EuraStudy
Samenvattingen/Bedrijfseconomie/Kosten- en winstvraagstukken
Samenvattingen · BedrijfseconomieNL · VWO

Kosten- en winstvraagstukken

Om een goede prijs te zetten en de winst te sturen, moet een onderneming haar kosten kennen. Dit onderwerp behandelt de kostensoorten (constante en variabele kosten), de berekening van de kostprijs (opslag- en kostenplaatsmethode), de break-evenanalyse (break-evenafzet en -omzet) en de resultaatbepaling met het verkoop- en het bezettingsresultaat. De rode draad is het onderscheid tussen constante en variabele kosten, dat bijna elke berekening in dit domein stuurt.

4 Onderdelen·~13 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·111111 / 16
Examenprofiel
Constante en variabele kosten onderscheiden en de totale kosten opstellen (domein F2).De kostprijs berekenen met de opslagmethode en de kostenplaatsmethode.De break-evenafzet en break-evenomzet berekenen en tekenen.Het verkoopresultaat en het bezettingsresultaat berekenen.
Operatoren:berekenbepaaltekenleg uitverklaartoon aan

basisniveau

Voor iedereen: constante versus variabele kosten, de kostprijs en de break-evenanalyse horen tot de kern van domein F2.

verhoogd niveau

Verdieping: de kostprijs verbijzonderen met de kostenplaatsmethode en de winst opsplitsen in een verkoop- en een bezettingsresultaat.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Kosten- en winstvraagstukken
    • 01Kostensoorten: constant en variabel○
    • 02De kostprijs berekenen◐
    • 03De break-evenanalyse◐
    • 04Verkoop- en bezettingsresultaat●
§ 01

Kostensoorten: constant en variabel#

●○○BasisLPexamenblad-bedrijfseconomie-domein-F2

Kernpunten

Het belangrijkste onderscheid in dit domein is dat tussen constante en variabele kosten. Constante kosten (of vaste kosten) veranderen niet met de omvang van de productie: huur, afschrijving, verzekeringen en salarissen van vast personeel lopen door of je nu veel of weinig maakt. Variabele kosten veranderen wél mee met de productie: grondstoffen, verpakking en energie voor de machines stijgen naarmate je meer produceert. De totale kosten zijn de som: TK=constante kosten+variabele kosten per product×qTK=\text{constante kosten}+\text{variabele kosten per product}\times qTK=constante kosten+variabele kosten per product×q. In Afb. 1 zie je hoe de totale kosten opgebouwd zijn uit een vast deel en een met de productie meegroeiend deel.

Constante, variabele en totale kosten

KostensoortenSchaubild von variabele kosten 4q, Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von 0 bis 25000, Schaubild von TK = 60000 + 4q, y-Achsenabschnitt bei y = 60000, steigend, im Bereich x von 0 bis 2500050001000015000200002500050000100000150000200000CK €60.000€140.000 bijq = 20.000constante kosten€60.000variabele kosten4qTK = 60000 + 4qkosten (€)productie q
Afb. 1Afb. 1 — De totale kosten TK = 60.000 + 4q. De constante kosten (€60.000) vormen een horizontale lijn; de variabele kosten (€4 per product) stijgen vanuit de oorsprong; samen geven ze de totale-kostenlijn.
Bij een lineaire kostenfunctie zijn de variabele kosten per product constant, zodat de totale kosten een rechte lijn vormen: TK=CK+vk⋅qTK=CK+vk\cdot qTK=CK+vk⋅q. In het voorbeeld van Afb. 1 is TK=60.000+4qTK=60.000+4qTK=60.000+4q: de constante kosten zijn €60.000 (het snijpunt met de verticale as) en de variabele kosten €4 per product (de helling). De constante-kostenlijn loopt horizontaal (altijd €60.000), de variabele-kostenlijn stijgt vanuit de oorsprong, en de totale-kostenlijn is hun optelsom — die begint bij €60.000 en stijgt met €4 per product.
Cruciaal is het verschil tussen kosten in totaal en kosten per product. De constante kosten zijn in totaal gelijk, maar per product dalen ze naarmate je meer produceert (vaste-kostendegressie): €60.000 over 20.000 stuks is €3 per stuk, maar over 30.000 stuks nog maar €2. De variabele kosten zijn juist per product gelijk (€4), maar in totaal stijgen ze met de productie. Dit verschil verklaart waarom grootschalige productie de kostprijs per stuk kan verlagen, en waarom een leegstaande fabriek (weinig productie) juist een hoge kostprijs per stuk heeft.
Het onderscheid constant/variabel bepaalt welke kosten in een beslissing relevant zijn. Voor de vraag ‘accepteer ik een extra order tegen een lage prijs?’ tellen op korte termijn alleen de variabele kosten (de constante kosten zijn er toch al), zoals bij de marginale analyse uit het vaardighedenhoofdstuk. Voor de langetermijnprijs die de héle onderneming rendabel houdt, moeten juist álle kosten — constant én variabel — worden gedekt. Ditzelfde onderscheid stuurt de kostprijsberekening, de break-evenanalyse en de resultaatbepaling die in dit onderwerp volgen.
TK=CK+vk⋅qTK=CK+vk\cdot qTK=CK+vk⋅q

Totale kosten

CK = constante kosten; vk = variabele kosten per product; q = aantal.

constante kosten per product=CKq\text{constante kosten per product}=\frac{CK}{q}constante kosten per product=qCK​

Vaste-kostendegressie

De constante kosten per stuk dalen naarmate q groter wordt.

Uitgewerkt voorbeeld

Totale kosten en kosten per product

Een onderneming heeft €60.000 constante kosten en €4 variabele kosten per product. Bereken de totale kosten en de totale kosten per product bij 20.000 en bij 30.000 stuks, en verklaar het verschil in de kosten per product.

  1. 01Totale kosten bij 20.000

    60.000+4×20.000=60.000+80.000= EUR140.00060.000+4\times20.000=60.000+80.000=\,\text{EUR}140.00060.000+4×20.000=60.000+80.000=EUR140.000; per product 140.00020.000= EUR7\frac{140.000}{20.000}=\,\text{EUR}720.000140.000​=EUR7.

  2. 02Totale kosten bij 30.000

    60.000+4×30.000=60.000+120.000= EUR180.00060.000+4\times30.000=60.000+120.000=\,\text{EUR}180.00060.000+4×30.000=60.000+120.000=EUR180.000; per product 180.00030.000= EUR6\frac{180.000}{30.000}=\,\text{EUR}630.000180.000​=EUR6.

  3. 03Verklaring

    De variabele kosten blijven €4 per stuk, maar de constante kosten per stuk dalen van €3 (60.000/20.000) naar €2 (60.000/30.000): vaste-kostendegressie.

Resultaat: De totale kosten zijn €140.000 (bij 20.000) en €180.000 (bij 30.000); de kosten per product dalen van €7 naar €6 doordat de constante kosten over meer stuks worden verdeeld.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: constante en variabele kosten onderscheiden en de totale-kostenfunctie TK = CK + vk·q opstellen.
  • Examendoel: het verschil tussen kosten in totaal en per product (vaste-kostendegressie) uitleggen en berekenen.

Veelgemaakte fouten

  • Constante kosten per stuk als vast beschouwen; in totaal zijn ze vast, maar per stuk dalen ze bij hogere productie.
  • Variabele en constante kosten verwisselen bij het opstellen van de kostenfunctie (de constante kosten zijn de y-intercept, de variabele kosten de helling).

Actieve herhaling

Een bedrijf heeft €90.000 constante kosten en €6 variabele kosten per product. Bereken de totale kosten en de kosten per product bij 15.000 en bij 25.000 stuks, en leg het verschil in kosten per product uit.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein F2 (kosten- en winstvraagstukken) (CvTE / Examenblad)

§ 02

De kostprijs berekenen#

●●○StandaardLPexamenblad-bedrijfseconomie-domein-F2

Kernpunten

De kostprijs is het bedrag aan kosten dat één product veroorzaakt: alle kosten samen, gedeeld over de producten. Ze is de ondergrens voor de verkoopprijs — verkoop je onder de kostprijs, dan verlies je op elk product. De eenvoudigste berekening deelt de totale kosten door de normale productie: kostprijs =CKnormale productie+vk=\frac{CK}{\text{normale productie}}+vk=normale productieCK​+vk. Bij €60.000 constante kosten, een normale productie van 20.000 stuks en €4 variabele kosten is de kostprijs 60.00020.000+4=3+4= EUR7\frac{60.000}{20.000}+4=3+4=\,\text{EUR}720.00060.000​+4=3+4=EUR7. Let op: je deelt de constante kosten door de nórmale (verwachte) productie, niet door de werkelijke.
Vaak zijn de kosten niet zo makkelijk toe te wijzen. Directe kosten kun je rechtstreeks aan een product koppelen (het materiaal en het directe loon voor dat product). Indirecte kosten (overhead) horen bij de hele onderneming en niet bij één product: de huur, de directie, de administratie. Om tóch een kostprijs per product te krijgen, moet je die indirecte kosten verdelen. Daarvoor bestaan twee methoden: de opslagmethode en de kostenplaatsmethode.
De opslagmethode verdeelt de indirecte kosten via een opslagpercentage over de directe kosten: opslag% =totale indirecte kostentotale directe kosten×100%=\frac{\text{totale indirecte kosten}}{\text{totale directe kosten}}\times100\%=totale directe kostentotale indirecte kosten​×100%. Elke euro directe kosten krijgt dan datzelfde percentage aan indirecte kosten toegerekend. Zijn de indirecte kosten €200.000 en de directe kosten €500.000, dan is de opslag 40%; een product met €50 directe kosten krijgt dan €20 opslag en heeft een kostprijs van €70. De methode is eenvoudig, maar grof: ze veronderstelt dat de indirecte kosten netjes met de directe kosten meelopen, wat lang niet altijd zo is.
De kostenplaatsmethode (kostenverbijzondering) is nauwkeuriger. Ze verdeelt de indirecte kosten eerst over kostenplaatsen — de afdelingen of activiteiten die de kosten veroorzaken, zoals de productie, het magazijn en de verkoop — en pas daarna, met een passende verdeelsleutel per kostenplaats (machine-uren, m², arbeidsuren), naar de kostendragers (de producten). Afb. 2 laat deze twee stappen zien. Doordat elke kostenplaats zijn eigen verdeelsleutel krijgt, sluit deze methode beter aan bij wat een product écht aan kosten veroorzaakt — belangrijk als producten heel verschillend beslag op de afdelingen leggen.

Kostenverbijzondering via kostenplaatsen

KostenplaatsmethodeGraaf, indirecte kosten → kostenplaats productie, indirecte kosten → kostenplaats magazijn, kostenplaats productie → product A, kostenplaats productie → product B, kostenplaats magazijn → product A, kostenplaats magazijn → product Bindirecte kostenkostenplaatsproductiekostenplaatsmagazijnproduct Aproduct Bverdelenverdelenmachine-urenmachine-urenaantalaantal
Afb. 2Afb. 2 — De kostenplaatsmethode: de indirecte kosten gaan eerst naar de kostenplaatsen (afdelingen) en van daaruit, met een verdeelsleutel, naar de producten (kostendragers).
kostprijs=constante kostennormale productie+variabele kosten per product\text{kostprijs}=\frac{\text{constante kosten}}{\text{normale productie}}+\text{variabele kosten per product}kostprijs=normale productieconstante kosten​+variabele kosten per product

Kostprijs

Deel de constante kosten door de normale (verwachte) productie.

opslagpercentage=totale indirecte kostentotale directe kosten×100%\text{opslagpercentage}=\frac{\text{totale indirecte kosten}}{\text{totale directe kosten}}\times100\%opslagpercentage=totale directe kostentotale indirecte kosten​×100%

Opslagmethode

Elke euro directe kosten krijgt dit percentage aan indirecte kosten toegerekend.

Uitgewerkt voorbeeld

Kostprijs met de opslagmethode

Een product heeft €30 directe materiaalkosten en €20 direct loon. De totale indirecte kosten van de onderneming zijn €200.000, de totale directe kosten €500.000. Bereken het opslagpercentage en de kostprijs van dit product.

  1. 01Directe kosten per product

    30+20= EUR5030+20=\,\text{EUR}5030+20=EUR50.

  2. 02Opslagpercentage

    200.000500.000×100%=40%\frac{200.000}{500.000}\times100\%=40\%500.000200.000​×100%=40%.

    200000500000×100%=40%\frac{200000}{500000}\times100\%=40\%500000200000​×100%=40%
  3. 03Opslag per product

    0,40×50= EUR200{,}40\times50=\,\text{EUR}200,40×50=EUR20 indirecte kosten.

  4. 04Kostprijs

    50+20= EUR7050+20=\,\text{EUR}7050+20=EUR70 per product.

Resultaat: Het opslagpercentage is 40%; de kostprijs is €70 (€50 directe kosten + €20 opgeslagen indirecte kosten).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de kostprijs berekenen door de constante kosten over de normale productie te delen en de variabele kosten toe te voegen.
  • Examendoel: de opslagmethode en de kostenplaatsmethode toepassen en het verschil in nauwkeurigheid uitleggen.

Veelgemaakte fouten

  • De constante kosten delen door de werkelijke in plaats van de normale productie; de kostprijs is gebaseerd op de normale bezetting.
  • Bij de opslagmethode de opslag over de verkoopprijs of over álle kosten berekenen in plaats van over de directe kosten.

Actieve herhaling

Een onderneming heeft €120.000 constante kosten, een normale productie van 40.000 stuks en €5 variabele kosten per product. Bereken de kostprijs. Bereken daarnaast met de opslagmethode de kostprijs van een product met €40 directe kosten als de indirecte kosten €300.000 en de directe kosten €600.000 zijn.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein F2 (kosten- en winstvraagstukken) (CvTE / Examenblad)

§ 03

De break-evenanalyse#

●●○StandaardLPexamenblad-bedrijfseconomie-domein-F2

Kernpunten

De break-evenanalyse zoekt het punt waarop een onderneming quitte speelt: waar de totale opbrengsten precies gelijk zijn aan de totale kosten, zodat de winst nul is. Bij een lagere afzet maakt de onderneming verlies, bij een hogere afzet winst. In Afb. 3 snijden de totale-opbrengstenlijn (TO) en de totale-kostenlijn (TK) elkaar in het break-evenpunt; links daarvan ligt het verliesgebied, rechts het winstgebied. Het break-evenpunt is dus de minimale afzet die je nodig hebt om uit de rode cijfers te komen.

Break-evenanalyse: TO en TK

Break-evenanalyseSchaubild von TO = 10q, Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von 0 bis 25000, Schaubild von TK = 60000 + 4q, y-Achsenabschnitt bei y = 60000, steigend, im Bereich x von 0 bis 2500050001000015000200002500050000100000150000200000250000break-even(10.000; €100.000)TO = 10qTK = 60000 + 4qeuro (€)afzet q
Afb. 3Afb. 3 — De break-evenanalyse. TO = 10q en TK = 60.000 + 4q snijden elkaar bij q = 10.000 (omzet €100.000): het break-evenpunt. Links verlies, rechts winst.
Het break-evenpunt bereken je met de dekkingsbijdrage (contributiemarge): het bedrag dat elk verkocht product bijdraagt aan het dekken van de constante kosten, gelijk aan de verkoopprijs min de variabele kosten per product. Bij een prijs van €10 en €4 variabele kosten is de dekkingsbijdrage €6 per product. De break-evenafzet is dan de constante kosten gedeeld door de dekkingsbijdrage: CKp−vk=60.00010−4=10.000\frac{CK}{p-vk}=\frac{60.000}{10-4}=10.000p−vkCK​=10−460.000​=10.000 stuks. Elk van die 10.000 producten levert €6 op voor de constante kosten; samen dekken ze precies de €60.000.
De break-evenomzet is de omzet bij de break-evenafzet: break-evenafzet maal de verkoopprijs, hier 10.000× EUR10= EUR100.00010.000\times\,\text{EUR}10=\,\text{EUR}100.00010.000×EUR10=EUR100.000. Je kunt de break-evenafzet ook uit de grafiek aflezen (het snijpunt) of met vergelijkingen vinden: stel TO=TKTO=TKTO=TK, dus 10q=60.000+4q10q=60.000+4q10q=60.000+4q, wat 6q=60.0006q=60.0006q=60.000 en q=10.000q=10.000q=10.000 geeft — hetzelfde antwoord. De grafische en de rekenkundige methode moeten altijd dezelfde uitkomst geven; dat is een handige controle.
De break-evenanalyse is een krachtig stuurmiddel. Ze laat zien hoeveel je minimaal moet verkopen, en hoe gevoelig dat is voor veranderingen. Stijgen de constante kosten (bijvoorbeeld een duurdere huur), dan schuift het break-evenpunt omhoog: je moet méér verkopen om quitte te spelen. Stijgt de dekkingsbijdrage (een hogere prijs of lagere variabele kosten), dan daalt het break-evenpunt. De afstand tussen de verwachte afzet en het break-evenpunt heet de veiligheidsmarge: hoe groter die is, hoe meer de afzet kan tegenvallen voordat er verlies ontstaat.
dekkingsbijdrage per product=p−vk\text{dekkingsbijdrage per product}=p-vkdekkingsbijdrage per product=p−vk

Dekkingsbijdrage (contributiemarge)

Wat elk product bijdraagt aan het dekken van de constante kosten.

break-evenafzet=CKp−vk\text{break-evenafzet}=\frac{CK}{p-vk}break-evenafzet=p−vkCK​

Break-evenafzet

De afzet waarbij TO = TK en de winst nul is.

break-evenomzet=break-evenafzet×p\text{break-evenomzet}=\text{break-evenafzet}\times pbreak-evenomzet=break-evenafzet×p

Break-evenomzet

De omzet bij de break-evenafzet.

Uitgewerkt voorbeeld

Break-evenafzet, break-evenomzet en veiligheidsmarge

Een onderneming heeft €60.000 constante kosten, €4 variabele kosten per product en een verkoopprijs van €10. De verwachte afzet is 16.000 stuks. Bereken de break-evenafzet, de break-evenomzet en de veiligheidsmarge.

  1. 01Dekkingsbijdrage

    p−vk=10−4= EUR6p-vk=10-4=\,\text{EUR}6p−vk=10−4=EUR6 per product.

  2. 02Break-evenafzet

    60.0006=10.000\frac{60.000}{6}=10.000660.000​=10.000 stuks.

    6000010−4=10000\frac{60000}{10-4}=1000010−460000​=10000
  3. 03Break-evenomzet

    10.000× EUR10= EUR100.00010.000\times\,\text{EUR}10=\,\text{EUR}100.00010.000×EUR10=EUR100.000.

  4. 04Veiligheidsmarge

    16.000−10.000=6.00016.000-10.000=6.00016.000−10.000=6.000 stuks; de afzet mag met 6.000 stuks (37,5%) tegenvallen voordat er verlies ontstaat.

Resultaat: De break-evenafzet is 10.000 stuks, de break-evenomzet €100.000; met een verwachte afzet van 16.000 is de veiligheidsmarge 6.000 stuks.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de break-evenafzet en break-evenomzet berekenen met de dekkingsbijdrage, en het break-evenpunt tekenen/aflezen.
  • Examendoel: het effect van veranderende constante kosten, prijs of variabele kosten op het break-evenpunt beredeneren.

Veelgemaakte fouten

  • De break-evenafzet berekenen door de constante kosten door de verkoopprijs te delen in plaats van door de dekkingsbijdrage (prijs − variabele kosten).
  • De variabele kosten vergeten in de dekkingsbijdrage, waardoor het break-evenpunt te laag uitkomt.

Actieve herhaling

Een onderneming heeft €90.000 constante kosten, €7 variabele kosten en een verkoopprijs van €12. Bereken de break-evenafzet en break-evenomzet. Wat gebeurt er met de break-evenafzet als de constante kosten met €18.000 stijgen?

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein F2 (kosten- en winstvraagstukken) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Verkoop- en bezettingsresultaat#

●●●VerdiepingLPexamenblad-bedrijfseconomie-domein-F2

Kernpunten

De kostprijs is berekend op basis van een nórmale productie. Wijkt de werkelijkheid daarvan af, dan valt de winst anders uit dan de kostprijs suggereert, en dat verschil is te ontleden in twee delen: een verkoopresultaat en een bezettingsresultaat. Deze verschillenanalyse laat zien wáár de winst vandaan komt: uit de verkoopmarge of uit een over- of onderbezetting van de productie. In Afb. 4 wordt de totale winst van €72.000 uitgesplitst in beide componenten.

Verkoop- en bezettingsresultaat

VerschillenanalyseTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: resultaat · berekening · bedrag (€); verkoopresultaat · 22.000 × (€10 − €7) · 66000; bezettingsresultaat · (22.000 − 20.000) × €3 · 6000; totaal resultaat · · 72000, gemarkeerde cel: 72000RESULTAATBEREKENINGBEDRAG (€)verkoopresultaat22.000 × (€10 − €7)66000bezettingsresultaat(22.000 − 20.000) × €36000totaal resultaat72000
Afb. 4Afb. 4 — De winst opgesplitst: verkoopresultaat €66.000 (marge × afzet) plus bezettingsresultaat €6.000 (overbezetting) geeft een totaal resultaat van €72.000.
Het verkoopresultaat is de winst uit het verkopen zelf: het verschil tussen de verkoopprijs en de kostprijs, maal de werkelijke afzet: verkoopresultaat=werkelijke afzet×(verkoopprijs−kostprijs)\text{verkoopresultaat}=\text{werkelijke afzet}\times(\text{verkoopprijs}-\text{kostprijs})verkoopresultaat=werkelijke afzet×(verkoopprijs−kostprijs). Bij een verkoopprijs van €10, een kostprijs van €7 en een werkelijke afzet van 22.000 stuks is dat 22.000×(10−7)=22.000×3= EUR66.00022.000\times(10-7)=22.000\times3=\,\text{EUR}66.00022.000×(10−7)=22.000×3=EUR66.000. Het verkoopresultaat meet dus of, en hoeveel, je bóven de kostprijs verkoopt.
Het bezettingsresultaat ontstaat doordat de werkelijke productie afwijkt van de normale productie waarop de kostprijs is gebaseerd. De constante kosten per product (hier €3) zijn berekend bij de normale bezetting; produceer je méér, dan zijn die constante kosten ‘overgedekt’ (een voordeel), produceer je minder, dan ‘onderdekt’ (een nadeel). De formule is (werkelijke productie−normale productie)×constante kosten per product(\text{werkelijke productie}-\text{normale productie})\times\text{constante kosten per product}(werkelijke productie−normale productie)×constante kosten per product: hier (22.000−20.000)×3= EUR6.000(22.000-20.000)\times3=\,\text{EUR}6.000(22.000−20.000)×3=EUR6.000 positief, want er is meer geproduceerd dan normaal.
Het totale resultaat is de som van beide: 66.000+6.000= EUR72.00066.000+6.000=\,\text{EUR}72.00066.000+6.000=EUR72.000. Deze uitkomst moet gelijk zijn aan de winst die je rechtstreeks berekent (werkelijke omzet min werkelijke totale kosten): 22.000×10−(60.000+4×22.000)=220.000−148.000= EUR72.00022.000\times10-(60.000+4\times22.000)=220.000-148.000=\,\text{EUR}72.00022.000×10−(60.000+4×22.000)=220.000−148.000=EUR72.000 — een perfecte controle. De kracht van de opsplitsing is dat ze het management vertelt of een tegenvallende (of meevallende) winst komt door de verkoop (marge, prijs, afzet) of door de bezetting (te veel of te weinig geproduceerd ten opzichte van normaal). Zo koppelt de resultaatbepaling de kostprijs, de break-evenanalyse en het sturen van de onderneming aan elkaar.
verkoopresultaat=werkelijke afzet×(verkoopprijs−kostprijs)\text{verkoopresultaat}=\text{werkelijke afzet}\times(\text{verkoopprijs}-\text{kostprijs})verkoopresultaat=werkelijke afzet×(verkoopprijs−kostprijs)

Verkoopresultaat

De winst uit het verkopen boven de kostprijs.

bezettingsresultaat=(werkelijke productie−normale productie)×constante kosten per product\text{bezettingsresultaat}=(\text{werkelijke productie}-\text{normale productie})\times\text{constante kosten per product}bezettingsresultaat=(werkelijke productie−normale productie)×constante kosten per product

Bezettingsresultaat

Positief bij overbezetting (meer dan normaal geproduceerd), negatief bij onderbezetting.

Uitgewerkt voorbeeld

Winst uitsplitsen in verkoop- en bezettingsresultaat

Normale productie 20.000 stuks, kostprijs €7 (waarvan €3 constant), verkoopprijs €10. Werkelijk: 22.000 geproduceerd en verkocht. Bereken het verkoopresultaat, het bezettingsresultaat en het totale resultaat, en controleer via de directe winstberekening (CK = €60.000; vk = €4).

  1. 01Verkoopresultaat

    22.000×(10−7)=22.000×3= EUR66.00022.000\times(10-7)=22.000\times3=\,\text{EUR}66.00022.000×(10−7)=22.000×3=EUR66.000.

  2. 02Bezettingsresultaat

    (22.000−20.000)×3=2.000×3= EUR6.000(22.000-20.000)\times3=2.000\times3=\,\text{EUR}6.000(22.000−20.000)×3=2.000×3=EUR6.000 (overbezetting).

  3. 03Totaal resultaat

    66.000+6.000= EUR72.00066.000+6.000=\,\text{EUR}72.00066.000+6.000=EUR72.000.

  4. 04Controle

    Omzet 22.000×10=220.00022.000\times10=220.00022.000×10=220.000; totale kosten 60.000+4×22.000=148.00060.000+4\times22.000=148.00060.000+4×22.000=148.000; winst 220.000−148.000= EUR72.000220.000-148.000=\,\text{EUR}72.000220.000−148.000=EUR72.000: klopt.

    220000−148000=72000220000-148000=72000220000−148000=72000

Resultaat: Verkoopresultaat €66.000, bezettingsresultaat €6.000, totaal €72.000 — precies gelijk aan de directe winstberekening, wat de opsplitsing bevestigt.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het verkoopresultaat en het bezettingsresultaat berekenen en optellen tot het totale resultaat.
  • Examendoel: het totale resultaat controleren via de directe winstberekening (omzet − totale kosten).

Veelgemaakte fouten

  • Bij het bezettingsresultaat de volledige kostprijs gebruiken in plaats van alleen de constante kosten per product.
  • Het bezettingsresultaat het verkeerde teken geven: overbezetting (meer dan normaal) is positief, onderbezetting negatief.

Actieve herhaling

Normale productie 30.000 stuks, kostprijs €9 (waarvan €4 constant), verkoopprijs €13. Werkelijk: 28.000 geproduceerd en verkocht. Bereken het verkoopresultaat, het bezettingsresultaat en het totale resultaat, en controleer je uitkomst.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein F2 (kosten- en winstvraagstukken) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Kostensoorten: constant en variabel○
    • 02De kostprijs berekenen◐
    • 03De break-evenanalyse◐
    • 04Verkoop- en bezettingsresultaat●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Kosten- en winstvraagstukken

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~13
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein F2 (kosten- en winstvraagstukken)

Vorig onderwerp

Vastleggen van financiële en niet-financiële informatie

Volgend onderwerp

Verslaggeving en jaarrekening

EuraStudy·Samenvattingen T·11·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.