EuraStudy
Samenvattingen/Fries/Tekstsoorten, tekststructuur en tekstverbanden
Samenvattingen · FriesNL · VWO

Tekstsoorten, tekststructuur en tekstverbanden

Om de leesvaardigheidseindterm „relaties tussen delen van een tekst aangeven” te halen, moet je de bouw van een tekst doorzien: welk soort tekst het is, hoe de alinea's samenhangen en welke verbanden (oorzaak, tegenstelling, doel-middel) de schrijver legt. Friese signaalwoorden zoals „mar”, „dêrtroch” en „bygelyks” zijn daarbij je kompas. Dit onderwerp behandelt tekstsoorten en schrijfdoelen, de belangrijkste tekstverbanden met hun Friese signaalwoorden, verwijswoorden, en de opbouw van een betoog.

4 Onderdelen·~15 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0222 / 13
Examenprofiel
A · Inhoudelijke en functionele relaties tussen tekstdelen benoemen (verwijzing, oorzaak-gevolg, doel-middel, stelling-argument, algemene uitspraak-toelichting)A · Tekstsoorten en schrijfdoelen (informeren, overtuigen, beschouwen, activeren) onderscheidenA · Friese signaal- en verwijswoorden gebruiken om de tekststructuur te reconstrueren
Operatoren:geef aanbenoemleg uitverklaarciteerberedeneer

basisniveau

Kennis van tekstverbanden en signaalwoorden helpt je rechtstreeks bij het CE leesvaardigheid: bijna elke tekst bevat een vraag over het verband tussen alinea's.

verhoogd niveau

Op vwo-niveau zijn de verbanden vaker impliciet (zonder signaalwoord) en moet je ze uit de inhoud afleiden; ook de tekstopbouw is complexer (bv. een beschouwing die meerdere standpunten afweegt).

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Tekstsoorten, tekststructuur en tekstverbanden
    • 01Tekstsoorten en schrijfdoelen○
    • 02Tekstverbanden en Friese signaalwoorden◐
    • 03Verwijswoorden en tekstsamenhang◐
    • 04Tekststructuur: van alinea tot betoog●
§ 01

Tekstsoorten en schrijfdoelen#

●○○BasisLPexamenblad-fries-vwo-domein-A

Kernpunten

Elke zakelijke tekst is geschreven met een doel, en dat schrijfdoel bepaalt de soort tekst en de manier waarop je hem leest. Afb. 1 koppelt de vier belangrijkste schrijfdoelen aan de bijbehorende tekstsoorten. De vier doelen zijn: informeren (de lezer iets laten weten), overtuigen (de lezer een mening laten delen), beschouwen (de lezer laten meedenken zonder één antwoord op te dringen) en activeren (de lezer tot handelen aanzetten). Wie het schrijfdoel herkent, weet meteen wat hij van de tekst mag verwachten — bij een overtuigende tekst let je op standpunt en argumenten, bij een informerende tekst op de feiten.

Afb. 1 — Schrijfdoel en tekstsoort

SchrijfdoelenTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: schrijfdoel · wat de schrijver wil · tekstsoorten; informeren · de lezer objectief iets laten weten · nieuwsbericht, reportage, uiteenzetting, verslag; overtuigen · de lezer een standpunt laten delen · betoog, opiniestuk, ingezonden brief; beschouwen · de lezer laten meedenken, kanten afwegen · beschouwing, essay; activeren · de lezer tot handelen aanzetten · oproep, advertentie, campagnetekst, gemarkeerde cel: beschouwenSCHRIJFDOELWAT DE SCHRIJVER WILTEKSTSOORTENinformerende lezer objectief ietslaten wetennieuwsbericht, reportage,uiteenzetting, verslagovertuigende lezer een standpunt latendelenbetoog, opiniestuk,ingezonden briefbeschouwende lezer laten meedenken,kanten afwegenbeschouwing, essayactiverende lezer tot handelenaanzettenoproep, advertentie,campagnetekst
Afb. 1De vier schrijfdoelen met bijbehorende tekstsoorten. Het onderscheid overtuigen (betoog) versus beschouwen (beschouwing) is een vast examenpunt.
Bij het schrijfdoel informeren horen tekstsoorten als het nieuwsbericht, de reportage, de handleiding en het (feitelijke) verslag. De schrijver wil de lezer objectief inlichten; hij geeft feiten, cijfers en uitleg, en houdt zijn eigen mening in principe buiten beeld. In een Friestalig nieuwsbericht van bijvoorbeeld Omrop Fryslân staan wie, wat, waar, wanneer en waarom centraal. Je leest zo'n tekst vooral zoekend en intensief: je haalt er de juiste gegevens uit.
Bij het schrijfdoel overtuigen hoort het betoog: de schrijver heeft één duidelijk standpunt en probeert de lezer daarvan te overtuigen met argumenten. Bij het schrijfdoel beschouwen hoort de beschouwing: de schrijver verkent een kwestie van meerdere kanten, weegt standpunten tegen elkaar af en dringt geen eenduidige conclusie op. Het onderscheid tussen betoog en beschouwing is een klassiek examenpunt: een betoog kiest partij, een beschouwing beschouwt. De uiteenzetting, ten slotte, legt een onderwerp helder uit zonder te overtuigen — het schrijfdoel is dan informeren, maar uitgebreider en verklarend.
Het schrijfdoel activeren zie je in oproepen, advertenties, campagnes en sommige columns: de schrijver wil dat je iets dóét — Fries gaat praten, een petitie tekent, naar een evenement komt. Vaak combineert een tekst doelen: een column kan informeren én overtuigen én activeren. Voor het examen is de vraag meestal wat het hoofddoel is. Let daarbij op de toon en de middelen: veel feiten en neutrale taal wijzen op informeren; een uitgesproken mening en argumenten op overtuigen; een afweging van meerdere kanten op beschouwen; en directe aansporingen („doch mei!”, doe mee) op activeren.
Uitgewerkt voorbeeld

Betoog of beschouwing?

Een Friestalige tekst behandelt of het Fries verplicht examenvak moet worden. De schrijver noemt argumenten vóór (identiteit, taalbehoud) én tegen (toetsdruk, beperkte reikwijdte) en eindigt met de conclusie dat er 'geen makkelijk antwoord' is. Is dit een betoog of een beschouwing?

  1. 01Standpunt zoeken

    Kiest de schrijver duidelijk partij? Nee: hij noemt argumenten van beide kanten en concludeert dat er geen makkelijk antwoord is.

  2. 02De aanpak wegen

    Het afwegen van meerdere kanten zonder één standpunt op te dringen is kenmerkend voor de beschouwing, niet voor het betoog.

  3. 03Concluderen

    Omdat de schrijver beschouwt in plaats van overtuigt, is het schrijfdoel beschouwen.

Resultaat: Het is een beschouwing: de schrijver weegt argumenten vóór en tegen af en kiest geen partij. Een betoog zou juist één standpunt verdedigen. Het slot („geen makkelijk antwoord”) bevestigt de beschouwende aanpak.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het hoofdschrijfdoel van een tekst bepalen (informeren, overtuigen, beschouwen, activeren) en dat onderbouwen met kenmerken van de tekst.
  • Examendoel: het verschil tussen een betoog (kiest partij) en een beschouwing (weegt standpunten af) herkennen.

Veelgemaakte fouten

  • Een beschouwing voor een betoog aanzien. Als de schrijver meerdere kanten afweegt en geen partij kiest, is het een beschouwing, ook al bevat de tekst meningen.
  • Het schrijfdoel afleiden uit het onderwerp in plaats van uit de aanpak. Niet het thema maar de manier van schrijven (feiten? argumenten? afweging? oproep?) bepaalt het doel.

Actieve herhaling

Verzamel drie korte Friestalige teksten van verschillende soort (bv. een nieuwsbericht, een column en een advertentie). Bepaal per tekst het hoofdschrijfdoel en noteer twee kenmerken uit de tekst waaraan je dat ziet.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Syllabus Fries VWO — domein A, tekstsoorten en schrijfdoelen (CvTE / Examenblad)

§ 02

Tekstverbanden en Friese signaalwoorden#

●●○StandaardLPexamenblad-fries-vwo-domein-A

Kernpunten

De eindterm „relaties tussen delen van een tekst aangeven” draait om tekstverbanden: de logische verbanden tussen zinnen en alinea's. Afb. 2 zet de belangrijkste verbanden op een rij met hun Friese signaalwoorden en de Nederlandse vertaling. Signaalwoorden zijn de wegwijzers van de tekst: ze verraden hoe een zinsdeel of alinea zich verhoudt tot wat eraan voorafgaat. Wie ze herkent, leest de structuur van de tekst als een kaart en beantwoordt verbandsvragen snel en zeker.

Afb. 2 — Tekstverbanden en Friese signaalwoorden

Signaalwoorden in het FriesTabel met 3 kolommen en 8 rijen, Gegevens: tekstverband · Friese signaalwoorden · Nederlands; opsomming · en, ek, boppedat, dêrneist · en, ook, bovendien, daarnaast; tegenstelling · mar, dochs, lykwols, oan 'e oare kant · maar, toch, echter, aan de andere kant; oorzaak / gevolg · omdat, want, dêrtroch, dêrom, dus · omdat, want, daardoor, daarom, dus; doel / middel · om ... te, sadat, dêrmei · om ... te, zodat, daarmee; tijd / volgorde · earst, doe, dêrnei, úteinlik · eerst, toen, daarna, uiteindelijk; voorwaarde · as, wannear't · als, wanneer; voorbeeld / toelichting · bygelyks, sa as, ûnder oaren · bijvoorbeeld, zoals, onder andere; conclusie / samenvatting · dus, koartsein, alles by inoar · dus, kortom, alles bij elkaar, gemarkeerde cel: mar, dochs, lykwols, oan 'e oare kantTEKSTVERBANDFRIESE SIGNAALWOORDENNEDERLANDSopsommingen, ek, boppedat, dêrneisten, ook, bovendien,daarnaasttegenstellingmar, dochs, lykwols, oan 'eoare kantmaar, toch, echter, aan deandere kantoorzaak / gevolgomdat, want, dêrtroch,dêrom, dusomdat, want, daardoor,daarom, dusdoel / middelom ... te, sadat, dêrmeiom ... te, zodat, daarmeetijd / volgordeearst, doe, dêrnei, úteinlikeerst, toen, daarna,uiteindelijkvoorwaardeas, wannear'tals, wanneervoorbeeld / toelichtingbygelyks, sa as, ûnder oarenbijvoorbeeld, zoals, onderandereconclusie / samenvattingdus, koartsein, alles byinoardus, kortom, alles bijelkaar
Afb. 2De belangrijkste tekstverbanden met hun Friese signaalwoorden en Nederlandse vertaling. Let op dochs (= toch) en lykwols (= echter), die afwijken van het Nederlands.
De belangrijkste verbanden zijn: opsomming (en, ek, boppedat, dêrneist), tegenstelling (mar, dochs, lykwols, oan 'e oare kant), oorzaak-gevolg (omdat, want, dêrtroch, dêrom, dus), doel-middel (om ... te, sadat, dêrmei), tijd/volgorde (earst, doe, dêrnei, úteinlik), voorwaarde (as, wannear't), toelichting/voorbeeld (bygelyks, sa as, ûnder oaren) en conclusie/samenvatting (dus, koartsein, alles by inoar). Merk op dat sommige woorden bij meerdere verbanden lijken te passen: „dus” kan zowel een gevolg als een conclusie aankondigen. De context beslist.
Veel Friese signaalwoorden lijken op hun Nederlandse tegenhanger, maar niet allemaal, en juist de afwijkende zijn belangrijk. „Mar” is „maar”, „want” is „want”, maar „dochs” betekent „toch”, „lykwols” betekent „echter/evenwel”, „boppedat” betekent „bovendien”, „dêrtroch” betekent „daardoor” en „dêrom” betekent „daarom”. Een enkele keer kan een Fries signaalwoord je op het verkeerde been zetten als je het Nederlands erop projecteert; leer daarom deze kernlijst als vaste woordparen. Het loont om ze te groeperen per verband, zoals in Afb. 2, want dan onthoud je meteen wélke functie een woord heeft.
Niet elk verband is met een signaalwoord gemarkeerd — en juist op het vwo zijn verbanden vaak impliciet. Tussen twee alinea's kan een tegenstelling of een oorzaak-gevolgrelatie bestaan zonder dat er „mar” of „dêrtroch” staat; je moet die dan uit de inhoud afleiden. De aanpak is dan: vat beide alinea's in de kern samen en vraag je af hoe de tweede zich tot de eerste verhoudt — geeft ze een gevolg, een tegenwerping, een voorbeeld, een toelichting? Deze vaardigheid om impliciete verbanden te benoemen is precies wat het vwo-examen extra van je vraagt ten opzichte van de havo.
Uitgewerkt voorbeeld

Een impliciet verband benoemen

Alinea 1 van een Friese tekst stelt dat steeds minder jongeren Fries spreken. Alinea 2 begint: „Skoallen yn Fryslân biede hieltyd faker twatalich ûnderwiis oan.” (Scholen in Fryslân bieden steeds vaker tweetalig onderwijs aan.) Er staat geen signaalwoord. Welk verband bestaat er tussen de twee alinea's?

  1. 01Beide alinea's samenvatten

    Alinea 1: jongeren spreken minder Fries (een probleem). Alinea 2: scholen bieden meer tweetalig onderwijs (een maatregel).

  2. 02De verhouding bepalen

    Alinea 2 is geen tegenstelling of voorbeeld, maar een reactie op het probleem uit alinea 1: het onderwijs probeert de teruggang tegen te gaan.

  3. 03Het verband benoemen

    Dit is een doel-middel- of probleem-maatregelrelatie: het tweetalig onderwijs is het middel tegen de teruggang van het Fries.

Resultaat: Het (impliciete) verband is probleem-maatregel (een vorm van doel-middel): alinea 2 presenteert het tweetalig onderwijs als antwoord op de teruggang die alinea 1 schetst. Er is geen signaalwoord; je leidt het verband af uit de inhoud.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het verband tussen twee tekstdelen benoemen, zowel wanneer het met een Fries signaalwoord is gemarkeerd als wanneer het impliciet is.
  • Examendoel: de betekenis van Friese signaalwoorden (dochs, lykwols, boppedat, dêrtroch) correct kennen, ook waar ze afwijken van het Nederlands.

Veelgemaakte fouten

  • Een Fries signaalwoord verkeerd vertalen naar Nederlands model, bv. „lykwols” als „gelijk” lezen in plaats van „echter”. Leer de kernlijst als vaste woordparen.
  • Aannemen dat er zonder signaalwoord geen verband is. Verbanden zijn vaak impliciet; leid ze dan af uit de inhoud van de twee tekstdelen.

Actieve herhaling

Onderstreep in een Friestalige alinea alle signaalwoorden en benoem per woord het verband dat het aankondigt. Zoek daarna in dezelfde tekst een overgang tussen twee alinea's zónder signaalwoord en benoem het impliciete verband.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Syllabus Fries VWO — domein A, relaties tussen tekstdelen (CvTE / Examenblad)

§ 03

Verwijswoorden en tekstsamenhang#

●●○StandaardLPexamenblad-fries-vwo-domein-A

Kernpunten

Naast signaalwoorden zorgen verwijswoorden voor de samenhang van een tekst. Een verwijswoord (zoals „dy”, „dat”, „dizze”, „hja”, „der”) verwijst terug naar iets wat eerder genoemd is — het antecedent — of soms vooruit naar wat nog komt. De eindterm noemt dit met zoveel woorden: „verwijzingsrelaties” horen bij de relaties tussen tekstdelen die je moet kunnen benoemen. Afb. 3 laat met een voorbeeldzin zien hoe een verwijswoord de lezer terugstuurt naar zijn antecedent.

Afb. 3 — Een verwijswoord en zijn antecedent

Verwijzing in een tekstGraaf, verwijswoord: dy → antecedent: de nije wet (de nieuwe wet), antecedent: de nije wet (de nieuwe wet) → controle: vul het antecedent inantecedent: denije wet (denieuwe wet)verwijswoord: dycontrole: vulhet antecedentinverwijst terugnaar
Afb. 3Een verwijswoord (hier „dy”) stuurt de lezer terug naar zijn antecedent. Je controleert de koppeling door het antecedent op de plaats van het verwijswoord in te vullen.
In het Fries zijn de belangrijkste aanwijzende en verwijzende woorden „dy” (die), „dat” (dat), „dizze/dit” (deze/dit), „dyjinge” (diegene) en het persoonlijk voornaamwoord „hja” of „sy” (zij) en „it” (het). Ook „der” en „dêr” verwijzen vaak naar een eerder genoemde plaats, zaak of situatie. Omdat het Fries — anders dan het Nederlands — het onzijdige lidwoord „it” gebruikt (it hûs = het huis), verwijst het naar een onzijdig woord ook met „it”, terwijl je naar een de-woord met „dy” of „hy/sy” verwijst. Wie het geslacht van het antecedent kent, vindt sneller het juiste verband.
Bij een verwijsvraag is de opdracht bijna altijd: naar welk woord of welke woordgroep verwijst dit verwijswoord? De aanpak is systematisch. Lees eerst de zin met het verwijswoord goed, bepaal of het terug- of vooruitverwijst (meestal terug), en zoek dan het meest nabije woord dat qua betekenis én qua getal en geslacht past. Controleer je keuze door het gevonden antecedent op de plaats van het verwijswoord in te vullen: als de zin klopt, heb je het goede antecedent te pakken. Dit invullen-en-controleren is de betrouwbaarste methode.
Verwijswoorden zijn belangrijker dan ze lijken, want een verkeerd begrepen verwijzing laat een hele passage kantelen. Als je „dy” per ongeluk aan het verkeerde antecedent koppelt, lees je de rest van de zin fout en trek je een onjuiste conclusie. Op het vwo staan verwijzingen soms ver van hun antecedent, of is er meer dan één kandidaat, zodat je op betekenis, getal en geslacht moet afwegen. Juist daarom toetst het examen deze vaardigheid: wie verwijzingen correct volgt, houdt de draad van een complexe redenering vast.
Uitgewerkt voorbeeld

Het antecedent van een verwijswoord bepalen

In een Friese tekst staat: „De gemeente stelde in nije taalnota op. Dy moat it Frysk yn it bestjoer fersterkje.” (De gemeente stelde een nieuwe taalnota op. Die moet het Fries in het bestuur versterken.) Naar welk woord verwijst „Dy”?

  1. 01Terug- of vooruitverwijzing?

    „Dy” staat aan het begin van de tweede zin en verwijst terug naar iets uit de eerste zin.

  2. 02Kandidaten wegen

    Kandidaten zijn „de gemeente” en „in nije taalnota”. Wat moet het Fries versterken? Niet de gemeente als zodanig, maar de nota.

  3. 03Controleren door invullen

    Vul in: „De nije taalnota moat it Frysk yn it bestjoer fersterkje.” Dat klopt inhoudelijk; „De gemeente moat...” zou ook kunnen, maar „Dy” congrueert met de nota als het onderwerp van die maatregel.

Resultaat: „Dy” verwijst naar „in nije taalnota” (de nieuwe taalnota). De controle door invullen bevestigt dat de nota — niet de gemeente — het onderwerp is dat het Fries moet versterken.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: bepalen naar welk antecedent een Fries verwijswoord (dy, dat, dizze, hja, der) verwijst, en die keuze controleren door invullen.
  • Examendoel: het geslacht/getal van het antecedent gebruiken om bij meerdere kandidaten het juiste te kiezen (it-woord versus de-woord).

Veelgemaakte fouten

  • Automatisch naar het dichtstbijzijnde zelfstandig naamwoord verwijzen zonder op betekenis, getal en geslacht te letten. Controleer altijd door het antecedent in te vullen.
  • Het Friese „it” als het Nederlandse persoonlijk voornaamwoord „het” lezen zonder te beseffen dat het naar een onzijdig (it-)woord verwijst; daardoor kies je het verkeerde antecedent.

Actieve herhaling

Zoek in een Friestalige tekst vijf verwijswoorden. Bepaal per woord het antecedent, controleer door invullen, en noteer of het terug- of vooruitverwijst. Let vooral op de gevallen waar meer dan één antecedent mogelijk lijkt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Syllabus Fries VWO — domein A, verwijzingsrelaties (CvTE / Examenblad)

§ 04

Tekststructuur: van alinea tot betoog#

●●●VerdiepingLPexamenblad-fries-vwo-domein-A

Kernpunten

Op het hoogste niveau doorzie je niet losse verbanden, maar de structuur van de hele tekst: hoe inleiding, kern en slot samenwerken en welke functie elke alinea in het geheel heeft. Afb. 4 toont de opbouw van een betoog, de meest getoetste structuur. Een betoog opent met een inleiding die het onderwerp aankondigt en meestal het standpunt (de stelling) formuleert, ontvouwt in de kern een reeks argumenten die het standpunt onderbouwen, weerlegt vaak een tegenargument, en sluit af met een conclusie die het standpunt herhaalt en versterkt.

Afb. 4 — De opbouw van een betoog

Structuur van een betoogGraaf, inleiding + stelling → argument 1, argument 1 → argument 2, argument 2 → tegenwerping + weerlegging, tegenwerping + weerlegging → conclusie: stelling herhaaldinleiding +stellingargument 1argument 2tegenwerping +weerleggingconclusie:stellingherhaald
Afb. 4De structuur van een betoog: van stelling via argumenten (en de weerlegging van een tegenwerping) naar de conclusie. Bij een functievraag benoem je de rol van een alinea in deze keten.
Elke alinea in een goed betoog heeft een functie ten opzichte van de stelling. De ene alinea geeft een argument, de andere een voorbeeld bij dat argument, een derde een tegenwerping, een vierde de weerlegging daarvan. Bij een structuurvraag word je gevraagd zo'n functie te benoemen: „welke functie heeft alinea 4 ten opzichte van alinea 3?” Het antwoord is dan geen inhoud maar een functie: alinea 4 geeft bijvoorbeeld een voorbeeld bij, een uitzondering op, of een gevolg van alinea 3. Denk in functies, niet in onderwerpen.
De uiteenzetting en de beschouwing hebben een andere structuur dan het betoog. Een uiteenzetting legt stap voor stap uit en is vaak thematisch of chronologisch geordend; een beschouwing zet standpunten naast elkaar en weegt ze af, vaak in een structuur van „aan de ene kant … aan de andere kant …”. Wie de tekstsoort herkent (zie de eerste sectie), weet welke structuur hij mag verwachten en leest de alineafuncties sneller. De structuur en het schrijfdoel hangen dus samen: een betoog bouwt naar overtuiging toe, een beschouwing naar afweging.
Een handige techniek voor structuurvragen is het maken van een alineaschema: schrijf in telegramstijl per alinea de functie op (inleiding met stelling; argument 1; voorbeeld; tegenwerping; weerlegging; conclusie). Zo'n schema legt de skeletstructuur van de tekst bloot en maakt verbands- en functievragen bijna vanzelf beantwoordbaar. Op het vwo, waar teksten lang en de verbanden vaak impliciet zijn, is dit alineaschema het krachtigste hulpmiddel: het dwingt je om van elke alinea de rol in het geheel te bepalen, precies wat de eindterm „relaties tussen delen van een tekst” vraagt.
Uitgewerkt voorbeeld

De functie van een alinea benoemen

In een Fries betoog vóór meer Fries op school stelt alinea 3: „Guon âlden freezje dat Frysk ten koste giet fan it Nederlânsk.” (Sommige ouders vrezen dat Fries ten koste gaat van het Nederlands.) Alinea 4 laat met onderzoek zien dat tweetalige kinderen juist beter presteren. Wat is de functie van alinea 3 en van alinea 4?

  1. 01Alinea 3 duiden

    De schrijver is vóór meer Fries, maar alinea 3 noemt een vrees van ouders — dat is niet zijn eigen standpunt, maar een tegenwerping die hij opvoert.

  2. 02Alinea 4 duiden

    Alinea 4 spreekt die vrees tegen met onderzoek: dat is de weerlegging van de tegenwerping uit alinea 3.

  3. 03De functies benoemen

    Alinea 3 = tegenwerping (tegenargument); alinea 4 = weerlegging van die tegenwerping, in dienst van het standpunt.

Resultaat: Alinea 3 heeft de functie van tegenwerping (een tegenargument dat de schrijver opvoert), alinea 4 die van weerlegging daarvan. Samen versterken ze het standpunt: door het tegenargument te ontkrachten maakt de schrijver zijn eigen pleidooi geloofwaardiger.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de functie van een alinea ten opzichte van een andere alinea of ten opzichte van de hoofdstructuur benoemen (bv. argument, voorbeeld, tegenwerping, weerlegging, conclusie).
  • Examendoel: de globale opbouw van een betoog, uiteenzetting of beschouwing herkennen en met die kennis structuurvragen beantwoorden.

Veelgemaakte fouten

  • Bij een functievraag de inhoud van de alinea navertellen in plaats van de functie te benoemen. Gevraagd wordt de rol (argument, voorbeeld, weerlegging), niet de samenvatting.
  • De weerlegging van een tegenargument aanzien voor het standpunt van de schrijver. In een betoog noemt de schrijver soms eerst een tegenwerping om die daarna te ontkrachten; dat tegenargument is niet zijn eigen mening.

Actieve herhaling

Maak bij een Friestalig betoog een alineaschema: noteer per alinea in één woordgroep de functie (inleiding/stelling, argument, voorbeeld, tegenwerping, weerlegging, conclusie). Beantwoord daarna de vraag: met welke functie draagt de op één na laatste alinea bij aan het standpunt?

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Syllabus Fries VWO — domein A, tekststructuur en argumentatie (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Tekstsoorten en schrijfdoelen○
    • 02Tekstverbanden en Friese signaalwoorden◐
    • 03Verwijswoorden en tekstsamenhang◐
    • 04Tekststructuur: van alinea tot betoog●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Tekstsoorten, tekststructuur en tekstverbanden

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~15
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Syllabus Fries VWO — domein A, tekstsoorten en schrijfdoelen

Vorig onderwerp

Leesvaardigheid (centraal examen): tekstbegrip en leesstrategieën

Volgend onderwerp

Woordenschat (wurdskat)

EuraStudy·Samenvattingen T·02·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.