EuraStudy
Samenvattingen/Economie/Ongelijkheid en herverdeling
Samenvattingen · EconomieNL · VWO

Ongelijkheid en herverdeling

De markt verdeelt inkomens vaak scheef; de overheid herverdeelt via belastingen en uitkeringen. Dit onderwerp behandelt de weg van primair naar secundair inkomen, de Lorenzcurve en de Ginicoëfficiënt als maatstaven van ongelijkheid, en de herverdeling via progressieve belastingen en uitkeringen, met de afruil tussen gelijkheid en doelmatigheid.

4 Onderdelen·~13 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Standaard 2 · Verdieping 2

T·121212 / 17
Examenprofiel
Het onderscheid tussen primair, secundair en besteedbaar inkomen uitleggen (domein H).Een Lorenzcurve tekenen en aflezen als maat voor inkomensongelijkheid.De Ginicoëfficiënt berekenen en interpreteren (0 tot 1).Herverdeling via progressieve belastingen en uitkeringen analyseren en de afruil gelijkheid-doelmatigheid beoordelen.
Operatoren:berekenbepaalleg uitverklaartekenberedeneerinterpreteer

basisniveau

Voor iedereen: inkomensverdeling, de Lorenzcurve, de Ginicoëfficiënt en herverdeling horen tot domein H.

verhoogd niveau

Verdieping: de Ginicoëfficiënt uit een Lorenzcurve berekenen en de afruil tussen gelijkheid en doelmatigheid beredeneren.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Ongelijkheid en herverdeling
    • 01Inkomensverdeling: van primair naar secundair inkomen◐
    • 02De Lorenzcurve●
    • 03De Ginicoëfficiënt●
    • 04Herverdeling: belastingen, uitkeringen en de afruil◐
§ 01

Inkomensverdeling: van primair naar secundair inkomen#

●●○StandaardLPexamenblad-economie-domein-H

Van primair naar secundair inkomen

Primair en secundair inkomenTabel met 5 kolommen en 2 rijen, Gegevens: huishouden · primair inkomen · − belasting · + uitkering · secundair inkomen; laag · €10.000 · €0 · €6.000 · €16.000; hoog · €90.000 · €30.000 · €0 · €60.000HUISHOUDENPRIMAIR INKOMEN− BELASTING+ UITKERINGSECUNDAIR INKOMENlaag€10.000€0€6.000€16.000hoog€90.000€30.000€0€60.000
Afb. 1Afb. 1 — Herverdeling. Het lage inkomen gaat er door uitkeringen op vooruit, het hoge levert door belasting in: de verschillen worden kleiner (nivellering).

Kernpunten

Het primair inkomen is het inkomen dat mensen rechtstreeks uit de markt verdienen als beloning voor hun productiefactoren: loon voor arbeid, huur voor grond, rente voor kapitaal en winst voor ondernemerschap. Deze marktverdeling is vaak scheef: wie veel of schaarse productiefactoren bezit (talent, kapitaal, gewild werk), verdient veel; wie weinig te bieden heeft of niet kan werken, verdient weinig of niets. De markt is doelmatig maar zegt niets over rechtvaardigheid (§ doelmatigheid), en de primaire inkomensverdeling kan daardoor als ongewenst ongelijk worden ervaren.
De overheid grijpt in en herverdeelt. Ze heft belastingen en sociale premies (een onttrekking bij wie inkomen heeft) en keert uitkeringen en toeslagen uit (een toevoeging bij wie weinig heeft). Na deze herverdeling houd je het secundair inkomen over: het primair inkomen min de betaalde belastingen en premies, plus de ontvangen uitkeringen. Trek je daar ook de indirecte belastingen (zoals btw) en de gebonden overdrachten af of tel je de waarde van collectieve voorzieningen mee, dan kom je bij het tertiair of besteedbaar inkomen. Voor het examen zijn vooral het primair en het secundair inkomen van belang.
Herverdeling die de inkomensverschillen verkleint, heet nivellering; herverdeling of ontwikkeling die de verschillen vergroot, heet denivellering. Een progressief belastingstelsel (§4), waarin hogere inkomens een groter deel afdragen, werkt nivellerend; het verlagen van uitkeringen of van de toptarieven werkt denivellerend. Of een maatregel nivelleert, beoordeel je door te kijken of de verschillen tussen de inkomens ná de maatregel kleiner (of juist groter) zijn geworden — niet alleen absoluut, maar vooral in verhouding.
Om de mate van ongelijkheid te meten en vergelijken, heb je maatstaven nodig die de hele verdeling samenvatten. Een enkel gemiddelde volstaat niet, want twee landen met hetzelfde gemiddelde inkomen kunnen een heel verschillende spreiding hebben. Daarom gebruikt men de Lorenzcurve, die de verdeling grafisch weergeeft, en de Ginicoëfficiënt, die haar in één getal samenvat. Die twee — het onderwerp van de volgende paragrafen — maken het mogelijk de primaire en de secundaire verdeling met elkaar te vergelijken en zo het effect van herverdeling zichtbaar te maken.
secundair inkomen=primair inkomen−belasting/premies+uitkeringen\text{secundair inkomen} = \text{primair inkomen} - \text{belasting/premies} + \text{uitkeringen}secundair inkomen=primair inkomen−belasting/premies+uitkeringen

Van primair naar secundair inkomen

De herverdeling door de overheid.

Uitgewerkt voorbeeld

Nivellering beoordelen

Gebruik Afb. 1. Bereken de verhouding tussen het hoge en het lage inkomen vóór en ná herverdeling en beoordeel of er sprake is van nivellering.

  1. 01Verhouding primair

    90.00010.000=9\frac{90.000}{10.000} = 910.00090.000​=9: het hoge inkomen is 9 keer het lage.

  2. 02Verhouding secundair

    60.00016.000=3,75\frac{60.000}{16.000} = 3{,}7516.00060.000​=3,75: na herverdeling nog maar 3,75 keer zo groot.

  3. 03Beoordeling

    De verhouding daalt van 9 naar 3,75: de relatieve verschillen zijn kleiner geworden, dus er is sprake van nivellering.

Resultaat: De inkomensverhouding daalt van 9 naar 3,75 door de herverdeling: de belastingen en uitkeringen werken nivellerend.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: primair en secundair inkomen onderscheiden en de herverdeling berekenen.
  • Examendoel: nivellering en denivellering herkennen aan de verandering van de relatieve inkomensverschillen.

Veelgemaakte fouten

  • Nivellering afmeten aan absolute in plaats van relatieve verschillen; het gaat om de verhouding tussen de inkomens.
  • Primair en secundair inkomen verwarren; het secundair inkomen is na belasting én uitkeringen.

Actieve herhaling

Een laag inkomen van €12.000 ontvangt €4.000 toeslag; een hoog inkomen van €80.000 betaalt €24.000 belasting. Bereken beide secundaire inkomens en de inkomensverhouding vóór en ná herverdeling, en beoordeel de nivellering.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein H (welvaart en groei) (CvTE / Examenblad)

§ 02

De Lorenzcurve#

●●●VerdiepingLPexamenblad-economie-domein-H

Kernpunten

De Lorenzcurve geeft de inkomensverdeling grafisch weer. Op de horizontale as staat het cumulatieve percentage van de bevolking (van arm naar rijk gerangschikt), op de verticale as het cumulatieve percentage van het inkomen dat die groep samen verdient. Een punt op de curve leest zich als: ‘de armste x% van de bevolking verdient samen y% van het totale inkomen’. In Afb. 2 zie je zo'n curve onder de diagonaal doorbuigen.

De Lorenzcurve

De LorenzcurveSchaubild von volkomen gelijkheid, Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von 0 bis 100, Schaubild von Lorenzcurve, Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von 0 bis 1002040608010020406080100armste 50% → 25%volkomengelijkheidLorenzcurvecumulatief % inkomencumulatief % bevolking
Afb. 2Afb. 2 — De Lorenzcurve (illustratief, y = x²/100) buigt onder de diagonaal van volkomen gelijkheid door. De armste 50% verdient hier circa 25% van het inkomen. Het gebied tussen de lijnen meet de ongelijkheid.
De diagonaal van linksonder naar rechtsboven is de lijn van volkomen (absolute) gelijkheid: daar verdient elke x% van de bevolking precies x% van het inkomen (de armste 20% heeft 20%, de armste 50% heeft 50%, enzovoort). Hoe schever de verdeling, hoe verder de Lorenzcurve onder die diagonaal doorzakt: de armste helft verdient dan veel minder dan de helft van het inkomen. Het gebied tussen de diagonaal en de Lorenzcurve is daarmee een directe maat voor de ongelijkheid — hoe groter dat gebied, hoe ongelijker.
De Lorenzcurve begint altijd in de oorsprong (0% van de mensen heeft 0% van het inkomen) en eindigt in de rechterbovenhoek (100% heeft 100%), en loopt er tussenin bol naar beneden. Ze kan de diagonaal niet kruisen zolang je van arm naar rijk ordent. De curve is uitermate geschikt om verdelingen te vergelijken: ligt de ene curve overal binnen (dichter bij de diagonaal) dan de andere, dan is die verdeling ondubbelzinnig gelijker. Zo kun je de primaire en de secundaire inkomensverdeling in één figuur tegen elkaar afzetten en het nivellerende effect van herverdeling zien.
Uit de Lorenzcurve lees je concrete uitspraken af. In Afb. 2 verdient de armste 50% ongeveer 25% van het inkomen — duidelijk minder dan de 50% die bij volkomen gelijkheid zou horen. Kruisen twee Lorenzcurves elkaar, dan is de vergelijking niet meer eenduidig (de ene verdeling is dan aan de onderkant gelijker en aan de bovenkant ongelijker); dan heb je een samenvattend getal nodig. Dat getal is de Ginicoëfficiënt, die precies deze curve in één maat vangt — het onderwerp van de volgende paragraaf.
Uitgewerkt voorbeeld

Een Lorenzcurve aflezen

In een land verdient de armste 20% van de bevolking 5% van het inkomen, de armste 40% samen 15%, en de armste 80% samen 55%. Leg uit hoe je deze punten op een Lorenzcurve zet en wat ze over de ongelijkheid zeggen.

  1. 01Punten plaatsen

    Zet cumulatief % bevolking op de x-as en cumulatief % inkomen op de y-as: (20; 5), (40; 15), (80; 55), plus (0; 0) en (100; 100).

  2. 02Vergelijken met de diagonaal

    Bij volkomen gelijkheid zou (20; 20), (40; 40), (80; 80) gelden; de werkelijke punten liggen er ver onder.

  3. 03Interpretatie

    De armste 20% heeft maar 5% (in plaats van 20%): de curve zakt sterk door, dus de verdeling is behoorlijk ongelijk.

Resultaat: De punten (20; 5), (40; 15), (80; 55) liggen duidelijk onder de diagonaal; hoe verder de curve doorzakt, hoe ongelijker de inkomensverdeling.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een Lorenzcurve tekenen uit cumulatieve bevolkings- en inkomenspercentages en punten aflezen.
  • Examendoel: twee Lorenzcurves vergelijken en het effect van herverdeling (nivellering) zichtbaar maken.

Veelgemaakte fouten

  • Niet-cumulatieve percentages op de assen zetten; de Lorenzcurve gebruikt lopende (cumulatieve) totalen.
  • De bevolking van rijk naar arm ordenen, waardoor de curve boven de diagonaal komt te liggen; orden altijd van arm naar rijk.

Actieve herhaling

Teken (schetsmatig) de Lorenzcurve bij de verdeling: armste 20% heeft 8%, armste 60% heeft 35%, armste 80% heeft 55%. Ligt deze verdeling dichter bij of verder van volkomen gelijkheid dan die in het voorbeeld hierboven?

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein H (welvaart en groei) (CvTE / Examenblad)

§ 03

De Ginicoëfficiënt#

●●●VerdiepingLPexamenblad-economie-domein-H

Kernpunten

De Ginicoëfficiënt vat de Lorenzcurve samen in één getal tussen 0 en 1. Ze is gedefinieerd als de verhouding tussen het oppervlak tussen de diagonaal en de Lorenzcurve (gebied A) en het hele oppervlak onder de diagonaal: Gini=AA+B\text{Gini} = \frac{A}{A+B}Gini=A+BA​, waarin A+BA+BA+B de driehoek onder de diagonaal is (met oppervlak 12\tfrac{1}{2}21​ bij aslengtes van 1). Een Ginicoëfficiënt van 0 betekent volkomen gelijkheid (de Lorenzcurve valt samen met de diagonaal, A=0A=0A=0); een waarde van 1 betekent volkomen ongelijkheid (één persoon heeft alles). Hoe hoger de Gini, hoe ongelijker de verdeling.
De Ginicoëfficiënt maakt verdelingen vergelijkbaar over landen en jaren, ook als hun Lorenzcurves elkaar kruisen. Ter oriëntatie: de meeste West-Europese landen hebben na herverdeling een Gini rond de 0,25 tot 0,30, terwijl landen met grote ongelijkheid boven de 0,45 kunnen uitkomen. Omdat de Gini het effect van herverdeling vangt, is het verschil tussen de Gini van de primaire en die van de secundaire inkomensverdeling een directe maat voor hoeveel de belastingen en uitkeringen nivelleren.
Voor een verdeling in klassen (bijvoorbeeld kwintielen, groepen van 20%) bereken je de oppervlakte onder de Lorenzcurve met trapezia: je verbindt de punten met rechte lijnstukken en telt de oppervlakten van de trapezia op. Het gebied A is dan 12\tfrac{1}{2}21​ minus dat oppervlak, en de Gini is A1/2=2A\frac{A}{1/2} = 2A1/2A​=2A. In de tabel van Afb. 3 staan de kwintielen met hun (cumulatieve) inkomensaandelen; daaruit volgt via de trapeziummethode een Ginicoëfficiënt van ongeveer 0,38.

Ginicoëfficiënt uit kwintielen

KwintielverdelingTabel met 3 kolommen en 5 rijen, Gegevens: kwintiel (van arm naar rijk) · inkomensaandeel · cumulatief aandeel; 1e 20% · 5% · 5%; 2e 20% · 10% · 15%; 3e 20% · 15% · 30%; 4e 20% · 25% · 55%; 5e 20% · 45% · 100%KWINTIEL (VAN ARM NAARRIJK)INKOMENSAANDEELCUMULATIEF AANDEEL1e 20%5%5%2e 20%10%15%3e 20%15%30%4e 20%25%55%5e 20%45%100%
Afb. 3Afb. 3 — Inkomensaandelen per kwintiel (groep van 20%). Uit de cumulatieve aandelen (5, 15, 30, 55, 100) volgt via de trapeziummethode een Ginicoëfficiënt van ongeveer 0,38.
De Gini heeft ook beperkingen. Als één getal verbergt ze wáár in de verdeling de ongelijkheid zit: twee landen met dezelfde Gini kunnen een heel verschillende situatie aan de onder- of bovenkant hebben. Ook is de Gini gevoelig voor de gekozen inkomensmaat (primair, secundair, per huishouden of per persoon) en zegt ze niets over vermogensongelijkheid, die doorgaans veel groter is dan de inkomensongelijkheid. Toch is de Ginicoëfficiënt de meest gebruikte samenvattende maat, en op het examen moet je haar kunnen berekenen uit een Lorenzcurve of kwintieltabel en kunnen interpreteren.
Gini=AA+B=A1/2=2A\text{Gini} = \frac{A}{A+B} = \frac{A}{1/2} = 2AGini=A+BA​=1/2A​=2A

Ginicoëfficiënt

AAA = oppervlak tussen diagonaal en Lorenzcurve; 0 = volkomen gelijk, 1 = volkomen ongelijk.

Uitgewerkt voorbeeld

Ginicoëfficiënt berekenen uit kwintielen

Gebruik de cumulatieve inkomensaandelen uit Afb. 3 (0; 5; 15; 30; 55; 100%). Bereken met de trapeziummethode het oppervlak onder de Lorenzcurve en daaruit de Ginicoëfficiënt.

  1. 01Werk in fracties

    Bevolking in stappen van 0,2; cumulatief inkomen: 0; 0,05; 0,15; 0,30; 0,55; 1,00.

  2. 02Oppervlak onder de Lorenzcurve (B)

    B=0,2×(0+0,052+0,05+0,152+0,15+0,302+0,30+0,552+0,55+12)B = 0{,}2\times\left(\frac{0+0{,}05}{2}+\frac{0{,}05+0{,}15}{2}+\frac{0{,}15+0{,}30}{2}+\frac{0{,}30+0{,}55}{2}+\frac{0{,}55+1}{2}\right)B=0,2×(20+0,05​+20,05+0,15​+20,15+0,30​+20,30+0,55​+20,55+1​).

  3. 03Uitrekenen

    B=0,2×(0,025+0,10+0,225+0,425+0,775)=0,2×1,55=0,31B = 0{,}2\times(0{,}025+0{,}10+0{,}225+0{,}425+0{,}775) = 0{,}2\times1{,}55 = 0{,}31B=0,2×(0,025+0,10+0,225+0,425+0,775)=0,2×1,55=0,31.

  4. 04Ginicoëfficiënt

    A=0,5−0,31=0,19A = 0{,}5 - 0{,}31 = 0{,}19A=0,5−0,31=0,19; Gini=2A=2×0,19=0,38\text{Gini} = 2A = 2\times0{,}19 = 0{,}38Gini=2A=2×0,19=0,38.

Resultaat: Het oppervlak onder de Lorenzcurve is 0,31, dus A = 0,19 en de Ginicoëfficiënt is 0,38 — een matig tot vrij ongelijke verdeling.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de Ginicoëfficiënt berekenen uit een Lorenzcurve of kwintieltabel en interpreteren (0 tot 1).
  • Examendoel: het verschil tussen de Gini van de primaire en de secundaire verdeling koppelen aan het effect van herverdeling.

Veelgemaakte fouten

  • De Gini boven 1 of negatief laten uitkomen door een rekenfout; ze ligt altijd tussen 0 (volkomen gelijk) en 1 (volkomen ongelijk).
  • Vergeten dat gebied A moet worden gedeeld door de halve driehoek (½): Gini = A/(½) = 2A, niet A zelf.

Actieve herhaling

Een verdeling heeft cumulatieve inkomensaandelen 0; 8; 20; 38; 62; 100% per kwintiel. Bereken met de trapeziummethode de Ginicoëfficiënt en vergelijk de ongelijkheid met die in het voorbeeld (Gini 0,38).

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein H (welvaart en groei) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Herverdeling: belastingen, uitkeringen en de afruil#

●●○StandaardLPexamenblad-economie-domein-H

Kernpunten

Het belangrijkste herverdelingsinstrument is de progressieve inkomstenbelasting: het gemiddelde belastingtarief stijgt met het inkomen, zodat hogere inkomens een groter déél van hun inkomen afdragen. Dat komt door een schijvenstelsel met oplopende marginale tarieven: over elke volgende inkomensschijf betaal je een hoger percentage. In Afb. 4 stijgt daardoor het gemiddelde tarief met het inkomen. Een proportioneel (vlak) tarief laat iedereen hetzelfde percentage betalen en herverdeelt minder; een degressief tarief (waarbij het percentage daalt) zou juist denivelleren.

Progressief belastingtarief

Progressieve belastingSchaubild von gemiddeld tarief, Nullstellen bei x = 15, steigend, im Bereich x von 15 bis 602030405060510152025303540€20k → 10%€40k → 25%gemiddeld tariefgemiddeld tarief (%)inkomen (× €1000)
Afb. 4Afb. 4 — Bij een progressief stelsel stijgt het gemiddelde belastingtarief met het inkomen (hier illustratief 40 − 600/inkomen, met inkomen in duizenden euro's): hogere inkomens dragen een groter deel af.
Bij de belasting hoort het onderscheid tussen het marginale en het gemiddelde tarief. Het marginale tarief is het percentage dat je over de laatste (volgende) euro betaalt; het gemiddelde tarief is de totale belasting gedeeld door het totale inkomen. Bij een progressief stelsel ligt het marginale tarief boven het gemiddelde, en trekt het hoge marginale toptarief het gemiddelde omhoog. Voor keuzes (extra werken, een loonsverhoging) telt het marginale tarief, want dat bepaalt hoeveel je van elke extra euro overhoudt.
Aan de uitgavenkant herverdeelt de overheid via uitkeringen (bijstand, AOW, WW), toeslagen (zorg, huur, kinderopvang) en collectieve voorzieningen (onderwijs, zorg) waar vooral lagere inkomens relatief van profiteren. Samen met de progressieve belasting verkleinen deze overdrachten de inkomensverschillen: de secundaire inkomensverdeling is gelijker (lagere Gini) dan de primaire. De rechtvaardiging voor herverdeling ligt in het draagkrachtbeginsel (de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten) en in de wens iedereen een bestaansminimum te garanderen.
Herverdeling kent echter een afruil tussen gelijkheid en doelmatigheid. Hoge belastingen en royale uitkeringen kunnen de prikkel om te werken, te investeren of te ondernemen verzwakken: als je van elke extra euro maar weinig overhoudt of je uitkering verliest zodra je gaat werken (de armoedeval), loont extra inspanning minder. Meer gelijkheid kan zo ten koste gaan van de economische doelmatigheid en groei. De politiek zoekt daarom een balans: genoeg herverdeling voor een rechtvaardige en stabiele samenleving, maar niet zoveel dat de prikkels en daarmee de welvaart als geheel te sterk worden aangetast. Deze afweging tussen efficiëntie en rechtvaardigheid is een van de kernvragen van de economische politiek.
gemiddeld tarief=totale belastinginkomen,marginaal tarief=ΔbelastingΔinkomen\text{gemiddeld tarief} = \frac{\text{totale belasting}}{\text{inkomen}},\qquad \text{marginaal tarief} = \frac{\Delta \text{belasting}}{\Delta \text{inkomen}}gemiddeld tarief=inkomentotale belasting​,marginaal tarief=ΔinkomenΔbelasting​

Gemiddeld en marginaal tarief

Bij een progressief stelsel stijgt het gemiddelde tarief met het inkomen en ligt het marginale erboven.

Uitgewerkt voorbeeld

Gemiddeld en marginaal tarief in een schijvenstelsel

In een schijvenstelsel geldt: over de eerste €30.000 een tarief van 20%, over het meerdere 45%. Bereken voor iemand met een inkomen van €50.000 de totale belasting, het gemiddelde tarief en het marginale tarief.

  1. 01Belasting eerste schijf

    0,20×30.000= EUR6.0000{,}20\times30.000 =\,\text{EUR}6.0000,20×30.000=EUR6.000.

  2. 02Belasting tweede schijf

    Over de resterende 50.000−30.000= EUR20.00050.000 - 30.000 =\,\text{EUR}20.00050.000−30.000=EUR20.000: 0,45×20.000= EUR9.0000{,}45\times20.000 =\,\text{EUR}9.0000,45×20.000=EUR9.000.

  3. 03Totale belasting en gemiddeld tarief

    6.000+9.000= EUR15.0006.000 + 9.000 =\,\text{EUR}15.0006.000+9.000=EUR15.000; gemiddeld tarief 15.00050.000=30%\frac{15.000}{50.000} = 30\%50.00015.000​=30%.

  4. 04Marginaal tarief

    Over de laatste (volgende) euro betaalt hij 45%: het marginale tarief is 45%, hoger dan het gemiddelde (30%).

Resultaat: De totale belasting is €15.000, het gemiddelde tarief 30% en het marginale tarief 45%; het progressieve stelsel laat het gemiddelde tarief onder het marginale liggen.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: progressieve, proportionele en degressieve belasting onderscheiden en het gemiddelde en marginale tarief berekenen.
  • Examendoel: de afruil tussen gelijkheid en doelmatigheid (prikkels, armoedeval) beredeneren.

Veelgemaakte fouten

  • Het toptarief over het hele inkomen berekenen in plaats van alleen over de bovenste schijf; alleen het meerdere valt in de hoge schijf.
  • Marginaal en gemiddeld tarief verwarren; voor de beslissing om extra te werken telt het marginale tarief.

Actieve herhaling

In een stelsel geldt 25% over de eerste €40.000 en 50% over het meerdere. Bereken voor een inkomen van €70.000 de totale belasting, het gemiddelde en het marginale tarief, en leg uit of dit stelsel nivellerend werkt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein H (welvaart en groei) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Inkomensverdeling: van primair naar secundair inkomen◐
    • 02De Lorenzcurve●
    • 03De Ginicoëfficiënt●
    • 04Herverdeling: belastingen, uitkeringen en de afruil◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Ongelijkheid en herverdeling

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~13
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma economie vwo — domein H (welvaart en groei)

Vorig onderwerp

Welvaart, structurele groei en welzijn

Volgend onderwerp

Arbeidsmarkt en werkloosheid

EuraStudy·Samenvattingen T·12·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.