EuraStudy
Samenvattingen/Tekenen/Praktijk: beeldend onderzoek, schetsen en experiment
Samenvattingen · TekenenNL · HAVO

Praktijk: beeldend onderzoek, schetsen en experiment

Dit onderwerp hoort bij het schoolexamen: de onderzoekende fase van de eigen beeldende praktijk. Je leert wat beeldend onderzoek is (van een onderzoeksvraag naar bronnen en verkenning), hoe je met schetsen ideeën ontwikkelt, en hoe je experimenteert met materiaal en techniek. Ook leer je hoe je van een breed onderzoek (divergeren) naar een gekozen richting (convergeren) komt die je tot een werk uitwerkt. De precieze opdrachten en beoordeling legt de school vast in het PTA.

4 Onderdelen·~18 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·121212 / 13
Examenprofiel
Praktijk (schoolexamen): beeldend onderzoek doen vanuit een vraag, thema of opdrachtMet schetsen ideeën verkennen en ontwikkelenExperimenteren met materiaal, techniek en toevalVan een breed onderzoek (divergeren) naar een gekozen, uitgewerkte richting (convergeren) komen
Operatoren:onderzoekverkenexperimenteerschetskiesverantwoord

basisniveau

Beeldend onderzoek en experiment horen bij het schoolexamen; de school bepaalt de opdrachten en beoordeling in het PTA.

verhoogd niveau

Wie zich verdiept, onderzoekt breder en dieper en durft meer te experimenteren voordat een richting wordt gekozen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Praktijk: beeldend onderzoek, schetsen en experiment
    • 01Beeldend onderzoek: van vraag naar verkenning○
    • 02Schetsen en ideeontwikkeling◐
    • 03Experimenteren met materiaal en techniek◐
    • 04Van onderzoek naar werk: divergeren en convergeren●
§ 01

Beeldend onderzoek: van vraag naar verkenning#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kernpunten

Beeldend onderzoek is de onderzoekende fase waarin je een opdracht, thema of vraag beeldend verkent voordat je een definitief werk maakt, en het vormt het hart van een goed werkproces (zie Afb. 1). Anders dan bij een schriftelijk onderzoek doe je dit onderzoek vooral kijkend en makend: je verzamelt beelden, je probeert dingen uit, je schetst en experimenteert. Het begint bij een goede startvraag of thema — soms door de school gegeven, soms zelf gekozen — die richting geeft zonder de uitkomst al vast te leggen. Een bruikbare onderzoeksvraag is open genoeg om te verkennen ('hoe kan ik beweging weergeven zonder beweging te tonen?') maar concreet genoeg om mee aan de slag te gaan. Op de praktijk laat je zien dat je vanuit zo'n vraag gericht en nieuwsgierig onderzoekt, in plaats van meteen naar een eindresultaat te grijpen.

De cyclus van beeldend onderzoek

De onderzoekscyclusGraaf, Onderzoeksvraag / opdracht → Bronnen (beeldonderzoek), Bronnen (beeldonderzoek) → Verkennen & schetsen, Verkennen & schetsen → Experimenteren, Experimenteren → Keuze & richting, Keuze & richting → Onderzoeksvraag / opdrachtOnderzoeksvraag/opdrachtBronnen(beeldonderzoek)Verkennen &schetsenExperimenterenKeuze & richtingbijstellen
Afb. 1Afb. 1 — Beeldend onderzoek verloopt cyclisch: van vraag via bronnen, verkennen en experimenteren naar een keuze — en indien nodig opnieuw.
Een belangrijk onderdeel van beeldend onderzoek is het verzamelen en bestuderen van bronnen — het beeldonderzoek. Je zoekt naar beelden die met je thema te maken hebben: werk van kunstenaars, foto's, materialen, vormen, kleuren, teksten. Deze bronnen dienen niet om over te nemen maar om je blik te verruimen en op ideeën te brengen: hoe hebben anderen dit vraagstuk aangepakt, welke mogelijkheden zie je? Je bestudeert de bronnen met het begrippenapparaat dat je voor het beschouwen leerde — je analyseert hun compositie, kleur, techniek — zodat je onderzoek gevoed wordt door bewuste waarneming. Zo komen het beschouwen (het centraal examen) en het maken (het schoolexamen) samen: je onderzoekt als maker met het oog van een beschouwer. Op de praktijk verantwoord je welke bronnen je hebben geïnspireerd en waarom.
Beeldend onderzoek is een open, verkennend proces waarin je bewust nog niet vastlegt wat het eindresultaat wordt, en dat vraagt een onderzoekende houding. In deze fase mag — en moet — je meerdere richtingen uitproberen, ook doodlopende: het onderzoek is geslaagd als je veel mogelijkheden hebt verkend, niet als je meteen het juiste antwoord vond. Deze houding van nieuwsgierigheid, durf en openheid is een vaardigheid op zich, die de school beoordeelt. Wie te snel voor één idee kiest, mist de rijkdom die een breed onderzoek oplevert; wie helemaal geen keuzes durft te maken, komt niet tot een werk. Op de praktijk laat je een onderzoekende houding zien door zichtbaar verschillende mogelijkheden te verkennen en je bevindingen te noteren.
Het beeldend onderzoek staat aan het begin van het werkproces en bepaalt de kwaliteit van alles wat volgt, en dat verband maakt het tot een kernonderdeel van het schoolexamen. Een grondig onderzoek levert een schat aan ideeën, beelden en ervaringen op waaruit je kunt putten wanneer je een richting kiest en uitwerkt; een oppervlakkig onderzoek laat je met te weinig materiaal achter. Het onderzoek wordt zichtbaar en beoordeelbaar in je procesdossier (zie het laatste onderwerp): je schetsen, bronnen, experimenten en aantekeningen vormen samen het bewijs van je onderzoek. Op de praktijk toon je dus niet alleen het eindwerk, maar ook de weg ernaartoe. In de volgende onderdelen kijk je preciezer naar de twee belangrijkste onderzoeksmiddelen: het schetsen en het experiment.
Uitgewerkt voorbeeld

Een onderzoek opzetten rond een thema

Je krijgt het thema 'contrast'. Zet een beeldend onderzoek op: van onderzoeksvraag naar bronnen en eerste verkenning.

  1. 01Formuleer de vraag

    Maak het thema hanteerbaar met een open vraag, bijvoorbeeld: 'hoe kan ik met alleen zwart en wit een sterk contrast maken dat spanning oproept?'

  2. 02Verzamel bronnen

    Zoek beelden waarin contrast een rol speelt: een clair-obscurschilderij, een grafisch zwart-witontwerp, een foto met hard licht; analyseer per bron het contrastmiddel.

  3. 03Verken

    Maak eerste schetsen waarin je verschillende soorten contrast probeert: licht-donker, groot-klein, druk-leeg, hoekig-rond.

  4. 04Noteer bevindingen

    Schrijf op welke verkenningen het sterkst werken en waarom, zodat je onderzoek zichtbaar en beoordeelbaar wordt.

Resultaat: Vanuit de open vraag over contrast, gevoed door geanalyseerde bronnen en eerste schetsen, ontstaat een gericht maar open onderzoek; de genoteerde bevindingen vormen het beoordeelbare bewijs ervan.

Eindexamen-focus

  • Vanuit een onderzoeksvraag of thema gericht beeldend onderzoek doen en bronnen (beeldonderzoek) verzamelen en bestuderen.
  • Een onderzoekende, open houding tonen door meerdere richtingen te verkennen en de bevindingen vast te leggen.

Veelgemaakte fouten

  • Te snel voor één idee kiezen en het onderzoek overslaan, waardoor het werk oppervlakkig en weinig doordacht wordt.
  • Bronnen klakkeloos overnemen in plaats van ze te analyseren en als inspiratie voor eigen ideeën te gebruiken.

Actieve herhaling

Kies een thema (bijvoorbeeld 'contrast'). Formuleer een open onderzoeksvraag, verzamel drie tot vijf beeldbronnen en beschrijf per bron wat je eraan opvalt en hoe het je op ideeën brengt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (tekenen) havo — praktijk: beeldend onderzoek (CvTE / Examenblad)

§ 02

Schetsen en ideeontwikkeling#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Schetsen is het belangrijkste denkgereedschap van de beeldend maker: een snelle, losse tekening waarmee je ideeën vangt, onderzoekt en ontwikkelt zonder je vast te leggen. Anders dan een afgewerkte tekening hoeft een schets niet mooi of compleet te zijn; haar waarde ligt in de snelheid en de vrijheid waarmee je veel mogelijkheden kunt uitproberen. Door een idee te schetsen maak je het zichtbaar en bespreekbaar — voor jezelf en voor anderen — en ontdek je vaak pas al tekenend wat wel en niet werkt. Schetsen is dus geen bijzaak maar het hart van de ideeontwikkeling: je denkt met het potlood in de hand. Op de praktijk laat je in je schetsen zien hoe je denken zich ontwikkelt, en die ontwikkeling telt mee in de beoordeling.
Er bestaan verschillende soorten schetsen voor verschillende doelen, en het is nuttig ze te onderscheiden (zie Afb. 2). De snelle krabbelschets (of thumbnail) is klein en ruw en dient om in korte tijd veel ideeën naast elkaar te zetten. De studieschets onderzoekt gericht één ding — een houding, een lichtval, een detail — om het beter te begrijpen. De compositieschets probeert de opbouw van het hele werk uit: waar komt wat, hoe is de balans, welk kader? En de ontwerpschets legt een uitgewerkter voorstel voor het uiteindelijke werk vast. Door bewust de juiste schetssoort te kiezen, onderzoek je gericht: veel krabbels om ideeën te genereren, compositieschetsen om te kiezen. Op de praktijk toon je met verschillende schetssoorten dat je je onderzoek doelgericht aanpakt.

Soorten schetsen en hun doel

SchetssoortenTabel met 2 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Schetssoort · Doel; Krabbelschets (thumbnail) · Snel veel ideeën naast elkaar zetten; Studieschets · Gericht één ding onderzoeken (houding, licht, detail); Compositieschets · De opbouw en balans van het hele werk uitproberen; Ontwerpschets · Een uitgewerkt voorstel voor het eindwerk vastleggen, gemarkeerde cel: Snel veel ideeën naast elkaar zettenSCHETSSOORTDOELKrabbelschets (thumbnail)Snel veel ideeën naastelkaar zettenStudieschetsGericht één ding onderzoeken(houding, licht, detail)CompositieschetsDe opbouw en balans van hethele werk uitproberenOntwerpschetsEen uitgewerkt voorstel voorhet eindwerk vastleggen
Afb. 2Afb. 2 — De belangrijkste schetssoorten met hun doel; door bewust te kiezen onderzoek je gericht.
Ideeontwikkeling met schetsen werkt het best door variatie en herhaling: je maakt niet één schets maar reeksen, waarin je telkens iets verandert. Door een idee in meerdere varianten te schetsen — een andere compositie, een ander standpunt, een andere nadruk — ontdek je welke versie het sterkst is; door voort te borduren op de beste variant scherp je het idee verder aan. Deze werkwijze van proberen, vergelijken en verbeteren voorkomt dat je aan je eerste, vaak niet beste inval blijft hangen. De schetsreeks maakt bovendien je keuzes zichtbaar: wie de schetsen naast elkaar legt, kan je denkweg volgen. Op de praktijk is een rijke, variërende schetsontwikkeling een teken van een goed onderzoek en levert ze het bewijs dat je bewust hebt gekozen.
Schetsen verbindt het onderzoek met het begrippenapparaat en met het uiteindelijke werk, en dat maakt het tot een scharnier in het werkproces. In je schetsen probeer je de beeldaspecten uit: je test composities (kader, plaatsing, derderegel), je verkent kleurstemmingen in kleine kleurschetsen, je onderzoekt de lichtwerking. Zo pas je de theorie die je voor het beschouwen leert, onderzoekend toe in je eigen werk. En omdat de gekozen schets de basis wordt voor de uitwerking, bepaalt de kwaliteit van je schetsonderzoek mede de kwaliteit van je eindwerk. Op de praktijk laat je met je schetsen zien dat je de beeldaspecten bewust verkent en dat je uitgewerkte werk voortkomt uit een doordacht onderzoek — precies de samenhang tussen denken, onderzoeken en maken die het schoolexamen beoordeelt.
Uitgewerkt voorbeeld

Van krabbels naar een gekozen compositie

Ontwikkel met schetsen een compositie voor een portret met een sterke sfeer. Werk van snelle krabbels naar een gekozen compositieschets.

  1. 01Maak krabbels

    Zet in korte tijd zes tot acht kleine krabbelschetsen op met telkens een andere plaatsing en kadrering van het portret.

  2. 02Vergelijk

    Leg de krabbels naast elkaar en beoordeel welke de sterkste sfeer en balans heeft; let op kader, plaatsing en lege ruimte.

  3. 03Kies en scherp aan

    Kies de sterkste variant en maak er een grotere compositieschets van, waarin je de balans en de blikrichting verfijnt.

  4. 04Verantwoord

    Noteer waarom deze compositie het best werkt (bijvoorbeeld: het gezicht op een krachtpunt geeft spanning), met de begrippen uit het begrippenapparaat.

Resultaat: Door van veel snelle krabbels via vergelijking naar één aangescherpte compositieschets te werken, ontstaat een doordachte, verantwoorde compositie; de schetsreeks maakt de keuze zichtbaar en beoordeelbaar.

Eindexamen-focus

  • Verschillende schetssoorten (krabbel-, studie-, compositie- en ontwerpschets) doelgericht inzetten.
  • Ideeën ontwikkelen door reeksen varianten te schetsen en de beste aan te scherpen.

Veelgemaakte fouten

  • Aan de eerste inval blijven hangen en geen varianten schetsen, waardoor betere mogelijkheden onontdekt blijven.
  • Schetsen te vroeg willen afwerken tot nette tekeningen, waardoor het snelle, verkennende karakter en dus de ideeontwikkeling verloren gaat.

Actieve herhaling

Maak van één idee minstens zes kleine krabbelschetsen met telkens een andere compositie. Kies de sterkste, leg uit waarom, en werk die uit tot een compositieschets.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (tekenen) havo — praktijk: schetsen en ideeontwikkeling (CvTE / Examenblad)

§ 03

Experimenteren met materiaal en techniek#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Experimenteren is het doelbewust uitproberen van materialen, technieken en werkwijzen zonder dat het eindresultaat al vastligt, en het is een onmisbaar deel van het beeldend onderzoek. Waar het schetsen vooral ideeën en composities verkent, verkent het experiment de middelen: wat gebeurt er als ik dit materiaal zo gebruik, twee technieken combineer, of het toeval een rol laat spelen? Het experiment is per definitie open: de uitkomst mag verrassen, en juist onverwachte resultaten leveren vaak de interessantste vondsten op. Deze onderzoekende, spelende houding — durven proberen zonder de garantie dat het lukt — is een vaardigheid die de school beoordeelt. Op de praktijk laat je met je experimenten zien dat je de mogelijkheden van je middelen verkent in plaats van alleen op zeker te spelen.
Er zijn verschillende soorten experimenten die je bewust kunt inzetten (zie Afb. 3). Bij het materiaalexperiment onderzoek je wat een materiaal kan: hoe gedraagt inkt zich op nat papier, wat doet acryl met zand erin, hoe werkt houtskool op ruw papier? Bij het techniekexperiment probeer je een werkwijze uit: sjabloneren, afdrukken, krassen (sgraffito), wegvegen. Bij het combineren breng je materialen of technieken samen die normaal niet samengaan, of je werkt met gemengde technieken en collage. En bij het toeval laat je bewust het onvoorspelbare toe — druipen, gieten, vouwen — en kies je achteraf wat werkt (een werkwijze die dada en het surrealisme al gebruikten). Op de praktijk kies je het soort experiment dat bij je onderzoeksvraag past.

Soorten experimenten

Soorten experimentenTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Soort experiment · Wat je onderzoekt · Voorbeeld; Materiaalexperiment · Wat een materiaal kan · Inkt op nat papier, zand in acryl; Techniekexperiment · Een werkwijze uitproberen · Sjabloneren, afdrukken, krassen; Combineren · Materialen/technieken samenbrengen · Gemengde techniek, collage; Toeval · Het onvoorspelbare toelaten · Druipen, gieten, vouwen, gemarkeerde cel: Het onvoorspelbare toelatenSOORT EXPERIMENTWAT JE ONDERZOEKTVOORBEELDMateriaalexperimentWat een materiaal kanInkt op nat papier, zand inacrylTechniekexperimentEen werkwijze uitproberenSjabloneren, afdrukken,krassenCombinerenMaterialen/techniekensamenbrengenGemengde techniek, collageToevalHet onvoorspelbare toelatenDruipen, gieten, vouwen
Afb. 3Afb. 3 — Vier soorten experimenten waarmee je de mogelijkheden van je middelen verkent.
De kern van experimenteren is dat je leert door te doen en dat een 'mislukking' vaak een vondst is, en die houding moet je durven aannemen. Een experiment dat niet oplevert wat je verwachtte, is geen verspilling maar informatie: je weet nu wat niet werkt, of je stuit op een onverwacht effect dat je in een heel andere richting brengt. Veel kunstenaars hebben hun eigen stijl of techniek gevonden door zo'n toevallige ontdekking verder te onderzoeken. Belangrijk is daarom dat je je experimenten bewaart en bekijkt, ook de mislukte, en dat je noteert wat je eruit leert. Op de praktijk telt niet alleen het geslaagde experiment mee, maar vooral de manier waarop je uit al je experimenten — geslaagd of niet — conclusies trekt voor je verdere werk.
Experimenteren en schetsen vullen elkaar aan en voeden samen de keuze die je uiteindelijk maakt, en dat verbindt dit onderdeel met het volgende. Waar de schetsen je ideeën en composities aanreiken, geven de experimenten je de middelen en effecten; samen leveren ze een rijk arsenaal waaruit je kunt putten. In de onderzoeksfase mag dit arsenaal breed en zelfs rommelig zijn — hoe meer je verkent, hoe meer je te kiezen hebt. De kunst is vervolgens om uit al dat onderzoek een bewuste keuze te maken en die tot een samenhangend werk uit te werken. Die overgang van het brede verkennen naar het gerichte kiezen behandelt het volgende onderdeel. Op de praktijk laat je met je experimenten zien dat je de mogelijkheden van je middelen kent voordat je ze in je eindwerk inzet.
Uitgewerkt voorbeeld

Leren van een onverwacht resultaat

Bij een inktexperiment op nat papier loopt de inkt heel anders uit dan je wilde. Hoe ga je hiermee om in je onderzoek?

  1. 01Beschrijf wat er gebeurde

    De inkt liep op het natte papier onvoorspelbaar uit tot grillige, vertakte vormen, in plaats van de strakke lijn die je wilde.

  2. 02Beoordeel het effect

    Kijk onbevooroordeeld: het grillige uitlopen levert een organisch, levendig effect op dat op zich interessant is, ook al was het niet de bedoeling.

  3. 03Trek een conclusie

    Noteer wat je leert: nat papier geeft geen controle over de lijn maar wel een boeiend organisch effect; droog papier geeft controle.

  4. 04Zet de vondst in

    Overweeg het onverwachte effect bewust te gebruiken voor een thema waar het bij past (bijvoorbeeld groei of beweging).

Resultaat: Het 'mislukte' experiment is een vondst: het onverwachte uitlopen levert een bruikbaar organisch effect op. Door het te beoordelen, te noteren en eventueel bewust in te zetten, draagt ook dit experiment bij aan het onderzoek.

Eindexamen-focus

  • Doelgericht experimenteren met materiaal, techniek, combinatie en toeval, passend bij de onderzoeksvraag.
  • Uit experimenten — ook mislukte — conclusies trekken en die vastleggen voor het verdere werk.

Veelgemaakte fouten

  • Alleen op zeker spelen met bekende materialen en niets nieuws durven proberen, waardoor het onderzoek arm blijft.
  • Mislukte experimenten weggooien in plaats van te bewaren en te bekijken wat je ervan leert.

Actieve herhaling

Voer drie experimenten uit met één materiaal (bijvoorbeeld inkt): een materiaalexperiment, een techniekexperiment en een experiment met toeval. Beschrijf per experiment wat je hebt geleerd, ook als het anders liep dan verwacht.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (tekenen) havo — praktijk: experimenteren (CvTE / Examenblad)

§ 04

Van onderzoek naar werk: divergeren en convergeren#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Kernpunten

Een goed creatief proces beweegt tussen twee tegengestelde fasen die je moet leren herkennen en beheersen: het divergeren en het convergeren (zie Afb. 4). Divergeren is het breed openwaaieren: zoveel mogelijk ideeën, richtingen en mogelijkheden genereren zonder al te oordelen of te kiezen. Dit is de fase van het onderzoek, de schetsen en de experimenten uit de vorige onderdelen: hoe meer je verkent, hoe rijker je materiaal. Convergeren is het tegenovergestelde: uit al die mogelijkheden een bewuste keuze maken, een richting bepalen en die aanscherpen tot één samenhangend werk. Een geslaagd proces heeft beide nodig — alleen divergeren levert een berg losse ideeën zonder werk op, alleen convergeren levert een armzalig, niet-onderzocht werk op. Op de praktijk laat je zien dat je beide fasen kunt doorlopen en op het juiste moment van de ene naar de andere overschakelt.

Divergeren en convergeren

Divergeren en convergerenGraaf, Thema / opdracht → Divergeren: breed verkennen, Divergeren: breed verkennen → Convergeren: kiezen & aanscherpen, Convergeren: kiezen & aanscherpen → Uitgewerkt werkThema / opdrachtDivergeren:breed verkennenConvergeren:kiezen &aanscherpenUitgewerkt werkonderzoekkeuzeuitwerken
Afb. 4Afb. 4 — Het creatieve proces beweegt van breed verkennen (divergeren) naar gericht kiezen en uitwerken (convergeren).
Het scharnierpunt tussen de twee fasen is het maken van een keuze, en dat kiezen is een vaardigheid op zich. Na een breed onderzoek moet je durven beslissen: welke van al je ideeën, composities en experimenten werk je uit tot je eindwerk? Een goede keuze is beargumenteerd — je kiest niet willekeurig maar op grond van wat je in het onderzoek hebt geleerd: welke richting is het sterkst, past het best bij je thema, en biedt de meeste mogelijkheden om uit te werken? Kiezen betekent ook loslaten: de niet-gekozen richtingen laat je bewust vallen, al blijven ze in je dossier zichtbaar als bewijs van je onderzoek. Op de praktijk verantwoord je je keuze met argumenten die teruggrijpen op je onderzoek, zodat de examinator ziet dat je gekozen werk voortkomt uit een doordacht proces.
Na de keuze volgt het uitwerken, waarin je de gekozen richting tot een afgerond, samenhangend werk brengt, en hierin komen alle eerdere vaardigheden samen. Je stemt de beeldaspecten bewust op elkaar af (compositie, kleur, licht, ruimte, textuur), je kiest de passende techniek en je voert het werk planmatig uit, van de opzet tot de details. Tijdens het uitwerken kun je nog kleine bijstellingen doen, maar de grote keuzes liggen nu vast — anders raak je nooit klaar. Het uitgewerkte werk is het zichtbare resultaat van het hele proces: het onderzoek, de keuze en de uitvoering samen. Op de praktijk beoordeelt de school niet alleen dit eindwerk, maar ook of het overtuigend voortkomt uit het voorafgaande onderzoek — de samenhang tussen proces en product.
Het besef dat een creatief proces bestaat uit afwisselend openwaaieren en focussen, maakt je een bewustere maker en verbindt dit onderwerp met het werkproces van het laatste onderdeel. In werkelijkheid verloopt het proces zelden in één rechte lijn: vaak divergeer en convergeer je meerdere keren, bijvoorbeeld door na een eerste keuze opnieuw kort te onderzoeken hoe je die het best uitwerkt. Deze afwisseling herkennen en sturen is de kern van creatief werken. Wie alleen maar blijft onderzoeken, komt nooit tot een werk; wie te vroeg dichtklapt, mist de rijkdom. Op de praktijk laat je in je dossier de beweging van breed onderzoek naar gerichte uitwerking zien, en daarmee bewijs je dat je het creatieve proces beheerst — precies wat het werkproces-onderwerp verder uitwerkt in fasen, reflectie en presentatie.
Uitgewerkt voorbeeld

Van breed onderzoek naar één werk

Beschrijf voor het thema 'contrast' hoe je van een breed onderzoek naar één uitgewerkt werk komt.

  1. 01Divergeer

    Verken breed: schets veel varianten van contrast (licht-donker, groot-klein, druk-leeg) en experimenteer met materialen die contrast versterken.

  2. 02Kies (convergeer)

    Beoordeel het onderzoek en kies de sterkste richting, bijvoorbeeld een hard licht-donkercontrast, omdat die de meeste spanning gaf en het best bij je thema past.

  3. 03Scherp aan

    Werk de gekozen richting uit in een compositieschets en bepaal de definitieve opzet, kleur (of zwart-wit) en techniek.

  4. 04Werk uit

    Voer het werk planmatig uit, stem de beeldaspecten op het contrast af, en verantwoord in je dossier waarom je zo hebt gekozen.

Resultaat: Door eerst breed te divergeren (veel varianten en experimenten) en dan beargumenteerd te convergeren (een gekozen contrastrichting uitwerken), ontstaat een samenhangend werk dat aantoonbaar uit het onderzoek voortkomt.

Eindexamen-focus

  • De fasen divergeren (breed verkennen) en convergeren (kiezen en aanscherpen) herkennen en op het juiste moment toepassen.
  • Een beargumenteerde keuze maken op grond van het onderzoek en die tot een samenhangend werk uitwerken.

Veelgemaakte fouten

  • Blijven onderzoeken en nooit een keuze durven maken, waardoor er geen afgerond werk ontstaat.
  • Te vroeg convergeren (meteen kiezen) en zo de rijkdom van een breed onderzoek missen.

Actieve herhaling

Beschrijf voor een eigen opdracht hoe je van een breed onderzoek naar één uitgewerkt werk komt: welke mogelijkheden verkende je (divergeren), welke keuze maakte je op grond waarvan (convergeren), en hoe werkte je die uit?

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (tekenen) havo — praktijk: van onderzoek naar werk (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Beeldend onderzoek: van vraag naar verkenning○
    • 02Schetsen en ideeontwikkeling◐
    • 03Experimenteren met materiaal en techniek◐
    • 04Van onderzoek naar werk: divergeren en convergeren●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Praktijk: beeldend onderzoek, schetsen en experiment

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~18
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma beeldende vakken (tekenen) havo — praktijk: beeldend onderzoek

Vorig onderwerp

Praktijk (schoolexamen): tekenen en schilderen — tweedimensionaal werk

Volgend onderwerp

Praktijk: werkproces, reflectie en presentatie (werkstuk en dossier)

EuraStudy·Samenvattingen T·12·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.