EuraStudy
Samenvattingen/Economie/Conjunctuur en conjunctuurverschijnselen
Samenvattingen · EconomieNL · VWO

Conjunctuur en conjunctuurverschijnselen

De economie groeit niet gelijkmatig maar schommelt rond haar trend: de conjunctuur. Dit onderwerp behandelt het onderscheid tussen conjunctuur en trend, de bestedingen die de effectieve vraag vormen, het multipliereffect waarmee een bestedingsimpuls doorwerkt, en de output gap met over- en onderbesteding als bron van inflatie respectievelijk werkloosheid.

4 Onderdelen·~13 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Standaard 2 · Verdieping 2

T·141414 / 17
Examenprofiel
Conjunctuur en trend onderscheiden en de fasen van de conjunctuurgolf herkennen (domein I).De bestedingscomponenten (C, I, O, X − M) benoemen en de effectieve vraag berekenen.De multiplier berekenen en het multipliereffect van een bestedingsimpuls bepalen.Over- en onderbesteding koppelen aan de output gap en aan inflatie respectievelijk werkloosheid.
Operatoren:berekenbepaalleg uitverklaarberedeneerinterpreteerteken

basisniveau

Voor iedereen: conjunctuur, bestedingen, de multiplier en over-/onderbesteding horen tot domein I (goede en slechte tijden).

verhoogd niveau

Verdieping: de multiplier afleiden uit de marginale consumptiequote en de output gap koppelen aan beleid.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Conjunctuur en conjunctuurverschijnselen
    • 01Conjunctuur en trend◐
    • 02Bestedingen en de effectieve vraag◐
    • 03De multiplier●
    • 04Output gap: over- en onderbesteding●
§ 01

Conjunctuur en trend#

●●○StandaardLPexamenblad-economie-domein-I

Kernpunten

De feitelijke productie van een economie schommelt van jaar tot jaar rond een langzaam stijgende lijn. Die stijgende lijn is de trend: de structurele, langetermijngroei van de productiecapaciteit (§ welvaart en groei). De schommelingen eromheen zijn de conjunctuur: de golfbeweging van goede en slechte tijden op de korte en middellange termijn. In Afb. 1 zie je de feitelijke bbp-lijn om de trendlijn heen golven — afwisselend erboven (goede tijden) en eronder (slechte tijden).

Conjunctuur rond de trend

De conjunctuurgolfSchaubild von trend, y-Achsenabschnitt bei y = 100, steigend, im Bereich x von 0 bis 20, Schaubild von feitelijk bbp, Hochpunkt bei (1.823, 117.089), Tiefpunkt bei (4.46, 101.76), Hochpunkt bei (8.107, 135.939), Tiefpunkt bei (10.743, 120.61), Hochpunkt bei (14.39, 154.788), Tiefpunkt bei (17.026, 139.459), y-Achsenabschnitt bei y = 100, im Bereich x von 0 bis 20510152080100120140160180trendfeitelijk bbpbbp (index)tijd (jaren)
Afb. 1Afb. 1 — Het feitelijke bbp (golvend) schommelt rond de stijgende trend (structurele groei). Boven de trend heerst hoogconjunctuur, eronder laagconjunctuur.
De conjunctuurgolf kent vier fasen. In de opgaande fase (herstel/expansie) groeit de productie sneller dan de trend, dalen de werkloosheid en stijgt het vertrouwen. In de top (hoogconjunctuur) draait de economie op volle toeren, met krapte op de arbeidsmarkt en oplopende inflatie. In de neergaande fase (recessie) groeit de productie trager of krimpt ze, loopt de werkloosheid op en daalt het vertrouwen. In het dal (laagconjunctuur) is de bedrijvigheid het laagst. Daarna begint de cyclus opnieuw. Van een recessie spreekt men doorgaans bij twee opeenvolgende kwartalen van krimp.
Het onderscheid tussen conjunctuur en trend is cruciaal voor de diagnose en het beleid. Conjuncturele schommelingen worden vooral gedreven door de vraagkant — de bestedingen (§2) — en zijn met stabilisatiebeleid te beïnvloeden: in slechte tijden de vraag stimuleren, in goede tijden afremmen. De trend wordt gedreven door de aanbodkant — productiefactoren en productiviteit — en vraagt om structuurbeleid (scholing, innovatie, investeringen). Een conjunctureel probleem los je niet met structuurbeleid op, en omgekeerd; het herkennen van het soort probleem bepaalt het juiste antwoord.
De conjunctuur is zichtbaar in veel samenhangende grootheden, de conjunctuurindicatoren. Meebewegend met de conjunctuur (procyclisch) zijn onder meer de bedrijfswinsten, de investeringen en de bezettingsgraad; tegen de conjunctuur in (anticyclisch) beweegt de werkloosheid. Sommige indicatoren lopen vooruit (vertrouwensindexen, beurskoersen, orderportefeuilles) en helpen een omslag te voorspellen; andere lopen achter (werkloosheid). Door deze indicatoren te volgen, proberen beleidsmakers de conjunctuur tijdig te lezen — al blijft het voorspellen van de omslagpunten notoir lastig.
Uitgewerkt voorbeeld

De conjunctuurfase bepalen

In een land groeit het reële bbp dit jaar met 4% terwijl de trendmatige groei 2% is; de werkloosheid daalt snel en de inflatie loopt op. Bepaal in welke fase van de conjunctuur het land zit en wat passend beleid is.

  1. 01Vergelijk met de trend

    De groei (4%) ligt boven de trend (2%): de productie stijgt sneller dan structureel mogelijk, dus het bbp beweegt richting of boven de trendlijn.

  2. 02Symptomen

    Dalende werkloosheid en oplopende inflatie wijzen op krapte: hoogconjunctuur (top of opgaande fase richting de top).

  3. 03Passend beleid

    Afremmend (anticyclisch) beleid: de bestedingen dempen om oververhitting en inflatie te voorkomen.

Resultaat: Het land bevindt zich in een hoogconjunctuur (boven de trend); passend is afremmend, anticyclisch beleid om oververhitting en inflatie te beteugelen.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: conjunctuur en trend onderscheiden en de fase van de conjunctuurgolf bepalen.
  • Examendoel: procyclische en anticyclische indicatoren herkennen en aan een conjunctuurfase koppelen.

Veelgemaakte fouten

  • Conjuncturele schommelingen verwarren met structurele (trend)groei; conjunctuur is de golf om de trend heen.
  • De werkloosheid als procyclisch zien; ze beweegt juist tegen de conjunctuur in (anticyclisch).

Actieve herhaling

Beschrijf de vier fasen van de conjunctuurgolf en geef voor elke fase aan wat er met de productiegroei, de werkloosheid en de inflatie gebeurt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein I (conjunctuur) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Bestedingen en de effectieve vraag#

●●○StandaardLPexamenblad-economie-domein-I

Kernpunten

De conjunctuur wordt op de korte termijn vooral gedreven door de effectieve vraag: het totaal van de bestedingen in de economie. Die bestaat uit vier componenten: de consumptie door huishoudens (CCC), de investeringen door bedrijven (III), de overheidsbestedingen (OOO) en het saldo van export en import (X−MX - MX−M, de netto-uitvoer). Samen vormen ze de effectieve vraag: EV=C+I+O+(X−M)EV = C + I + O + (X - M)EV=C+I+O+(X−M). Dit is dezelfde bestedingsbenadering van het bbp uit het welvaartshoofdstuk. Afb. 2 zet de componenten op een rij.

De componenten van de effectieve vraag

Effectieve vraagTabel met 3 kolommen en 5 rijen, Gegevens: component · symbool · waarde (mld €); consumptie · C · 300; investeringen · I · 80; overheidsbestedingen · O · 120; netto-uitvoer · X − M · 10; effectieve vraag · EV · 610, gemarkeerde cel: 610COMPONENTSYMBOOLWAARDE (MLD €)consumptieC300investeringenI80overheidsbestedingenO120netto-uitvoerX − M10effectieve vraagEV610
Afb. 2Afb. 2 — De effectieve vraag als som van consumptie, investeringen, overheidsbestedingen en de netto-uitvoer: 300 + 80 + 120 + (100 − 90) = 610.
De grootste en meest stabiele component is de consumptie, die vooral afhangt van het besteedbaar inkomen: hoe meer mensen te besteden hebben, hoe meer ze consumeren. Het deel van een extra euro inkomen dat wordt geconsumeerd, heet de marginale consumptiequote; de rest wordt gespaard (de marginale spaarquote). De investeringen zijn veel grilliger: ze hangen af van de rente, de winstverwachtingen en het vertrouwen, en schommelen daardoor sterk mee met de conjunctuur — ze zijn een belangrijke aanjager van de golfbeweging.
De overheidsbestedingen en de netto-uitvoer maken het beeld compleet. De overheid kan haar bestedingen bewust inzetten om de conjunctuur te sturen (§ begrotingsbeleid). De netto-uitvoer hangt af van de conjunctuur in het buitenland en van de concurrentiepositie (wisselkoers, loonkosten): trekt het buitenland aan, dan stijgt de export en daarmee de effectieve vraag. Omdat import juist een onttrekking is (bestedingen die naar het buitenland weglekken), telt alleen het sáldo X−MX - MX−M mee in de binnenlandse effectieve vraag.
In het bestedingsmodel is de productie vraaggestuurd: bedrijven produceren wat er wordt gevraagd. Neemt de effectieve vraag toe, dan stijgt de productie (en dalen de voorraden); neemt ze af, dan krimpt de productie en loopt de werkloosheid op. Dit is de kern van het keynesiaanse denken over conjunctuur: op de korte termijn bepaalt de vraag de bedrijvigheid, en een tekort aan bestedingen veroorzaakt conjuncturele werkloosheid. Bovendien werkt een verandering in de bestedingen versterkt door in de economie — het multipliereffect van de volgende paragraaf.
EV=C+I+O+(X−M)EV = C + I + O + (X - M)EV=C+I+O+(X−M)

Effectieve vraag

De som van de bestedingen; alleen de netto-uitvoer (X − M) telt mee.

marginale consumptiequote c=ΔCΔY,c+s=1\text{marginale consumptiequote } c = \frac{\Delta C}{\Delta Y},\qquad c + s = 1marginale consumptiequote c=ΔYΔC​,c+s=1

Consumptie- en spaarquote

Het deel van een extra euro inkomen dat wordt geconsumeerd (ccc) of gespaard (sss).

Uitgewerkt voorbeeld

Effectieve vraag berekenen

Van een economie is bekend: consumptie €300 mld, investeringen €80 mld, overheidsbestedingen €120 mld, export €100 mld en import €90 mld. Bereken de effectieve vraag en leg uit waarom import wordt afgetrokken.

  1. 01Netto-uitvoer

    X−M=100−90= EUR10X - M = 100 - 90 =\,\text{EUR}10X−M=100−90=EUR10 mld.

  2. 02Effectieve vraag

    EV=C+I+O+(X−M)=300+80+120+10= EUR610EV = C + I + O + (X - M) = 300 + 80 + 120 + 10 =\,\text{EUR}610EV=C+I+O+(X−M)=300+80+120+10=EUR610 mld.

  3. 03Waarom import eraf

    Import zijn bestedingen die naar buitenlandse producenten weglekken; alleen de binnenlandse productie telt, dus je trekt de import van de export af.

Resultaat: De effectieve vraag is €610 mld; de import wordt afgetrokken omdat die bestedingen naar het buitenland weglekken en geen binnenlandse productie aanjagen.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de effectieve vraag berekenen uit de bestedingscomponenten C + I + O + (X − M).
  • Examendoel: de marginale consumptie- en spaarquote gebruiken en de rol van de investeringen in de conjunctuur uitleggen.

Veelgemaakte fouten

  • De volledige export én import optellen in plaats van alleen het saldo (X − M) mee te tellen.
  • De consumptiequote als een absoluut bedrag zien in plaats van als het déél van een extra euro inkomen dat wordt geconsumeerd.

Actieve herhaling

In een economie is C = €400 mld, I = €90 mld, O = €140 mld, X = €130 mld en M = €120 mld. Bereken de effectieve vraag. Wat gebeurt er met de effectieve vraag als de investeringen door dalend vertrouwen met €20 mld afnemen?

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein I (conjunctuur) (CvTE / Examenblad)

§ 03

De multiplier#

●●●VerdiepingLPexamenblad-economie-domein-I

Kernpunten

Een verandering in de bestedingen werkt versterkt door in de economie: dat is het multipliereffect. De redenering verloopt in rondes. Geeft de overheid €200 miljoen extra uit, dan is dat inkomen voor de ontvangers; die besteden daarvan een deel (de marginale consumptiequote) weer, wat opnieuw inkomen voor anderen is, die dáár weer een deel van besteden, enzovoort. Elke ronde is kleiner dan de vorige, maar samen tellen ze op tot een veelvoud van de oorspronkelijke impuls. Afb. 3 toont deze steeds kleiner wordende bestedingsrondes.

De bestedingsrondes van de multiplier

MultiplierprocesTabel met 2 kolommen en 6 rijen, Gegevens: ronde · extra besteding (mln €); 1 (impuls) · 200; 2 · 150; 3 · 112.5; 4 · 84.4; … · …; totaal · 800, gemarkeerde cel: 800RONDEEXTRA BESTEDING (MLN€)1 (impuls)20021503112.5484.4……totaal800
Afb. 3Afb. 3 — Multiplierproces bij c = 0,75. Elke ronde is 75% van de vorige; de rondes tellen op tot 200 / (1 − 0,75) = €800 mln, een multiplier van 4.
De multiplier is de factor waarmee je de oorspronkelijke bestedingsimpuls vermenigvuldigt om de totale toename van het bbp te vinden. In het eenvoudigste model is de multiplier 11−c\frac{1}{1 - c}1−c1​, waarin ccc de marginale consumptiequote is. Bij c=0,75c = 0{,}75c=0,75 is de multiplier 11−0,75=10,25=4\frac{1}{1 - 0{,}75} = \frac{1}{0{,}25} = 41−0,751​=0,251​=4: een impuls van €200 miljoen verhoogt het bbp uiteindelijk met €800 miljoen. Hoe groter de consumptiequote (hoe meer er per ronde wordt doorbesteed), hoe groter de multiplier; hoe meer er weglekt naar sparen, hoe kleiner.
In werkelijkheid lekt er per ronde niet alleen naar sparen weg, maar ook naar belastingen en import. Deze onttrekkingen verkleinen de multiplier, want het weggelekte deel jaagt geen binnenlandse bestedingen meer aan. De algemene vorm is 11−c′\frac{1}{1 - c'}1−c′1​ met c′c'c′ het deel van een extra euro inkomen dat bínnenlands wordt doorbesteed (na aftrek van sparen, belasting en import). Hoe opener de economie en hoe hoger de belastingen, hoe kleiner de multiplier — maar het effect blijft: een bestedingsimpuls versterkt zichzelf.
De multiplier is het theoretische fundament onder het conjunctuurbeleid. Hij verklaart waarom een relatief kleine bestedingsimpuls (of -daling) een veel groter effect op de bedrijvigheid kan hebben, en waarom de overheid met gericht uitgavenbeleid de conjunctuur kan sturen (§ begrotingsbeleid). Hij werkt echter beide kanten op: net zoals extra bestedingen zich versterken tot groei, kan een terugval in de bestedingen (bijvoorbeeld door dalend vertrouwen of bezuinigingen) zich versterken tot een neerwaartse spiraal. Dit inzicht — dat vraaguitval zichzelf kan versterken — is de kern van de keynesiaanse conjunctuurtheorie.
multiplier=11−c\text{multiplier} = \frac{1}{1 - c}multiplier=1−c1​

Eenvoudige multiplier

ccc = marginale consumptiequote; hoe hoger ccc, hoe groter de multiplier.

Δbbp=multiplier×Δbestedingsimpuls\Delta \text{bbp} = \text{multiplier} \times \Delta \text{bestedingsimpuls}Δbbp=multiplier×Δbestedingsimpuls

Totaal effect

De totale bbp-toename is de impuls maal de multiplier.

Uitgewerkt voorbeeld

Multiplier en totaal effect berekenen

De marginale consumptiequote is 0,75. De overheid verhoogt haar bestedingen met €200 miljoen. Bereken de multiplier en de totale toename van het bbp.

  1. 01Multiplier

    11−c=11−0,75=10,25=4\frac{1}{1 - c} = \frac{1}{1 - 0{,}75} = \frac{1}{0{,}25} = 41−c1​=1−0,751​=0,251​=4.

  2. 02Totale toename bbp

    Δbbp=4×200= EUR800\Delta \text{bbp} = 4 \times 200 =\,\text{EUR}800Δbbp=4×200=EUR800 miljoen.

  3. 03Interpretatie

    De impuls van €200 mln zet een keten van bestedingen in gang die het bbp uiteindelijk met €800 mln verhoogt — vier keer de oorspronkelijke uitgave.

Resultaat: De multiplier is 4; de bestedingsimpuls van €200 miljoen verhoogt het bbp met €800 miljoen.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de multiplier berekenen uit de marginale consumptiequote en het totale bestedingseffect bepalen.
  • Examendoel: uitleggen hoe onttrekkingen (sparen, belasting, import) de multiplier verkleinen.

Veelgemaakte fouten

  • De multiplier berekenen als 1/c in plaats van 1/(1 − c).
  • Vergeten dat een grotere spaar-, belasting- of importquote de multiplier verkleint (meer weglek per ronde).

Actieve herhaling

De marginale consumptiequote is 0,6. De export stijgt met €150 miljoen. Bereken de multiplier en de totale toename van het bbp, en leg uit wat er gebeurt met de multiplier als een deel van het extra inkomen naar import weglekt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein I (conjunctuur) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Output gap: over- en onderbesteding#

●●●VerdiepingLPexamenblad-economie-domein-I

Kernpunten

De output gap is het verschil tussen de feitelijke productie en de potentiële productie (de trend, de capaciteit die de economie structureel aankan). Een positieve output gap betekent dat de economie boven haar capaciteit draait: er is overbesteding, de effectieve vraag is groter dan wat duurzaam geproduceerd kan worden. Een negatieve output gap betekent onderbesteding: de vraag blijft achter bij de capaciteit, zodat productiefactoren onbenut blijven. Afb. 4 koppelt de twee situaties aan hun gevolgen.

Output gap en gevolgen

Over- en onderbestedingTabel met 4 kolommen en 3 rijen, Gegevens: situatie · output gap · gevolg · passend beleid; overbesteding · positief · inflatie, krapte · afremmen (restrictief); bij trend · ≈ 0 · prijsstabiliteit · neutraal; onderbesteding · negatief · werkloosheid · stimuleren (expansief)SITUATIEOUTPUT GAPGEVOLGPASSEND BELEIDoverbestedingpositiefinflatie, krapteafremmen (restrictief)bij trend≈ 0prijsstabiliteitneutraalonderbestedingnegatiefwerkloosheidstimuleren (expansief)
Afb. 4Afb. 4 — De output gap. Overbesteding (positieve gap) geeft inflatie, onderbesteding (negatieve gap) geeft conjuncturele werkloosheid; stabilisatiebeleid houdt de gap klein.
Bij overbesteding (positieve output gap, hoogconjunctuur) is de vraag groter dan het aanbod bij het huidige prijspeil. Bedrijven kunnen niet onbeperkt méér produceren — de arbeidsmarkt en de capaciteit zitten aan hun grenzen — dus de extra vraag drijft vooral de prijzen op: er ontstaat bestedingsinflatie. De werkloosheid is laag (onder haar structurele niveau) en de arbeidsmarkt is krap. Het risico is oververhitting, met een loon-prijsspiraal.
Bij onderbesteding (negatieve output gap, laagconjunctuur) is de effectieve vraag te klein om alle productiefactoren te benutten. Bedrijven produceren minder, ontslaan personeel en de conjuncturele werkloosheid loopt op; de inflatie is laag of er dreigt zelfs deflatie. Dit is de situatie waarin het bestedingsmodel zijn scherpste conclusie trekt: een tekort aan vraag houdt de economie onder haar mogelijkheden, en zonder ingrijpen kan die toestand aanhouden omdat lonen en prijzen traag dalen.
De output gap is daarmee de brug tussen de conjunctuuranalyse en het beleid. Bij onderbesteding is stimulerend (expansief) beleid gepast: de overheid verhoogt haar bestedingen of verlaagt de belastingen (§ begrotingsbeleid) en de centrale bank verlaagt de rente (§ monetair beleid), zodat de effectieve vraag — via de multiplier — stijgt en de gap sluit. Bij overbesteding is afremmend (restrictief) beleid gepast om de inflatie te beteugelen. Het doel van stabilisatiebeleid is de output gap klein te houden: de conjunctuurgolf dempen, zodat de economie dicht bij haar potentieel en bij prijsstabiliteit blijft.
output gap=feitelijk bbp−potentieel bbp\text{output gap} = \text{feitelijk bbp} - \text{potentieel bbp}output gap=feitelijk bbp−potentieel bbp

Output gap

Positief = overbesteding (inflatierisico); negatief = onderbesteding (werkloosheid).

Uitgewerkt voorbeeld

Onderbesteding diagnosticeren en beleid kiezen

Het potentiële bbp van een land is €700 mld, het feitelijke bbp €665 mld. De werkloosheid loopt op en de inflatie is bijna nul. Bereken de output gap, benoem de situatie en geef het passende beleid.

  1. 01Output gap

    665−700=− EUR35665 - 700 = -\,\text{EUR}35665−700=−EUR35 mld (ongeveer −5%-5\%−5% van het potentieel): een negatieve output gap.

  2. 02Situatie

    De vraag blijft achter bij de capaciteit: onderbesteding (laagconjunctuur), met oplopende conjuncturele werkloosheid en lage inflatie.

  3. 03Passend beleid

    Expansief beleid: de overheid verhoogt de bestedingen of verlaagt de belastingen en/of de centrale bank verlaagt de rente, zodat de effectieve vraag stijgt en de gap sluit.

Resultaat: De output gap is −€35 mld (onderbesteding); passend is stimulerend beleid dat via de multiplier de effectieve vraag verhoogt en de werkloosheid vermindert.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de output gap berekenen en koppelen aan over- of onderbesteding en de gevolgen (inflatie/werkloosheid).
  • Examendoel: het passende stabilisatiebeleid bij een positieve of negatieve output gap bepalen.

Veelgemaakte fouten

  • Overbesteding aan werkloosheid en onderbesteding aan inflatie koppelen; het is precies andersom.
  • Bij onderbesteding afremmend beleid voorstellen; dan is juist stimulering nodig om de gap te sluiten.

Actieve herhaling

Het feitelijke bbp is €820 mld en het potentiële bbp €790 mld; de inflatie loopt op. Bereken de output gap, benoem de situatie en geef aan welk beleid past.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein I (conjunctuur) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Conjunctuur en trend◐
    • 02Bestedingen en de effectieve vraag◐
    • 03De multiplier●
    • 04Output gap: over- en onderbesteding●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Conjunctuur en conjunctuurverschijnselen

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~13
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma economie vwo — domein I (conjunctuur)

Vorig onderwerp

Arbeidsmarkt en werkloosheid

Volgend onderwerp

Begrotingsbeleid

EuraStudy·Samenvattingen T·14·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.