EuraStudy
Samenvattingen/Bedrijfseconomie/Vastleggen van financiële en niet-financiële informatie
Samenvattingen · BedrijfseconomieNL · VWO

Vastleggen van financiële en niet-financiële informatie

Om te kunnen sturen en verantwoorden, legt een onderneming al haar transacties vast in de boekhouding. Dit onderwerp behandelt de grootboekrekeningen (balans- en resultatenrekeningen), het journaliseren volgens het debet-creditprincipe, het boeken van btw (te vorderen en af te dragen) en de weg van het journaal via de proef- en saldibalans naar de balans en de resultatenrekening. De ijzeren regel is: elke boeking heeft debet én credit, en debet = credit.

4 Onderdelen·~14 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3

T·101010 / 16
Examenprofiel
Balans- en resultatenrekeningen onderscheiden en de debet-creditregels toepassen (domein F1).Journaalposten maken voor in- en verkoop, met btw.De btw-afdracht berekenen (af te dragen − te vorderen).Een proef- en saldibalans opstellen en controleren (debet = credit).
Operatoren:journaliseerberekenbepaalstel opleg uittoon aan

basisniveau

Voor iedereen: de debet-creditregels, het journaliseren van in- en verkoop, de btw-boekingen en de saldibalans horen tot de kern van domein F1.

verhoogd niveau

Verdieping: de samenhang tussen het journaal, de grootboekrekeningen en de saldibalans doorzien en de winst uit de resultatenrekeningen afleiden.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Vastleggen van financiële en niet-financiële informatie
    • 01Grootboekrekeningen: balans en resultaat○
    • 02Journaliseren: debet en credit◐
    • 03Btw boeken◐
    • 04Van journaal naar de proef- en saldibalans◐
§ 01

Grootboekrekeningen: balans en resultaat#

●○○BasisLPexamenblad-bedrijfseconomie-domein-F1

Kernpunten

De boekhouding registreert elke financiële gebeurtenis op grootboekrekeningen: aparte overzichten per soort bezitting, schuld, kostenpost of opbrengst. Elke grootboekrekening heeft twee zijden — een debet- (linker) en een creditzijde (rechter) — waardoor je hem als een ‘T’ tekent (een T-rekening). Er zijn twee hoofdsoorten rekeningen. Balansrekeningen registreren bezittingen, schulden en het eigen vermogen (ze horen op de balans). Resultatenrekeningen registreren kosten en opbrengsten (ze horen op de resultatenrekening). Afb. 1 geeft de debet-creditregels per soort.

Debet-creditregels per rekeningsoort

Debet en creditTabel met 4 kolommen en 5 rijen, Gegevens: rekeningsoort · vermeerdering · vermindering · saldo; bezitting (activa) · debet · credit · debet; schuld (vreemd vermogen) · credit · debet · credit; eigen vermogen · credit · debet · credit; kosten · debet · credit · debet; opbrengsten · credit · debet · creditREKENINGSOORTVERMEERDERINGVERMINDERINGSALDObezitting (activa)debetcreditdebetschuld (vreemd vermogen)creditdebetcrediteigen vermogencreditdebetcreditkostendebetcreditdebetopbrengstencreditdebetcredit
Afb. 1Afb. 1 — De debet-creditregels. Bezittingen en kosten zijn debetrekeningen; schulden, eigen vermogen en opbrengsten zijn creditrekeningen.
De debet-creditregels volgen logisch uit de balans. Een bezitting (activa) staat aan de debetzijde van de balans; een toename boek je dus debet, een afname credit, en het saldo is debet. Een schuld (vreemd vermogen) en het eigen vermogen staan aan de creditzijde; een toename boek je credit, een afname debet, en het saldo is credit. Zo is elke bezitting een debetrekening en elke schuld een creditrekening. Deze spiegeling zorgt ervoor dat de balans altijd in evenwicht blijft.
Voor de resultatenrekeningen geldt een verwante regel. Kosten verminderen het eigen vermogen en boek je aan de debetzijde; opbrengsten vergroten het eigen vermogen en boek je aan de creditzijde. Aan het eind van de periode bepaal je de winst als het verschil tussen de opbrengsten (credit) en de kosten (debet); die winst wordt aan het eigen vermogen toegevoegd. Zo zijn de resultatenrekeningen eigenlijk ‘hulprekeningen’ die de veranderingen van het eigen vermogen gedurende de periode apart bijhouden, zodat je aan het eind precies weet waar de winst vandaan komt.
Het onderscheid tussen balans- en resultatenrekeningen is essentieel om te weten wat waar terechtkomt. De balansrekeningen leveren aan het eind de eindbalans (de stand van bezittingen, schulden en eigen vermogen op een moment); de resultatenrekeningen leveren de resultatenrekening (de stroom van kosten en opbrengsten over de periode). Een uitgave voor een machine boek je op een balansrekening (het is een bezitting), maar de afschrijving daarvan boek je op een resultatenrekening (het is een kost). Dit onderscheid — voorraadgrootheid versus stroomgrootheid — komt bij de verslaggeving weer terug.
debet=credit\text{debet}=\text{credit}debet=credit

Het balansevenwicht

Elke boeking heeft een debet- én een creditkant van gelijke grootte.

winst=opbrengsten (credit)−kosten (debet)\text{winst}=\text{opbrengsten (credit)}-\text{kosten (debet)}winst=opbrengsten (credit)−kosten (debet)

Resultaat

De winst wordt aan het eind aan het eigen vermogen toegevoegd.

Uitgewerkt voorbeeld

Rekeningsoort en boekingszijde bepalen

Een onderneming koopt een machine (bezitting) en betaalt daarvoor met geld van de bank (bezitting). Bepaal per rekening of ze toeneemt of afneemt en aan welke zijde je boekt.

  1. 01Machine (bezitting)

    De bezitting machines neemt toe; een vermeerdering van een bezitting boek je debet.

  2. 02Bank (bezitting)

    De bezitting bank neemt af; een vermindering van een bezitting boek je credit.

  3. 03Evenwicht

    Debet (machines) = credit (bank): de boeking is in evenwicht en het balanstotaal blijft gelijk (de ene bezitting vervangt de andere).

Resultaat: Machines debet (toename bezitting), Bank credit (afname bezitting); debet = credit, dus de boeking klopt.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: balans- en resultatenrekeningen onderscheiden en de debet-creditregels per rekeningsoort toepassen.
  • Examendoel: uitleggen dat kosten het eigen vermogen verlagen (debet) en opbrengsten het verhogen (credit).

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat 'debet' altijd plus en 'credit' altijd min is; voor een bezitting is dat zo, maar voor een schuld is het juist andersom.
  • Een aankoop van een bedrijfsmiddel als kosten boeken; de aanschaf is een balanspost (bezitting), pas de afschrijving is een kost.

Actieve herhaling

Bepaal voor de volgende rekeningen of het een balans- of resultatenrekening is en of het saldo debet of credit staat: debiteuren, crediteuren, huurkosten, omzet, eigen vermogen en voorraad.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein F1 (vastleggen van financiële informatie) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Journaliseren: debet en credit#

●●○StandaardLPexamenblad-bedrijfseconomie-domein-F1

Kernpunten

Journaliseren is het opschrijven van elke transactie als een journaalpost: een boeking met minstens één debet- en één creditregel, waarbij het totaal debet gelijk is aan het totaal credit. Dit dubbele boekhouden zorgt ervoor dat elke gebeurtenis van twee kanten wordt vastgelegd en dat de administratie automatisch in evenwicht blijft. Bij elke transactie stel je jezelf drie vragen: welke rekeningen zijn betrokken, nemen ze toe of af, en aan welke zijde (debet of credit) boek je dat volgens de regels van Afb. 1?
Neem een inkoop op rekening. Er komt voorraad/kosten bij (de inkopen, een kostenrekening → debet), er ontstaat een vordering op de Belastingdienst voor de betaalde btw (btw te vorderen, een bezitting → debet) en er ontstaat een schuld aan de leverancier (crediteuren, een schuld → credit). In Afb. 2 staat deze journaalpost: inkopen €1000 debet, btw te vorderen €210 debet, crediteuren €1210 credit. De debetkant (1000 + 210) is precies gelijk aan de creditkant (1210).

Journaalposten voor in- en verkoop

JournaalpostenTabel met 4 kolommen en 6 rijen, Gegevens: boeking · grootboekrekening · debet (€) · credit (€); inkoop op rekening · inkopen · 1000 · ; · btw te vorderen · 210 · ; · aan crediteuren · · 1210; verkoop op rekening · debiteuren · 1815 · ; · aan opbrengst verkopen · · 1500; · aan btw af te dragen · · 315BOEKINGGROOTBOEKREKENINGDEBET (€)CREDIT (€)inkoop op rekeninginkopen1000btw te vorderen210aan crediteuren1210verkoop op rekeningdebiteuren1815aan opbrengst verkopen1500aan btw af te dragen315
Afb. 2Afb. 2 — Twee journaalposten. Inkoop: inkopen + btw te vorderen debet, crediteuren credit. Verkoop: debiteuren debet, opbrengst + btw af te dragen credit. Bij beide is debet = credit.
Bij een verkoop op rekening draait de logica om. Er ontstaat een vordering op de klant (debiteuren, een bezitting → debet), er is een opbrengst (opbrengst verkopen, een opbrengstrekening → credit) en er ontstaat een schuld aan de Belastingdienst voor de in rekening gebrachte btw (btw af te dragen, een schuld → credit). In Afb. 2 is dat: debiteuren €1815 debet, opbrengst verkopen €1500 credit, btw af te dragen €315 credit. Ook hier is debet (1815) gelijk aan credit (1500 + 315).
Elke andere transactie journaliseer je op dezelfde manier. Een betaling aan een leverancier: crediteuren (schuld neemt af → debet) tegen bank (bezitting neemt af → credit). Een ontvangst van een klant: bank (bezitting toe → debet) tegen debiteuren (vordering af → credit). Doordat elke boeking in evenwicht is, blijft de hele administratie kloppen: tel je aan het eind alle debetsaldi en alle creditsaldi op, dan moeten ze gelijk zijn. Is dat niet zo, dan is er ergens een fout gemaakt — de zelfcontrole van het dubbele boekhouden.
totaal debet van een journaalpost=totaal credit van een journaalpost\text{totaal debet van een journaalpost}=\text{totaal credit van een journaalpost}totaal debet van een journaalpost=totaal credit van een journaalpost

Journaalpost in evenwicht

Elke boeking heeft gelijke debet- en creditbedragen.

Uitgewerkt voorbeeld

Een verkoop op rekening journaliseren

Een onderneming verkoopt op rekening voor €2000 exclusief 21% btw. Maak de journaalpost en toon aan dat debet gelijk is aan credit.

  1. 01Btw berekenen

    0,21×2000= EUR4200{,}21\times2000=\,\text{EUR}4200,21×2000=EUR420 btw af te dragen.

  2. 02Debiteuren (debet)

    De klant is het volledige bedrag inclusief btw schuldig: 2000+420= EUR24202000+420=\,\text{EUR}24202000+420=EUR2420 (bezitting toe → debet).

  3. 03Opbrengst en btw (credit)

    Opbrengst verkopen €2000 (credit) en btw af te dragen €420 (credit).

  4. 04Controle

    Debet €2420 = credit 2000+420= EUR24202000+420=\,\text{EUR}24202000+420=EUR2420: de journaalpost klopt.

Resultaat: Debiteuren €2420 debet; aan opbrengst verkopen €2000 en aan btw af te dragen €420 credit. Debet = credit = €2420.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: journaalposten maken voor in- en verkoop, betaling en ontvangst, met de juiste debet- en creditrekeningen.
  • Examendoel: aantonen dat elke journaalpost in evenwicht is (debet = credit).

Veelgemaakte fouten

  • Bij de debiteuren of crediteuren het bedrag exclusief btw boeken; de klant/leverancier is juist het bedrag inclusief btw verschuldigd.
  • Debet en credit verwisselen doordat de vermeerdering/vermindering-regel van de rekeningsoort niet wordt toegepast.

Actieve herhaling

Maak de journaalposten voor: (a) een inkoop op rekening van €3000 exclusief 21% btw en (b) de latere betaling van die crediteur per bank. Toon bij elke post aan dat debet = credit.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein F1 (vastleggen van financiële informatie) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Btw boeken#

●●○StandaardLPexamenblad-bedrijfseconomie-domein-F1

Kernpunten

De omzetbelasting (btw) loopt via de onderneming maar drukt uiteindelijk op de consument. Op haar inkopen betaalt de onderneming btw aan haar leveranciers; die btw mag ze terugvragen van de Belastingdienst en boekt ze als btw te vorderen (een bezitting/vordering, debet). Op haar verkopen brengt ze btw in rekening aan haar klanten; die btw moet ze afdragen aan de Belastingdienst en boekt ze als btw af te dragen (een schuld, credit). De btw is voor de onderneming dus een doorlooppost: geen kost en geen opbrengst, maar geld dat ze int en doorbetaalt.
Aan het eind van een aangifteperiode verrekent de onderneming beide posten. Ze moet de op verkopen ontvangen btw (af te dragen) afdragen, maar mag daar de op inkopen betaalde btw (te vorderen, de voorbelasting) van aftrekken. Het saldo dat overblijft, draagt ze af: af te dragen btw === btw over de verkopen −-− btw over de inkopen. Afb. 3 toont deze berekening: €10.500 over de verkopen min €6.300 over de inkopen geeft €4.200 die naar de Belastingdienst gaat.

Btw-afdracht over een periode

Btw-afdrachtTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: post · grondslag (€) · btw 21% (€); verkopen (btw af te dragen) · 50000 · 10500; inkopen (btw te vorderen) · 30000 · 6300; af te dragen aan de Belastingdienst · · 4200, gemarkeerde cel: 4200POSTGRONDSLAG (€)BTW 21% (€)verkopen (btw af te dragen)5000010500inkopen (btw te vorderen)300006300af te dragen aan deBelastingdienst4200
Afb. 3Afb. 3 — De btw-afdracht: 21% over €50.000 verkopen (€10.500) min 21% over €30.000 inkopen (€6.300) = €4.200 af te dragen aan de Belastingdienst.
Het cruciale inzicht is dat de onderneming per saldo alleen btw afdraagt over de waarde die zíj heeft toegevoegd. Ze ontvangt btw over de volle verkoopprijs, maar trekt de btw over de inkoopprijs eraf; ze draagt dus btw af over het verschil — haar marge (de toegevoegde waarde). Vandaar de naam belasting over de toegevoegde waarde (btw). Zo betaalt uiteindelijk alleen de consument (die de btw niet kan terugvragen) de volledige belasting, terwijl elke schakel in de keten slechts over zijn eigen toegevoegde waarde afdraagt.
Omdat de btw een doorlooppost is, mag hij nooit in de kosten, de opbrengsten of de winst terechtkomen. Boek je btw per ongeluk als kost of opbrengst, dan klopt je resultaat niet. In de boekhouding houd je de twee btw-rekeningen daarom apart, en aan het eind van de periode boek je het saldo weg tegen de schuld ‘te betalen btw’ (of, als de voorbelasting groter is, een vordering ‘te ontvangen btw’). Kan de onderneming meer btw terugvragen dan ze moet afdragen — bijvoorbeeld bij grote investeringen — dan krijgt zij per saldo btw terug van de Belastingdienst.
af te dragen btw=btw over de verkopen−btw over de inkopen\text{af te dragen btw}=\text{btw over de verkopen}-\text{btw over de inkopen}af te dragen btw=btw over de verkopen−btw over de inkopen

Btw-afdracht

Per saldo draag je btw af over je toegevoegde waarde (marge).

Uitgewerkt voorbeeld

Btw-afdracht berekenen

Een onderneming had dit kwartaal €80.000 verkopen en €55.000 inkopen, beide exclusief 21% btw. Bereken de btw te vorderen, de btw af te dragen en het bedrag dat per saldo aan de Belastingdienst wordt betaald.

  1. 01Btw af te dragen (verkopen)

    0,21×80.000= EUR16.8000{,}21\times80.000=\,\text{EUR}16.8000,21×80.000=EUR16.800.

  2. 02Btw te vorderen (inkopen)

    0,21×55.000= EUR11.5500{,}21\times55.000=\,\text{EUR}11.5500,21×55.000=EUR11.550.

  3. 03Af te dragen saldo

    16.800−11.550= EUR5.25016.800-11.550=\,\text{EUR}5.25016.800−11.550=EUR5.250.

    16800−11550=525016800-11550=525016800−11550=5250
  4. 04Interpretatie

    De €5.250 is 21% over de toegevoegde waarde van €25.000 (80.000−55.00080.000-55.00080.000−55.000): de onderneming draagt alleen af over haar marge.

Resultaat: De btw af te dragen is €16.800, de btw te vorderen €11.550; per saldo betaalt de onderneming €5.250 — precies 21% over haar toegevoegde waarde van €25.000.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: btw te vorderen en btw af te dragen boeken en de af te dragen btw berekenen.
  • Examendoel: uitleggen dat de btw een doorlooppost is en dat per saldo alleen over de toegevoegde waarde wordt afgedragen.

Veelgemaakte fouten

  • De btw als kost of opbrengst in de resultatenrekening opnemen; het is een doorlooppost die de winst niet raakt.
  • De volledige btw over de verkopen afdragen zonder de voorbelasting (btw over de inkopen) af te trekken.

Actieve herhaling

Een onderneming heeft in een maand €120.000 verkopen en €90.000 inkopen (beide exclusief 21% btw). Bereken de btw af te dragen, de btw te vorderen en het saldo, en toon aan dat dat saldo gelijk is aan 21% van de toegevoegde waarde.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein F1 (vastleggen van financiële informatie) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Van journaal naar de proef- en saldibalans#

●●○StandaardLPexamenblad-bedrijfseconomie-domein-F1

Kernpunten

Na het journaliseren worden de journaalposten overgeboekt naar de grootboekrekeningen (het ‘boeken in het grootboek’). Aan het eind van de periode bepaal je van elke grootboekrekening het saldo — het verschil tussen de debet- en de creditkant. Om te controleren of er geen fouten zijn gemaakt, stel je de proefbalans op: een lijst met van elke rekening het totaal aan de debet- en de creditzijde. Omdat elke journaalpost in evenwicht was, moet het totaal van alle debetkanten gelijk zijn aan het totaal van alle creditkanten. Is dat niet zo, dan is er ergens verkeerd geboekt.
De saldibalans gaat een stap verder: die vermeldt van elke rekening alleen het saldo (debet of credit) en splitst de rekeningen in twee groepen — de balansrekeningen en de resultatenrekeningen. In Afb. 4 zie je zo'n saldibalans: de bezittingen en schulden vormen de balanskant, de kosten en opbrengsten de resultatenkant. Ook hier moeten de totale debet- en creditsaldi aan elkaar gelijk zijn, als bewijs dat de administratie klopt.

Saldibalans met balans- en resultatenrekeningen

SaldibalansTabel met 4 kolommen en 9 rijen, Gegevens: grootboekrekening · debet (€) · credit (€) · soort; bank · 20000 · · balans; debiteuren · 15000 · · balans; voorraad · 25000 · · balans; crediteuren · · 12000 · balans; eigen vermogen · · 40000 · balans; inkoopwaarde omzet · 60000 · · resultaat; bedrijfskosten · 20000 · · resultaat; omzet · · 88000 · resultaat; totaal · 140000 · 140000 · , gemarkeerde cel: 140000GROOTBOEKREKENINGDEBET (€)CREDIT (€)SOORTbank20000balansdebiteuren15000balansvoorraad25000balanscrediteuren12000balanseigen vermogen40000balansinkoopwaarde omzet60000resultaatbedrijfskosten20000resultaatomzet88000resultaattotaal140000140000
Afb. 4Afb. 4 — Een saldibalans. De totale debet- en creditsaldi zijn gelijk (€140.000). Uit de resultatenrekeningen volgt de winst: €88.000 omzet − €80.000 kosten = €8.000.
Uit de saldibalans lees je direct de winst af. De resultatenrekeningen leveren die op: de winst is het verschil tussen de opbrengsten (creditsaldi) en de kosten (debetsaldi). In het voorbeeld van Afb. 4 is de omzet €88.000 en zijn de kosten (inkoopwaarde €60.000 + bedrijfskosten €20.000) samen €80.000, zodat de winst €8.000 is. Die winst is de schakel tussen de resultatenrekening en de balans: hij wordt aan het eigen vermogen toegevoegd, waardoor ook de eindbalans weer in evenwicht komt.
Zo sluit de boekhoudkundige kringloop zich: van de transactie (journaalpost) via het grootboek en de proef- en saldibalans naar de twee eindproducten — de balans (de stand van bezittingen, schulden en eigen vermogen) en de resultatenrekening (de kosten en opbrengsten van de periode). Elke stap controleert zichzelf met de regel debet = credit. Deze administratie is de grondstof voor de externe verslaggeving (domein G): de balans en de resultatenrekening die de onderneming naar buiten toe presenteert, en de kengetallen die daaruit worden berekend.
totaal debetsaldi=totaal creditsaldi\text{totaal debetsaldi}=\text{totaal creditsaldi}totaal debetsaldi=totaal creditsaldi

Controle van de saldibalans

Klopt dit niet, dan is er ergens een boekingsfout gemaakt.

winst=opbrengsten−kosten (uit de resultatenrekeningen)\text{winst}=\text{opbrengsten}-\text{kosten (uit de resultatenrekeningen)}winst=opbrengsten−kosten (uit de resultatenrekeningen)

Winst uit de saldibalans

De winst wordt toegevoegd aan het eigen vermogen op de balans.

Uitgewerkt voorbeeld

Winst uit de saldibalans afleiden

Uit een saldibalans blijken de volgende resultatenrekeningen: omzet €88.000 (credit), inkoopwaarde omzet €60.000 (debet) en bedrijfskosten €20.000 (debet). Bereken de winst en leg uit wat er met die winst gebeurt op de balans.

  1. 01Totale kosten

    60.000+20.000= EUR80.00060.000+20.000=\,\text{EUR}80.00060.000+20.000=EUR80.000 (de debetsaldi van de resultatenrekeningen).

  2. 02Winst

    88.000−80.000= EUR8.00088.000-80.000=\,\text{EUR}8.00088.000−80.000=EUR8.000 (opbrengsten − kosten).

    88000−80000=800088000-80000=800088000−80000=8000
  3. 03Naar de balans

    De winst van €8.000 wordt toegevoegd aan het eigen vermogen, dat daardoor stijgt.

  4. 04Evenwicht

    Door de winst bij het eigen vermogen te tellen, komt de eindbalans (activa = eigen vermogen + vreemd vermogen) weer in evenwicht.

Resultaat: De winst is €8.000; die wordt bij het eigen vermogen op de balans opgeteld, waarmee de resultatenrekening en de balans op elkaar aansluiten.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een proef- en saldibalans opstellen en controleren dat de totale debet- en creditsaldi gelijk zijn.
  • Examendoel: uit de resultatenrekeningen van de saldibalans de winst afleiden en die aan het eigen vermogen koppelen.

Veelgemaakte fouten

  • De proefbalans (totalen per rekening) verwarren met de saldibalans (saldo per rekening).
  • De winst niet aan het eigen vermogen toevoegen, waardoor de eindbalans niet meer in evenwicht is.

Actieve herhaling

Een saldibalans bevat: kas €10.000 (D), voorraad €30.000 (D), crediteuren €8.000 (C), eigen vermogen €25.000 (C), omzet €70.000 (C), inkoopwaarde €50.000 (D) en bedrijfskosten €13.000 (D). Toon aan dat debet = credit en bereken de winst.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein F1 (vastleggen van financiële informatie) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Grootboekrekeningen: balans en resultaat○
    • 02Journaliseren: debet en credit◐
    • 03Btw boeken◐
    • 04Van journaal naar de proef- en saldibalans◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Vastleggen van financiële en niet-financiële informatie

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~14
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein F1 (vastleggen van financiële informatie)

Vorig onderwerp

Financieren

Volgend onderwerp

Kosten- en winstvraagstukken

EuraStudy·Samenvattingen T·10·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.