EuraStudy
Samenvattingen/Filosofie/Wetenschapsfilosofie: centrale begrippen en toonaangevende visies
Samenvattingen · FilosofieNL · VWO

Wetenschapsfilosofie: centrale begrippen en toonaangevende visies

De wetenschapsfilosofie (domein E) onderzoekt wat wetenschap is en wat wetenschappelijke kennis onderscheidt van andere kennis. Dit onderwerp behandelt de kernbegrippen (theorie, hypothese, wet, verklaring), het verschil tussen inductie en deductie met het inductieprobleem van Hume, het logisch positivisme en het verificatiebeginsel, en het onderscheid tussen verklaren en begrijpen.

4 Onderdelen·~15 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·111111 / 14
Examenprofiel
De kernbegrippen van de wetenschap (theorie, hypothese, wet, verklaring) uitleggenInductie en deductie onderscheiden en het inductieprobleem uitleggenHet logisch positivisme en het verificatiebeginsel uitleggen en bekritiserenHet onderscheid tussen verklaren (Erklären) en begrijpen (Verstehen) analyseren
Operatoren:leg uitonderscheidverklaarbeoordeelvergelijk

basisniveau

Ken het onderscheid inductie/deductie, het inductieprobleem en het verificatiebeginsel.

verhoogd niveau

Kun je het inductieprobleem en de kritiek op de verificatie reconstrueren en het debat verklaren/begrijpen wegen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Wetenschapsfilosofie: centrale begrippen en toonaangevende visies
    • 01Wat is wetenschap? Kernbegrippen○
    • 02Inductie, deductie en het inductieprobleem◐
    • 03Logisch positivisme en verificatie◐
    • 04Verklaren en begrijpen; het demarcatieprobleem●
§ 01

Wat is wetenschap? Kernbegrippen#

●○○BasisLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-E

Kernpunten

De wetenschapsfilosofie stelt vragen die de wetenschap zelf niet stelt maar wel vooronderstelt: wat maakt kennis wetenschappelijk, hoe komt wetenschappelijke kennis tot stand, en waarom vertrouwen we haar meer dan alledaagse meningen, geloof of pseudowetenschap? Om die vragen te beantwoorden, moet je eerst enkele kernbegrippen scherp hebben. Een waarneming of gegeven is een losse empirische vaststelling; een hypothese is een nog te toetsen veronderstelling die verschijnselen zou kunnen verklaren; een theorie is een samenhangend systeem van goed getoetste beweringen dat een heel domein van verschijnselen verklaart en voorspelt.
Een wet (natuurwet) is een algemene, vaak universeel geformuleerde regelmatigheid — „alle metalen zetten uit bij verwarming” — die aangeeft dat bepaalde verschijnselen steeds samengaan. Een verklaring geeft aan waardóór iets gebeurt, meestal door het bijzondere geval onder een algemene wet en zijn oorzaken te brengen: waarom knapt deze rail? Omdat metaal uitzet bij warmte en het vandaag heet is. Een voorspelling leidt uit theorie en wetten af wat er onder bepaalde omstandigheden zál gebeuren; verklaring en voorspelling hebben dezelfde logische vorm, maar de een kijkt terug en de ander vooruit.
Wat wetenschappelijke kennis onderscheidt, wordt vaak gezocht in enkele kenmerken. Ze is empirisch: gebaseerd op en toetsbaar aan waarneming en experiment. Ze is systematisch en samenhangend: geen losse feiten maar geordende theorieën. Ze streeft naar objectiviteit en intersubjectiviteit: de resultaten moeten door anderen te controleren en te herhalen zijn, niet afhankelijk van één persoon. En ze is kritisch: elke bewering staat in principe open voor toetsing en herziening. Precies dit toetsbare, kritische en controleerbare karakter maakt het verschil met dogma of willekeurige mening.
Hiermee hangt het demarcatieprobleem samen: waar ligt de grens tussen wetenschap en niet-wetenschap (metafysica, pseudowetenschap zoals astrologie)? Dit is een van de centrale vragen van de wetenschapsfilosofie, en de grote visies — het logisch positivisme met zijn verificatiebeginsel, Poppers falsificationisme, Kuhns paradigmatheorie — geven er verschillende antwoorden op. Het is geen louter academische kwestie: of iets als „wetenschap” geldt, bepaalt mede of het serieus wordt genomen in beleid, rechtspraak en onderwijs.
Voor het examen moet je deze kernbegrippen zuiver kunnen gebruiken (het verschil tussen een hypothese, een wet en een theorie is geen detail), de kenmerken van wetenschappelijke kennis kunnen benoemen en het demarcatieprobleem kunnen formuleren. Deze begrippen vormen de woordenschat waarmee de volgende paragrafen — over inductie, verificatie, falsificatie en paradigma's — de aard en groei van wetenschappelijke kennis onderzoeken.
Uitgewerkt voorbeeld

Hypothese, wet of theorie?

Bepaal voor elk geval welk begrip past en licht toe: (a) „misschien werkt dit medicijn tegen migraine”; (b) „kracht is massa maal versnelling”; (c) de evolutietheorie.

  1. 01Analyseer (a)

    „Misschien werkt dit medicijn” is een hypothese: een nog te toetsen veronderstelling, geformuleerd om vervolgens door onderzoek bevestigd of verworpen te worden.

  2. 02Analyseer (b)

    „Kracht is massa maal versnelling” is een wet: een algemene, exact geformuleerde regelmatigheid die geldt voor een hele klasse van gevallen.

  3. 03Analyseer (c)

    De evolutietheorie is een theorie: een samenhangend systeem van goed getoetste beweringen dat een breed domein van verschijnselen (de verscheidenheid van het leven) verklaart en voorspelt.

Resultaat: (a) is een hypothese (nog te toetsen), (b) een wet (algemene regelmatigheid), (c) een theorie (samenhangend verklarend systeem): drie verschillende niveaus van wetenschappelijke kennis.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de begrippen hypothese, wet, theorie, verklaring en voorspelling onderscheiden en juist gebruiken.
  • Examendoel: de kenmerken van wetenschappelijke kennis en het demarcatieprobleem benoemen.

Veelgemaakte fouten

  • „Theorie” gebruiken in de alledaagse zin van „gok” of „onbewezen idee”; in de wetenschap is een theorie een goed getoetst, samenhangend systeem.
  • Wet en theorie gelijkstellen: een wet is een enkele regelmatigheid, een theorie een heel verklarend systeem waarin wetten een plaats krijgen.

Actieve herhaling

Leg uit waarom toetsbaarheid en intersubjectieve controleerbaarheid wetenschap onderscheiden van een louter persoonlijke overtuiging.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein E (kernbegrippen wetenschap) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 02

Inductie, deductie en het inductieprobleem#

●●○StandaardLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-E

Kernpunten

Wetenschap redeneert in twee tegengestelde richtingen, die Afb. 1 laat zien. Deductie gaat van het algemene naar het bijzondere: uit een algemene wet en de omstandigheden leid je met noodzaak een voorspelling of verklaring af. Deductie is geldig en waarheidsbehoudend — als de premissen waar zijn, is de conclusie zeker waar — maar ze levert geen nieuwe informatie: de conclusie zat al in de premissen besloten. Inductie gaat de andere kant op, van het bijzondere naar het algemene: uit een reeks waarnemingen („elke waargenomen zwaan is wit”) besluit je tot een algemene wet („alle zwanen zijn wit”).

Inductie en deductie

Twee redeneerrichtingenGraaf, Losse waarnemingen (bijzonder) → Algemene wet / theorie, Algemene wet / theorie → Voorspelling over een nieuw gevalLossewaarnemingen(bijzonder)Algemene wet /theorieVoorspellingover een nieuwgevalinductie:bijzonder → a…deductie:algemeen → bi…
Afb. 1Afb. 1 — Inductie gaat van het bijzondere naar het algemene, deductie van het algemene naar het bijzondere.
Inductie is onmisbaar voor de wetenschap, want algemene wetten en theorieën gaan altijd verder dan het eindige aantal waarnemingen waarop ze steunen. Juist daarom is inductie niet deductief geldig: de conclusie zegt méér dan de premissen (ze is „ampliatief”), en daardoor kunnen de premissen waar zijn terwijl de conclusie onwaar is. Hoeveel witte zwanen je ook waarneemt, één enkele zwarte zwaan (die in Australië inderdaad bestaat) weerlegt de algemene wet. Inductie levert dus nooit zekerheid, hooguit een grotere of kleinere waarschijnlijkheid.
In de praktijk combineert de wetenschap beide in de hypothetisch-deductieve methode. Men bedenkt (mede door inductie en verbeelding) een hypothese, leidt daaruit deductief toetsbare voorspellingen af, en toetst die aan de waarneming of het experiment. Komt de voorspelling uit, dan is dat steun voor de hypothese; komt ze niet uit, dan is er iets mis met de hypothese. Zo verbindt de wetenschap het bedenken van algemene theorieën (het algemene) met het toetsen aan concrete gevallen (het bijzondere).
David Hume legde echter een diep probleem bloot: het inductieprobleem. Inductie vooronderstelt dat de natuur uniform is — dat de toekomst op het verleden lijkt en dat onwaargenomen gevallen op de waargenomen lijken. Maar hoe rechtvaardigen we die vooronderstelling? Niet logisch, want het is geen tegenspraak dat de natuur morgen anders wordt. En niet empirisch, want elke poging („inductie werkte tot nu toe, dus ze zal blijven werken”) gebruikt zélf een inductie en is dus circulair. We kunnen niet bewijzen dat inductie betrouwbaar is, hoezeer we er ook op vertrouwen. De grondmethode van de wetenschap blijkt niet rationeel te funderen.
Het inductieprobleem is niet zomaar op te lossen en heeft de wetenschapsfilosofie diepgaand beïnvloed. Poppers falsificationisme (volgend onderwerp) is grotendeels een poging de wetenschap te begrijpen zonder inductie: niet bevestigen maar weerleggen zou de kern zijn. Voor het examen moet je inductie en deductie scherp kunnen onderscheiden (richting, geldigheid, informatiewinst), de hypothetisch-deductieve methode kunnen uitleggen, en het inductieprobleem van Hume kunnen reconstrueren en de betekenis ervan kunnen wegen. Merk de verbinding met de kennisleer: het inductieprobleem is een van de plaatsen waar het strenge empirisme (alle kennis uit ervaring) in scepticisme overgaat.
Uitgewerkt voorbeeld

Het inductieprobleem reconstrueren

„De zon is elke ochtend opgekomen, dus zij zal morgen opkomen.” Reconstrueer de redenering, benoem het type, en leg uit waarom Hume haar niet strikt te rechtvaardigen acht.

  1. 01Benoem het type

    Van vele bijzondere waarnemingen (elke ochtend tot nu toe) naar een uitspraak over een nieuw/toekomstig geval: dit is een inductief argument.

  2. 02Wijs de verborgen aanname aan

    De sprong werkt alleen met de aanname dat de natuur uniform is: dat de toekomst op het verleden lijkt.

  3. 03Toon het probleem

    Die aanname is niet logisch te bewijzen (het is geen tegenspraak dat de zon morgen niet opkomt) en niet empirisch zonder cirkel (dat uniformiteit tot nu toe gold, is zelf weer een inductie).

  4. 04Conclusie

    Hoe redelijk het ook lijkt, de inductieve conclusie is niet strikt te rechtvaardigen; ze berust op een onbewijsbare aanname over de uniformiteit van de natuur.

Resultaat: Het is een inductief argument dat steunt op de onbewijsbare aanname van uniformiteit; noch logisch noch (zonder cirkel) empirisch te funderen — precies Humes inductieprobleem.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: inductie en deductie onderscheiden op redeneerrichting, geldigheid en informatiewinst.
  • Examendoel: het inductieprobleem van Hume reconstrueren en de betekenis ervan uitleggen.

Veelgemaakte fouten

  • Inductie voor deductief geldig houden: geen eindig aantal waarnemingen bewijst een universele wet met zekerheid.
  • Denken dat het inductieprobleem betekent dat inductie „nutteloos” is; het werkt in de praktijk uitstekend, maar is niet strikt te rechtvaardigen.

Actieve herhaling

Leg uit waarom één zwarte zwaan een universele wet („alle zwanen zijn wit”) kan weerleggen terwijl duizend witte zwanen haar nooit definitief kunnen bewijzen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein E (inductie en deductie) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 03

Logisch positivisme en verificatie#

●●○StandaardLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-E

Kernpunten

In de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw ontwikkelde een groep filosofen en wetenschappers rond de Wiener Kring (onder anderen Schlick en Carnap) een streng-empiristische visie op wetenschap en betekenis: het logisch positivisme (of logisch empirisme). Hun ambitie was de wetenschap op een vast fundament van waarneming en logica te zetten en de „lege” metafysica uit te bannen. Het scherpste wapen daarvoor was het verificatiebeginsel als criterium van zinvolheid.
Het verificatiebeginsel luidt: een uitspraak is (cognitief) zinvol alleen als ze óf analytisch waar is (waar op grond van de betekenis van de woorden, zoals in logica en wiskunde) óf empirisch verifieerbaar (te toetsen aan mogelijke waarneming). „Water kookt bij honderd graden op zeeniveau” is zinvol, want toetsbaar; „de Absolute Geest verwerkelijkt zich in de geschiedenis” is volgens de positivisten niet verifieerbaar en daarom niet onwaar maar zinloos — een schijnbewering die niets zegt. Zo werd niet alleen veel metafysica, maar ook theologie en volgens sommige positivisten de normatieve ethiek buiten de zinvolle taal geplaatst; de betekenis van een bewering werd gelijkgesteld aan de methode om haar te verifiëren.
Het positivisme gaf zo een helder antwoord op het demarcatieprobleem: wetenschap is het geheel van verifieerbare, empirisch toetsbare uitspraken; wat niet te verifiëren is, valt buiten de wetenschap en (in de sterke lezing) buiten de zinvolle taal. Deze visie sloot aan bij het ideaal van een objectieve, op waarneming gebouwde wetenschap en had grote invloed op de opvatting dat alleen het meetbare en toetsbare telt.
Toch stuitte het verificatiebeginsel op verwoestende bezwaren. Ten eerste zijn universele wetenschappelijke wetten („alle metalen zetten uit bij verwarming”) nooit volledig te verifiëren, want je kunt onmogelijk álle gevallen waarnemen — juist de kern van de wetenschap zou dan strikt genomen onverifieerbaar en dus „zinloos” zijn. Ten tweede, en dodelijk: het verificatiebeginsel zélf is noch analytisch waar noch empirisch verifieerbaar. Volgens zijn eigen maatstaf is het dus zinloos — een zelfweerlegging. Ten derde bleek het onmogelijk om precies af te bakenen wat „verifieerbaar in principe” betekent zonder ofwel te veel (metafysica) toe te laten ofwel te veel (wetenschap) uit te sluiten.
Deze bezwaren luidden het einde van het strenge verificationisme in en zetten de zoektocht naar een beter demarcatiecriterium voort — vooral Poppers falsificationisme, dat verificatie door falsifieerbaarheid vervangt (volgend onderwerp). Voor het examen moet je het verificatiebeginsel kunnen uitleggen (zinvol = analytisch of empirisch verifieerbaar), begrijpen hoe het positivisme het demarcatieprobleem oploste, én de belangrijkste bezwaren kunnen geven (universele wetten, de zelfweerlegging van het beginsel). Merk op hoe dit onderwerp de wetenschapsfilosofie met de kennisleer verbindt: het positivisme is de radicale erfgenaam van het empirisme, en het loopt op dezelfde grens vast.
Uitgewerkt voorbeeld

Het verificatiebeginsel op zichzelf toepassen

Leg uit waarom het verificatiebeginsel volgens critici zichzelf ondergraaft.

  1. 01Formuleer het beginsel

    „Een uitspraak is alleen zinvol als ze analytisch waar of empirisch verifieerbaar is.”

  2. 02Pas het op zichzelf toe

    Is deze uitspraak zelf analytisch waar? Nee — het is geen definitie of logische waarheid. Is ze empirisch verifieerbaar? Nee — geen waarneming kan haar toetsen.

  3. 03Trek de conclusie

    Volgens zijn eigen maatstaf valt het verificatiebeginsel dus in de categorie „zinloos”. Het criterium veroordeelt zichzelf en is daarom onhoudbaar in deze strenge vorm.

Resultaat: Het verificatiebeginsel is zelf noch analytisch noch empirisch verifieerbaar; naar zijn eigen norm is het zinloos — een zelfweerlegging die het strenge positivisme fataal werd.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het verificatiebeginsel uitleggen en de positivistische oplossing van het demarcatieprobleem beschrijven.
  • Examendoel: de bezwaren tegen de verificatie (universele wetten, zelfweerlegging) uitleggen.

Veelgemaakte fouten

  • „Zinloos” bij de positivisten lezen als „onwaar”: een onverifieerbare uitspraak is voor hen geen valse bewering maar een schijnbewering die niets zegt.
  • Verificatie en falsificatie verwarren: verificatie is bevestigen, falsificatie (Popper) is weerleggen — twee verschillende criteria.

Actieve herhaling

Leg uit waarom universele natuurwetten een probleem vormen voor het verificatiebeginsel, en hoe dat Popper tot een ander criterium bracht.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein E (logisch positivisme) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 04

Verklaren en begrijpen; het demarcatieprobleem#

●●●VerdiepingLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-E

Verklaren versus begrijpen

Erklären vs. VerstehenTabel met 3 kolommen en 5 rijen, Gegevens: Aspect · Verklaren (Erklären) · Begrijpen (Verstehen); Doel · oorzaken en wetten aanwijzen · betekenis en motieven vatten; Kernvraag · waardoor gebeurt het? · met welke bedoeling/zin?; Wetenschappen · natuurwetenschappen · geesteswetenschappen; Methode · causale verklaring onder wetten · interpretatie, inleving (hermeneutiek); Denkers · positivisme, Hempel · Dilthey, Weber, gemarkeerde cel: met welke bedoeling/zin?ASPECTVERKLAREN (ERKLÄREN)BEGRIJPEN (VERSTEHEN)DOELoorzaken en wettenaanwijzenbetekenis enmotieven vattenKERNVRAAGwaardoor gebeurthet?met welkebedoeling/zin?WETENSCHAPPENnatuurwetenschappengeesteswetenschappenMETHODEcausale verklaringonder wetteninterpretatie,inleving(hermeneutiek)DENKERSpositivisme,HempelDilthey, WeberTwee wetenschapsidealen
Afb. 2Afb. 1 — De natuurwetenschappelijke verklaring tegenover het geesteswetenschappelijke begrijpen.

Kernpunten

Niet alle wetenschappen werken op dezelfde manier. Een klassiek onderscheid, dat Afb. 1 uitwerkt, is dat tussen verklaren (Duits: Erklären) en begrijpen (Verstehen). De natuurwetenschappen verklaren: ze brengen een verschijnsel onder algemene wetten en oorzaken. Waarom knapt de rail? Omdat metaal uitzet bij warmte — het bijzondere geval wordt afgeleid uit een wet plus de omstandigheden. Dit is het model van de causale, wetmatige verklaring; het vraagt „waardoor?”.
De geesteswetenschappen (geschiedenis, sociologie, letterkunde) hebben volgens denkers als Wilhelm Dilthey en Max Weber een eigen methode nodig: begrijpen. Menselijk handelen verklaar je niet volledig door oorzaken en wetten, want het heeft een betekenis: mensen handelen met bedoelingen, motieven en in een zinvolle context. Om een historische gebeurtenis of een tekst te begrijpen, moet je de betekenis en de motieven van binnenuit navoelen en interpreteren — de hermeneutische methode. Weber sprak van „verstehende Soziologie”: sociaal handelen begrijp je door de subjectief bedoelde zin ervan te vatten. Begrijpen vraagt niet „waardoor?” maar „met welke bedoeling, in welke betekeniscontext?”.
Achter dit methodische onderscheid ligt een diepere vraag: zijn de geesteswetenschappen wezenlijk anders dan de natuurwetenschappen, of moeten uiteindelijk ook zij verklaren? De positivisten en aanhangers van een „eenheidswetenschap” menen dat alle echte wetenschap causaal verklaart, en dat begrijpen hooguit een heuristische opstap is; het uiteindelijke doel blijft wetmatige verklaring. De hermeneutische traditie houdt vol dat betekenis en zin niet restloos tot oorzaken te herleiden zijn: wie een gedicht of een revolutie alleen causaal verklaart, mist juist datgene wat het tot een menselijk, betekenisvol verschijnsel maakt.
Beide standpunten hebben een punt, en veel wetenschappen combineren de twee. Een historicus verklaart (economische oorzaken van een oorlog) én begrijpt (de idealen en angsten van de betrokkenen); een psycholoog zoekt causale mechanismen én de betekenis die een ervaring voor iemand heeft. De vraag is niet zozeer óf, maar in welke verhouding verklaren en begrijpen samengaan, en of de een uiteindelijk tot de ander herleidbaar is. Dit debat raakt de eenheid of veelheid van de wetenschappen en de bijzondere status van de mens als betekenisgevend wezen — en verbindt zo de wetenschapsfilosofie met de wijsgerige antropologie.
Voor het examen moet je het onderscheid verklaren/begrijpen scherp kunnen uitleggen en toepassen (welk verschijnsel vraagt om welke benadering?), de standpunten in het debat over de eenheid van wetenschap kunnen weergeven, en het demarcatieprobleem in dit licht kunnen bespreken. Het onderscheid keert praktisch terug in elke discussie over de „wetenschappelijkheid” van de menswetenschappen en over de vraag of menselijk gedrag ooit volledig door hersenen, genen of wetten verklaard kan worden — met alle gevolgen voor vrijheid en verantwoordelijkheid.
Uitgewerkt voorbeeld

Verklaren of begrijpen?

Een onderzoeker wil weten waarom in 1789 de Franse Revolutie uitbrak. Laat zien hoe zowel verklaren als begrijpen hierbij een rol speelt.

  1. 01De verklarende benadering

    Wijs oorzaken en regelmatigheden aan: economische crisis, honger, staatsschuld, sociale ongelijkheid — factoren die volgens algemene verbanden tot opstand kunnen leiden (waardoor?).

  2. 02De begrijpende benadering

    Vat de betekenis en motieven van de betrokkenen: de idealen van vrijheid en gelijkheid, de verontwaardiging over privileges, de verwachtingen van de Verlichting (met welke bedoeling en zin handelden mensen?).

  3. 03Combineer

    Een volledige geschiedschrijving verbindt beide: de causale factoren verklaren de omstandigheden, het begrijpen van idealen en betekenissen verklaart waarom mensen juist zó handelden.

Resultaat: De Revolutie vraagt om verklaren (oorzaken zoals crisis en ongelijkheid) én begrijpen (de betekenis van de idealen voor de betrokkenen); de geesteswetenschap combineert beide.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het onderscheid tussen verklaren (Erklären) en begrijpen (Verstehen) uitleggen en op een verschijnsel toepassen.
  • Examendoel: het debat over de eenheid van wetenschap (is begrijpen tot verklaren te herleiden?) weergeven.

Veelgemaakte fouten

  • Begrijpen opvatten als „een beetje snappen”: het is een methodische term voor het van binnenuit vatten van betekenis en motieven (hermeneutiek).
  • Aannemen dat een verschijnsel óf alleen verklaard óf alleen begrepen kan worden; veel wetenschappen combineren beide.

VWO-verdieping

Verdieping: verbind het onderscheid verklaren/begrijpen met het vrije-wildebat. Betoog of het volledig causaal verklaren van menselijk handelen (het verklaringsideaal) verenigbaar is met de vrijheid en verantwoordelijkheid die het begrijpen van bedoelingen vooronderstelt, en wat dit betekent voor de status van de menswetenschappen.

Actieve herhaling

Leg uit waarom een aanhanger van de eenheidswetenschap meent dat begrijpen uiteindelijk tot verklaren herleidbaar is, en geef een tegenargument.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein E (verklaren en begrijpen) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Wat is wetenschap? Kernbegrippen○
    • 02Inductie, deductie en het inductieprobleem◐
    • 03Logisch positivisme en verificatie◐
    • 04Verklaren en begrijpen; het demarcatieprobleem●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Wetenschapsfilosofie: centrale begrippen en toonaangevende visies

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~15
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

College voor Toetsen en Examens (CvTE)

  • Examenprogramma filosofie VWO — domein E (kernbegrippen wetenschap)

Vorig onderwerp

De contextualiteit van kennis

Volgend onderwerp

Wetenschappelijke kennis

EuraStudy·Samenvattingen T·11·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.