EuraStudy
Samenvattingen/Economie/Arbeidsmarkt en werkloosheid
Samenvattingen · EconomieNL · VWO

Arbeidsmarkt en werkloosheid

Op de arbeidsmarkt komen de vraag naar en het aanbod van arbeid samen en ontstaat het loon. Dit onderwerp behandelt de loonvorming via vraag en aanbod, de soorten werkloosheid (frictie, conjunctureel, structureel), het effect van een minimumloon en andere instituties, en de Phillipscurve die op korte termijn een afruil tussen inflatie en werkloosheid laat zien.

4 Onderdelen·~13 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Standaard 2 · Verdieping 2

T·131313 / 17
Examenprofiel
De arbeidsvraag en het arbeidsaanbod tekenen en het evenwichtsloon bepalen (domein H/I).De soorten werkloosheid (frictie, conjunctureel, structureel) onderscheiden en verklaren.Het effect van een minimumloon en van institutionele factoren op de arbeidsmarkt analyseren.De Phillipscurve interpreteren en de beleidsafruil tussen inflatie en werkloosheid beredeneren.
Operatoren:berekenbepaalleg uitverklaartekenberedeneerinterpreteer

basisniveau

Voor iedereen: de arbeidsmarkt, de soorten werkloosheid en het minimumloon horen tot de examenstof over arbeidsmarkt en conjunctuur.

verhoogd niveau

Verdieping: het effect van instituties op de evenwichtswerkloosheid en de Phillipscurve als kortetermijnafruil beredeneren.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Arbeidsmarkt en werkloosheid
    • 01De arbeidsmarkt: vraag, aanbod en loonvorming◐
    • 02Soorten werkloosheid◐
    • 03Minimumloon en institutionele invloeden●
    • 04De Phillipscurve●
§ 01

De arbeidsmarkt: vraag, aanbod en loonvorming#

●●○StandaardLPexamenblad-economie-domein-H

Kernpunten

Op de arbeidsmarkt vragen bedrijven arbeid (ze willen mensen inhuren) en bieden huishoudens arbeid aan (ze willen werken). De prijs die vraag en aanbod in evenwicht brengt, is het loon. De arbeidsvraag loopt dalend in het loon: hoe hoger het loon, hoe minder arbeid bedrijven vragen, omdat arbeid dan duurder wordt ten opzichte van machines en omdat de marginale arbeider zijn loon moet opbrengen. Het arbeidsaanbod loopt stijgend: bij een hoger loon willen meer mensen (meer uren) werken. Afb. 1 toont het evenwicht waar beide elkaar snijden.

Evenwicht op de arbeidsmarkt

De arbeidsmarktSchaubild von arbeidsvraag, y-Achsenabschnitt bei y = 30, fallend, im Bereich x von 0 bis 24, Schaubild von arbeidsaanbod, y-Achsenabschnitt bei y = 6, steigend, im Bereich x von 0 bis 24510152051015202530evenwicht (12;w = 18)arbeidsvraagarbeidsaanbodloon whoeveelheid arbeid L
Afb. 1Afb. 1 — Arbeidsvraag (w = 30 − L) en arbeidsaanbod (w = 6 + L) snijden elkaar bij het evenwichtsloon w = 18 en werkgelegenheid L = 12.
Het evenwichtsloon en de bijbehorende werkgelegenheid vind je door de arbeidsvraag en het arbeidsaanbod gelijk te stellen, precies als op een goederenmarkt. Bij het evenwichtsloon is iedereen die tegen dat loon wil werken ook aan het werk, en is er geen tekort of overschot aan arbeid. Ligt het loon boven het evenwicht, dan is het aanbod groter dan de vraag (werkloosheid); ligt het eronder, dan ontstaat een tekort aan personeel. Het loonmechanisme stuurt de markt in principe naar het evenwicht, al werkt dat op de arbeidsmarkt trager dan op veel goederenmarkten.
Om werkloosheid te meten, gebruik je de beroepsbevolking: iedereen tussen ongeveer 15 en 75 jaar die wil en kan werken (werkenden plus werklozen die actief zoeken en beschikbaar zijn). Het werkloosheidspercentage is het aantal werklozen als deel van de beroepsbevolking. De participatiegraad (of arbeidsparticipatie) is het deel van de potentiële beroepsbevolking dat tot de beroepsbevolking behoort. Wie niet zoekt of niet beschikbaar is (scholieren, gepensioneerden, sommige zorgverleners), telt niet als werkloos maar valt buiten de beroepsbevolking — een onderscheid dat op het examen scherp gemaakt moet worden.
De arbeidsmarkt wijkt op belangrijke punten af van een gewone markt. Arbeid is geen gewoon product: mensen zijn niet volledig verplaatsbaar of inwisselbaar, lonen dalen moeilijk (loonstarheid), en cao's, vakbonden en wetgeving beïnvloeden de loonvorming sterk (§3). Bovendien speelt de conjunctuur een grote rol: in een laagconjunctuur daalt de vraag naar arbeid, wat leidt tot conjuncturele werkloosheid (§2). Het simpele vraag-en-aanbodmodel is daarom een vertrekpunt, dat verder verrijkt moet worden met de soorten werkloosheid en de institutionele context.
arbeidsvraag=arbeidsaanbod ⇒ evenwichtsloon en werkgelegenheid\text{arbeidsvraag} = \text{arbeidsaanbod} \ \Rightarrow\ \text{evenwichtsloon en werkgelegenheid}arbeidsvraag=arbeidsaanbod ⇒ evenwichtsloon en werkgelegenheid

Loonvorming

Vraag en aanbod van arbeid bepalen het loon, net als op een goederenmarkt.

werkloosheidspercentage=werklozenberoepsbevolking×100%\text{werkloosheidspercentage} = \frac{\text{werklozen}}{\text{beroepsbevolking}}\times100\%werkloosheidspercentage=beroepsbevolkingwerklozen​×100%

Werkloosheidspercentage

Beroepsbevolking = werkenden + werkzoekende, beschikbare werklozen.

Uitgewerkt voorbeeld

Evenwichtsloon en werkloosheidspercentage

De arbeidsvraag is w = 30 − L en het arbeidsaanbod w = 6 + L (L in miljoenen personen). Bereken het evenwichtsloon en de werkgelegenheid. Als de beroepsbevolking 14 miljoen is en er 12 miljoen werken, bereken dan het werkloosheidspercentage.

  1. 01Vraag = aanbod

    30−L=6+L⇒24=2L⇒L=1230 - L = 6 + L \Rightarrow 24 = 2L \Rightarrow L = 1230−L=6+L⇒24=2L⇒L=12.

  2. 02Evenwichtsloon

    w=6+12=18w = 6 + 12 = 18w=6+12=18 (controle vraag: 30−12=1830 - 12 = 1830−12=18).

  3. 03Werkloosheidspercentage

    Werklozen: 14−12=214 - 12 = 214−12=2 miljoen; 214×100%≈14,3%\frac{2}{14}\times100\% \approx 14{,}3\%142​×100%≈14,3%.

Resultaat: Het evenwichtsloon is 18 en de werkgelegenheid 12 miljoen; bij een beroepsbevolking van 14 miljoen is het werkloosheidspercentage ongeveer 14,3%.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het evenwichtsloon en de werkgelegenheid berekenen uit arbeidsvraag en -aanbod.
  • Examendoel: het werkloosheidspercentage en de participatiegraad berekenen en de beroepsbevolking correct afbakenen.

Veelgemaakte fouten

  • De arbeidsvraag (van bedrijven) en het arbeidsaanbod (van huishoudens) verwisselen; de vraag daalt in het loon, het aanbod stijgt.
  • Iedereen zonder baan als werkloos tellen; alleen wie beschikbaar is en actief zoekt, hoort tot de beroepsbevolking en telt als werkloos.

Actieve herhaling

De arbeidsvraag is w = 40 − 2L en het arbeidsaanbod w = 10 + L. Bereken het evenwichtsloon en de werkgelegenheid.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie vwo — arbeidsmarkt (CvTE / Examenblad)

§ 02

Soorten werkloosheid#

●●○StandaardLPexamenblad-economie-domein-I

Kernpunten

Niet alle werkloosheid heeft dezelfde oorzaak, en dat bepaalt welk beleid helpt. Economen onderscheiden drie hoofdvormen. Frictiewerkloosheid is de kortdurende werkloosheid van mensen die tussen twee banen in zitten of net de arbeidsmarkt betreden; het kost tijd om vraag en aanbod te laten matchen. Deze werkloosheid is er altijd en is grotendeels onvermijdelijk (en zelfs deels gezond), omdat mensen zoeken naar de baan die het beste past. Afb. 2 zet de drie soorten met hun oorzaak en het passende beleid op een rij.

Soorten werkloosheid

Werkloosheid en beleidTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: soort · oorzaak · passend beleid; frictie · tijd om te matchen (baanwisseling) · betere arbeidsbemiddeling; conjunctureel · tekort aan bestedingen (laagconjunctuur) · bestedingen stimuleren; structureel · blijvende mismatch / hoge loonkosten · scholing, instituties aanpassenSOORTOORZAAKPASSEND BELEIDfrictietijd om te matchen(baanwisseling)betere arbeidsbemiddelingconjunctureeltekort aan bestedingen(laagconjunctuur)bestedingen stimulerenstructureelblijvende mismatch /hogeloonkostenscholing, institutiesaanpassen
Afb. 2Afb. 2 — De drie soorten werkloosheid. De oorzaak bepaalt het beleid: bestedingen stimuleren bij conjuncturele, scholing en instituties bij structurele werkloosheid.
Conjuncturele werkloosheid ontstaat door een tekort aan bestedingen tijdens een laagconjunctuur: als de vraag naar goederen en diensten daalt, hebben bedrijven minder personeel nodig en stijgt de werkloosheid. Deze vorm beweegt mee met de conjunctuur (§ conjunctuur) en verdwijnt weer als de economie aantrekt. Omdat de oorzaak aan de bestedingskant ligt, helpt hier bestedingsstimulering: anticyclisch begrotingsbeleid en een ruimer monetair beleid die de effectieve vraag opkrikken (§ begrotings- en monetair beleid).
Structurele werkloosheid is de langdurige, hardnekkige werkloosheid die overblijft ook als de conjunctuur goed is. Ze komt voort uit een blijvende mismatch tussen wat werkzoekenden te bieden hebben en wat werkgevers vragen: verkeerde opleiding of vaardigheden (kwalitatieve mismatch), de verkeerde regio (geografische mismatch), of te hoge loonkosten door instituties (§3). Technologische verandering en globalisering laten bepaalde banen verdwijnen terwijl er elders juist tekorten zijn. Tegen structurele werkloosheid helpt aanbodbeleid: scholing en omscholing, betere matching, en het verlagen van de wig tussen loonkosten en nettoloon.
In de praktijk lopen de vormen door elkaar, maar het onderscheid is beslissend voor de beleidskeuze: bestedingsbeleid tegen conjuncturele werkloosheid, aanbod- en scholingsbeleid tegen structurele werkloosheid, en tegen frictiewerkloosheid vooral betere arbeidsbemiddeling. Een verkeerde diagnose leidt tot verkeerd beleid: bestedingen stimuleren terwijl de werkloosheid structureel is, jaagt vooral de inflatie aan zonder de banen op te lossen. Daarom begint elke analyse van werkloosheid met de vraag: welke soort is dit?
Uitgewerkt voorbeeld

De soort werkloosheid diagnosticeren

In een regio sluiten steenkoolmijnen definitief; veel mijnwerkers blijven jaren werkloos omdat de nieuwe banen ander werk en andere vaardigheden vragen. Bepaal de soort werkloosheid en het passende beleid.

  1. 01Kenmerken

    De werkloosheid is langdurig en blijft ook bij goede conjunctuur bestaan; ze komt door een blijvende mismatch tussen de oude vaardigheden en de nieuwe banen.

  2. 02Soort

    Dit is structurele werkloosheid (een kwalitatieve en geografische mismatch).

  3. 03Beleid

    Bestedingen stimuleren helpt niet; nodig is aanbodbeleid: om- en bijscholing, hulp bij verhuizing en betere matching.

Resultaat: Het is structurele werkloosheid door een mismatch; het passende beleid is scholing en betere matching, niet bestedingsstimulering.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: frictie-, conjuncturele en structurele werkloosheid onderscheiden aan de oorzaak.
  • Examendoel: het passende beleid koppelen aan de soort werkloosheid.

Veelgemaakte fouten

  • Conjuncturele en structurele werkloosheid verwarren; conjuncturele beweegt mee met de conjunctuur, structurele blijft ook in goede tijden bestaan.
  • Bestedingsbeleid inzetten tegen structurele werkloosheid, waardoor vooral de inflatie stijgt en de banen niet terugkomen.

Actieve herhaling

Noem voor elk van de drie soorten werkloosheid een eigen voorbeeld en geef per voorbeeld aan welk beleid het meest geschikt is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein I (conjunctuur en arbeidsmarkt) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Minimumloon en institutionele invloeden#

●●●VerdiepingLPexamenblad-economie-domein-H

Kernpunten

Een wettelijk minimumloon is een prijsbodem op de arbeidsmarkt: een loon waaronder werkgevers niemand mogen betalen. Net als elke bindende minimumprijs (§ markt) heeft het alleen effect als het bóven het evenwichtsloon ligt. Dan is bij dat hogere loon het arbeidsaanbod groter dan de arbeidsvraag: er ontstaat een aanbodoverschot van arbeid, oftewel werkloosheid. In Afb. 3 ligt het minimumloon op 22 terwijl het evenwicht 18 is; het aanbod (16) overtreft de vraag (8), zodat er 8 werklozen zijn.

Minimumloon en werkloosheid

MinimumloonSchaubild von arbeidsvraag, y-Achsenabschnitt bei y = 30, fallend, im Bereich x von 0 bis 24, Schaubild von arbeidsaanbod, y-Achsenabschnitt bei y = 6, steigend, im Bereich x von 0 bis 24510152051015202530evenwicht (12; 18)vraag = 8aanbod = 16minimumloon 22arbeidsvraagarbeidsaanbodloon whoeveelheid arbeid L
Afb. 3Afb. 3 — Een minimumloon van 22 ligt boven het evenwicht (18). Bij dat loon vragen bedrijven 8 en bieden werknemers 16 aan: een aanbodoverschot van 8 (werkloosheid).
Het minimumloon illustreert een echte afweging. De voorstanders wijzen op de bescherming van laagbetaalde werknemers tegen uitbuiting en op een fatsoenlijk bestaansminimum; de tegenstanders wijzen op het risico van banenverlies aan de onderkant, vooral voor jongeren en laaggeschoolden wier productiviteit onder het minimumloon ligt. Hoe groot het werkgelegenheidseffect is, hangt af van de elasticiteit van de arbeidsvraag en van hoe hoog het minimumloon ten opzichte van het gemiddelde ligt; empirisch is het effect vaak kleiner dan het simpele model suggereert.
Behalve het minimumloon beïnvloeden veel andere instituties de arbeidsmarkt. Vakbonden en cao's onderhandelen collectief over lonen en arbeidsvoorwaarden, wat de lonen boven het marktevenwicht kan tillen. Ontslagbescherming maakt aannemen (en ontslaan) duurder en trager. Uitkeringen bepalen mede hoe hard mensen zoeken en welk loon ze accepteren. En de wig — het verschil tussen de loonkosten voor de werkgever en het nettoloon van de werknemer, door belastingen en premies — maakt arbeid duurder en drukt de vraag. Al deze factoren verklaren waarom de werkelijke werkloosheid kan afwijken van wat het simpele model voorspelt.
Deze institutionele factoren zijn een belangrijke bron van structurele werkloosheid: ze kunnen de evenwichtswerkloosheid (het niveau waar de arbeidsmarkt naartoe neigt) verhogen. Beleid dat de arbeidsmarkt ‘flexibeler’ maakt — lagere wig, minder rigide ontslagbescherming, activerende uitkeringen — beoogt die structurele werkloosheid te verlagen, maar staat op gespannen voet met bestaanszekerheid en gelijkheid. Ook hier speelt dus de afruil tussen doelmatigheid en rechtvaardigheid: instituties die werknemers beschermen, kunnen tegelijk de werkgelegenheid aan de onderkant onder druk zetten. De kunst van arbeidsmarktbeleid is die twee doelen te verzoenen.
minimumloon>evenwichtsloon⇒arbeidsaanbod>arbeidsvraag⇒werkloosheid\text{minimumloon} > \text{evenwichtsloon} \Rightarrow \text{arbeidsaanbod} > \text{arbeidsvraag} \Rightarrow \text{werkloosheid}minimumloon>evenwichtsloon⇒arbeidsaanbod>arbeidsvraag⇒werkloosheid

Effect van een bindend minimumloon

Een prijsbodem boven het evenwicht geeft een aanbodoverschot van arbeid.

wig=loonkosten werkgever−nettoloon werknemer\text{wig} = \text{loonkosten werkgever} - \text{nettoloon werknemer}wig=loonkosten werkgever−nettoloon werknemer

De wig

Belastingen en premies tussen loonkosten en nettoloon; een grote wig drukt de arbeidsvraag.

Uitgewerkt voorbeeld

Werkloosheid door een minimumloon berekenen

De arbeidsvraag is w = 30 − L en het arbeidsaanbod w = 6 + L (evenwicht L = 12, w = 18). De overheid stelt een minimumloon van 22 in. Bereken de arbeidsvraag, het arbeidsaanbod en de werkloosheid bij dat loon.

  1. 01Arbeidsvraag bij w = 22

    22=30−L⇒L=822 = 30 - L \Rightarrow L = 822=30−L⇒L=8.

  2. 02Arbeidsaanbod bij w = 22

    22=6+L⇒L=1622 = 6 + L \Rightarrow L = 1622=6+L⇒L=16.

  3. 03Werkloosheid

    Aanbodoverschot =16−8=8= 16 - 8 = 8=16−8=8: er zijn 8 mensen die tegen dit loon willen werken maar geen baan vinden.

Resultaat: Bij het minimumloon van 22 is de vraag 8 en het aanbod 16; er ontstaat een werkloosheid van 8, omdat het minimumloon boven het evenwicht ligt.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het effect van een bindend minimumloon op werkgelegenheid en werkloosheid berekenen en tekenen.
  • Examendoel: institutionele factoren (vakbonden, wig, ontslagbescherming) koppelen aan de (evenwichts)werkloosheid.

Veelgemaakte fouten

  • Een minimumloon onder het evenwicht een effect toedichten; alleen een bindend minimumloon (boven het evenwicht) veroorzaakt werkloosheid.
  • De wig verwarren met het brutoloon; de wig is het verschil tussen de loonkosten voor de werkgever en het nettoloon.

Actieve herhaling

De arbeidsvraag is w = 40 − 2L en het arbeidsaanbod w = 10 + L. De overheid stelt een minimumloon van 28 in. Bereken de arbeidsvraag, het arbeidsaanbod en de werkloosheid.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie vwo — arbeidsmarkt (CvTE / Examenblad)

§ 04

De Phillipscurve#

●●●VerdiepingLPexamenblad-economie-domein-I

Kernpunten

De Phillipscurve beschrijft een verband tussen werkloosheid en inflatie: op de korte termijn gaat een lage werkloosheid vaak samen met een hoge inflatie, en een hoge werkloosheid met een lage inflatie. De curve loopt daarom dalend, zoals in Afb. 4. De intuïtie is een bestedings- en arbeidsmarktredenering: als de economie oververhit raakt en de werkloosheid laag is, moeten werkgevers hogere lonen bieden om personeel te vinden, en die hogere loonkosten en bestedingen jagen de prijzen op. Bij hoge werkloosheid is er juist neerwaartse druk op lonen en prijzen.

De Phillipscurve

De PhillipscurveSchaubild von Phillipscurve, fallend, im Bereich x von 2 bis 122468101212345672% → 6% inflatie6% → 2% inflatiePhillipscurveinflatie (%)werkloosheid (%)
Afb. 4Afb. 4 — De korte-termijn-Phillipscurve: een lage werkloosheid gaat samen met een hoge inflatie en omgekeerd. Bij werkloosheid 2% hoort hier circa 6% inflatie, bij 6% werkloosheid circa 2%.
De Phillipscurve suggereert een beleidsafruil: de overheid of centrale bank zou wat inflatie kunnen ‘inruilen’ voor minder werkloosheid door de bestedingen te stimuleren, of andersom. Op de korte termijn is die afruil er ook: expansief beleid dat de vraag aanjaagt, verlaagt tijdelijk de werkloosheid ten koste van meer inflatie. Dit maakt de Phillipscurve tot een kernbegrip in de discussie over conjunctuur- en stabilisatiebeleid: welke combinatie van werkloosheid en inflatie is aanvaardbaar?
De afruil geldt echter alleen op de korte termijn. Op de lange termijn passen mensen hun inflatieverwachtingen aan: verwachten werknemers blijvend hogere inflatie, dan eisen ze meteen hogere lonen, zodat het stimuleren van de vraag alleen nog de inflatie opdrijft zonder de werkloosheid blijvend te verlagen. De werkloosheid keert dan terug naar haar structurele (evenwichts)niveau, terwijl de inflatie hoger blijft. De langetermijn-Phillipscurve is daarom (vrijwel) verticaal bij dat structurele werkloosheidsniveau: er is geen blijvende afruil te koop.
Het onderscheid tussen de korte en de lange termijn heeft grote beleidsimplicaties. Het verklaart de stagflatie van de jaren 70 (tegelijk hoge werkloosheid én hoge inflatie), die het simpele Phillipsverband tegensprak en liet zien dat je met bestedingsbeleid geen structurele werkloosheid kunt oplossen. Het onderbouwt ook waarom centrale banken zich vooral op prijsstabiliteit richten en de werkloosheid aan structureel (aanbod)beleid overlaten: proberen de werkloosheid onder haar structurele niveau te duwen, levert op termijn alleen inflatie op. Zo verbindt de Phillipscurve de arbeidsmarkt met het conjunctuur- en het monetaire beleid.
korte termijn: ↓werkloosheid⇔↑inflatie\text{korte termijn: } \downarrow \text{werkloosheid} \Leftrightarrow \uparrow \text{inflatie}korte termijn: ↓werkloosheid⇔↑inflatie

Korte-termijn-Phillipscurve

Een dalend verband: een afruil tussen werkloosheid en inflatie.

lange termijn: verticaal bij de structurele werkloosheid\text{lange termijn: verticaal bij de structurele werkloosheid}lange termijn: verticaal bij de structurele werkloosheid

Lange-termijn-Phillipscurve

Geen blijvende afruil; stimuleren geeft alleen meer inflatie.

Uitgewerkt voorbeeld

De Phillipscurve en de beleidsafruil

Een land zit op de Phillipscurve bij 6% werkloosheid en 2% inflatie. De regering stimuleert de bestedingen om de werkloosheid naar 2% te brengen. Leg uit wat er volgens de curve op korte en op lange termijn gebeurt.

  1. 01Korte termijn

    Langs de curve daalt de werkloosheid naar 2%, maar stijgt de inflatie naar ongeveer 6%: de afruil wordt zichtbaar.

  2. 02Aanpassing van verwachtingen

    Werknemers gaan de hogere inflatie verwachten en eisen hogere lonen; dat verhoogt de loonkosten en de inflatie verder.

  3. 03Lange termijn

    De werkloosheid keert terug naar haar structurele niveau (rond 6%), terwijl de inflatie hoog blijft: er resteert alleen meer inflatie, geen blijvend lagere werkloosheid.

Resultaat: Op korte termijn ruilt het land werkloosheid in voor inflatie (van 6% naar 2% werkloosheid, van 2% naar 6% inflatie), maar op lange termijn keert de werkloosheid terug naar haar structurele niveau en blijft alleen de hogere inflatie over.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de korte-termijn-Phillipscurve interpreteren als afruil tussen werkloosheid en inflatie.
  • Examendoel: uitleggen waarom er op lange termijn geen blijvende afruil is (verticale Phillipscurve, stagflatie).

Veelgemaakte fouten

  • De Phillipscurve als een blijvend inruilbaar verband zien; op lange termijn geldt de afruil niet meer.
  • Denken dat bestedingsbeleid de structurele werkloosheid kan verlagen; het verhoogt dan vooral de inflatie.

Actieve herhaling

Leg met de korte- en lange-termijn-Phillipscurve uit waarom een centrale bank die de werkloosheid blijvend onder haar structurele niveau wil drukken, uiteindelijk alleen oplopende inflatie veroorzaakt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein I (conjunctuur) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01De arbeidsmarkt: vraag, aanbod en loonvorming◐
    • 02Soorten werkloosheid◐
    • 03Minimumloon en institutionele invloeden●
    • 04De Phillipscurve●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Arbeidsmarkt en werkloosheid

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~13
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma economie vwo — arbeidsmarkt

Vorig onderwerp

Ongelijkheid en herverdeling

Volgend onderwerp

Conjunctuur en conjunctuurverschijnselen

EuraStudy·Samenvattingen T·13·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.