EuraStudy
Samenvattingen/Bedrijfseconomie/Financieren
Samenvattingen · BedrijfseconomieNL · VWO

Financieren

Financieren is het aantrekken van het vermogen waarmee een onderneming haar bezittingen betaalt. Dit onderwerp behandelt het onderscheid tussen eigen en vreemd vermogen, de vormen van lang vreemd vermogen met hun aflossingsschema's (lineair en annuïteit), het korte vreemd vermogen (leverancierskrediet en rekening-courantkrediet) en de rentabiliteit van het eigen vermogen met het hefboomeffect. De rode draad is de afweging tussen rendement en risico: lenen kan de winst voor de eigenaar vergroten, maar ook het risico.

4 Onderdelen·~14 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0999 / 16
Examenprofiel
Eigen en vreemd vermogen als financieringsbronnen onderscheiden (domein D2).Een aflossingsschema opstellen (lineaire aflossing en annuïteit).De kosten van kort vreemd vermogen (leverancierskrediet, korting voor contant) berekenen.De rentabiliteit van het eigen vermogen en het hefboomeffect berekenen en verklaren.
Operatoren:berekenbepaalleg uitverklaartoon aanbeoordeel

basisniveau

Voor iedereen: eigen versus vreemd vermogen, de aflossingsschema's en het korte vreemd vermogen horen tot de kern van domein D2.

verhoogd niveau

Verdieping: het hefboomeffect doorrekenen met REV, RTV en de interestvoet, en de afweging tussen rendement en risico onderbouwen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Financieren
    • 01Eigen en vreemd vermogen○
    • 02Lang vreemd vermogen en aflossingsschema's◐
    • 03Kort vreemd vermogen◐
    • 04Rentabiliteit en het hefboomeffect●
§ 01

Eigen en vreemd vermogen#

●○○BasisLPexamenblad-bedrijfseconomie-domein-D2

Kernpunten

Het vermogen waarmee een onderneming haar bezittingen financiert, komt uit twee soorten bronnen. Eigen vermogen is het vermogen van de eigenaren zelf: bij een eenmanszaak de inbreng van de ondernemer, bij een bv het aandelenkapitaal en de reserves. Vreemd vermogen is geleend vermogen: schulden aan banken, obligatiehouders en leveranciers. In Afb. 1 zie je de vermogensstructuur van een onderneming: 40% eigen vermogen en 60% vreemd vermogen. Deze verhouding — hoeveel eigen tegenover vreemd — is een kernkeuze in het financiële beleid.

De vermogensstructuur van een onderneming

Eigen en vreemd vermogenRingdiagram, Gegevens: eigen vermogen (€200.000): 40; vreemd vermogen (€300.000): 60eigen vermogen (€200.000) 40%vreemd vermogen (€300.000) 60%
Afb. 1Afb. 1 — De vermogensstructuur: €200.000 eigen vermogen (40%) en €300.000 vreemd vermogen (60%) op een totaal vermogen van €500.000. De verhouding EV/VV bepaalt het risico en het hefboomeffect.
Eigen en vreemd vermogen verschillen wezenlijk in risico en beloning. Eigen vermogen is risicodragend: het deelt in de winst (via het rendement of het dividend) én in het verlies, en hoeft niet te worden terugbetaald. De verschaffer van eigen vermogen krijgt geen vaste vergoeding, maar draagt het ondernemersrisico. Vreemd vermogen is niet-risicodragend: de geldgever heeft recht op een vaste vergoeding (interest) en op terugbetaling (aflossing), ongeacht of de onderneming winst maakt. Bij faillissement worden de verschaffers van vreemd vermogen éérst betaald; de eigenaren staan achteraan.
Bij vreemd vermogen is de looptijd bepalend voor de indeling. Lang vreemd vermogen heeft een looptijd van meer dan een jaar: een hypothecaire lening, een onderhandse lening of een obligatielening. Kort vreemd vermogen heeft een looptijd korter dan een jaar: leverancierskrediet (crediteuren) en rekening-courantkrediet. Een gezonde vuistregel is dat je vaste activa (die lang meegaan) met permanent vermogen — eigen vermogen en lang vreemd vermogen — financiert, en vlottende activa deels met kort vreemd vermogen. Financier je een gebouw met kort krediet, dan moet je dat al snel weer aflossen terwijl het gebouw nog jaren mee moet.
De keuze tussen eigen en vreemd vermogen is een afweging tussen kosten, risico en zeggenschap. Vreemd vermogen is vaak goedkoper (de rente is meestal lager dan het geëiste rendement op eigen vermogen, en interest is aftrekbaar), maar het brengt vaste verplichtingen mee die er ook in slechte jaren zijn — dat vergroot het risico. Eigen vermogen is duurder en verwatert de zeggenschap (nieuwe aandeelhouders krijgen stemrecht), maar geeft een buffer en flexibiliteit. Te veel vreemd vermogen maakt een onderneming kwetsbaar; te weinig laat rendement liggen. Die balans werken we uit in het hefboomeffect.
totaal vermogen=eigen vermogen+vreemd vermogen\text{totaal vermogen}=\text{eigen vermogen}+\text{vreemd vermogen}totaal vermogen=eigen vermogen+vreemd vermogen

Vermogensstructuur

Het totale vermogen is gelijk aan de totale activa (de balansvergelijking).

Uitgewerkt voorbeeld

Eigen versus vreemd vermogen bij verlies

Een onderneming met €200.000 eigen vermogen en €300.000 vreemd vermogen (interest 5%) lijdt in een slecht jaar een bedrijfsverlies: het bedrijfsresultaat is €0. Leg uit wie in dat jaar wél en wie niet een vergoeding krijgt, en wat dat betekent voor het risico.

  1. 01Vreemd vermogen

    De geldgevers hebben recht op vaste interest: 0,05×300.000= EUR15.0000{,}05\times300.000=\,\text{EUR}15.0000,05×300.000=EUR15.000, ongeacht het resultaat.

  2. 02Gevolg voor de winst

    Bedrijfsresultaat €0 min €15.000 interest = €15.000 verlies, dat het eigen vermogen aantast.

  3. 03Eigen vermogen

    De eigenaren krijgen niets (geen dividend/rendement) en dragen het verlies: hun vermogen daalt naar €185.000.

  4. 04Risico

    Vreemd vermogen heeft vaste verplichtingen die ook in slechte jaren doorlopen; eigen vermogen vangt de klappen op. Veel vreemd vermogen vergroot dus het risico.

Resultaat: De geldgevers ontvangen hun vaste €15.000 interest; de eigenaren krijgen niets en dragen het verlies van €15.000. Vreemd vermogen brengt vaste lasten mee die het risico vergroten.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: eigen en vreemd vermogen onderscheiden op risicodragendheid, vergoeding en terugbetaling.
  • Examendoel: lang en kort vreemd vermogen indelen naar looptijd en de financieringsvuistregel toepassen.

Veelgemaakte fouten

  • Eigen vermogen zien als een schuld die moet worden terugbetaald; eigen vermogen is permanent en risicodragend, vreemd vermogen niet.
  • Vaste activa met kort vreemd vermogen financieren; permanente bezittingen horen met permanent vermogen te worden betaald.

Actieve herhaling

Een onderneming heeft een totaal vermogen van €800.000, waarvan €500.000 vreemd vermogen. Bereken het eigen vermogen en het aandeel eigen vermogen in procenten, en leg uit welk gevolg een groter aandeel vreemd vermogen heeft voor het risico.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein D2 (financieren) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Lang vreemd vermogen en aflossingsschema's#

●●○StandaardLPexamenblad-bedrijfseconomie-domein-D2

Kernpunten

Lang vreemd vermogen komt in verschillende vormen. Een hypothecaire lening is een lening met onroerend goed (een gebouw) als onderpand; door dat onderpand loopt de bank weinig risico en is de rente laag. Een onderhandse lening is een lening rechtstreeks bij één geldgever (vaak een bank) met individuele afspraken. Een obligatielening is een grote lening die in stukken (obligaties) is opgeknipt en aan veel beleggers wordt verkocht — geschikt voor grote ondernemingen die veel geld nodig hebben. Bij al deze leningen betaal je interest en los je de hoofdsom in de loop van de tijd af.
Het aflossen kan op twee manieren, met heel verschillende betalingsverlopen. Bij lineaire aflossing betaal je elk jaar hetzelfde aflossingsbedrag (de lening gedeeld door het aantal jaren). Omdat de restschuld daalt, daalt de interest elk jaar mee, en dus daalt ook het totale jaarbedrag (aflossing plus interest). In Afb. 2 zie je zo'n lineair schema: de aflossing blijft €10.000, maar het totaal daalt van €12.000 naar €10.500 doordat de interest afneemt.

Lineair aflossingsschema

Lineaire aflossingTabel met 6 kolommen en 4 rijen, Gegevens: jaar · beginschuld (€) · interest 5% (€) · aflossing (€) · totaal (€) · restschuld (€); 1 · 40000 · 2000 · 10000 · 12000 · 30000; 2 · 30000 · 1500 · 10000 · 11500 · 20000; 3 · 20000 · 1000 · 10000 · 11000 · 10000; 4 · 10000 · 500 · 10000 · 10500 · 0JAARBEGINSCHULD (€)INTEREST 5% (€)AFLOSSING (€)TOTAAL (€)RESTSCHULD (€)14000020001000012000300002300001500100001150020000320000100010000110001000041000050010000105000
Afb. 2Afb. 2 — Lineair aflossingsschema van een lening van €40.000 tegen 5% in 4 jaar. De aflossing blijft €10.000, maar het totaalbedrag daalt doordat de interest over een steeds lagere restschuld wordt berekend.
Bij annuïteit betaal je juist elk jaar hetzelfde totaalbedrag (de annuïteit). Binnen dat vaste bedrag verschuift de verhouding: in het begin bestaat de annuïteit vooral uit interest en weinig aflossing, later vooral uit aflossing en weinig interest. De annuïteit bereken je met A=lening×r1−(1+r)−nA=\text{lening}\times\frac{r}{1-(1+r)^{-n}}A=lening×1−(1+r)−nr​. Een annuïteitenhypotheek geeft daardoor een constante, voorspelbare maandlast, terwijl een lineaire lening begint met hoge lasten die geleidelijk dalen.
De keuze tussen beide heeft gevolgen voor de totale rentekosten en het lastenverloop. Bij lineaire aflossing los je in het begin sneller af, waardoor de restschuld — en dus de totale interest over de looptijd — lager is dan bij annuïteit. Annuïteit betaalt in het begin minder af, dus je betaalt in totaal iets méér interest, maar je hebt wel elk jaar dezelfde, voorspelbare last. Wie de laagste totale kosten wil, kiest lineair; wie een stabiele, gelijkblijvende last wil, kiest annuïteit. Dit is een concrete toepassing van de tijdswaarde van geld uit het onderwerp financiële zelfredzaamheid.
interest per jaar=restschuld×rentepercentage\text{interest per jaar}=\text{restschuld}\times\text{rentepercentage}interest per jaar=restschuld×rentepercentage

Interest over de restschuld

De interest daalt bij lineaire aflossing mee met de dalende restschuld.

A=lening×r1−(1+r)−nA=\text{lening}\times\dfrac{r}{1-(1+r)^{-n}}A=lening×1−(1+r)−nr​

Annuïteit

Het vaste jaarbedrag; rrr = rente per periode, nnn = aantal perioden.

Uitgewerkt voorbeeld

Annuïteit berekenen en vergelijken

Voor een lening van €40.000 tegen 5% in 4 jaar: bereken de annuïteit. Vergelijk de totale interest bij annuïteit met die bij lineaire aflossing (€5.000).

  1. 01Annuïteitsfactor

    1−(1,05)−4=1−0,8227=0,17731-(1{,}05)^{-4}=1-0{,}8227=0{,}17731−(1,05)−4=1−0,8227=0,1773; de annuïteit is 40.000×0,050,177340.000\times\frac{0{,}05}{0{,}1773}40.000×0,17730,05​.

    A=40000×0,051−1,05−4A=40000\times\frac{0{,}05}{1-1{,}05^{-4}}A=40000×1−1,05−40,05​
  2. 02Annuïteit

    A=40.000×0,28201= EUR11.280,49A=40.000\times0{,}28201=\,\text{EUR}11.280{,}49A=40.000×0,28201=EUR11.280,49 per jaar.

  3. 03Totaal betaald

    4×11.280,49= EUR45.121,964\times11.280{,}49=\,\text{EUR}45.121{,}964×11.280,49=EUR45.121,96, dus totale interest 45.121,96−40.000= EUR5.121,9645.121{,}96-40.000=\,\text{EUR}5.121{,}9645.121,96−40.000=EUR5.121,96.

  4. 04Vergelijking

    Bij annuïteit betaal je €5.122 interest, bij lineair €5.000: annuïteit kost iets méér interest omdat je in het begin langzamer aflost.

Resultaat: De annuïteit is €11.280,49 per jaar; de totale interest is €5.122, iets meer dan de €5.000 bij lineaire aflossing, in ruil voor een gelijkblijvende jaarlast.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een lineair aflossingsschema opstellen met de dalende interest over de restschuld.
  • Examendoel: een annuïteit berekenen en het lastenverloop van lineair en annuïteit vergelijken.

Veelgemaakte fouten

  • De interest elk jaar over de oorspronkelijke lening berekenen; bij aflossing daalt de restschuld en dus de interest.
  • Denken dat annuïteit goedkoper is; door de tragere aflossing in het begin betaal je juist iets méér totale interest dan bij lineair.

Actieve herhaling

Stel het lineaire aflossingsschema op van een lening van €60.000 tegen 4% in 3 jaar (beginschuld, interest, aflossing, totaal en restschuld per jaar) en bereken de totale interest over de looptijd.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein D2 (financieren) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Kort vreemd vermogen#

●●○StandaardLPexamenblad-bedrijfseconomie-domein-D2

Kernpunten

Kort vreemd vermogen zijn schulden met een looptijd korter dan een jaar, die vooral dienen om de lopende bedrijfsvoering te financieren. De bekendste vorm is het leverancierskrediet: je koopt op rekening en betaalt de leverancier pas na een afgesproken termijn (bijvoorbeeld 30 dagen). In die periode financiert de leverancier in feite jouw voorraad — vaak zonder expliciete rente. Afb. 3 zet de belangrijkste vormen van kort vreemd vermogen op een rij.

Vormen van kort vreemd vermogen

Kort vreemd vermogenTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: vorm · wat het is · kenmerk; leverancierskrediet · op rekening kopen, later betalen · gratis binnen termijn, duur bij mislopen korting; afnemerskrediet · de klant betaalt vooruit · financiert jouw productie; rekening-courantkrediet · rood staan tot een limiet · flexibel, hoge rente over opgenomen bedragVORMWAT HET ISKENMERKleverancierskredietop rekening kopen, laterbetalengratis binnen termijn, duurbij mislopen kortingafnemerskredietde klant betaalt vooruitfinanciert jouw productierekening-courantkredietrood staan tot een limietflexibel, hoge rente overopgenomen bedrag
Afb. 3Afb. 3 — Vormen van kort vreemd vermogen. Leverancierskrediet is gratis binnen de termijn, maar duur als je de korting voor contant misloopt.
Het spiegelbeeld is het afnemerskrediet: je klant betaalt (deels) vooruit voordat jij hebt geleverd. Dat komt voor bij werk op bestelling of bij abonnementen: de klant financiert dan jouw productie. Een andere veelgebruikte vorm is het rekening-courantkrediet: de bank staat toe dat je tot een afgesproken limiet 'rood' staat op je betaalrekening. Het is heel flexibel — je neemt op en lost af zoals het uitkomt — maar je betaalt rente over het opgenomen bedrag, en die rente is relatief hoog.
Leverancierskrediet lijkt gratis, maar dat is het lang niet altijd. Vaak biedt de leverancier een korting voor contant (of korting bij snelle betaling): bijvoorbeeld 2% korting als je binnen 10 dagen betaalt in plaats van na 30 dagen. Maak je geen gebruik van die korting, dan 'betaal' je in feite 2% om 20 dagen langer krediet te krijgen. Omgerekend naar een jaar is dat een zeer hoge rente: het krediet dat gratis leek, wordt dan een van de duurste financieringsvormen die er is.
Voor het financieringsbeleid geldt daarom: benut kort vreemd vermogen dat écht gratis is (leverancierskrediet binnen de kortingstermijn of zonder korting), maar wees voorzichtig met dure vormen. Loop je stelselmatig de korting voor contant mis of sta je voortdurend rood, dan zijn de financieringskosten hoog en kan het goedkoper zijn een gewone (lang)lopende lening af te sluiten. Kort vreemd vermogen hoort bij het overbruggen van tijdelijke tekorten in de waardekringloop — niet bij het permanent financieren van bezittingen.
kosten van misgelopen korting=kortingspercentage100−kortingspercentage×365extra kredietdagen\text{kosten van misgelopen korting}=\frac{\text{kortingspercentage}}{100-\text{kortingspercentage}}\times\frac{365}{\text{extra kredietdagen}}kosten van misgelopen korting=100−kortingspercentagekortingspercentage​×extra kredietdagen365​

Effectieve jaarkosten leverancierskrediet

Bij 2% korting en 20 extra dagen: (2/98) × (365/20) ≈ 37% per jaar.

Uitgewerkt voorbeeld

De werkelijke kosten van misgelopen korting voor contant

Een leverancier biedt op een factuur van €5.000 een korting voor contant van 2% bij betaling binnen 10 dagen; anders moet het volledige bedrag binnen 30 dagen betaald worden. Bereken de korting in euro's en de effectieve jaarrente van het niet benutten ervan.

  1. 01Korting in euro's

    0,02×5.000= EUR1000{,}02\times5.000=\,\text{EUR}1000,02×5.000=EUR100: dit loop je mis als je pas na 30 dagen betaalt.

  2. 02Wat je 'koopt'

    Je betaalt in feite €100 om 20 dagen langer (dag 10 tot dag 30) €4.900 krediet te houden.

  3. 03Rente per 20 dagen

    1004.900=298≈2,04%\frac{100}{4.900}=\frac{2}{98}\approx2{,}04\%4.900100​=982​≈2,04% voor 20 dagen.

  4. 04Effectieve jaarrente

    2,04%×36520≈37,2%2{,}04\%\times\frac{365}{20}\approx37{,}2\%2,04%×20365​≈37,2% op jaarbasis — extreem duur.

    298×36520≈0,372\frac{2}{98}\times\frac{365}{20}\approx0{,}372982​×20365​≈0,372

Resultaat: De korting is €100; wie hem misloopt betaalt effectief circa 37% rente per jaar voor 20 dagen extra krediet — vaak duurder dan een gewone lening.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de vormen van kort vreemd vermogen herkennen en hun functie in de bedrijfsvoering uitleggen.
  • Examendoel: de kosten van leverancierskrediet berekenen, inclusief de effectieve rente van een misgelopen korting voor contant.

Veelgemaakte fouten

  • Leverancierskrediet altijd als gratis zien; als je een korting voor contant misloopt, is het juist heel duur.
  • Kort vreemd vermogen gebruiken om vaste activa te financieren; het is bedoeld voor tijdelijke tekorten in de bedrijfsvoering.

Actieve herhaling

Een factuur van €8.000 kent 1,5% korting bij betaling binnen 8 dagen, anders betaling binnen 30 dagen. Bereken de korting in euro's en de effectieve jaarrente van het niet benutten van de korting.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein D2 (financieren) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Rentabiliteit en het hefboomeffect#

●●●VerdiepingLPexamenblad-bedrijfseconomie-domein-D2

Kernpunten

Rentabiliteit meet de winstgevendheid van vermogen als een percentage. De rentabiliteit van het totale vermogen (RTV) is het bedrijfsresultaat (de winst vóór aftrek van interest) als percentage van het totale vermogen: RTV=bedrijfsresultaattotaal vermogen×100%RTV=\frac{\text{bedrijfsresultaat}}{\text{totaal vermogen}}\times100\%RTV=totaal vermogenbedrijfsresultaat​×100%. De rentabiliteit van het eigen vermogen (REV) is de nettowinst (ná interest) als percentage van het eigen vermogen: REV=nettowinsteigen vermogen×100%REV=\frac{\text{nettowinst}}{\text{eigen vermogen}}\times100\%REV=eigen vermogennettowinst​×100%. De REV geeft aan hoeveel de eigenaren op hún inbreng verdienen — de maatstaf die hen het meest interesseert.
Het hefboomeffect (of leverage) verklaart hoe vreemd vermogen de REV kan opstuwen. De logica: als de onderneming met geleend geld méér verdient (RTV) dan het geleende geld kost (de interestvoet iii), blijft het verschil over voor de eigenaren, waardoor hun rendement (REV) boven de RTV uitstijgt. De hefboomformule vat dit samen: REV=RTV+(RTV−i)×VVEVREV=RTV+(RTV-i)\times\frac{VV}{EV}REV=RTV+(RTV−i)×EVVV​. Zolang RTV>iRTV>iRTV>i, is (RTV−i)(RTV-i)(RTV−i) positief en tilt het vreemd vermogen de REV omhoog — en hoe groter de verhouding VV/EV, hoe sterker.
In Afb. 4 zie je beide kanten van de hefboom. In het gunstige scenario is de RTV 10% en de interest 5%: het bedrijfsresultaat is €50.000, na €15.000 interest resteert €35.000 nettowinst, en de REV is 35.000200.000=17,5%\frac{35.000}{200.000}=17{,}5\%200.00035.000​=17,5% — ruim boven de RTV van 10%. Het geleende geld verdient meer dan het kost, en dat surplus komt volledig ten goede aan de eigenaren. De hefboom werkt hier als een vergrootglas op het rendement.

Het hefboomeffect in twee scenario's

HefboomeffectTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: post · gunstig (RTV 10%) · ongunstig (RTV 3%); bedrijfsresultaat (RTV × €500.000) · €50.000 · €15.000; af: interest (5% × €300.000) · −€15.000 · −€15.000; nettowinst · €35.000 · €0; REV (nettowinst / €200.000) · 17,5% · 0%, gemarkeerde cel: 17,5%POSTGUNSTIG (RTV 10%)ONGUNSTIG (RTV 3%)bedrijfsresultaat (RTV ×€500.000)€50.000€15.000af: interest (5% × €300.000)−€15.000−€15.000nettowinst€35.000€0REV (nettowinst / €200.000)17,5%0%
Afb. 4Afb. 4 — Het hefboomeffect (EV €200.000, VV €300.000, interest 5%). Bij RTV 10% > i tilt de hefboom de REV naar 17,5%; bij RTV 3% < i drukt hij die naar 0%.
Maar de hefboom werkt twee kanten op. Zakt de RTV ónder de interestvoet, dan wordt (RTV−i)(RTV-i)(RTV−i) negatief en trekt het vreemd vermogen de REV juist ómlaag — soms tot onder nul. In het ongunstige scenario van Afb. 4 (RTV 3%, interest 5%) is het bedrijfsresultaat maar €15.000, precies genoeg voor de interest, zodat de nettowinst en de REV op 0% uitkomen. Veel vreemd vermogen vergroot dus zowel de kans op een hoge REV als de kans op een dramatisch lage: leverage verhoogt het rendement én het risico. Dat is de kern van de afweging tussen eigen en vreemd vermogen.
RTV=bedrijfsresultaattotaal vermogen×100%RTV=\frac{\text{bedrijfsresultaat}}{\text{totaal vermogen}}\times100\%RTV=totaal vermogenbedrijfsresultaat​×100%

Rentabiliteit totaal vermogen

Winst vóór interest als percentage van het totale vermogen.

REV=nettowinsteigen vermogen×100%REV=\frac{\text{nettowinst}}{\text{eigen vermogen}}\times100\%REV=eigen vermogennettowinst​×100%

Rentabiliteit eigen vermogen

Winst ná interest als percentage van het eigen vermogen.

REV=RTV+(RTV−i)×VVEVREV=RTV+(RTV-i)\times\frac{VV}{EV}REV=RTV+(RTV−i)×EVVV​

Hefboomformule

Als RTV > i tilt vreemd vermogen de REV op; als RTV < i drukt het die omlaag.

Uitgewerkt voorbeeld

REV berekenen met de hefboomformule

Een onderneming heeft €200.000 eigen vermogen en €300.000 vreemd vermogen tegen 5% interest. Het bedrijfsresultaat is €50.000. Bereken de RTV, de nettowinst en de REV, en controleer de REV met de hefboomformule.

  1. 01RTV

    50.000500.000×100%=10%\frac{50.000}{500.000}\times100\%=10\%500.00050.000​×100%=10%.

  2. 02Nettowinst

    Interest 0,05×300.000= EUR15.0000{,}05\times300.000=\,\text{EUR}15.0000,05×300.000=EUR15.000; nettowinst 50.000−15.000= EUR35.00050.000-15.000=\,\text{EUR}35.00050.000−15.000=EUR35.000.

  3. 03REV

    35.000200.000×100%=17,5%\frac{35.000}{200.000}\times100\%=17{,}5\%200.00035.000​×100%=17,5%.

  4. 04Controle met de hefboomformule

    REV=10%+(10%−5%)×300.000200.000=10%+5%×1,5=17,5%REV=10\%+(10\%-5\%)\times\frac{300.000}{200.000}=10\%+5\%\times1{,}5=17{,}5\%REV=10%+(10%−5%)×200.000300.000​=10%+5%×1,5=17,5%.

    10%+(10%−5%)×1,5=17,5%10\%+(10\%-5\%)\times1{,}5=17{,}5\%10%+(10%−5%)×1,5=17,5%

Resultaat: De RTV is 10%, de nettowinst €35.000 en de REV 17,5%; de hefboomformule bevestigt dat het positieve verschil (RTV − i) via de VV/EV-verhouding de REV opstuwt.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de RTV en de REV berekenen en het verband ertussen via de interest verklaren.
  • Examendoel: het hefboomeffect berekenen met de hefboomformule en de omslag bij RTV = i beredeneren.

Veelgemaakte fouten

  • De interest wél in de RTV meenemen; de RTV rekent met het bedrijfsresultaat vóór interest, de REV met de nettowinst ná interest.
  • Aannemen dat meer vreemd vermogen altijd goed is; zodra de RTV onder de interestvoet zakt, drukt de hefboom de REV juist omlaag.

Actieve herhaling

Een onderneming heeft €300.000 eigen vermogen en €200.000 vreemd vermogen tegen 6% interest, met een bedrijfsresultaat van €40.000. Bereken de RTV, de nettowinst en de REV, en controleer met de hefboomformule of de hefboom positief of negatief werkt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein D2 (financieren) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Eigen en vreemd vermogen○
    • 02Lang vreemd vermogen en aflossingsschema's◐
    • 03Kort vreemd vermogen◐
    • 04Rentabiliteit en het hefboomeffect●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Financieren

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~14
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein D2 (financieren)

Vorig onderwerp

Investeren

Volgend onderwerp

Vastleggen van financiële en niet-financiële informatie

EuraStudy·Samenvattingen T·09·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.