeuwen. Negatieve jaartallen zijn v.Chr.
Waar de Romeinen kwamen, verspreidde zich de Grieks-Romeinse cultuur: dit heet romanisering. Onderworpen volken namen de Latijnse taal, Romeinse gewoonten, goden, steden, baden en bestuur (deels) over, terwijl de Romeinen omgekeerd lokale gebruiken opnamen — het was een wederzijds, ongelijk proces. Steden met een forum, tempels en een badhuis verrezen tot in de provincies. Romanisering verklaart waarom zoveel Europese talen, wetten en steden hun wortels in Rome hebben; het is een schoolvoorbeeld van culturele verspreiding door een rijk.
In de Lage Landen vormde de Rijn lange tijd de noordgrens van het Romeinse rijk (de limes). Ten zuiden ervan romaniseerde het gebied; ten noorden leefden Germaanse stammen met een heel andere cultuur — zonder steden en schrift, met een op stammen en krijgsmanschap gerichte samenleving. Zo ontstond de confrontatie tussen de Grieks-Romeinse en de Germaanse cultuur, een kenmerkend aspect. Die confrontatie was niet alleen strijd: er was ook handel, uitwisseling en het opnemen van Germaanse krijgers in het Romeinse leger.
Vanaf de derde eeuw kwam het rijk onder druk te staan door interne problemen en door invallen van volken van buiten de grenzen (de zogeheten volksverhuizingen). In 395 werd het rijk bestuurlijk in een oostelijk en westelijk deel gesplitst; het West-Romeinse rijk viel in 476 uiteen, terwijl het Oost-Romeinse (Byzantijnse) rijk nog eeuwen voortbestond. De val van het West-Romeinse rijk geldt als de conventionele grens tussen oudheid en middeleeuwen — het einde van tijdvak 2 en het begin van de tijd van monniken en ridders.
Uitgewerkt voorbeeld

Romanisering verklaren

Een opgraving in Zuid-Nederland toont een Romeinse nederzetting met een badhuis, Latijnse inscripties en Romeinse munten, ten zuiden van de Rijn. Verklaar dit met de begrippen romanisering en limes.

  1. 01Ligging en limes

    De vindplaats ligt ten zuiden van de Rijn, die de limes (rijksgrens) vormde; dit gebied hoorde dus bij het Romeinse rijk.

  2. 02Romanisering

    Badhuis, Latijnse inscripties en munten zijn tekenen dat de lokale bevolking Romeinse taal, gewoonten en bestuur overnam — het proces van romanisering.

  3. 03Ten noorden anders

    Ten noorden van de Rijn, buiten het rijk, leefden Germaanse stammen zonder steden en schrift; daar ontbreken zulke Romeinse sporen grotendeels.

Resultaat: De nederzetting lag binnen het rijk (ten zuiden van de limes-Rijn) en de Romeinse baden, munten en inscripties tonen romanisering; ten noorden van de grens leefde de niet-geromaniseerde Germaanse wereld.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de groei van het Romeinse rijk en het proces van romanisering uitleggen, inclusief de Rijn als limes in de Lage Landen.
  • Examendoel: de confrontatie tussen de Grieks-Romeinse en de Germaanse cultuur beschrijven en de val van het West-Romeinse rijk (476) als grens plaatsen.

Veelgemaakte fouten

  • Romanisering als eenrichtingsverkeer zien; het was een wederzijds (maar ongelijk) proces van overname en uitwisseling.
  • De val van Rome als een plotselinge instorting voorstellen; het was een langdurig proces van verzwakking, deling (395) en desintegratie.

Actieve herhaling

Leg uit waarom de Rijn zowel een grens als een contactzone was tussen de Romeinse en de Germaanse wereld, en noem één vorm van strijd en één vorm van uitwisseling.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma geschiedenis vwo — tijdvak 2 (CvTE / Examenblad)

§ 04

Jodendom en christendom#

●●○StandaardLPexamenblad-geschiedenis-tijdvak-2

Kernpunten

In de oudheid ontwikkelden zich het jodendom en het christendom als de eerste monotheïstische godsdiensten: godsdiensten die in één God geloven, tegenover de vele goden (polytheïsme) van Grieken en Romeinen. Het jodendom, met zijn geloof in één God en zijn heilige geschriften, bestond al lang en was uitzonderlijk in de antieke wereld door dat monotheïsme en door de nauwe band tussen godsdienst en volk. Uit deze joodse traditie kwam in het begin van onze jaartelling het christendom voort.
Het christendom ontstond in de Romeinse provincie Judea rond de figuur van Jezus van Nazareth en verspreidde zich daarna, mede door reizende predikers, over het Romeinse rijk. Aanvankelijk werden christenen vervolgd omdat ze de Romeinse goden en de goddelijke verering van de keizer weigerden — een politiek probleem, want die verering hoorde bij trouw aan de staat. In Afb. 4 staat de verspreiding als een keten: van het jodendom via de vroege gemeenten en de vervolging naar erkenning en uiteindelijk staatsgodsdienst.

De verspreiding van het christendom

Van vervolgd naar staatsgodsdienstGraaf, jodendom (monotheïsme) → vroeg christendom, vroeg christendom → gemeenten in het rijk, gemeenten in het rijk → vervolging, vervolging → Edict van Milaan (313), Edict van Milaan (313) → staatsgodsdienst (380)jodendom(monotheïsme)vroegchristendomgemeenten in hetrijkvervolgingEdict van Milaan(313)staatsgodsdienst(380)
Afb. 4Afb. 4 — Het christendom kwam voort uit het jodendom, verspreidde zich door het Romeinse rijk ondanks vervolging, werd in 313 getolereerd en rond 380 staatsgodsdienst.
In de vierde eeuw kantelde de verhouding tussen het rijk en het christendom. Met het Edict van Milaan (313) werd het christendom getolereerd, en tegen het einde van die eeuw (380) werd het de officiële godsdienst van het Romeinse rijk. Daarmee veranderde het christendom van een vervolgde minderheid in de dominante godsdienst van Europa. Deze omslag verklaart waarom het christendom in de volgende tijdvakken zo'n centrale rol speelt: het rijk gaf het een organisatie en een bereik dat het over heel Europa zou verspreiden.
De erfenis van jodendom en christendom is een van de grondlagen van de Europese cultuur, naast de Grieks-Romeinse. Waar de Grieken en Romeinen het denken, de politiek en het recht leverden, brachten jodendom en christendom een monotheïstisch wereldbeeld, een moraal en heilige teksten. In het volgende tijdvak (monniken en ridders) wordt het christendom de spil van de samenleving, verspreid vanuit kloosters en kerk. Op het examen moet je dus zowel het ontstaan als de doorwerking van deze godsdiensten kunnen uitleggen.
Uitgewerkt voorbeeld

Waarom christenen werden vervolgd

Leg uit waarom de Romeinen christenen vervolgden, hoewel ze normaal juist tolerant waren tegenover vreemde goden, en wat er in de vierde eeuw veranderde.

  1. 01Romeinse tolerantie

    De Romeinen lieten onderworpen volken doorgaans hun eigen goden houden, mits ze óók de Romeinse goden en de keizer eerden.

  2. 02Het probleem

    Christenen (en joden) weigerden vanwege hun monotheïsme de Romeinse goden en de keizerverering; dat gold als weigering van trouw aan de staat en leidde tot vervolging.

  3. 03De omslag

    Met het Edict van Milaan (313) werd het christendom getolereerd en rond 380 werd het staatsgodsdienst — de vervolgde minderheid werd de dominante godsdienst.

Resultaat: Christenen werden vervolgd omdat hun monotheïsme de keizerverering (een teken van staatstrouw) uitsloot; in de vierde eeuw werd het christendom eerst getolereerd (313) en daarna staatsgodsdienst (380).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: jodendom en christendom herkennen als eerste monotheïstische godsdiensten en hun ontstaan verklaren.
  • Examendoel: de verspreiding van het christendom en de omslag van vervolgde minderheid naar staatsgodsdienst uitleggen.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat de Romeinen christenen vervolgden uit algemene onverdraagzaamheid; het probleem was de weigering van de keizerverering (staatstrouw).
  • Jodendom en christendom door elkaar halen; het christendom kwam voort uit het jodendom maar werd een eigen godsdienst.

Actieve herhaling

Leg uit hoe het christendom in ongeveer drie eeuwen veranderde van een vervolgde joodse sekte in de staatsgodsdienst van het Romeinse rijk, en waarom die verandering voor de volgende tijdvakken belangrijk is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma geschiedenis vwo — tijdvak 2 (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01De Griekse stadstaat: burgerschap, democratie en wetenschap◐
    • 02De klassieke Grieks-Romeinse cultuur◐
    • 03Het Romeinse rijk, romanisering en de Germaanse wereld◐
    • 04Jodendom en christendom◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Tijd van Grieken en Romeinen (oudheid)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~13
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma geschiedenis vwo — tijdvak 2

Vorig onderwerp

Tijd van jagers en boeren (prehistorie)

Volgend onderwerp

Tijd van monniken en ridders (vroege middeleeuwen)

EuraStudy·Samenvattingen T·04·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.