EuraStudy
Samenvattingen/Textiele vormgeving/Praktijk (schoolexamen): textiele technieken (weven, borduren, vilten, verven)
Samenvattingen · Textiele vormgevingNL · HAVO

Praktijk (schoolexamen): textiele technieken (weven, borduren, vilten, verven)

Deze SE-praktijkmodule behandelt de basistechnieken van de textiele vormgeving: weven (schering, inslag en de bindingen), borduren en applicatie, vilten (natvilten en naaldvilten) en verven met natuurlijke en synthetische kleurstoffen en reserveertechnieken. Je leert hoe je van vezel via garen tot stof komt en hoe de vezelsoort de techniek en de vorm bepaalt. De praktijk hoort bij het schoolexamen: de school legt de opdrachten en de weging vast in het PTA, terwijl het centraal examen alleen 'kunst beschouwen' toetst.

5 Onderdelen·~25 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3 · Verdieping 1

T·111111 / 13
Examenprofiel
Textiele basistechnieken beheersen: weven, borduren, vilten en verven (SE-praktijk)Bewust een techniek en binding, steek of reserveertechniek kiezen die past bij een eigen ontwerpVezels en materialen herkennen en op hun eigenschappen kiezen voor techniek en vormReflecteren op de samenhang tussen materiaal, techniek en het uiteindelijke textielwerk
Operatoren:maakonderzoekpas toekiesverantwoordreflecteer

basisniveau

Voor het CE 'kunst beschouwen' helpt deze module je textiele technieken en materialen (weven, borduren, vilten, verven, vezels) in bestaand werk te herkennen en de structuur, textuur en kleur te beschrijven.

verhoogd niveau

Voor de SE-praktijk pas je deze technieken zelf toe: je kiest beargumenteerd binding, steek, viltmethode, verf- of reserveertechniek en materiaal, en verantwoordt hoe die keuze je textielwerk bepaalt.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 5 onderdelen▾
  1. Praktijk (schoolexamen): textiele technieken (weven, borduren, vilten, verven)
    • 01Weven: schering, inslag en de drie hoofdbindingen○
    • 02Borduren en applicatie: steken op een grondstof◐
    • 03Vilten: natvilten en naaldvilten◐
    • 04Verven: kleurstoffen, beitsen en reserveertechnieken◐
    • 05Van vezel tot stof: vezels en materialen●
§ 01

Weven: schering, inslag en de drie hoofdbindingen#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kernpunten

Weven is de textiele techniek waarbij je twee draadstelsels haaks over en onder elkaar door laat gaan, zodat er een samenhangend weefsel ontstaat. Het ene stelsel is de schering: de kettingdraden die verticaal en strak gespannen op het weefgetouw liggen en de lengterichting van de stof vormen. Het andere is de inslag: de draad die je horizontaal, van links naar rechts, met een schietspoel telkens door de schering heen brengt. Doordat de inslag om beurten voor en achter de scheringdraden langs gaat, haken de twee stelsels in elkaar en houdt het weefsel zichzelf vast. Deze techniek hoort bij het schoolexamen (SE): de school bepaalt in het programma van toetsing en afsluiting (PTA) welke weefopdrachten je maakt en hoe zwaar ze meetellen, terwijl het centraal examen (CE) alleen het beschouwen van kunst toetst. In de praktijk begin je klein, op een kader- of kamweefgetouw, en bouw je van daaruit je begrip van binding op.
Om te kunnen weven moet je bij elke inslag een deel van de scheringdraden omhoog tillen en de rest laten zakken, zodat er een driehoekige opening ontstaat waar de schietspoel doorheen kan: die opening heet de sprong of het weefvak. Op een schachtgetouw gebeurt dat tillen met schachten, ramen met hevels waar de scheringdraden doorheen lopen; door telkens andere schachten op te trekken, bepaal je welke draden boven liggen. Juist dat patroon van boven en onder, van optillen en laten zakken, legt de BINDING vast: de manier waarop schering en inslag elkaar kruisen. Na elke inslag druk je de draad met de weefkam of het riet stevig aan tegen het al geweven deel, zodat de stof dicht wordt. Verander je het optilpatroon, dan verandert de binding, en daarmee de stevigheid, de val en de glans van de stof. Zo is de binding het echte 'recept' van elk weefsel.
Er zijn drie hoofdbindingen, en Afb. 1 zet ze naast elkaar met hun opbouw en gebruik. Bij de platbinding of linnenbinding gaat de inslag strikt om en om, telkens over een en onder een scheringdraad (1-over-1); het is de eenvoudigste en stevigste binding, aan beide kanten gelijk, en je vindt hem in katoen, linnen en de meeste stevige stoffen. Bij de keperbinding (keper of twill) springt het bindpunt bij elke volgende inslag een draad op, waardoor er schuine, diagonale ribbels ontstaan; spijkerstof (denim) en gabardine zijn bekende voorbeelden en zulke stoffen zijn soepel en slijtvast. Bij de satijnbinding liggen er juist lange draden los over het oppervlak te 'zweven' met heel weinig bindpunten, waardoor de stof glad en glanzend wordt, zoals satijn, maar ook gevoeliger voor haken en trekken. Zo bepaalt de binding rechtstreeks hoe een stof eruitziet en aanvoelt.

De drie hoofdbindingen

De drie hoofdbindingen en het gobelinTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Binding · Opbouw · Kenmerk / gebruik; platbinding / linnenbinding · inslag om en om, 1-over-1 · stevig en mat; het meest gebruikt; keperbinding (twill) · bindpunt schuift telkens 1 draad op · diagonale ribbel; denim, gabardine; satijnbinding · lange zwevende draden, weinig bindpunten · glad en glanzend; satijn; gobelin / tapisserie · inslag bedekt de schering volledig · beelddragend wandtapijt; kleur per vlak, gemarkeerde cel: platbinding / linnenbindingBINDINGOPBOUWKENMERK / GEBRUIKplatbinding / linnenbindinginslag om en om, 1-over-1stevig en mat; het meestgebruiktkeperbinding (twill)bindpunt schuift telkens 1draad opdiagonale ribbel; denim,gabardinesatijnbindinglange zwevende draden,weinig bindpuntenglad en glanzend; satijngobelin / tapisserieinslag bedekt de scheringvolledigbeelddragend wandtapijt;kleur per vlak
Afb. 1Afb. 1 - De drie hoofdbindingen (plat, keper, satijn) en het beeldende gobelin.
Een bijzondere vorm is het gobelin of de tapisserie: een beeldend wandtapijt waarbij de inslag niet doorloopt maar per kleurvlak wordt in- en teruggeweven, zo dicht dat hij de schering volledig bedekt (een ripsachtige structuur). Zo 'schilder' je als het ware met inslaggaren en ontstaan er hele voorstellingen, zoals in de koninklijke Manufacture des Gobelins in Parijs, die in 1662 onder Lodewijk XIV en zijn minister Colbert werd opgericht. Twee begrippen helpen je een weefsel te lezen: de structuur is hoe het is opgebouwd (de binding), de textuur is hoe het oppervlak eruitziet en aanvoelt. Weefkunstenaars als Anni Albers, die in haar boek 'On Weaving' (1965) de mogelijkheden van de binding onderzocht, lieten zien dat je met alleen schering en inslag eindeloos kunt variëren. Dit fundament van draad, binding en structuur keert terug bij het borduren, het verven en de vezelkeuze verderop.
Uitgewerkt voorbeeld

Een binding kiezen voor een stevige boodschappentas

Je moet stof weven voor een boodschappentas die veel gewicht moet dragen. Kies beargumenteerd een binding en verantwoord waarom de andere twee minder geschikt zijn.

  1. 01Eisen bepalen

    De tas moet sterk en slijtvast zijn en niet snel haken of rekken; ik zoek dus een dichte, stevige stof met veel bindpunten.

  2. 02Platbinding wegen

    Platbinding heeft de meeste bindpunten (1-over-1) en is aan beide kanten even stevig; dat maakt de stof dicht en sterk, een sterke kandidaat.

  3. 03Keper en satijn wegen

    Keperbinding is soepel en slijtvast (denim) en dus bruikbaar, maar iets minder dicht; satijnbinding valt af omdat de lange zwevende draden makkelijk haken en slijten.

  4. 04Kiezen en verantwoorden

    Ik kies platbinding om de maximale stevigheid, met keper als tweede keus voor meer soepelheid; satijn is voor een dragende tas ongeschikt.

Resultaat: Voor een dragende tas is platbinding de beste keuze: de vele bindpunten geven een dichte, sterke stof, terwijl satijn door zijn zwevende draden juist het minst geschikt is.

Eindexamen-focus

  • De SE-praktijk toetst of je op een weefgetouw kunt weven en bewust een binding (plat, keper of satijn) kiest die bij het doel van je stof past.
  • Bij 'kunst beschouwen' (CE) kun je gevraagd worden een wandtapijt of geweven stof te herkennen en de structuur (de binding) en textuur te benoemen.

Veelgemaakte fouten

  • Schering en inslag verwisselen: de schering is de gespannen lengtedraad (verticaal), de inslag is de dwarsdraad die je er met de spoel doorheen brengt.
  • Denken dat satijn een materiaal (zijde) is; satijn is een BINDING (lange zwevende draden) en kan ook van katoen of polyester zijn.
  • De keperbinding niet herkennen: de schuine, diagonale ribbel (zoals in spijkerstof) is het duidelijkste kenmerk.

Actieve herhaling

Weef drie proeflapjes in respectievelijk platbinding, keperbinding en satijnbinding met dezelfde draad. Onderzoek en beschrijf per lapje hoe de binding de stevigheid, de val en de glans beïnvloedt, en kies welke binding het best past bij een stevige tas.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (textiele vormgeving) havo - weven: schering, inslag en bindingen (CvTE / Examenblad)

§ 02

Borduren en applicatie: steken op een grondstof#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Borduren is het versieren van een bestaande stof, de grondstof, met naald en draad; anders dan bij weven maak je het weefsel niet zelf, maar breng je er steken bovenop aan. Als grondstof gebruik je vaak linnen of aida, een telstof met duidelijk zichtbare, regelmatige vierkantjes die je helpen je steken gelijkmatig te tellen en te plaatsen. Het garen is meestal borduurgaren (mouline): een katoenen draad die uit zes dunne draadjes bestaat die je kunt splitsen, zodat je de dikte van je lijn zelf bepaalt. Om netjes te kunnen werken span je de stof strak in een borduurring of -raam, zodat hij niet trekt of rimpelt en je steken egaal blijven. Een beroemd, heel oud voorbeeld is het Bayeux-tapijt (omstreeks 1070-1080, ongeveer 70 meter lang): ondanks de naam is het geen weefwerk maar BORDUURwerk in wol op linnen, dat de Normandische verovering van 1066 vertelt.
Een eerste groep steken maakt vooral LIJNEN en contouren. De stiksteek bootst het strakke stiksel van een naaimachine na: je steekt telkens een stukje vooruit en gaat dan aan de achterkant terug naar het vorige gaatje, zodat een ononderbroken, rechte lijn ontstaat. De steelsteek geeft een iets dikkere, gedraaide lijn doordat je schuine steken steeds een stukje laat overlappen; hij is ideaal voor stelen, takken en vloeiende omtrekken, vandaar de naam. De kettingsteek bestaat uit lusjes die telkens uit het vorige lusje komen, zodat er een kettinkje ontstaat dat je zowel als sierlijke lijn als, dicht naast elkaar, als vlakvulling kunt gebruiken. Door deze drie te combineren kun je een hele tekening in draad 'natrekken', van fijne haarlijn tot stevige contour. Welke steek je kiest, bepaalt of de lijn strak, zacht of juist decoratief oogt.
Een tweede groep steken vult VLAKKEN of zet accenten, en Afb. 2 zet de belangrijkste steken met hun uitvoering en effect op een rij. Met de platsteek, ook satijnsteek genoemd, leg je evenwijdige steken dicht tegen elkaar zodat een vlak glad en glanzend wordt opgevuld, als een klein satijnen oppervlak. De kruissteek bestaat uit twee elkaar kruisende steekjes in de vorm van een X en werkt per hokje; juist daarom borduur je hem op telstof als aida en bouw je er, hokje voor hokje, hele telpatronen mee op. De festonsteek maakt een rij staande lusjes langs een rand en wordt gebruikt om randen netjes af te werken, maar ook puur decoratief. Het Franse knoopje ten slotte is een klein, bol knoopje dat je maakt door de draad een paar keer om de naald te wikkelen en vlakbij terug te steken; het geeft reliëfaccenten, zoals bloemhartjes of ogen.

Belangrijke borduursteken

Belangrijke borduurstekenTabel met 3 kolommen en 7 rijen, Gegevens: Steek · Uitvoering · Effect / gebruik; platsteek (satijnsteek) · evenwijdige steken dicht opeen · vult een vlak glad en glanzend; stiksteek · steek vooruit, achterlangs terug · strakke, ononderbroken lijn; steelsteek · schuine, overlappende steken · gedraaide, iets dikke contourlijn; kettingsteek · lusjes uit het vorige lusje · decoratieve lijn of vlakvulling; kruissteek · twee kruisende steekjes (X) per hokje · telpatroon op aida; festonsteek · rij staande lusjes langs een kant · werkt randen af; decoratief; Frans knoopje · draad om de naald gewikkeld · klein bolletje in reliëf; accent, gemarkeerde cel: kruissteekSTEEKUITVOERINGEFFECT / GEBRUIKplatsteek (satijnsteek)evenwijdige steken dichtopeenvult een vlak glad englanzendstiksteeksteek vooruit, achterlangsterugstrakke, ononderbroken lijnsteelsteekschuine, overlappende stekengedraaide, iets dikkecontourlijnkettingsteeklusjes uit het vorige lusjedecoratieve lijn ofvlakvullingkruissteektwee kruisende steekjes (X)per hokjetelpatroon op aidafestonsteekrij staande lusjes langs eenkantwerkt randen af; decoratiefFrans knoopjedraad om de naald gewikkeldklein bolletje in reliëf;accent
Afb. 2Afb. 2 - Belangrijke borduursteken met hun uitvoering en effect.
Naast steken hoort ook de applicatie (het appliceren) bij het borduren: je knipt vormen uit andere stof en naait die op de grondstof vast, vaak met een festonsteek of platte steek langs de rand. Zo werk je snel met grote kleurvlakken en ontstaat er reliëf, doordat de opgezette stof iets van de ondergrond afsteekt. Applicatie en borduursteken worden vaak gecombineerd, bijvoorbeeld in quilts, vaandels en wandkleden waarin stof, steek en soms tekst samenkomen. De hedendaagse kunstenaar Faith Ringgold vertelt in haar 'story quilts', zoals 'Tar Beach' (1988), hele verhalen door geschilderd doek, quiltwerk en stof te combineren. Borduren en appliceren zijn dus niet alleen versiering: de keuze van steek, garen en opgezette stof draagt mee aan de voorstelling en de betekenis. In je eigen SE-praktijk kies je steken en materialen die passen bij wat je werk moet uitstralen.
Uitgewerkt voorbeeld

Steken kiezen voor een geborduurd bloemmotief

Je borduurt een bloem met een steel, dichtgevulde blaadjes, een afgewerkte rand en een accent in het hart. Kies per onderdeel een passende steek en verantwoord je keuze.

  1. 01De steel

    Voor de gebogen steel kies ik de steelsteek: de overlappende schuine steken geven een gedraaide, iets dikke lijn die vloeiende krommingen goed volgt.

  2. 02De blaadjes vullen

    De blaadjes vul ik met de platsteek (satijnsteek): evenwijdige steken dicht opeen maken een glad, licht glanzend vlak dat de vorm strak opvult.

  3. 03De rand afwerken

    Rond de bloem gebruik ik de festonsteek, die met staande lusjes de rand netjes afwerkt en tegelijk decoratief is.

  4. 04Het hart accentueren

    In het hart zet ik enkele Franse knoopjes: kleine bolletjes in reliëf die als meeldraden opvallen tegen het gladde blad.

Resultaat: Elk onderdeel krijgt de steek die bij zijn functie past: steelsteek voor de lijn, platsteek voor het vlak, festonsteek voor de rand en Franse knoopjes voor het reliëfaccent, samen een leesbaar, gelaagd bloemmotief.

Eindexamen-focus

  • De SE-praktijk toetst of je verschillende borduursteken en applicatie beheerst en steek, garen en grondstof bewust kiest bij je ontwerp.
  • Bij 'kunst beschouwen' (CE) kan geborduurd textiel (zoals het Bayeux-tapijt) worden voorgelegd; je herkent dat het borduurwerk is en beschrijft steek en materiaal.

Veelgemaakte fouten

  • Het Bayeux-'tapijt' weefwerk noemen: het is BORDUURwerk (wol op linnen), geen geweven tapisserie.
  • De platsteek of satijnsteek verwarren met de satijnBINDING bij weven; de eerste is een borduursteek, de tweede een weefbinding.
  • Zonder borduurring werken, waardoor de stof trekt en de steken ongelijk en gerimpeld worden.

Actieve herhaling

Ontwerp een klein borduurwerk waarin je minstens vier verschillende steken en een applicatie combineert. Verantwoord per onderdeel welke steek je kiest voor lijn, vlak, rand en accent, en leg uit hoe de grondstof je keuze beïnvloedt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (textiele vormgeving) havo - borduren en applicatie (CvTE / Examenblad)

§ 03

Vilten: natvilten en naaldvilten#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Vilten is bijzonder omdat je er textiel mee maakt zonder te weven of te breien: de wolvezels haken hier RECHTSTREEKS in elkaar tot een dichte, samenhangende stof. Dat kan doordat een wolvezel geen gladde draad is, maar een oppervlak vol microscopische schubjes heeft, als de dakpannen op een dak. Zolang de vezels stilliggen gebeurt er niets, maar zodra ze door warmte, vocht en beweging langs elkaar schuiven, haken die schubjes in elkaar en kunnen ze niet meer terug: de vezels raken onlosmakelijk verstrengeld. Dat verstrengelen heet verfilten, en het resultaat, vilt, is een van de oudste textielsoorten die de mens kent, ouder nog dan het geweven doek. Omdat vilt geen draden en dus geen rafelende sneden heeft, kun je het knippen zonder dat het uitrafelt, en zelfs direct in een driedimensionale vorm maken.
Bij natvilten maak je vilt met wol, warm water, zeep en wrijving, en Afb. 3 laat de vier stappen van dat proces zien. Je begint met wolvlies: dunne, losgekaarde laagjes wol die je kruislings over elkaar legt, zodat de vezels alle kanten op wijzen. Vervolgens maak je het geheel nat met warm water en zeep; de zeep maakt het water 'glad' en helpt de schubjes van de vezels open te staan en langs elkaar te bewegen. Dan komt het echte werk: door te wrijven, kneden en rollen breng je de vezels in beweging, waardoor ze steeds vaster in elkaar haken. Het wolpakket krimpt daarbij zichtbaar en wordt dichter en steviger, tot het een aaneengesloten lap vilt is. Leg je de wol om een sjabloon (een resist) heen, dan vilt je een naadloze driedimensionale vorm, zoals een muts, sloffen of een tas.

Het natviltproces

Het natviltprocesGraaf, wolvlies (losse vezels) → warm water + zeep, warm water + zeep → wrijven / rollen, wrijven / rollen → vilt (vervilte stof)wolvlies (lossevezels)warm water +zeepwrijven / rollenvilt (verviltestof)bevochtigenvezels inbewegingverfilten
Afb. 3Afb. 3 - Het natviltproces: van los wolvlies naar vervilte stof.
Naaldvilten werkt heel anders, namelijk droog en zonder water of zeep. Je gebruikt een viltnaald: een scherpe naald met kleine weerhaakjes (kerfjes) op de punt. Steek je de naald herhaaldelijk in een pluk wol, dan trekken die weerhaakjes de vezels bij elke prik dieper naar binnen en door elkaar heen, zodat ze ter plekke verstrengelen. Omdat je heel plaatselijk werkt, is naaldvilten uitermate geschikt voor detail: je kunt kleine figuurtjes boetseren, kleuraccenten aanbrengen of een motief op een viltlap 'vasttekenen'. Waar natvilten hele lappen en holle vormen oplevert, is naaldvilten dus meer als tekenen en modelleren met wol. Je werkt wel voorzichtig, want de naald is broos en scherp, en meestal op een schuimblok als onderlegger. Beide technieken benutten hetzelfde principe, het verfilten dankzij de schubjes, maar zetten dat op een andere manier in.
Vilt heeft eigenschappen die het bijzonder maken: het isoleert goed tegen kou en geluid, het rafelt niet en het laat zich in vorm persen. Daarom maakten nomadenvolken in Centraal-Azië er al eeuwenlang hun ronde tenten (joerten), kleden en mantels van, en worden hoeden nog altijd uit vilt gevormd. Ook in de kunst is vilt geliefd: de Duitse kunstenaar Joseph Beuys (1921-1986) gebruikte vilt als een van zijn kenmerkende materialen, juist om de zachte, warmte-vasthoudende en beschermende betekenis ervan. In de textiele praktijk kies je tussen natvilten en naaldvilten op grond van wat je wilt maken: een lap, kledingstuk of holle vorm vraagt om natvilten, terwijl detail, decoratie en figuurtjes beter met de naald lukken. Zo bepaalt ook hier het materiaal, de wol met haar schubjes, samen met de techniek welke vorm mogelijk is.
Uitgewerkt voorbeeld

Een naadloze wollen muts vilten

Je wilt een naadloze wollen muts maken die goed isoleert. Leg uit welke viltmethode je kiest en werk de stappen uit tot een gevilte vorm.

  1. 01Techniek kiezen

    Een holle, naadloze vorm die moet isoleren maak ik met natvilten; naaldvilten is meer voor detail en levert geen sterke holle vorm op.

  2. 02Wolvlies en resist opbouwen

    Ik leg dunne laagjes wolvlies kruislings om een platte sjabloon (resist) in de vorm van de muts, zodat de vezels alle kanten op wijzen.

  3. 03Bevochtigen en wrijven

    Ik maak het geheel nat met warm water en zeep en wrijf en rol geduldig; de schubjes gaan open, haken in elkaar en de wol krimpt tot vilt.

  4. 04Vormen en afwerken

    Ik knip de rand open, haal de resist eruit en vilt de muts verder in vorm; omdat vilt niet rafelt, hoeft de rand niet te worden omgezoomd.

Resultaat: Door natvilten om een resist ontstaat een naadloze, isolerende wollen muts; de kruislings gelegde vezels en het geduldige wrijven zorgen dat de schubjes stevig verfilten tot een dichte vorm.

Eindexamen-focus

  • De SE-praktijk toetst of je zowel kunt natvilten (een lap of holle vorm) als naaldvilten (detail) en de juiste techniek kiest bij je ontwerp.
  • Bij 'kunst beschouwen' (CE) kun je gevraagd worden vilt als materiaal te herkennen en de betekenis van die materiaalkeuze (warmte, bescherming) te verklaren.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat je voor vilten moet breien of weven: bij vilten haken de losse vezels zelf in elkaar, er zijn geen draden.
  • Naaldvilten nat proberen te doen of natvilten zonder zeep: de zeep en het warme water zijn juist nodig om de schubjes te laten bewegen.
  • Een andere vezel dan wol (of dierlijk haar) gebruiken; katoen en polyester hebben geen schubjes en verfilten daarom niet.

Actieve herhaling

Maak twee viltproeven: vilt met de natviltmethode een klein lapje en breng daarop met naaldvilten een gekleurd motief aan. Onderzoek en beschrijf hoe warmte, zeep en wrijving het verfilten sturen, en verantwoord welke techniek je voor welk onderdeel koos.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (textiele vormgeving) havo - vilten (CvTE / Examenblad)

§ 04

Verven: kleurstoffen, beitsen en reserveertechnieken#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Verven betekent een textiel kleur geven doordat een kleurstof zich hecht aan de vezel. Eeuwenlang kwamen die kleurstoffen uit de natuur, uit planten en dieren, en een aantal daarvan moet je kennen. Rood haalde men uit de wortel van de meekrap en uit de gedroogde cochenilleluis, een insect waaruit een diep karmijnrood komt. Blauw kwam van de wedeplant en, sterker nog, van indigo, dezelfde kleurstof die spijkerbroeken hun blauw geeft. Geel won men onder meer uit de wouw, een plant die een helder, lichtecht geel oplevert. Met deze paar grondkleuren en hun mengsels kon men een groot palet maken. Omdat natuurlijke kleurstoffen kostbaar en soms zeldzaam waren, was geverfd textiel lange tijd een teken van rijkdom en status, en waren bepaalde kleuren, zoals dieprood en echt blauw, extra waardevol.
Veel natuurlijke kleurstoffen hechten uit zichzelf slecht aan de vezel: je zou de kleur er zo weer uitwassen. Daarom beits je de stof eerst, dat wil zeggen dat je de vezel voorbehandelt met een beitsmiddel of mordant, meestal aluin, een metaalzout. De beits werkt als een brug: hij bindt zich aan de vezel en tegelijk aan de kleurstof, zodat de kleur pas echt vastzit en beter tegen wassen en licht bestand wordt. Met verschillende beitsen kun je bovendien uit dezelfde kleurstof andere tinten halen. Een keerpunt kwam in 1856, toen de Britse scheikundige William Perkin bij toeval de eerste synthetische kleurstof ontdekte: mauveine, een helder paars. Vanaf dat moment werden verfstoffen in de fabriek gemaakt: goedkoop, in felle, gelijkmatige kleuren en in eindeloze hoeveelheden, waardoor kleurrijk textiel voor iedereen bereikbaar werd.
Een heel andere manier om met kleur te werken zijn de reserveertechnieken: je dekt bepaalde delen van de stof AF, zodat de verf daar niet bij kan, en juist die plekken houden hun oude kleur. Afb. 4 zet de belangrijkste technieken met hun werking en effect naast elkaar. Bij batik, afkomstig van Java, teken je met hete was op de stof; waar de was zit kan de verf niet komen, en na het weghalen van de was verschijnt daar een licht patroon, vaak met de typische fijne craquelelijntjes waar de was is gebarsten. Bij shibori en plangi en bij tie-dye bind, knoop of vouw je de stof strak af voordat je hem in de verf dompelt; op de afgebonden plekken komt geen verf, zodat er grafische, vaak cirkel- of stervormige patronen ontstaan. Zo bepaalt niet het aanbrengen maar juist het afdekken van de kleur het beeld.

Reserveertechnieken en zeefdruk

Reserveertechnieken en zeefdrukTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Techniek · Werking · Effect; batik · delen met hete was afdekken, dan verven · licht patroon; typische craquelelijntjes; shibori / plangi · stof afbinden of vouwen, dan verven · wit blijft waar afgebonden; grafisch; tie-dye · strak knopen en in verf dompelen · cirkels en stralen in kleur; zeefdruk · verf door een gaassjabloon drukken · scherp, herhaalbaar drukbeeld, gemarkeerde cel: batikTECHNIEKWERKINGEFFECTbatikdelen met hete was afdekken,dan vervenlicht patroon; typischecraquelelijntjesshibori / plangistof afbinden of vouwen, danvervenwit blijft waar afgebonden;grafischtie-dyestrak knopen en in verfdompelencirkels en stralen in kleurzeefdrukverf door een gaassjabloondrukkenscherp, herhaalbaardrukbeeld
Afb. 4Afb. 4 - Reserveertechnieken (batik, shibori, tie-dye) en zeefdruk.
Naast reserveren kun je kleur ook gericht opdrukken met zeefdruk: je perst verf met een rakel door de open delen van een fijn gaas waarop de rest is afgedekt met een sjabloon, zodat alleen het motief op de stof verschijnt. Omdat je het scherm steeds opnieuw kunt gebruiken, is zeefdruk uitermate geschikt om hetzelfde motief te herhalen, precies wat je voor bedrukt textiel nodig hebt. Kleur en patroon zijn in textiel nooit alleen versiering: ze dragen betekenis. William Morris drukte zijn beroemde 'Strawberry Thief' (1883) met een indigotechniek, en de hedendaagse kunstenaar Yinka Shonibare gebruikt bewust felle 'Dutch wax'-batikstof om vragen over identiteit en koloniale handel op te roepen. Welke kleurstof, beits en techniek je kiest, bepaalt dus niet alleen hoe je werk eruitziet, maar ook wat het vertelt.
Uitgewerkt voorbeeld

Een sterpatroon in blauw met tie-dye

Je wilt een wit katoenen doek voorzien van witte, stervormige patronen op een blauwe ondergrond. Leg uit welke techniek en kleurstof je kiest en werk de stappen uit.

  1. 01Techniek en kleur kiezen

    Voor witte figuren op een gekleurde grond kies ik een reserveertechniek: tie-dye. Als kleur neem ik indigo of blauw, dat diep en lichtecht verft.

  2. 02Reserveren

    Ik knoop en bind delen van het doek strak af met touw; op die afgebonden plekken kan de verf straks niet komen, zodat daar het wit bewaard blijft.

  3. 03Verven

    Ik dompel het afgebonden doek in het blauwe verfbad; de onbedekte stof neemt de kleur op, de afgebonden kernen niet.

  4. 04Losmaken en verantwoorden

    Na het spoelen haal ik de banden eruit: rond elke knoop verschijnt een witte ster met stralen. De reserve, niet het aanbrengen, maakte het patroon.

Resultaat: Door het doek af te binden en daarna in indigo te verven ontstaan witte sterpatronen op blauw; het beeld komt voort uit het afdekken (reserveren) van de kleur, niet uit het opbrengen ervan.

Eindexamen-focus

  • De SE-praktijk toetst of je textiel kunt verven en minstens een reserveertechniek (batik, shibori of tie-dye) beheerst en bewust inzet.
  • Bij 'kunst beschouwen' (CE) kun je gevraagd worden een verf- of reserveertechniek te herkennen (zoals batik) en de kleurwerking of betekenis te verklaren.

Veelgemaakte fouten

  • De beits vergeten of denken dat kleur altijd vanzelf hecht: zonder mordant (aluin) wast veel natuurlijke verf er weer uit.
  • Reserveertechnieken omdraaien: je brengt geen kleur aan op die plekken, je DEKT ze af zodat de verf er niet komt.
  • Mauveine of synthetische verf als een oude techniek zien; de eerste synthetische kleurstof stamt pas uit 1856 (Perkin).

Actieve herhaling

Verf een stuk katoen met een reserveertechniek naar keuze (batik, shibori of tie-dye). Onderzoek vooraf hoe de reserve het patroon bepaalt, en verantwoord je keuze van techniek, kleur en, waar nodig, beits.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (textiele vormgeving) havo - verven en reserveertechnieken (CvTE / Examenblad)

§ 05

Van vezel tot stof: vezels en materialen#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Kernpunten

Elke stof begint bij een vezel: een dunne, buigzame draad-in-aanleg die je door spinnen tot garen kunt draaien. Afb. 5 laat die weg als een keten zien, van de losse VEZEL, via het gesponnen GAREN, naar de STOF (door weven, breien of vilten), tot de uiteindelijke techniek en toepassing. De aard van de vezel bepaalt al bijna alles wat daarna komt: hoe sterk het garen wordt, hoe de stof valt en aanvoelt, en welke techniek en welk gebruik erbij passen. Vezels deel je in naar herkomst. Er zijn natuurlijke vezels, die weer uiteenvallen in plantaardige en dierlijke, en er zijn door de mens gemaakte vezels, die volledig synthetisch of half-synthetisch kunnen zijn. Wie de eigenschappen van deze families kent, kan bewust een materiaal kiezen dat past bij de vorm en de techniek die hij voor ogen heeft.

Van vezel tot toepassing

Van vezel tot toepassingGraaf, vezel (katoen, wol, zijde, polyester) → garen (spinnen), garen (spinnen) → stof (weven, breien, vilten), stof (weven, breien, vilten) → techniek & toepassingvezel (katoen,wol, zijde,polyester)garen (spinnen)stof (weven,breien, vilten)techniek &toepassingspinnenweven / breienverwerken
Afb. 5Afb. 5 - Van vezel via garen en stof naar techniek en toepassing.
De natuurlijke plantaardige vezels komen uit planten en bestaan vooral uit cellulose. Katoen is de bekendste: de zachte pluis rond de zaden van de katoenplant levert een vezel die prettig aanvoelt, goed vocht opneemt en makkelijk te wassen en te verven is, waardoor katoen het meest gebruikte textiel voor kleding is. Linnen wordt gewonnen uit de stengel van de vlasplant; het is sterker en koeler dan katoen en heeft een mooie, natuurlijke glans, maar het kreukt snel, wat je aan een linnen overhemd meteen ziet. Jute, ook een stengelvezel, is grof en goedkoop en juist niet zacht; daarom gebruik je het voor stevige, ruwe toepassingen als zakken, touw en tapijtruggen. Deze drie laten al zien hoe verschillend planten kunnen zijn: van de zachte katoen tot de grove jute, elk met een eigen sterkte, glans en gebruik.
De natuurlijke dierlijke vezels bestaan niet uit cellulose maar uit eiwit, en dat geeft ze heel andere eigenschappen. Wol, meestal van het schaap, is warm en veerkrachtig: de vezels zijn licht gekruld en zitten vol lucht, wat isoleert, en ze hebben de schubjes die het vilten mogelijk maken. Wol neemt vocht op zonder snel klam te voelen en herstelt goed van kreuken, maar kan bij verkeerd wassen krimpen en verfilten. Zijde is de fijnste natuurlijke vezel: het is de lange draad waarmee de zijderups zijn cocon spint, en die draad is opvallend sterk, glad en glanzend. Door die natuurlijke glans en de soepele val geldt zijde al eeuwen als een luxueus materiaal voor sjaals, japonnen en fijn weefwerk. Dierlijke vezels zijn dus warmer of luxer dan de meeste plantaardige, maar ook kwetsbaarder in onderhoud, iets wat je bij het kiezen van je materiaal moet meewegen.
De door de mens gemaakte vezels vullen aan wat de natuur niet biedt. Volledig synthetische vezels als polyester, nylon en acryl worden uit aardolie gemaakt; ze zijn sterk, goedkoop, kreuken nauwelijks en drogen snel, maar ze nemen weinig vocht op en voelen daardoor soms minder ademend. Nylon is bijzonder sterk en elastisch (denk aan panty's en jassen), acryl bootst de warmte van wol na, en polyester wordt overal bijgemengd voor stevigheid en vormvastheid. Daarnaast bestaan er half-synthetische vezels als viscose: die maakt men uit natuurlijke cellulose (houtpulp) die chemisch wordt bewerkt tot een zijdeachtige, soepel vallende vezel. Zo loopt de reeks van puur natuurlijk tot volledig kunstmatig. De rode draad blijft dat het materiaal de vorm stuurt: de vezel bepaalt welk garen, welke techniek en welke toepassing haalbaar zijn, en juist daarom begint doordacht textiel- en modeontwerp altijd bij een bewuste keuze van vezel en materiaal.
Uitgewerkt voorbeeld

Een materiaal kiezen voor een warme wintersjaal

Je ontwerpt een warme, zachte wintersjaal. Kies beargumenteerd een vezelsoort en verantwoord waarom de andere opties minder passen.

  1. 01Eisen bepalen

    De sjaal moet vooral warm en zacht zijn en goed isoleren; comfort tegen de huid en warmtevasthouding wegen zwaarder dan sterkte of prijs.

  2. 02Wol wegen

    Wol is warm en veerkrachtig en zit vol isolerende lucht; als dierlijke vezel houdt hij de warmte goed vast, een sterke kandidaat voor een sjaal.

  3. 03Katoen en polyester wegen

    Katoen is zacht maar isoleert slecht en voelt koel; polyester is sterk en goedkoop maar minder warm en ademend. Beide passen minder goed bij 'warm'.

  4. 04Kiezen en verantwoorden

    Ik kies wol om de warmte en zachtheid, eventueel met wat acryl bijgemengd voor prijs en wasgemak; katoen en puur polyester vallen af op isolatie.

Resultaat: Voor een warme wintersjaal past wol het best: als dierlijke, luchtige vezel isoleert hij sterk, terwijl katoen te koel en polyester minder warm is. De eigenschappen van de vezel bepalen de keuze.

Eindexamen-focus

  • De SE-praktijk toetst of je vezels en stoffen kunt herkennen en een materiaal kiest waarvan de eigenschappen bij je techniek en ontwerp passen.
  • Bij 'kunst beschouwen' (CE) kun je gevraagd worden hoe de materiaalkeuze (bijvoorbeeld zijde of wol) de uitstraling en betekenis van een textielwerk bepaalt.

Veelgemaakte fouten

  • Katoen en wol allebei 'natuurlijk en dus hetzelfde' noemen: katoen is plantaardig (cellulose), wol is dierlijk (eiwit) met heel andere eigenschappen.
  • Viscose voor een volledig synthetische vezel aanzien; viscose is half-synthetisch, gemaakt uit natuurlijke cellulose.
  • De vezel als bijzaak zien: de vezelsoort bepaalt de sterkte, de val en welke techniek mogelijk is.

Actieve herhaling

Onderzoek drie stofmonsters van verschillende vezelsoorten (bijvoorbeeld katoen, wol en polyester). Beschrijf per monster de herkomst en de eigenschappen, en verantwoord welk monster je zou kiezen voor een warme wintersjaal.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (textiele vormgeving) havo - vezels en materialen (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 05

    • 01Weven: schering, inslag en de drie hoofdbindingen○
    • 02Borduren en applicatie: steken op een grondstof◐
    • 03Vilten: natvilten en naaldvilten◐
    • 04Verven: kleurstoffen, beitsen en reserveertechnieken◐
    • 05Van vezel tot stof: vezels en materialen●

0/5 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Praktijk (schoolexamen): textiele technieken (weven, borduren, vilten, verven)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~25
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma beeldende vakken (textiele vormgeving) havo - weven: schering, inslag en bindingen

Vorig onderwerp

Kunstgeschiedenis: hedendaagse kunst en vormgeving

Volgend onderwerp

Praktijk: textiel- en modeontwerp, materiaalonderzoek

EuraStudy·Samenvattingen T·11·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.