EuraStudy
Samenvattingen/Spaans/Cultuur, samenleving en actualiteit
Samenvattingen · SpaansNL · HAVO

Cultuur, samenleving en actualiteit

Cultuur en actualiteit brengen de Spaanstalige wereld tot leven: de feesten en tradities, de muziek, de keuken, de sport en de kunst, de meertalige samenleving en de actuele thema's, en de omgangsvormen die het dagelijks contact bepalen. Deze samenvatting bouwt dat culturele kader op voor zowel Spanje als Latijns-Amerika. Belangrijk om eerlijk te zijn over de plaats in het examen: cultuur- en actualiteitskennis hoort bij het bredere taal- en cultuuronderwijs en komt vooral in het schoolexamen (SE) aan bod, terwijl het centraal examen (CE) Spaans uitsluitend je leesvaardigheid toetst. Toch is deze kennis geen overbodige luxe — ze helpt je om de achtergrond van examenteksten sneller te plaatsen en beter te begrijpen.

4 Onderdelen·~23 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3

T·101010 / 12
Examenprofiel
De belangrijkste feesten en tradities van de Spaanstalige wereld kennen en beschrijven.Cultuuruitingen (muziek, keuken, sport, beeldende kunst) herkennen en aan het juiste land koppelen.De meertaligheid en diversiteit van de Spaanstalige wereld en actuele maatschappelijke thema's plaatsen.Spaanse omgangsvormen begrijpen en met een open, vooroordeelvrije blik toepassen.
Operatoren:beschrijfleg uitvergelijkplaats

basisniveau

Voor het schoolexamen en je algemene taalvaardigheid: ken de hoofdlijnen — de bekendste feesten, een handvol cultuuruitingen met hun land, de meertaligheid van Spanje en de basale omgangsvormen (‘dos besos’, ‘tú’/‘usted’, de late eettijden). Op het centraal examen helpt deze achtergrond je vooral om de context van leesteksten sneller te plaatsen.

verhoogd niveau

Wie Spaans of een internationaal gerichte opleiding kiest in het hoger onderwijs, heeft baat bij een steviger cultureel kader: de regionale identiteiten en talen van Spanje, de variatie tussen Spanje en Latijns-Amerika, en een fijngevoelig begrip van interculturele omgangsvormen zonder stereotypen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Cultuur, samenleving en actualiteit
    • 01Feesten en tradities (fiestas y tradiciones)○
    • 02Kunst, muziek, keuken en sport◐
    • 03Samenleving en actualiteit◐
    • 04Interculturele vaardigheid◐
§ 01

Feesten en tradities (fiestas y tradiciones)#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Feesten in de Spaanstalige wereld

Feesten in de Spaanstalige wereldTabel met 3 kolommen en 5 rijen, Gegevens: Feest · Land/regio · Wat het is; Navidad / Reyes Magos · Spanje · cadeaus op 6 jan.; la Semana Santa · Spanje · processies voor Pasen; las Fallas · Valencia · poppen verbrand, maart; la Tomatina · Buñol · tomatengevecht, aug.; Día de los Muertos · Mexico · doden herdenken, nov.FEESTLAND/REGIOWAT HET ISNavidad / Reyes MagosSpanjecadeaus op 6 jan.la Semana SantaSpanjeprocessies voor Pasenlas FallasValenciapoppen verbrand, maartla TomatinaBuñoltomatengevecht, aug.Día de los MuertosMexicododen herdenken, nov.
Afb. 1Vijf bekende feesten uit Spanje en Latijns-Amerika, met hun land of streek en wat ze inhouden.

Kernpunten

Een feest (in het Spaans ‘una fiesta’) is een terugkerend moment waarop een gemeenschap iets viert of herdenkt, en een traditie (‘una tradición’) is een gewoonte die van generatie op generatie wordt doorgegeven. De Spaanstalige wereld kent een bijzonder rijke feestkalender: van religieuze hoogtijdagen tot uitbundige volksfeesten op straat, en veel ervan zijn wereldberoemd. Sommige feesten worden in heel Spanje gevierd, terwijl andere bij één stad of streek horen en daar een belangrijk deel van de lokale identiteit vormen. Voordat we de losse feesten langslopen, is het goed om eerlijk te zijn over de plaats van deze kennis in het examen: feest- en cultuurkennis hoort bij het bredere taal- en cultuuronderwijs en komt vooral in het schoolexamen (SE) aan bod, terwijl het centraal examen (CE) Spaans uitsluitend je leesvaardigheid toetst. Toch helpt deze achtergrond je enorm om een Spaanse leestekst sneller te plaatsen. De tabel onderaan deze sectie zet vijf bekende feesten met hun land of streek en een korte omschrijving overzichtelijk naast elkaar.
De kersttijd (‘la Navidad’) begint in Spanje met ‘la Nochebuena’, kerstavond op 24 december, waarop families samen uitgebreid eten. Maar het echte hoogtepunt voor kinderen valt later: op 6 januari, het feest van ‘los Reyes Magos’ (de Drie Koningen). Volgens de traditie zijn het niet de Kerstman maar de drie koningen — Melchor, Gaspar en Baltasar — die de kinderen hun cadeaus brengen, net zoals zij ooit geschenken naar het kindje Jezus brachten. Op de avond van 5 januari trekt in veel steden ‘la Cabalgata de Reyes’ door de straten, een grote optocht waarbij de koningen vanaf praalwagens snoep naar de menigte gooien. Voor een Nederlandse leerling is dit een mooi voorbeeld van een vertrouwd feest met een net andere invulling: de cadeaus komen op een andere dag en van andere figuren dan hij gewend is.
‘La Semana Santa’ (de Goede of Stille Week) is de week vóór Pasen en is in Spanje een indrukwekkend religieus feest. In steden als Sevilla en Málaga trekken dan dagenlang plechtige processies door de straten: broederschappen (‘las cofradías’) dragen zware beelden (‘los pasos’) van Christus en de Maagd Maria, begeleid door boetelingen in lange gewaden met puntmutsen (‘los nazarenos’). De sfeer is ernstig en ingetogen, met trommels en treurmuziek. Heel anders van toon zijn ‘las Fallas’ van Valencia, half maart, rond het feest van San José (Sint-Jozef): wijken bouwen reusachtige, vaak satirische poppen van papier-maché (‘los ninots’) op de pleinen, en in de slotnacht van 19 maart worden ze onder veel vuurwerk in brand gestoken (‘la Cremà’). Waar de Semana Santa stil en religieus is, zijn de Fallas luid, kleurrijk en spottend — samen laten ze zien hoe breed het Spaanse feestrepertoire is.
Misschien wel het bekendste volksfeest bij jongeren is ‘la Tomatina’, dat elk jaar op de laatste woensdag van augustus plaatsvindt in het stadje Buñol, bij Valencia. Tijdens dit feest bekogelen duizenden deelnemers elkaar ongeveer een uur lang met overrijpe tomaten, totdat de straten in een rode brij veranderen. Het is puur vermaak zonder religieuze of historische lading, en het trekt bezoekers uit de hele wereld. La Tomatina is een goed voorbeeld van een feest dat sterk aan één plaats verbonden is: het hoort bij Buñol en wordt niet zomaar overal in Spanje gevierd. Veel Spaanse feesten zijn juist zo — lokaal geworteld en met een eigen, herkenbaar karakter.
Het Spaans is niet beperkt tot Spanje, en ook de feestkalender van Latijns-Amerika is rijk. Het bekendste voorbeeld is ‘el Día de los Muertos’ (de Dag van de Doden) in Mexico, op 1 en 2 november. Op die dagen herdenken families hun overleden dierbaren niet met verdriet maar met een kleurrijk, bijna vrolijk feest: ze bouwen huisaltaren (‘las ofrendas’) met foto's, kaarsen, oranje goudsbloemen (‘cempasúchil’) en het lievelingseten van de doden, en je ziet overal versierde suikerschedels (‘las calaveras’). Het feest staat sinds 2008 op de UNESCO-lijst van immaterieel werelderfgoed. Voor het examen geldt opnieuw: je hoeft deze feesten niet uit je hoofd te kennen voor het CE, maar wie weet wat ‘el Día de los Muertos’ of ‘las Fallas’ inhoudt, leest een tekst erover meteen met meer begrip.
Uitgewerkt voorbeeld

Spaanse en Latijns-Amerikaanse feesten beschrijven

Beschrijf in eigen woorden drie feesten uit Spanje en het Mexicaanse ‘el Día de los Muertos’. Leg bij elk uit wat het feest inhoudt en wanneer of waar het plaatsvindt.

  1. 01Stap 1 — Kies de feesten en hun plaats

    Loop de tabel langs en kies er vier: ‘los Reyes Magos’ (heel Spanje), ‘la Semana Santa’ (onder meer Sevilla), ‘las Fallas’ (Valencia) en het Mexicaanse ‘el Día de los Muertos’. Noteer bij elk meteen het land of de streek.

  2. 02Stap 2 — Bepaal wanneer ze plaatsvinden

    Zet er de tijd bij: ‘los Reyes Magos’ op 6 januari, ‘la Semana Santa’ in de week vóór Pasen, ‘las Fallas’ half maart (rond 19 maart) en ‘el Día de los Muertos’ op 1 en 2 november.

  3. 03Stap 3 — Vat per feest kort samen wat het inhoudt

    ‘Los Reyes Magos’: de Drie Koningen brengen de cadeaus, met een optocht (‘la Cabalgata’) op 5 januari. ‘La Semana Santa’: plechtige processies met beelden en boetelingen. ‘Las Fallas’: satirische poppen die op de slotnacht worden verbrand. ‘El Día de los Muertos’: een kleurrijke herdenking van de doden met altaren en suikerschedels.

Resultaat: ‘Los Reyes Magos’ (Spanje, 6 januari) brengen de cadeaus, voorafgegaan door de optocht op 5 januari; ‘la Semana Santa’ (onder meer Sevilla, de week vóór Pasen) bestaat uit plechtige processies; ‘las Fallas’ (Valencia, half maart) zijn satirische poppen die op 19 maart worden verbrand; en ‘el Día de los Muertos’ (Mexico, 1 en 2 november) is een kleurrijke herdenking van de overledenen met altaren en suikerschedels.

Eindexamen-focus

  • Voor het schoolexamen en je algemene taalvaardigheid moet je de belangrijkste feesten van de Spaanstalige wereld kunnen beschrijven: wat ze inhouden, wanneer ze plaatsvinden en waar — ‘los Reyes Magos’, ‘la Semana Santa’, ‘las Fallas’, ‘la Tomatina’ en het Mexicaanse ‘el Día de los Muertos’.
  • Op het centraal examen, dat alleen leesvaardigheid toetst, helpt deze kennis je om een tekst over een Spaans of Latijns-Amerikaans feest sneller in zijn context te plaatsen.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat Spaanse kinderen hun cadeaus met Kerst krijgen. Traditioneel brengen ‘los Reyes Magos’ (de Drie Koningen) de cadeaus op 6 januari, niet de Kerstman op 25 december.
  • ‘Las Fallas’ en ‘la Tomatina’ door elkaar halen. ‘Las Fallas’ zijn de verbrande poppen in Valencia in maart; ‘la Tomatina’ is het tomatengevecht in Buñol in augustus — andere plaats, ander seizoen, ander feest.

Actieve herhaling

Beschrijf in eigen woorden drie feesten uit Spanje en het Mexicaanse ‘el Día de los Muertos’. Leg bij elk uit wat het feest inhoudt en wanneer of waar het plaatsvindt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Spaans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Kunst, muziek, keuken en sport#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Cultuuruitingen en hun land

Cultuuruitingen en hun landTabel met 3 kolommen en 7 rijen, Gegevens: Domein · Voorbeeld · Land; Muziek en dans · flamenco · Spanje (Andalucía); Muziek en dans · salsa, reggaetón · Latijns-Amerika; Keuken · paella, tapas · Spanje; Keuken · tacos · México; Sport · fútbol (La Liga) · Spanje; Kunst · Gaudí, Picasso, Dalí · Spanje; Kunst · Frida Kahlo · MéxicoDOMEINVOORBEELDLANDMuziek en dansflamencoSpanje (Andalucía)Muziek en danssalsa, reggaetónLatijns-AmerikaKeukenpaella, tapasSpanjeKeukentacosMéxicoSportfútbol (La Liga)SpanjeKunstGaudí, Picasso, DalíSpanjeKunstFrida KahloMéxico
Afb. 2Per cultureel domein een bekend voorbeeld, gekoppeld aan het land — Spanje of een Latijns-Amerikaans land.

Kernpunten

Cultuur is veel meer dan feesten alleen: ook muziek, dans, eten, sport en beeldende kunst vormen het gezicht van een land. Juist deze cultuuruitingen komen vaak terug in Spaanse examenteksten — een interview met een kok, een reportage over een voetbalclub, een artikel over een schilder — en wie de grote namen en gerechten kent, plaatst zo'n tekst meteen. Net als bij de feesten geldt: deze kennis hoort bij het bredere taal- en cultuuronderwijs (SE), terwijl het CE alleen je leesvaardigheid toetst. In deze sectie lopen we vier domeinen langs: muziek en dans, de keuken, de sport en de beeldende kunst. De tabel onderaan koppelt per domein een bekend voorbeeld aan het land waar het vandaan komt.
In de muziek en dans is ‘el flamenco’ het bekendste Spaanse uithangbord. Flamenco komt uit Andalucía, het zuiden van Spanje, en bestaat uit drie elementen die samen één geheel vormen: de zang (‘el cante’), het gitaarspel (‘la guitarra’ of ‘el toque’) en de dans (‘el baile’), vaak met ritmisch handgeklap (‘las palmas’). De stijl heeft wortels in de cultuur van de Roma (‘los gitanos’) en staat sinds 2010 op de UNESCO-lijst van immaterieel werelderfgoed. Aan de andere kant van de oceaan klinkt heel andere muziek: in Latijns-Amerika en de Caraïben zijn dansmuziekstijlen als ‘la salsa’ en, sinds de jaren negentig, ‘el reggaetón’ (ontstaan in Puerto Rico) razend populair, ook bij jongeren wereldwijd. Zo laat de muziek meteen het verschil zien tussen Spanje en de Spaanstalige wereld daarbuiten.
De Spaanse keuken (‘la gastronomía’) is wereldberoemd, en een paar gerechten moet je kunnen plaatsen. ‘Las tapas’ zijn kleine hapjes die je vaak in een bar bij een drankje eet en die je deelt — eten is in Spanje een sociale bezigheid. ‘La paella’ is een rijstgerecht uit Valencia, op smaak gebracht met saffraan en oorspronkelijk gemaakt met konijn, kip en groente (de bekende variant met zeevruchten kwam later). ‘La tortilla de patatas’ (of ‘tortilla española’) is een stevige omelet van ei en aardappel — let op: in Spanje is een ‘tortilla’ dus iets heel anders dan in Mexico, waar ‘la tortilla’ een dunne maïs- of tarwekoek is. In México eet men die koek bijvoorbeeld als ‘los tacos’, gevuld en opgerold; dat verschil in betekenis van één woord is een klassieke valkuil.
Sport, en dan vooral het voetbal (‘el fútbol’), is in de hele Spaanstalige wereld een ware volkspassie. In Spanje speelt de hoogste profcompetitie, ‘La Liga’, waarin grote clubs als Real Madrid en FC Barcelona uitkomen. De wedstrijd tussen die twee heet ‘el Clásico’ en wordt door miljoenen mensen over de hele wereld bekeken. Voetbal is daarmee niet alleen sport maar ook een stuk identiteit en dagelijkse gespreksstof — een onderwerp dat je gegarandeerd in jongerenteksten en kranten tegenkomt.
Ten slotte de beeldende kunst, waarin Spanje enkele van de grootste namen van de moderne tijd voortbracht. De Catalaanse architect Antoni Gaudí ontwierp in Barcelona de ‘Sagrada Família’, een gigantische basiliek waaraan sinds 1882 wordt gebouwd en die nog altijd niet af is; zijn golvende, organische bouwstijl heet het modernisme. Pablo Picasso, geboren in Málaga, was medegrondlegger van het kubisme en schilderde het beroemde antioorlogswerk ‘Guernica’. Salvador Dalí, uit Catalonië, was de meest spraakmakende surrealist, bekend van zijn smeltende klokken. En om te laten zien dat de Spaanstalige kunst niet bij Spanje ophoudt: de Mexicaanse schilderes Frida Kahlo, beroemd om haar indringende zelfportretten, is een van de bekendste kunstenaars van Latijns-Amerika — een naam die je niet met Spanje moet verwarren.
Uitgewerkt voorbeeld

Cultuuruitingen aan het juiste land koppelen

Noem voor elk van de vier domeinen — muziek/dans, keuken, sport en beeldende kunst — minstens één voorbeeld en geef aan uit welk land het komt. Maak daarbij ten minste één verschil tussen Spanje en Latijns-Amerika zichtbaar.

  1. 01Stap 1 — Loop de vier domeinen langs

    Kies per domein een voorbeeld uit de tabel: muziek/dans → flamenco; keuken → paella; sport → fútbol (La Liga); beeldende kunst → Gaudí en de Sagrada Família.

  2. 02Stap 2 — Zet er het land of de streek bij

    Flamenco komt uit Andalucía in Spanje, paella uit Valencia in Spanje, La Liga is de Spaanse voetbalcompetitie, en Gaudí bouwde in Barcelona (Spanje).

  3. 03Stap 3 — Maak het verschil met Latijns-Amerika zichtbaar

    Zet er een Latijns-Amerikaans voorbeeld tegenover: salsa en reggaetón als muziek, ‘los tacos’ uit México als eten, of de Mexicaanse schilderes Frida Kahlo. Zo toon je dat de Spaanstalige cultuur breder is dan Spanje alleen.

Resultaat: Muziek/dans: flamenco (Andalucía, Spanje) tegenover salsa en reggaetón (Latijns-Amerika). Keuken: paella en tortilla de patatas (Spanje) tegenover tacos (México). Sport: fútbol in La Liga (Spanje). Beeldende kunst: Gaudí, Picasso en Dalí (Spanje) tegenover Frida Kahlo (México). Zo is per domein een voorbeeld aan een land gekoppeld én is het verschil tussen Spanje en Latijns-Amerika zichtbaar.

Eindexamen-focus

  • Voor het schoolexamen moet je per cultureel domein een bekend voorbeeld kunnen noemen en aan het juiste land koppelen: flamenco (Spanje), salsa en reggaetón (Latijns-Amerika), paella en tapas (Spanje), tacos (México), fútbol en La Liga (Spanje), en kunstenaars als Gaudí, Picasso en Dalí (Spanje) tegenover Frida Kahlo (México).
  • Op het centraal examen helpt deze kennis je om leesteksten over muziek, eten, sport of kunst sneller te begrijpen en namen en begrippen direct te herkennen.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat flamenco uit heel Spanje komt. Flamenco hoort specifiek bij Andalucía (het zuiden); het is niet de muziek van het hele land.
  • Frida Kahlo voor een Spaanse kunstenaar aanzien. Zij is Mexicaans, terwijl Gaudí, Picasso en Dalí Spaans zijn. ‘La tortilla’ betekent bovendien in Spanje (aardappelomelet) iets anders dan in México (maïskoek).

Actieve herhaling

Noem voor elk van de vier domeinen — muziek/dans, keuken, sport en beeldende kunst — minstens één voorbeeld en geef aan uit welk land het komt. Maak daarbij ten minste één verschil tussen Spanje en Latijns-Amerika zichtbaar.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Spaans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Samenleving en actualiteit#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Maatschappelijke thema's en waar ze spelen

Maatschappelijke thema's en waar ze spelenTabel met 2 kolommen en 5 rijen, Gegevens: Thema · Waar het speelt; Meertaligheid · regio's van Spanje; Regionale identiteit · Catalonië, Baskenland; Migratie · Spanje en Lat.-Amerika; Jongerencultuur · sociale media; Milieu · klimaat en natuurTHEMAWAAR HET SPEELTMeertaligheidregio's van SpanjeRegionale identiteitCatalonië, BaskenlandMigratieSpanje en Lat.-AmerikaJongerencultuursociale mediaMilieuklimaat en natuur
Afb. 3Thema's uit de Spaanstalige samenleving die vaak in examenteksten terugkomen, met de plek waar ze spelen.

Kernpunten

Met „samenleving” bedoelen we hoe mensen in een land samenleven: welke talen ze spreken, met welke groepen ze zich verbonden voelen en welke onderwerpen er spelen. Voor Spaans is dit een breed verhaal, want de Spaanstalige wereld is enorm divers: het Spaans is de moedertaal van honderden miljoenen mensen in zo'n twintig landen. In deze sectie kijken we eerst naar de meertaligheid en regionale identiteit binnen Spanje, daarna naar de grote variatie tussen Spanje en Latijns-Amerika, en ten slotte naar actuele thema's die je in examenteksten tegenkomt. De tabel onderaan zet enkele van deze thema's naast de plek waar ze vooral spelen.
Spanje is geen eentalig land. De officiële taal van het hele land is het Castiliaans (‘el castellano’ of ‘el español’), maar in verschillende regio's — de zogeheten autonome gemeenschappen (‘las comunidades autónomas’) — is daarnaast een tweede taal officieel (‘una lengua cooficial’). In Catalonië, Valencia en op de Balearen is dat het Catalaans (‘el catalán’), in Galicië het Galicisch (‘el gallego’) en in Baskenland en een deel van Navarra het Baskisch (‘el euskera’). Die talen zijn voor veel mensen niet zomaar een tweede taal, maar een kern van hun regionale identiteit; vooral in Catalonië en Baskenland is dat gevoel van een eigen identiteit sterk. Wie een tekst over Spanje leest, moet dus weten dat „Spaans” en „de taal van een Spaanse regio” niet altijd hetzelfde zijn.
Nog veel groter is de variatie tussen het Spaans van Spanje en dat van Latijns-Amerika. Het is overal dezelfde taal en mensen begrijpen elkaar moeiteloos, maar er zijn opvallende verschillen in uitspraak en woordenschat. Zo gebruikt men in Spanje voor „auto” het woord ‘el coche’, terwijl in veel Latijns-Amerikaanse landen ‘el carro’ gangbaar is; een computer is in Spanje ‘el ordenador’ en in Latijns-Amerika ‘la computadora’. Ook grammaticaal is er een bekend verschil: in Spanje gebruikt men ‘vosotros’ voor „jullie” (informeel), terwijl men in heel Latijns-Amerika altijd ‘ustedes’ zegt, en in landen als Argentinië hoor je ‘vos’ in plaats van ‘tú’. Het Spaans is dus een echte wereldtaal met meerdere centra, geen taal van één land.
Naast taal en identiteit spelen er in de Spaanstalige wereld natuurlijk actuele maatschappelijke thema's, en juist die duiken vaak op in examenteksten. Migratie (‘la migración’) is er zo een: zowel mensen die naar Spanje komen als de grote bevolkingsstromen binnen en vanuit Latijns-Amerika. Jongerencultuur is een tweede terugkerend thema — denk aan het gebruik van sociale media (‘las redes sociales’), aan studie, werk en vrije tijd. En een derde groot thema is het milieu (‘el medio ambiente’), met onderwerpen als klimaatverandering (‘el cambio climático’) en natuurbehoud. Omdat deze thema's wereldwijd actueel zijn, vormen ze dankbaar materiaal voor de authentieke teksten op het examen.
Het is goed om te beseffen waaróm deze maatschappelijke kennis nuttig is. Het centraal examen Spaans toetst uitsluitend leesvaardigheid: je krijgt geen aparte vragen over de Spaanse samenleving, en deze landen- en actualiteitskennis hoort formeel bij het bredere taal- en cultuuronderwijs van het schoolexamen. Maar de teksten die je op het CE leest, gaan wél over deze onderwerpen — over een Catalaanse jongere, over migratie, over het klimaat. Wie de achtergrond kent, herkent het onderwerp sneller, raadt onbekende woorden makkelijker en begrijpt de tekst beter. Achtergrondkennis is dus geen apart examenonderdeel, maar wel een stille bondgenoot bij het lezen.
Uitgewerkt voorbeeld

De diversiteit van de Spaanstalige wereld uitleggen

Leg uit waarom je niet kunt zeggen dat er „één Spaanse taal en cultuur” bestaat. Noem een kenmerk van de meertaligheid binnen Spanje en twee verschillen tussen het Spaans van Spanje en dat van Latijns-Amerika.

  1. 01Stap 1 — Behandel de meertaligheid van Spanje

    Leg uit dat Spanje naast het Castiliaans (‘el castellano’) regionale officiële talen kent: het Catalaans in Catalonië, het Galicisch in Galicië en het Baskisch in Baskenland. Die talen horen bij een sterke regionale identiteit.

  2. 02Stap 2 — Noem twee verschillen tussen Spanje en Latijns-Amerika

    Kies twee duidelijke verschillen: in de woordenschat (‘el coche’ in Spanje tegenover ‘el carro’ in Latijns-Amerika) en in de grammatica (‘vosotros’ in Spanje tegenover ‘ustedes’ in Latijns-Amerika).

  3. 03Stap 3 — Trek de conclusie

    Concludeer dat het Spaans een wereldtaal met meerdere centra is: dezelfde taal, maar met eigen regionale talen binnen Spanje en duidelijke variatie tussen de landen. „Eén Spaanse cultuur” bestaat dus niet.

Resultaat: Binnen Spanje wordt naast het Castiliaans ook Catalaans, Galicisch of Baskisch gesproken, elk verbonden met een eigen regionale identiteit. Tussen Spanje en Latijns-Amerika verschillen bovendien de woordenschat (‘coche’ tegenover ‘carro’) en de grammatica (‘vosotros’ tegenover ‘ustedes’). Het Spaans is daarom een wereldtaal met meerdere centra, en van „één Spaanse taal en cultuur” kun je niet spreken.

Eindexamen-focus

  • Voor het schoolexamen moet je de hoofdlijnen van de Spaanstalige samenleving kunnen beschrijven: de meertaligheid van Spanje (‘castellano’ naast ‘catalán’, ‘gallego’ en ‘euskera’) en de variatie tussen het Spaans van Spanje en dat van Latijns-Amerika.
  • Op het centraal examen gaan veel leesteksten over actuele thema's als migratie, jongerencultuur en milieu; wie het onderwerp herkent, leest sneller en gerichter.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat in heel Spanje alleen „Spaans” (Castiliaans) wordt gesproken. In regio's als Catalonië, Galicië en Baskenland is er een tweede officiële taal: respectievelijk ‘catalán’, ‘gallego’ en ‘euskera’.
  • Aannemen dat Spaans overal precies hetzelfde is. Tussen Spanje en Latijns-Amerika verschillen uitspraak en woorden (‘coche’/‘carro’, ‘ordenador’/‘computadora’) en gebruikt men ‘vosotros’ (Spanje) tegenover ‘ustedes’ (Latijns-Amerika).

Actieve herhaling

Leg uit waarom je niet kunt zeggen dat er „één Spaanse taal en cultuur” bestaat. Noem een kenmerk van de meertaligheid binnen Spanje en twee verschillen tussen het Spaans van Spanje en dat van Latijns-Amerika.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Spaans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Interculturele vaardigheid#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Spaanse omgangsvormen

Spaanse omgangsvormenTabel met 2 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Gewoonte · Wat je doet; Begroeten (informeel) · dos besos (2 kussen); Begroeten (formeel) · een hand geven; Aanspreken · tú of usted; Lunch (la comida) · warm, rond 14 uur; Avondeten (la cena) · laat, rond 21 uur; Na het eten · sobremesa: napratenGEWOONTEWAT JE DOETBegroeten (informeel)dos besos (2 kussen)Begroeten (formeel)een hand gevenAansprekentú of ustedLunch (la comida)warm, rond 14 uurAvondeten (la cena)laat, rond 21 uurNa het etensobremesa: napraten
Afb. 4Concrete Spaanse omgangsvormen: begroeten, aanspreken en eten — en wat je in elke situatie doet.

Kernpunten

Een taal leren is meer dan woordjes en grammatica: het is ook leren omgaan met de gewoonten en omgangsvormen van de mensen die de taal spreken. Dat noemen we interculturele vaardigheid. Wie perfect Spaans spreekt maar de Spaanse omgangsregels niet kent, kan ondanks foutloze zinnen toch afstandelijk of onbeleefd overkomen — en omgekeerd opent een beetje cultureel inzicht deuren. In deze sectie kijken we naar een paar concrete gewoonten waarin Spanje van Nederland verschilt: het begroeten, het aanspreken met ‘tú’ of ‘usted’, en de eettijden. De tabel onderaan vat deze gewoonten samen.
De meest zichtbare gewoonte is het begroeten met ‘dos besos’: twee kussen op de wang. Onder mensen die elkaar kennen — vrienden, familie, kennissen — is het in Spanje gebruikelijk om elkaar bij een begroeting twee luchtkusjes te geven, meestal eerst op de rechterwang. Dit gebeurt vooral tussen vrouwen onderling en tussen een man en een vrouw; twee mannen geven elkaar vaker een hand of een korte omhelzing (‘un abrazo’). In een formele of zakelijke situatie, of wanneer je iemand voor het eerst ontmoet, geef je daarentegen netjes een hand (‘dar la mano’). Voor een Nederlander voelt het kussen al snel als „te dichtbij”, maar in Spanje is het juist het normale, vriendelijke gebaar onder bekenden.
Een tweede belangrijk punt is de keuze tussen ‘tú’ en ‘usted’. Het Spaans maakt, net als veel andere talen maar anders dan het Engels, onderscheid tussen het vertrouwelijke ‘tú’ (jij) en het beleefde, afstandelijke ‘usted’ (u). ‘Tú’ gebruik je tegen vrienden, familie, kinderen en leeftijdgenoten; ‘usted’ tegen onbekenden, oudere mensen of in formele situaties — en let op: bij ‘usted’ hoort de werkwoordsvorm van de derde persoon. In de praktijk gaan Spanjaarden tegenwoordig vrij snel over op ‘tú’, sneller dan bijvoorbeeld de Fransen met hun ‘vous’, maar bij twijfel — zeker tegen een oudere of een onbekende — kies je veilig voor ‘usted’. Voor het meervoud gebruikt men in Spanje ‘vosotros’ (informeel) en ‘ustedes’ (formeel), terwijl in Latijns-Amerika altijd ‘ustedes’ wordt gebruikt.
Een derde, heel praktisch cultuurverschil zijn de eettijden, die in Spanje veel later liggen dan in Nederland. De warme hoofdmaaltijd van de dag is ‘la comida’, de lunch, die meestal pas rond twee uur 's middags (14.00–15.00 uur) wordt gegeten. Het avondeten, ‘la cena’, is lichter en begint vaak pas rond negen uur 's avonds (21.00–22.00 uur) — een tijd waarop in veel Nederlandse gezinnen de keuken allang dicht is. Bij die maaltijden hoort bovendien ‘la sobremesa’: het gezellige napraten aan tafel nadat het eten op is, soms nog een uur lang. Eten is in Spanje dus niet alleen voeding, maar vooral een sociaal moment waarvoor men ruim de tijd neemt.
Bij dit alles is één houding cruciaal: benader cultuurverschillen met een open blik en vermijd stereotypen. Niet elke Spanjaard houdt een siësta, danst flamenco of eet de hele dag tapas; cultuurkennis betekent niet dat je mensen in vaste hokjes stopt, maar dat je gevoelig bent voor wat in een bepaalde situatie passend is. Wees ook hier eerlijk over de plaats in het examen: het centraal examen Spaans toetst uitsluitend je leesvaardigheid, en deze omgangsvormen horen bij het schoolexamen (gesprekken voeren, spreken) en bij echte communicatie. Toch is deze kennis waardevol, want ze helpt je niet alleen om je in een Spaanstalig land beleefd te gedragen, maar ook om de toon van een leestekst beter aan te voelen — bijvoorbeeld of een schrijver formeel (‘usted’) of vertrouwelijk (‘tú’) is.
Uitgewerkt voorbeeld

Spaanse omgangsvormen toepassen

Leg uit wanneer je in het Spaans ‘tú’ gebruikt en wanneer ‘usted’, en noem twee andere Spaanse omgangsvormen (bijvoorbeeld bij het begroeten of het eten) die verschillen van wat je in Nederland gewend bent.

  1. 01Stap 1 — Verklaar ‘tú’ tegenover ‘usted’

    ‘Tú’ (jij) gebruik je in vertrouwelijke situaties: tegen vrienden, familie, kinderen en leeftijdgenoten. ‘Usted’ (u) gebruik je beleefd en op afstand: tegen onbekenden, oudere mensen of in formele situaties. Bij twijfel kies je ‘usted’.

  2. 02Stap 2 — Pas het toe op een voorbeeld

    Tegen een klasgenoot gebruik je dus de ‘tú’-vorm, maar tegen een onbekende winkelier of een oudere mevrouw gebruik je de beleefde vorm met ‘usted’.

  3. 03Stap 3 — Noem twee andere gewoonten

    Ten eerste het begroeten: onder bekenden geef je ‘dos besos’ (twee kussen op de wang), in een formele setting een hand. Ten tweede de eettijden: in Spanje eet men ‘la comida’ (de warme lunch) rond 14 uur en ‘la cena’ (het avondeten) pas rond 21 uur, gevolgd door ‘la sobremesa’ (napraten aan tafel).

Resultaat: Je gebruikt ‘tú’ in vertrouwelijke situaties (vrienden, familie, leeftijdgenoten) en ‘usted’ in beleefde of formele situaties (onbekenden, ouderen); bij twijfel kies je ‘usted’. Twee andere omgangsvormen zijn het begroeten — ‘dos besos’ onder bekenden, een hand in formele situaties — en de late eettijden, met ‘la comida’ rond 14 uur, ‘la cena’ rond 21 uur en daarna ‘la sobremesa’.

Eindexamen-focus

  • Voor het schoolexamen (gesprekken voeren en spreken) moet je de basale Spaanse omgangsvormen kunnen toepassen: begroeten met ‘dos besos’ of een hand, en het juiste gebruik van ‘tú’ en ‘usted’.
  • Op het centraal examen helpt cultureel inzicht je om de toon van een leestekst aan te voelen — of een schrijver formeel (‘usted’) of vertrouwelijk (‘tú’) is, en hoe beleefd een dialoog bedoeld is.

Veelgemaakte fouten

  • Altijd ‘tú’ gebruiken, ook tegen onbekenden of ouderen. Kies in formele situaties of bij twijfel voor ‘usted’ (met de werkwoordsvorm van de derde persoon).
  • Denken dat je iedereen met ‘dos besos’ begroet. De twee kussen horen bij bekenden; in een formele setting of bij een eerste kennismaking geef je een hand.

Actieve herhaling

Leg uit wanneer je in het Spaans ‘tú’ gebruikt en wanneer ‘usted’, en noem twee andere Spaanse omgangsvormen (bijvoorbeeld bij het begroeten of het eten) die verschillen van wat je in Nederland gewend bent.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Spaans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Feesten en tradities (fiestas y tradiciones)○
    • 02Kunst, muziek, keuken en sport◐
    • 03Samenleving en actualiteit◐
    • 04Interculturele vaardigheid◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Cultuur, samenleving en actualiteit

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~23
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Spaans (HAVO)

Vorig onderwerp

Spaanstalige wereld en landenkunde

Volgend onderwerp

Literaire ontwikkeling (leeservaringen)

EuraStudy·Samenvattingen T·10·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.