EuraStudy
Samenvattingen/Bedrijfseconomie/Verslaggeving en jaarrekening
Samenvattingen · BedrijfseconomieNL · VWO

Verslaggeving en jaarrekening

In de externe verslaggeving legt een onderneming aan de buitenwereld verantwoording af over haar financiële positie en resultaat. Dit onderwerp behandelt de balans en de resultatenrekening als kern van de jaarrekening, en de kengetallen waarmee je die beoordeelt: de liquiditeit (current ratio, quick ratio, werkkapitaal), de solvabiliteit en de rentabiliteit (REV, RTV, RVV) met het hefboomeffect. De rode draad is: uit de cijfers lees je af of een onderneming op korte termijn kan betalen, op lange termijn overeind blijft en genoeg verdient.

5 Onderdelen·~17 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3 · Verdieping 1

T·121212 / 16
Examenprofiel
Een balans en een resultatenrekening opstellen en lezen (domein G).De liquiditeit berekenen en beoordelen (current ratio, quick ratio, werkkapitaal).De solvabiliteit berekenen en interpreteren.De rentabiliteit (REV, RTV, RVV) berekenen en het hefboomeffect verklaren.
Operatoren:berekenbepaalbeoordeelinterpreteerleg uitverklaar

basisniveau

Voor iedereen: de balans, de resultatenrekening en de kengetallen liquiditeit, solvabiliteit en rentabiliteit horen tot de kern van de verslaggeving.

verhoogd niveau

Verdieping: de kengetallen aan normen en aan elkaar koppelen, en het hefboomeffect met REV, RTV en RVV doorrekenen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 5 onderdelen▾
  1. Verslaggeving en jaarrekening
    • 01De balans○
    • 02De resultatenrekening◐
    • 03Liquiditeit◐
    • 04Solvabiliteit◐
    • 05Rentabiliteit en het hefboomeffect●
§ 01

De balans#

●○○BasisLPexamenblad-bedrijfseconomie-domein-G

Kernpunten

De balans is een momentopname van de financiële positie van een onderneming op een bepaald tijdstip (meestal 31 december). Links (debet) staan de bezittingen (activa), rechts (credit) staat het vermogen waarmee die zijn gefinancierd: het eigen vermogen en het vreemd vermogen (samen de passiva). De gouden regel blijft: de totale activa zijn gelijk aan het totale vermogen — debet = credit. In Afb. 1 zie je een balans met €360.000 aan beide zijden. De balans is een voorraadgrootheid: een stand op één moment, geen stroom over een periode.

De balans

BalansTabel met 4 kolommen en 6 rijen, Gegevens: activa (debet) · € · passiva (credit) · €; gebouwen · 150000 · eigen vermogen · 180000; machines · 90000 · hypothecaire lening · 100000; voorraden · 60000 · crediteuren · 50000; debiteuren · 40000 · kort krediet · 30000; bank · 20000 · · ; totaal · 360000 · totaal · 360000, gemarkeerde cel: 360000ACTIVA (DEBET)€PASSIVA (CREDIT)€gebouwen150000eigen vermogen180000machines90000hypothecaire lening100000voorraden60000crediteuren50000debiteuren40000kort krediet30000bank20000totaal360000totaal360000
Afb. 1Afb. 1 — De balans per 31 december. Activa (€360.000) = eigen vermogen + vreemd vermogen (€360.000). Links van vast naar vlot, rechts van permanent naar kort.
De activazijde is geordend van vast naar vlot. Bovenaan de vaste activa (gebouwen, machines): bezittingen die meerdere jaren meegaan en waarop wordt afgeschreven. Daaronder de vlottende activa (voorraden, debiteuren): bezittingen die binnen een jaar in geld worden omgezet. Onderaan de liquide middelen (kas, bank): het geld zelf. Deze volgorde — van moeilijk naar makkelijk in geld om te zetten — is precies wat je nodig hebt om de liquiditeit te beoordelen: hoe snel kan een bezitting geld worden om schulden te betalen?
De passivazijde is geordend naar de tijd dat het vermogen beschikbaar is. Bovenaan het eigen vermogen (permanent, van de eigenaren). Daaronder het lang vreemd vermogen (leningen langer dan een jaar, zoals een hypothecaire lening). Onderaan het kort vreemd vermogen (schulden korter dan een jaar: crediteuren, te betalen belasting, rekening-courantkrediet). Zo lees je van de passivazijde direct af hoeveel van het vermogen langdurig en risicodragend beschikbaar is (eigen en lang vreemd) en hoeveel op korte termijn moet worden terugbetaald.
De balans is samen met de resultatenrekening de kern van de jaarrekening: het externe verslag waarmee de onderneming zich verantwoordt tegenover aandeelhouders, banken, de Belastingdienst en andere belanghebbenden. Grotere ondernemingen zijn wettelijk verplicht een jaarrekening te publiceren, vaak met een toelichting en een accountantscontrole. De balans en de resultatenrekening zijn niet alleen een verplichting maar ook een stuurmiddel: uit de standen en de stromen bereken je de kengetallen die in de volgende paragrafen de gezondheid van de onderneming meten.
totale activa=eigen vermogen+vreemd vermogen\text{totale activa}=\text{eigen vermogen}+\text{vreemd vermogen}totale activa=eigen vermogen+vreemd vermogen

Balansevenwicht

Debet = credit; de balans is altijd in evenwicht.

Uitgewerkt voorbeeld

Een ontbrekende balanspost bepalen

Van een onderneming zijn bekend: gebouwen €150.000, machines €90.000, voorraden €60.000, debiteuren €40.000 en bank €20.000. Het vreemd vermogen is €180.000. Bereken het eigen vermogen en toon aan dat de balans in evenwicht is.

  1. 01Totale activa

    150.000+90.000+60.000+40.000+20.000= EUR360.000150.000+90.000+60.000+40.000+20.000=\,\text{EUR}360.000150.000+90.000+60.000+40.000+20.000=EUR360.000.

  2. 02Eigen vermogen

    360.000−180.000= EUR180.000360.000-180.000=\,\text{EUR}180.000360.000−180.000=EUR180.000 (activa − vreemd vermogen).

  3. 03Controle

    Credit = 180.000180.000180.000 EV + 180.000180.000180.000 VV =  EUR360.000\,\text{EUR}360.000EUR360.000 = totale activa. Debet = credit, dus de balans klopt.

Resultaat: Het eigen vermogen is €180.000; de balans is in evenwicht met €360.000 aan beide zijden.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een balans opstellen en lezen met de activa in de juiste volgorde (vast → vlot) en de passiva (permanent → kort).
  • Examendoel: een ontbrekende post (meestal het eigen vermogen) berekenen en aantonen dat debet = credit.

Veelgemaakte fouten

  • De balans (een stand op een moment) verwarren met de resultatenrekening (een stroom over een periode).
  • De activa en passiva niet in de juiste volgorde zetten, waardoor de kengetallen (liquiditeit) lastig af te lezen zijn.

Actieve herhaling

Stel de balans op van een onderneming met: machines €120.000, voorraden €45.000, debiteuren €25.000, bank €10.000, een hypothecaire lening €90.000 en crediteuren €35.000. Bereken het eigen vermogen en controleer het evenwicht.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein G (verslaggeving) (CvTE / Examenblad)

§ 02

De resultatenrekening#

●●○StandaardLPexamenblad-bedrijfseconomie-domein-G

Kernpunten

De resultatenrekening (of winst-en-verliesrekening) zet de opbrengsten en de kosten van een hele periode tegenover elkaar en berekent het resultaat: de winst of het verlies. Anders dan de balans is dit een stroomgrootheid: geen stand op een moment, maar een optelsom over een jaar. Ze begint bij de omzet, trekt de inkoopwaarde van de omzet af tot de brutowinst, en trekt daarna de overige bedrijfskosten en de interest af tot de winst. In Afb. 2 leidt een omzet van €500.000 tot een winst voor belasting van €41.000.

De resultatenrekening

ResultatenrekeningTabel met 2 kolommen en 7 rijen, Gegevens: post · bedrag (€); omzet · 500000; af: inkoopwaarde van de omzet · -320000; brutowinst · 180000; af: bedrijfskosten · -130000; bedrijfsresultaat · 50000; af: interest · -9000; winst voor belasting · 41000, gemarkeerde cel: 41000POSTBEDRAG (€)omzet500000af: inkoopwaarde van deomzet-320000brutowinst180000af: bedrijfskosten-130000bedrijfsresultaat50000af: interest-9000winst voor belasting41000
Afb. 2Afb. 2 — De resultatenrekening: omzet €500.000 − inkoopwaarde €320.000 = brutowinst €180.000; na bedrijfskosten €130.000 een bedrijfsresultaat van €50.000, en na interest €9.000 een winst van €41.000.
De brutowinst is het verschil tussen de omzet en de inkoopwaarde van de omzet: de marge op de verkochte goederen, vóór alle andere kosten. Let op: de inkoopwaarde van de omzet is de inkoopprijs van de daadwerkelijk verkochte producten, niet van alles wat is ingekocht (wat niet is verkocht, zit nog in de voorraad op de balans). De brutowinst laat zien hoeveel er overblijft om de bedrijfskosten mee te dekken en winst mee te maken.
Na de brutowinst volgen de overige bedrijfskosten: de personeelskosten, de afschrijvingen, de huur en energie, en de overige vaste lasten. Het resultaat daarvan is het bedrijfsresultaat (of operationeel resultaat): de winst uit de gewone bedrijfsvoering, vóór de financieringslasten. Trek je daar de interest (de kosten van het vreemd vermogen) van af, dan houd je de winst vóór belasting over. Dit onderscheid tussen het bedrijfsresultaat en de winst na interest is belangrijk voor de rentabiliteit: het bedrijfsresultaat hoort bij het totale vermogen, de winst na interest bij het eigen vermogen.
De resultatenrekening en de balans hangen samen via de winst. De winst die de resultatenrekening berekent, wordt toegevoegd aan het eigen vermogen op de balans (voor zover ze niet als dividend wordt uitgekeerd). Zo verandert een positief resultaat de financiële positie: het eigen vermogen groeit, de solvabiliteit verbetert. Een verlies doet het omgekeerde. De twee overzichten vertellen dus samen het verhaal: de resultatenrekening waar de winst dit jaar vandaan kwam, en de balans wat dat met de vermogenspositie deed. Beide voeden de kengetallen.
brutowinst=omzet−inkoopwaarde van de omzet\text{brutowinst}=\text{omzet}-\text{inkoopwaarde van de omzet}brutowinst=omzet−inkoopwaarde van de omzet

Brutowinst

De inkoopwaarde van de omzet betreft alleen de verkochte producten.

bedrijfsresultaat=brutowinst−overige bedrijfskosten\text{bedrijfsresultaat}=\text{brutowinst}-\text{overige bedrijfskosten}bedrijfsresultaat=brutowinst−overige bedrijfskosten

Bedrijfsresultaat

De winst vóór interest; hoort bij het totale vermogen (RTV).

winst voor belasting=bedrijfsresultaat−interest\text{winst voor belasting}=\text{bedrijfsresultaat}-\text{interest}winst voor belasting=bedrijfsresultaat−interest

Winst na financieringslasten

Hoort bij het eigen vermogen (REV).

Uitgewerkt voorbeeld

Van omzet naar winst

Een onderneming heeft een omzet van €500.000, een inkoopwaarde van de omzet van €320.000, bedrijfskosten van €130.000 en interest van €9.000. Bereken de brutowinst, het bedrijfsresultaat en de winst voor belasting.

  1. 01Brutowinst

    500.000−320.000= EUR180.000500.000-320.000=\,\text{EUR}180.000500.000−320.000=EUR180.000.

  2. 02Bedrijfsresultaat

    180.000−130.000= EUR50.000180.000-130.000=\,\text{EUR}50.000180.000−130.000=EUR50.000 (winst vóór interest).

  3. 03Winst voor belasting

    50.000−9.000= EUR41.00050.000-9.000=\,\text{EUR}41.00050.000−9.000=EUR41.000.

    50000−9000=4100050000-9000=4100050000−9000=41000

Resultaat: De brutowinst is €180.000, het bedrijfsresultaat €50.000 en de winst voor belasting €41.000; het bedrijfsresultaat hoort bij de RTV, de winst bij de REV.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een resultatenrekening opstellen en de brutowinst, het bedrijfsresultaat en de winst berekenen.
  • Examendoel: het onderscheid tussen het bedrijfsresultaat (vóór interest) en de winst (na interest) uitleggen en aan de rentabiliteit koppelen.

Veelgemaakte fouten

  • De inkoopwaarde van alle ingekochte goederen aftrekken in plaats van alleen van de verkochte (de rest zit in de voorraad).
  • De interest al vóór het bedrijfsresultaat aftrekken; het bedrijfsresultaat is juist de winst vóór de financieringslasten.

Actieve herhaling

Een onderneming heeft omzet €400.000, inkoopwaarde van de omzet €260.000, bedrijfskosten €95.000 en interest €7.000. Bereken de brutowinst, het bedrijfsresultaat en de winst voor belasting.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein G (verslaggeving) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Liquiditeit#

●●○StandaardLPexamenblad-bedrijfseconomie-domein-G

Kernpunten

Liquiditeit is de mate waarin een onderneming haar kortlopende schulden op tijd kan betalen. Het gaat om de korte termijn: kun je nú en de komende maanden aan je verplichtingen voldoen? Een winstgevende onderneming kan toch omvallen als ze haar rekeningen niet kan betalen, dus liquiditeit is van levensbelang. Je meet haar door de vlottende activa (voorraden, debiteuren en liquide middelen — bezittingen die binnen een jaar geld worden) te vergelijken met het kort vreemd vermogen (de schulden binnen een jaar). Afb. 3 zet de drie liquiditeitskengetallen op een rij.

Liquiditeitskengetallen

LiquiditeitTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: kengetal · berekening · uitkomst; current ratio · €120.000 / €80.000 · 1,5; quick ratio · (€120.000 − €60.000) / €80.000 · 0,75; werkkapitaal · €120.000 − €80.000 · €40.000, gemarkeerde cel: 0,75KENGETALBEREKENINGUITKOMSTcurrent ratio€120.000 / €80.0001,5quick ratio(€120.000 − €60.000) /€80.0000,75werkkapitaal€120.000 − €80.000€40.000
Afb. 3Afb. 3 — De liquiditeitskengetallen (vlottende activa €120.000, voorraden €60.000, kort vreemd vermogen €80.000). De quick ratio (0,75) laat zien dat de liquiditeit zonder de voorraad krap is.
De current ratio deelt alle vlottende activa door het kort vreemd vermogen: current ratio=vlottende activakort vreemd vermogen\text{current ratio}=\frac{\text{vlottende activa}}{\text{kort vreemd vermogen}}current ratio=kort vreemd vermogenvlottende activa​. In het voorbeeld is dat 120.00080.000=1,5\frac{120.000}{80.000}=1{,}580.000120.000​=1,5. Een current ratio van ongeveer 1,5 tot 2 geldt als gezond: er staat anderhalf tot twee keer zoveel snel-liquide bezit tegenover de korte schulden, zodat een tegenvaller kan worden opgevangen. Onder de 1 is er te weinig om de korte schulden te dekken — een waarschuwingssignaal.
De quick ratio is strenger: die laat de voorraden buiten beschouwing, omdat voorraden niet altijd snel (of tegen de volle waarde) in geld zijn om te zetten. quick ratio=vlottende activa−voorradenkort vreemd vermogen\text{quick ratio}=\frac{\text{vlottende activa}-\text{voorraden}}{\text{kort vreemd vermogen}}quick ratio=kort vreemd vermogenvlottende activa−voorraden​, hier 120.000−60.00080.000=0,75\frac{120.000-60.000}{80.000}=0{,}7580.000120.000−60.000​=0,75. Een quick ratio van ongeveer 1 geldt als gezond. In dit voorbeeld is de quick ratio 0,75: zonder de voorraden mee te tellen, kan de onderneming haar korte schulden niet volledig dekken — de liquiditeit leunt sterk op de voorraad.
Het werkkapitaal (nettowerkkapitaal) is het verschil in euro's: werkkapitaal=vlottende activa−kort vreemd vermogen\text{werkkapitaal}=\text{vlottende activa}-\text{kort vreemd vermogen}werkkapitaal=vlottende activa−kort vreemd vermogen, hier 120.000−80.000= EUR40.000120.000-80.000=\,\text{EUR}40.000120.000−80.000=EUR40.000. Het is de buffer aan vlottende middelen die overblijft nadat je de korte schulden ervan zou aflossen. Een positief werkkapitaal betekent dat een deel van de vlottende activa met permanent vermogen is gefinancierd — gezond. De drie kengetallen vullen elkaar aan: current en quick ratio geven een verhouding, het werkkapitaal een bedrag. Samen tekenen ze het beeld of een onderneming op korte termijn kan blijven betalen.
current ratio=vlottende activakort vreemd vermogen\text{current ratio}=\frac{\text{vlottende activa}}{\text{kort vreemd vermogen}}current ratio=kort vreemd vermogenvlottende activa​

Current ratio

Norm ± 1,5 tot 2. Alle vlottende activa tegenover de korte schulden.

quick ratio=vlottende activa−voorradenkort vreemd vermogen\text{quick ratio}=\frac{\text{vlottende activa}-\text{voorraden}}{\text{kort vreemd vermogen}}quick ratio=kort vreemd vermogenvlottende activa−voorraden​

Quick ratio

Norm ± 1. Voorraden tellen niet mee (niet snel liquide).

werkkapitaal=vlottende activa−kort vreemd vermogen\text{werkkapitaal}=\text{vlottende activa}-\text{kort vreemd vermogen}werkkapitaal=vlottende activa−kort vreemd vermogen

Werkkapitaal

De buffer in euro's; positief = deel van vlottende activa met permanent vermogen gefinancierd.

Uitgewerkt voorbeeld

Liquiditeit beoordelen

Een onderneming heeft vlottende activa van €120.000 (waarvan €60.000 voorraden) en een kort vreemd vermogen van €80.000. Bereken de current ratio, de quick ratio en het werkkapitaal en beoordeel de liquiditeit.

  1. 01Current ratio

    120.00080.000=1,5\frac{120.000}{80.000}=1{,}580.000120.000​=1,5 — binnen de gezonde marge (± 1,5 tot 2).

  2. 02Quick ratio

    120.000−60.00080.000=60.00080.000=0,75\frac{120.000-60.000}{80.000}=\frac{60.000}{80.000}=0{,}7580.000120.000−60.000​=80.00060.000​=0,75 — onder de norm van ± 1.

  3. 03Werkkapitaal

    120.000−80.000= EUR40.000120.000-80.000=\,\text{EUR}40.000120.000−80.000=EUR40.000 positief.

  4. 04Beoordeling

    De current ratio is goed, maar de quick ratio (0,75) laat zien dat de liquiditeit sterk op de voorraad leunt; kan die niet snel worden verkocht, dan komt de onderneming krap te zitten.

Resultaat: Current ratio 1,5 (gezond), quick ratio 0,75 (krap) en werkkapitaal €40.000; de liquiditeit is redelijk maar afhankelijk van de verkoopbaarheid van de voorraad.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de current ratio, quick ratio en het werkkapitaal berekenen en aan de normen toetsen.
  • Examendoel: uitleggen waarom de quick ratio de voorraden buiten beschouwing laat en wat dat over de liquiditeit zegt.

Veelgemaakte fouten

  • De voorraden meetellen in de quick ratio; die worden juist weggelaten omdat ze niet snel liquide zijn.
  • Liquiditeit en winstgevendheid verwarren; een winstgevende onderneming kan toch te weinig liquide zijn om te betalen.

Actieve herhaling

Een onderneming heeft vlottende activa van €150.000 (waarvan €90.000 voorraden) en een kort vreemd vermogen van €100.000. Bereken de current ratio, de quick ratio en het werkkapitaal en beoordeel de liquiditeit.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein G (verslaggeving) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Solvabiliteit#

●●○StandaardLPexamenblad-bedrijfseconomie-domein-G

Kernpunten

Waar liquiditeit over de korte termijn gaat, gaat solvabiliteit over de lange termijn: kan de onderneming op den duur aan al haar verplichtingen voldoen, óók bij tegenvallers, en zou ze bij een faillissement genoeg bezit hebben om alle schuldeisers te betalen? De solvabiliteit meet de buffer die het eigen vermogen biedt. Een veelgebruikte maat is het eigen vermogen als percentage van het totale vermogen: solvabiliteit=eigen vermogentotaal vermogen×100%\text{solvabiliteit}=\frac{\text{eigen vermogen}}{\text{totaal vermogen}}\times100\%solvabiliteit=totaal vermogeneigen vermogen​×100%. In Afb. 4 heeft onderneming A een solvabiliteit van 50% en onderneming B van 17%.

Solvabiliteit van twee ondernemingen

SolvabiliteitTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: post · onderneming A · onderneming B; eigen vermogen · €180.000 · €60.000; totaal vermogen · €360.000 · €360.000; solvabiliteit (EV / TV) · 50% · 17%, gemarkeerde cel: 17%POSTONDERNEMING AONDERNEMING Beigen vermogen€180.000€60.000totaal vermogen€360.000€360.000solvabiliteit (EV / TV)50%17%
Afb. 4Afb. 4 — Solvabiliteit vergeleken. Bij een gelijk totaal vermogen (€360.000) heeft onderneming A (€180.000 EV) een solvabiliteit van 50% en B (€60.000 EV) van slechts 17% — een veel dunnere buffer.
Het eigen vermogen is de stootkussen tegen verlies: verliezen worden eerst van het eigen vermogen afgeboekt, en pas als dat op is, komen de schuldeisers in gevaar. Hoe groter het aandeel eigen vermogen, hoe meer verlies de onderneming kan opvangen zonder haar schulden in gevaar te brengen — dus hoe solvabeler en veiliger. Een onderneming met veel vreemd vermogen en weinig eigen vermogen heeft een dunne buffer: een paar slechte jaren kunnen het eigen vermogen wegvagen en de continuïteit bedreigen.
Er zijn verschillende manieren om de solvabiliteit uit te drukken, die hetzelfde meten vanuit een andere hoek. Naast eigen vermogen / totaal vermogen wordt ook vreemd vermogen / totaal vermogen gebruikt (de debt ratio; hoe lager, hoe solvabeler) of de verhouding eigen vermogen / vreemd vermogen. Bij onderneming A (EV €180.000, TV €360.000) is de solvabiliteit 50% en de EV/VV-verhouding 1 : 1. Een vaste norm bestaat niet — ze verschilt per branche — maar globaal geldt een solvabiliteit van ongeveer 25% tot 40% of meer als gezond; onder die grens vinden geldgevers een onderneming al snel te risicovol.
De solvabiliteit bepaalt mede of, en tegen welke voorwaarden, een onderneming vreemd vermogen kan aantrekken. Banken en obligatiehouders lenen liever aan een solvabele onderneming, omdat het eigen vermogen hun een buffer biedt; een lage solvabiliteit leidt tot een hogere rente of een geweigerde lening. Zo grijpt de solvabiliteit terug op het onderwerp financieren: te veel vreemd vermogen verlaagt de solvabiliteit en vergroot het risico, terwijl het via het hefboomeffect de rentabiliteit van het eigen vermogen kan opstuwen. Liquiditeit, solvabiliteit en rentabiliteit moeten daarom altijd samen worden beoordeeld.
solvabiliteit=eigen vermogentotaal vermogen×100%\text{solvabiliteit}=\frac{\text{eigen vermogen}}{\text{totaal vermogen}}\times100\%solvabiliteit=totaal vermogeneigen vermogen​×100%

Solvabiliteit (EV/TV)

Norm globaal ± 25% tot 40% of meer; hoe hoger, hoe groter de buffer.

Uitgewerkt voorbeeld

Solvabiliteit berekenen en beoordelen

Onderneming A heeft €180.000 eigen vermogen en €180.000 vreemd vermogen; onderneming B heeft €60.000 eigen vermogen en €300.000 vreemd vermogen. Beide hebben een totaal vermogen van €360.000. Bereken de solvabiliteit van beide en beoordeel welke veiliger is.

  1. 01Solvabiliteit A

    180.000360.000×100%=50%\frac{180.000}{360.000}\times100\%=50\%360.000180.000​×100%=50%.

  2. 02Solvabiliteit B

    60.000360.000×100%≈17%\frac{60.000}{360.000}\times100\%\approx17\%360.00060.000​×100%≈17%.

  3. 03Buffer

    A kan tot €180.000 verlies opvangen voordat de schuldeisers geraakt worden; B slechts €60.000.

  4. 04Beoordeling

    A is veel solvabeler en veiliger; B leunt sterk op vreemd vermogen en is kwetsbaar bij tegenvallers.

Resultaat: Onderneming A heeft een solvabiliteit van 50%, B van 17%; A heeft een veel grotere buffer en is dus veiliger voor geldgevers.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de solvabiliteit berekenen (EV/TV of een verwante maat) en aan een norm toetsen.
  • Examendoel: uitleggen waarom een hogere solvabiliteit meer buffer geeft en de financieringsmogelijkheden vergroot.

Veelgemaakte fouten

  • Solvabiliteit en liquiditeit verwarren; solvabiliteit gaat over de lange termijn (buffer), liquiditeit over de korte (betalen).
  • Het eigen vermogen delen door het vreemd vermogen en dat als een percentage van het totaal presenteren; let op welke maat gevraagd wordt.

Actieve herhaling

Een onderneming heeft een totaal vermogen van €500.000 en een vreemd vermogen van €350.000. Bereken het eigen vermogen en de solvabiliteit (EV/TV), en beoordeel of de onderneming voldoende buffer heeft.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein G (verslaggeving) (CvTE / Examenblad)

§ 05

Rentabiliteit en het hefboomeffect#

●●●VerdiepingLPexamenblad-bedrijfseconomie-domein-G

Kernpunten

Rentabiliteit meet hoeveel winst een onderneming maakt in verhouding tot het vermogen dat ervoor is ingezet — de winstgevendheid als percentage. Er zijn drie rentabiliteiten. De rentabiliteit van het totale vermogen (RTV) is het bedrijfsresultaat (winst vóór interest) gedeeld door het totale vermogen. De rentabiliteit van het eigen vermogen (REV) is de winst na interest gedeeld door het eigen vermogen. De rentabiliteit van het vreemd vermogen (RVV) is de interestlast gedeeld door het vreemd vermogen — feitelijk de gemiddelde rente die de onderneming op haar schulden betaalt. Afb. 5 berekent alle drie.

De drie rentabiliteiten

RentabiliteitTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: kengetal · berekening · uitkomst; RTV (totaal vermogen) · €50.000 / €360.000 · 13,9%; RVV (vreemd vermogen) · €9.000 / €180.000 · 5,0%; REV (eigen vermogen) · €41.000 / €180.000 · 22,8%, gemarkeerde cel: 22,8%KENGETALBEREKENINGUITKOMSTRTV (totaal vermogen)€50.000 / €360.00013,9%RVV (vreemd vermogen)€9.000 / €180.0005,0%REV (eigen vermogen)€41.000 / €180.00022,8%
Afb. 5Afb. 5 — De rentabiliteit. Omdat de RTV (13,9%) boven de RVV (5,0%) ligt, tilt het hefboomeffect de REV naar 22,8% — ruim boven de RTV.
Met de gegevens uit de balans en de resultatenrekening: bedrijfsresultaat €50.000, totaal vermogen €360.000, eigen vermogen €180.000, vreemd vermogen €180.000 en interest €9.000. De RTV is 50.000360.000×100%≈13,9%\frac{50.000}{360.000}\times100\%\approx13{,}9\%360.00050.000​×100%≈13,9%, de RVV is 9.000180.000×100%=5,0%\frac{9.000}{180.000}\times100\%=5{,}0\%180.0009.000​×100%=5,0%, en de REV is 41.000180.000×100%≈22,8%\frac{41.000}{180.000}\times100\%\approx22{,}8\%180.00041.000​×100%≈22,8% (winst voor belasting €41.000). De REV ligt hier ruim boven de RTV — en dat verschil verklaart het hefboomeffect.
Het hefboomeffect ontstaat doordat de onderneming met vreemd vermogen méér verdient (RTV) dan dat vreemd vermogen kost (RVV). Het verschil komt ten goede aan de eigenaren, waardoor de REV boven de RTV uitkomt. De hefboomformule maakt dit exact: REV=RTV+(RTV−RVV)×VVEVREV=RTV+(RTV-RVV)\times\frac{VV}{EV}REV=RTV+(RTV−RVV)×EVVV​. Hier: 13,9%+(13,9%−5,0%)×180.000180.000=13,9%+8,9%×1=22,8%13{,}9\%+(13{,}9\%-5{,}0\%)\times\frac{180.000}{180.000}=13{,}9\%+8{,}9\%\times1=22{,}8\%13,9%+(13,9%−5,0%)×180.000180.000​=13,9%+8,9%×1=22,8% — precies de REV. Zolang de RTV boven de RVV ligt, tilt het vreemd vermogen de REV omhoog, en hoe groter de verhouding VV/EV, hoe sterker.
De hefboom werkt echter twee kanten op, en dat verbindt de rentabiliteit met de solvabiliteit en het risico. Zakt de RTV ónder de RVV — bijvoorbeeld in een slecht jaar of bij oplopende rente — dan wordt (RTV−RVV)(RTV-RVV)(RTV−RVV) negatief en trekt het vreemd vermogen de REV juist omlaag, mogelijk tot onder nul. Veel vreemd vermogen (lage solvabiliteit) vergroot dus zowel de kans op een hoge REV als op een dramatisch lage: het verhoogt het rendement én het risico. Daarom beoordeel je een onderneming nooit op één kengetal, maar op de samenhang tussen liquiditeit (kan ze betalen?), solvabiliteit (heeft ze buffer?) en rentabiliteit (verdient ze genoeg?).
RTV=bedrijfsresultaattotaal vermogen×100%RTV=\frac{\text{bedrijfsresultaat}}{\text{totaal vermogen}}\times100\%RTV=totaal vermogenbedrijfsresultaat​×100%

Rentabiliteit totaal vermogen

Winst vóór interest ten opzichte van het totale vermogen.

REV=winsteigen vermogen×100%,RVV=interestvreemd vermogen×100%REV=\frac{\text{winst}}{\text{eigen vermogen}}\times100\%,\qquad RVV=\frac{\text{interest}}{\text{vreemd vermogen}}\times100\%REV=eigen vermogenwinst​×100%,RVV=vreemd vermogeninterest​×100%

REV en RVV

REV: winst na interest ten opzichte van het eigen vermogen; RVV: de gemiddelde rente op het vreemd vermogen.

REV=RTV+(RTV−RVV)×VVEVREV=RTV+(RTV-RVV)\times\frac{VV}{EV}REV=RTV+(RTV−RVV)×EVVV​

Hefboomformule

RTV > RVV: hefboom stuwt de REV op; RTV < RVV: hefboom drukt de REV omlaag.

Uitgewerkt voorbeeld

De drie rentabiliteiten en de hefboomcontrole

Bedrijfsresultaat €50.000, interest €9.000, winst voor belasting €41.000. Totaal vermogen €360.000, eigen vermogen €180.000, vreemd vermogen €180.000. Bereken de RTV, RVV en REV en controleer de REV met de hefboomformule.

  1. 01RTV

    50.000360.000×100%≈13,9%\frac{50.000}{360.000}\times100\%\approx13{,}9\%360.00050.000​×100%≈13,9%.

  2. 02RVV

    9.000180.000×100%=5,0%\frac{9.000}{180.000}\times100\%=5{,}0\%180.0009.000​×100%=5,0%.

  3. 03REV

    41.000180.000×100%≈22,8%\frac{41.000}{180.000}\times100\%\approx22{,}8\%180.00041.000​×100%≈22,8%.

  4. 04Hefboomcontrole

    REV=13,9%+(13,9%−5,0%)×180.000180.000=13,9%+8,9%=22,8%REV=13{,}9\%+(13{,}9\%-5{,}0\%)\times\frac{180.000}{180.000}=13{,}9\%+8{,}9\%=22{,}8\%REV=13,9%+(13,9%−5,0%)×180.000180.000​=13,9%+8,9%=22,8%: klopt.

    13,9%+(13,9%−5,0%)×1=22,8%13{,}9\%+(13{,}9\%-5{,}0\%)\times1=22{,}8\%13,9%+(13,9%−5,0%)×1=22,8%

Resultaat: RTV 13,9%, RVV 5,0% en REV 22,8%; de hefboomformule bevestigt de REV. Omdat RTV > RVV werkt de hefboom positief.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de RTV, REV en RVV berekenen uit de balans en de resultatenrekening.
  • Examendoel: het hefboomeffect met de hefboomformule verklaren en de samenhang tussen liquiditeit, solvabiliteit en rentabiliteit beoordelen.

Veelgemaakte fouten

  • De interest in de teller van de RTV meenemen; de RTV rekent met het bedrijfsresultaat vóór interest, de REV met de winst na interest.
  • Rentabiliteit los beoordelen; een hoge REV door veel vreemd vermogen gaat samen met een lage solvabiliteit en dus meer risico.

Actieve herhaling

Een onderneming heeft een bedrijfsresultaat van €60.000, interest €12.000, een totaal vermogen van €400.000, een eigen vermogen van €160.000 en een vreemd vermogen van €240.000. Bereken de RTV, RVV en REV en controleer de REV met de hefboomformule.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein G (verslaggeving) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 05

    • 01De balans○
    • 02De resultatenrekening◐
    • 03Liquiditeit◐
    • 04Solvabiliteit◐
    • 05Rentabiliteit en het hefboomeffect●

0/5 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Verslaggeving en jaarrekening

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~17
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein G (verslaggeving)

Vorig onderwerp

Kosten- en winstvraagstukken

Volgend onderwerp

Doel en organisatie van marketingactiviteiten

EuraStudy·Samenvattingen T·12·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.