EuraStudy
Samenvattingen/Natuurkunde/Vaardigheden: rekenen, grafieken, modelleren en onderzoeken
Samenvattingen · NatuurkundeNL · HAVO

Vaardigheden: rekenen, grafieken, modelleren en onderzoeken

Dit onderwerp bundelt de reken- en onderzoeksvaardigheden die je bij vrijwel élke natuurkunde-opgave nodig hebt: werken met grootheden, eenheden en het SI-stelsel, correct afronden met significante cijfers, verbanden en formules herleiden, grafieken lezen via hellingen en oppervlakten, en ten slotte modelleren en onderzoek doen. Deze vaardigheden vormen kernstof voor het centraal examen — het is geen keuzeonderwerp — en keren terug in alle andere hoofdstukken van de natuurkunde.

5 Onderdelen·~29 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 4

T·0111 / 15
Examenprofiel
Rekenen met grootheden, SI-eenheden en voorvoegsels, en consequent omrekenen tussen eenheden (zoals km/h ↔ m/s en cm³ ↔ m³).Meetresultaten weergeven met het juiste aantal significante cijfers en de bijbehorende nauwkeurigheid.Verbanden herkennen als recht evenredig, omgekeerd evenredig of machtsverband, en formules herleiden naar de gevraagde grootheid.Grafieken interpreteren via helling en oppervlak, en verschijnselen onderzoeken met een numeriek model en de onderzoekscyclus.
Operatoren:berekenreken omrond afherleidtekenlees afinterpreteerberedeneer

basisniveau

Reken foutloos om tussen eenheden, rond correct af met significante cijfers en lees hellingen en oppervlakten uit grafieken af.

verhoogd niveau

Herleid formules zelfstandig, redeneer met evenredigheden en machtsverbanden, en zet een numeriek model en een onderzoeksopzet met variabelen op.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 5 onderdelen▾
  1. Vaardigheden: rekenen, grafieken, modelleren en onderzoeken
    • 01Grootheden, eenheden en het SI-stelsel○
    • 02Significante cijfers, afronden en nauwkeurigheid◐
    • 03Verhoudingen, evenredigheid en formules herleiden◐
    • 04Grafieken lezen: hellingen en oppervlakten◐
    • 05Modelleren en onderzoeken◐
§ 01

Grootheden, eenheden en het SI-stelsel#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Voorvoegsels en hun macht van tien

Voorvoegsels (SI)Tabel met 3 kolommen en 8 rijen, Gegevens: Voorvoegsel · Symbool · Factor; giga · G · 10⁹; mega · M · 10⁶; kilo · k · 10³; centi · c · 10⁻²; milli · m · 10⁻³; micro · μ · 10⁻⁶; nano · n · 10⁻⁹; pico · p · 10⁻¹²VOORVOEGSELSYMBOOLFACTORgigaG10⁹megaM10⁶kilok10³centic10⁻²millim10⁻³microμ10⁻⁶nanon10⁻⁹picop10⁻¹²
Afb. 1De belangrijkste SI-voorvoegsels met hun macht van tien. Let op het verschil tussen mega (M, 10⁶) en milli (m, 10⁻³), die een factor 10⁹ schelen.

Kernpunten

De natuurkunde beschrijft de wereld met grootheden: meetbare eigenschappen zoals lengte, massa, tijd, snelheid of kracht. Elke grootheid heeft een eigen symbool — lll voor lengte, mmm voor massa, ttt voor tijd, vvv voor snelheid en FFF voor kracht — en elke gemeten waarde bestaat uit twee onlosmakelijke delen: een getal én een eenheid. „De massa is 3” betekent niets; pas „de massa is 3 kg3\ \text{kg}3 kg” zegt iets. Je mag een meetwaarde daarom altijd lezen als getal maal eenheid, en in een berekening reken je met de eenheid mee alsof het een gewone factor is. Wie de eenheid steeds meesleept, ziet meteen of het antwoord klopt: komt er bij een snelheid m/s\text{m/s}m/s uit, dan zit je goed; komt er kg\text{kg}kg uit, dan is er iets misgegaan. De eenheid is dus geen bijzaak maar een controlemiddel.
Om eenheden wereldwijd gelijk te houden, spreken natuurkundigen één stelsel af: het SI-stelsel (Système International d'Unités). Daarin liggen zeven basiseenheden vast waaruit alle andere zijn opgebouwd: de meter (m) voor lengte, de kilogram (kg) voor massa, de seconde (s) voor tijd, de ampère (A) voor elektrische stroom, de kelvin (K) voor temperatuur, de mol (mol) voor hoeveelheid stof en de candela (cd) voor lichtsterkte. Voor het HAVO-examen zijn vooral de eerste vijf van belang. De afspraak is streng maar handig: vul je in een formule elke grootheid consequent in SI-eenheden in — dus lengtes in meter, tijden in seconde, massa's in kilogram — dan rolt het antwoord vanzelf in de bijbehorende SI-eenheid uit de formule. Reken je met een mengelmoes aan eenheden, dan klopt het getal niet.
Alle overige eenheden zijn afgeleide eenheden: vaste combinaties van de basiseenheden. Snelheid is afstand gedeeld door tijd, dus meet je haar in meter per seconde, m/s\text{m/s}m/s (ook geschreven als m⋅s−1\text{m}\cdot\text{s}^{-1}m⋅s−1). Sommige combinaties komen zó vaak voor dat ze een eigen naam kregen. Kracht meet je in newton, en uit F=m⋅aF = m \cdot aF=m⋅a volgt 1 N=1 kg⋅m/s21\ \text{N} = 1\ \text{kg}\cdot\text{m/s}^{2}1 N=1 kg⋅m/s2. Energie meet je in joule (1 J=1 N⋅m1\ \text{J} = 1\ \text{N}\cdot\text{m}1 J=1 N⋅m), vermogen in watt (1 W=1 J/s1\ \text{W} = 1\ \text{J/s}1 W=1 J/s) en druk in pascal (1 Pa=1 N/m21\ \text{Pa} = 1\ \text{N/m}^{2}1 Pa=1 N/m2). Achter elke afgeleide eenheid schuilt dus een natuurkundige formule; dat verband helpt je de eenheid te onthouden én te controleren of je de juiste grootheid hebt uitgerekend.
Grootheden lopen in de natuurkunde over enorme bereiken — van de diameter van een atoom tot de afstand tot een ster. Om niet eindeloos nullen te hoeven schrijven, gebruik je voorvoegsels die een macht van tien voorstellen. In de figuur staan de belangrijkste bij elkaar: kilo (k) is 10310^{3}103, mega (M) is 10610^{6}106 en giga (G) is 10910^{9}109; de andere kant op is centi (c) 10−210^{-2}10−2, milli (m) 10−310^{-3}10−3, micro (μ\muμ) 10−610^{-6}10−6 en nano (n) 10−910^{-9}10−9. Zo is 1 km=103 m1\ \text{km} = 10^{3}\ \text{m}1 km=103 m en 1 mA=10−3 A1\ \text{mA} = 10^{-3}\ \text{A}1 mA=10−3 A. Let scherp op de hoofdletters: MMM (mega) en mmm (milli) schelen een factor 10910^{9}109 — verwar je ze, dan is je antwoord al gauw een miljard keer te groot of te klein.
Omrekenen tussen eenheden komt neer op vermenigvuldigen of delen met de juiste macht van tien. Van km/h naar m/s reken je om door de afstand met 100010001000 te vermenigvuldigen (km → m) en de tijd door 360036003600 te delen (h → s); samen is dat ×10003600\times \tfrac{1000}{3600}×36001000​, oftewel delen door 3,63{,}63,6. Bij oppervlakten en volumes tellen de machten dubbel of driedubbel mee: omdat 1 cm=10−2 m1\ \text{cm} = 10^{-2}\ \text{m}1 cm=10−2 m is 1 cm3=(10−2)3 m3=10−6 m31\ \text{cm}^{3} = (10^{-2})^{3}\ \text{m}^{3} = 10^{-6}\ \text{m}^{3}1 cm3=(10−2)3 m3=10−6 m3, en een dichtheid van 1 g/cm31\ \text{g/cm}^{3}1 g/cm3 wordt daarmee 1000 kg/m31000\ \text{kg/m}^{3}1000 kg/m3. Twijfel je over een eenheid, een voorvoegsel of een natuurconstante, dan zoek je die op in BINAS, het tabellenboek dat je bij het examen mag gebruiken en dat naast constanten ook veel formules bevat.
vm/s=vkm/h3,6v_{\text{m/s}} = \frac{v_{\text{km/h}}}{3{,}6}vm/s​=3,6vkm/h​​

km/h omrekenen naar m/s

Vermenigvuldigen met 1000 (km → m) en delen door 3600 (h → s) komt samen neer op delen door 3,6.

1 g/cm3=1000 kg/m31\ \text{g/cm}^{3} = 1000\ \text{kg/m}^{3}1 g/cm3=1000 kg/m3

dichtheid: g/cm³ naar kg/m³

1 g = 10⁻³ kg en 1 cm³ = 10⁻⁶ m³, dus de factor tussen g/cm³ en kg/m³ is altijd 10³ = 1000.

Uitgewerkt voorbeeld

Twee eenheden omrekenen

Reken 72 km/h72\ \text{km/h}72 km/h om naar m/s\text{m/s}m/s, en reken een dichtheid van 2,7 g/cm32{,}7\ \text{g/cm}^{3}2,7 g/cm3 (aluminium) om naar kg/m3\text{kg/m}^{3}kg/m3.

  1. 01Stap 1 — km/h naar m/s

    Vermenigvuldig de afstand met 1000 (km → m) en deel de tijd door 3600 (h → s); samen is dat delen door 3,6.

    72 km/h=72×10003600 m/s=723,6 m/s=20 m/s72\ \text{km/h} = \frac{72 \times 1000}{3600}\ \text{m/s} = \frac{72}{3{,}6}\ \text{m/s} = 20\ \text{m/s}72 km/h=360072×1000​ m/s=3,672​ m/s=20 m/s
  2. 02Stap 2 — De omrekenfactor voor de dichtheid

    1 g = 10⁻³ kg en 1 cm³ = 10⁻⁶ m³, dus 1 g/cm³ is 10⁻³ gedeeld door 10⁻⁶ = 10³ kg/m³.

    1 g/cm3=10−3 kg10−6 m3=103 kg/m31\ \text{g/cm}^{3} = \frac{10^{-3}\ \text{kg}}{10^{-6}\ \text{m}^{3}} = 10^{3}\ \text{kg/m}^{3}1 g/cm3=10−6 m310−3 kg​=103 kg/m3
  3. 03Stap 3 — Pas de factor toe op 2,7

    Vermenigvuldig de gegeven dichtheid met 1000.

    2,7 g/cm3=2,7×103 kg/m3=2700 kg/m32{,}7\ \text{g/cm}^{3} = 2{,}7 \times 10^{3}\ \text{kg/m}^{3} = 2700\ \text{kg/m}^{3}2,7 g/cm3=2,7×103 kg/m3=2700 kg/m3

Resultaat: Resultaat: 72 km/h=20 m/s72\ \text{km/h} = 20\ \text{m/s}72 km/h=20 m/s en 2,7 g/cm3=2700 kg/m32{,}7\ \text{g/cm}^{3} = 2700\ \text{kg/m}^{3}2,7 g/cm3=2700 kg/m3. Onthoud dat de factor tussen g/cm3\text{g/cm}^{3}g/cm3 en kg/m3\text{kg/m}^{3}kg/m3 altijd 100010001000 is en dat je km/h door 3,63{,}63,6 deelt om m/s te krijgen.

Eindexamen-focus

  • Je moet elke grootheid vóór het invullen consequent naar SI-eenheden omrekenen — snelheden naar m/s\text{m/s}m/s, tijden naar seconden, massa's naar kilogram — en het eindantwoord mét de juiste eenheid geven.
  • Het CE toetst het omrekenen tussen eenheden, in het bijzonder km/h ↔ m/s en volume-eenheden als cm3\text{cm}^{3}cm3 ↔ m3\text{m}^{3}m3; een antwoord zonder eenheid of met de verkeerde macht van tien kost punten.

Veelgemaakte fouten

  • Het antwoord zonder eenheid opschrijven, of de grootheid (bijvoorbeeld vvv) met haar eenheid (m/s\text{m/s}m/s) verwarren.
  • Bij km/h → m/s met 3,63{,}63,6 vermenigvuldigen in plaats van erdoor te delen (of precies andersom).
  • Bij cm3\text{cm}^{3}cm3 → m3\text{m}^{3}m3 met 10−210^{-2}10−2 omrekenen in plaats van met (10−2)3=10−6(10^{-2})^{3} = 10^{-6}(10−2)3=10−6.
  • Mega (M\text{M}M) en milli (m\text{m}m) door elkaar halen, of kilo als ×100\times 100×100 nemen in plaats van ×1000\times 1000×1000.

Actieve herhaling

Een auto rijdt 90 km/h90\ \text{km/h}90 km/h. Reken deze snelheid om naar m/s\text{m/s}m/s. Reken vervolgens de dichtheid van ijs, 0,92 g/cm30{,}92\ \text{g/cm}^{3}0,92 g/cm3, om naar kg/m3\text{kg/m}^{3}kg/m3.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma natuurkunde (HAVO) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 02

Significante cijfers, afronden en nauwkeurigheid#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Significante cijfers tellen

Significante cijfersTabel met 2 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Getal · Sign. cijfers; 0,0250 · 3; 3400 · 2 (of 4); 45,60 · 4; 0,007 · 1; 1,08·10³ · 3; 100,0 · 4GETALSIGN. CIJFERS0,0250334002 (of 4)45,6040,00711,08·10³3100,04
Afb. 2Voorbeelden van het tellen van significante cijfers. Voorloopnullen tellen niet mee (0,0250 → 3); bij 3400 is het aantal dubbelzinnig, wat de wetenschappelijke notatie oplost.

Kernpunten

Elke meting is beperkt nauwkeurig: een liniaal leest tot op een millimeter, een gewone weegschaal tot op een gram. Het aantal significante cijfers van een getal vertelt hoe nauwkeurig die waarde bekend is — het zijn de cijfers die écht informatie over de meting dragen. Meet je een lengte als 12,3 cm12{,}3\ \text{cm}12,3 cm, dan zijn dat drie significante cijfers: je kent de lengte tot op een tiende centimeter. Het laatste cijfer is daarbij altijd het minst zekere, min of meer een schatting. Juist daarom kun je een uitkomst nooit nauwkeuriger opschrijven dan de metingen waaruit ze volgt: significante cijfers zijn de eerlijke manier om te laten zien hoe zeker je van een resultaat bent, zonder een schijnnauwkeurigheid voor te wenden die er niet is.
Het tellen van significante cijfers volgt vaste regels. Alle cijfers 1 tot en met 9 tellen mee, en nullen tússen andere cijfers ook: 304304304 heeft er drie. Voorloopnullen — nullen vóór het eerste echte cijfer — tellen níét mee, want ze geven alleen de grootteorde aan: 0,02500{,}02500,0250 heeft drie significante cijfers (de 222, de 555 en de laatste 000), niet vijf. Nullen áchter de komma na een cijfer tellen wél mee, want die schrijf je niet zomaar op: de laatste 000 in 0,02500{,}02500,0250 zegt dat je tot in die decimaal gemeten hebt. Zo verschilt 2,52{,}52,5 (twee cijfers) wezenlijk van 2,502{,}502,50 (drie cijfers): het tweede getal claimt een nauwkeuriger meting, ook al is de waarde „even groot”.
Bij hele getallen met nullen op het eind is het aantal significante cijfers soms dubbelzinnig. Betekent 3400 m3400\ \text{m}3400 m dat je tot op honderd meter of tot op de meter nauwkeurig hebt gemeten? Aan het kale getal zie je dat niet. De wetenschappelijke notatie lost dit op: schrijf je 3,4⋅103 m3{,}4 \cdot 10^{3}\ \text{m}3,4⋅103 m, dan zijn er twee significante cijfers; schrijf je 3,400⋅103 m3{,}400 \cdot 10^{3}\ \text{m}3,400⋅103 m, dan zijn het er vier. In de figuur staan enkele getallen met hun aantal significante cijfers naast elkaar; let vooral op de voorloopnullen die niet meetellen en op de 340034003400 die twee óf vier cijfers kan hebben. Wetenschappelijke notatie is bovendien handig omdat je er de grootteorde (de macht van tien) meteen bij ziet.
Bij het rekenen mag het antwoord nooit nauwkeuriger lijken dan de gegevens toelaten; daarvoor gelden twee rekenregels. Bij vermenigvuldigen en delen krijgt het antwoord evenveel significante cijfers als het gegeven met de mínste significante cijfers. Reken je 6,2 m×3,0 m6{,}2\ \text{m} \times 3{,}0\ \text{m}6,2 m×3,0 m, dan heeft 3,03{,}03,0 er twee, dus rond je de uitkomst 18,618{,}618,6 af op twee significante cijfers: 19 m219\ \text{m}^{2}19 m2. Bij optellen en aftrekken kijk je niet naar significante cijfers maar naar het aantal decimalen: het antwoord krijgt evenveel decimalen als de term met de mínste decimalen. Zo wordt 12,5+1,23=13,7312{,}5 + 1{,}23 = 13{,}7312,5+1,23=13,73, wat je afrondt op één decimaal: 13,713{,}713,7. Kies dus eerst de juiste regel — die hangt af van de bewerking, niet van de grootheden.
Afronden zelf gaat volgens de bekende regel: is het eerste weggelaten cijfer een 000 tot en met 444, dan rond je naar beneden af; is het een 555 tot en met 999, dan naar boven. Cruciaal is dat je pas op het éínd afrondt: in tussenresultaten houd je één of twee extra cijfers aan, zodat afrondfouten zich niet opstapelen tot een merkbare eindfout. Andersom mag je een uitkomst ook niet mooier maken dan ze is — een extra nul achter de komma plakken suggereert een nauwkeurigheid die de meting niet had. De rode draad achter alle regels is steeds dezelfde: significante cijfers weerspiegelen de meetnauwkeurigheid. Een antwoord met acht cijfers achter de komma uit gegevens die maar op twee cijfers nauwkeurig zijn, is niet nauwkeuriger — het is misleidend.
ρ=mV\rho = \frac{m}{V}ρ=Vm​

dichtheid

De dichtheid is massa gedeeld door volume; het aantal significante cijfers van het antwoord volgt uit het minst nauwkeurige gegeven.

Uitgewerkt voorbeeld

Dichtheid met het juiste aantal significante cijfers

Een voorwerp heeft massa m=48,6 gm = 48{,}6\ \text{g}m=48,6 g en volume V=18 cm3V = 18\ \text{cm}^{3}V=18 cm3. Bereken de dichtheid en geef het antwoord met het juiste aantal significante cijfers.

  1. 01Stap 1 — Tel de significante cijfers van de gegevens

    48,6 g heeft er drie; 18 cm³ heeft er twee. Bij delen telt het mínste aantal, dus het antwoord krijgt twee significante cijfers.

    48,6→3 sign. cijfers,18→2 sign. cijfers48{,}6 \rightarrow 3\ \text{sign. cijfers}, \qquad 18 \rightarrow 2\ \text{sign. cijfers}48,6→3 sign. cijfers,18→2 sign. cijfers
  2. 02Stap 2 — Vul de formule in

    Deel de massa door het volume.

    ρ=mV=48,6 g18 cm3=2,7 g/cm3\rho = \frac{m}{V} = \frac{48{,}6\ \text{g}}{18\ \text{cm}^{3}} = 2{,}7\ \text{g/cm}^{3}ρ=Vm​=18 cm348,6 g​=2,7 g/cm3
  3. 03Stap 3 — Controleer het aantal significante cijfers

    De uitkomst 2,7 heeft precies twee significante cijfers, gelijk aan het minst nauwkeurige gegeven (18 cm³). Je mag hier géén 2,70 schrijven — dat zou drie cijfers claimen.

    ρ=2,7 g/cm3\rho = 2{,}7\ \text{g/cm}^{3}ρ=2,7 g/cm3

Resultaat: Resultaat: de dichtheid is 2,7 g/cm32{,}7\ \text{g/cm}^{3}2,7 g/cm3 — twee significante cijfers, opgelegd door het volume 18 cm318\ \text{cm}^{3}18 cm3. Let op: 2,702{,}702,70 zou ten onrechte een nauwkeuriger meting suggereren. (De waarde past bij aluminium.)

Eindexamen-focus

  • Je moet het aantal significante cijfers van een getal correct tellen (voorloopnullen niet, nullen ertussen en erachter wel) en je eindantwoord op het juiste aantal afronden.
  • Het CE rekent af op de juiste rekenregel: bij ×\times× en ÷\div÷ het mínste aantal significante cijfers, bij +++ en −-− het mínste aantal decimalen — en op een eindantwoord met eenheid.

Veelgemaakte fouten

  • Voorloopnullen meetellen, waardoor 0,02500{,}02500,0250 ten onrechte vijf in plaats van drie significante cijfers zou hebben.
  • Tussenresultaten al afronden en met die afgeronde waarden verder rekenen, zodat de eindfout oploopt.
  • Bij optellen de regel voor vermenigvuldigen toepassen (significante cijfers in plaats van decimalen), of andersom.
  • Het eindantwoord met álle cijfers van de rekenmachine overnemen, zonder af te ronden op de meetnauwkeurigheid.

Actieve herhaling

Bepaal het aantal significante cijfers van 0,006800{,}006800,00680, van 50,050{,}050,0 en van 7,20⋅1047{,}20 \cdot 10^{4}7,20⋅104. Bereken vervolgens 4,5 m×2,00 m4{,}5\ \text{m} \times 2{,}00\ \text{m}4,5 m×2,00 m en geef het antwoord met het juiste aantal significante cijfers.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma natuurkunde (HAVO) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 03

Verhoudingen, evenredigheid en formules herleiden#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Recht en omgekeerd evenredig

Recht en omgekeerd evenredigSchaubild von y = 2x, steigend, im Bereich x von 0.5 bis 5, Schaubild von y = 6/x, fallend, im Bereich x von 0.5 bis 51234524681012y = 2xy = 6/xyx
Afb. 3Recht evenredig (de rechte lijn y = 2x, gericht op de oorsprong) tegenover omgekeerd evenredig (de hyperbool y = 6/x). Bij recht evenredig verdubbelt y met x; bij omgekeerd evenredig halveert y als x verdubbelt.

Kernpunten

Veel natuurkundige verbanden zijn in de kern eenvoudige verhoudingen, en het belangrijkste is recht evenredig. Twee grootheden zijn recht evenredig als hun verhouding constant is, dus y=a⋅xy = a \cdot xy=a⋅x met aaa een vaste evenredigheidsconstante. Verdubbel je xxx, dan verdubbelt yyy; wordt xxx drie keer zo groot, dan yyy ook. In een grafiek herken je recht evenredigheid onmiddellijk aan een rechte lijn dóór de oorsprong: bij x=0x = 0x=0 hoort y=0y = 0y=0, en de constante aaa is de helling van die lijn. De veerwet F=C⋅uF = C \cdot uF=C⋅u is een bekend voorbeeld: de uitrekking van een veer is recht evenredig met de kracht, met de veerconstante CCC als evenredigheidsconstante. Herken je het verband, dan heb je vaak maar één meetpunt nodig om aaa te bepalen.
Het tweede standaardverband is omgekeerd evenredig: als de éne grootheid groter wordt, wordt de andere in dezelfde mate kleiner, precies zó dat hun product constant blijft. Je schrijft dit als y=axy = \dfrac{a}{x}y=xa​, oftewel x⋅y=ax \cdot y = ax⋅y=a. Verdubbel je xxx, dan halveert yyy; maak je xxx tien keer zo klein, dan wordt yyy tien keer zo groot. In een grafiek is dit géén rechte lijn maar een dalende kromme (een hyperbool) die de assen wel nadert maar nooit raakt. In de figuur zie je beide verbanden naast elkaar: de rechte lijn y=2xy = 2xy=2x (recht evenredig, gericht op de oorsprong) en de dalende kromme y=6/xy = 6/xy=6/x (omgekeerd evenredig). Een natuurkundig voorbeeld is de reistijd bij een vaste afstand: uit t=s/vt = s/vt=s/v met sss constant volgt dat twee keer zo snel rijden de reistijd halveert.
Een algemener verband is het machtsverband y=a⋅xny = a \cdot x^{n}y=a⋅xn, waarin de exponent nnn vastlegt hóe sterk yyy met xxx meegroeit. Recht evenredigheid is hiervan het geval n=1n = 1n=1 en omgekeerde evenredigheid het geval n=−1n = -1n=−1. Bij n=2n = 2n=2 — een kwadratisch verband — groeit yyy veel sneller: maak je xxx twee keer zo groot, dan wordt yyy vier keer zo groot, want 22=42^{2} = 422=4. Dat zie je bijvoorbeeld bij de remweg, die (bij benadering) evenredig is met het kwadraat van de snelheid, en bij de valformule s=12at2s = \tfrac{1}{2} a t^{2}s=21​at2, waarin de afgelegde weg met het kwadraat van de tijd toeneemt. Herken je een machtsverband, dan weet je meteen hoe het antwoord verandert als je xxx met een factor kkk vermenigvuldigt: yyy wordt dan knk^{n}kn keer zo groot.
Naast verbanden herkennen moet je formules kunnen herleiden: een formule zó omschrijven dat de gezochte grootheid alléén links van het isgelijkteken staat. Dat doe je met omgekeerde bewerkingen die je aan béíde kanten tegelijk toepast, zodat de gelijkheid blijft kloppen. Staat er iets bij opgeteld, dan trek je het aan beide kanten weg; wordt er mee vermenigvuldigd, dan deel je aan beide kanten; staat je grootheid in de noemer, dan vermenigvuldig je eerst met die noemer. Uit F=m⋅aF = m \cdot aF=m⋅a haal je de versnelling door beide kanten door mmm te delen: a=Fma = \dfrac{F}{m}a=mF​. Uit v=stv = \dfrac{s}{t}v=ts​ haal je de tijd door eerst met ttt te vermenigvuldigen en dan door vvv te delen: t=svt = \dfrac{s}{v}t=vs​. Herleid bij voorkeur eerst symbolisch en vul pas op het eind getallen in — dat voorkomt rekenfouten en houdt de eenheden overzichtelijk.
Bij het rekenen met heel grote of heel kleine getallen werk je met machten van tien. Vermenigvuldig je twee machten, dan tél je de exponenten op (103⋅104=10710^{3} \cdot 10^{4} = 10^{7}103⋅104=107); deel je ze, dan trék je ze af (106/102=10410^{6} / 10^{2} = 10^{4}106/102=104). Zo blijft een berekening met bijvoorbeeld de lichtsnelheid 3,0⋅108 m/s3{,}0 \cdot 10^{8}\ \text{m/s}3,0⋅108 m/s overzichtelijk en voorkom je fouten met eindeloze rijen nullen. Deze reken- en herleidvaardigheden zijn geen doel op zich: ze zijn het gereedschap waarmee je in élk natuurkundehoofdstuk formules toepast. Wie een verband vlot als recht of omgekeerd evenredig herkent, een formule zonder aarzelen herleidt en soepel met machten van tien rekent, houdt tijdens de opgave zijn hoofd vrij voor de natuurkunde in plaats van te blijven hangen in de algebra.
y=a⋅x(recht evenredig)y=ax(omgekeerd evenredig)y = a \cdot x \quad \text{(recht evenredig)} \qquad y = \frac{a}{x} \quad \text{(omgekeerd evenredig)}y=a⋅x(recht evenredig)y=xa​(omgekeerd evenredig)

recht en omgekeerd evenredig

Bij recht evenredig is de verhouding y/x constant (rechte lijn door O); bij omgekeerd evenredig is het product x·y constant (hyperbool).

v=st⟹t=svv = \frac{s}{t} \quad\Longrightarrow\quad t = \frac{s}{v}v=ts​⟹t=vs​

een formule herleiden

Isoleer de gezochte grootheid met omgekeerde bewerkingen aan beide kanten; hier volgt t uit v = s/t door met t te vermenigvuldigen en door v te delen.

Uitgewerkt voorbeeld

Een formule herleiden en invullen

Gegeven is v=stv = \dfrac{s}{t}v=ts​. Herleid hieruit ttt en bereken ttt als s=150 ms = 150\ \text{m}s=150 m en v=25 m/sv = 25\ \text{m/s}v=25 m/s.

  1. 01Stap 1 — Schrijf de formule op

    De snelheid is de afgelegde weg gedeeld door de tijd; t staat in de noemer.

    v=stv = \frac{s}{t}v=ts​
  2. 02Stap 2 — Herleid t

    Vermenigvuldig eerst beide kanten met t (weg uit de noemer) en deel dan beide kanten door v.

    v=st  ⇒  v⋅t=s  ⇒  t=svv = \frac{s}{t} \;\Rightarrow\; v \cdot t = s \;\Rightarrow\; t = \frac{s}{v}v=ts​⇒v⋅t=s⇒t=vs​
  3. 03Stap 3 — Vul de getallen in

    Vul s = 150 m en v = 25 m/s in; de eenheden geven m gedeeld door m/s = s.

    t=sv=150 m25 m/s=6,0 st = \frac{s}{v} = \frac{150\ \text{m}}{25\ \text{m/s}} = 6{,}0\ \text{s}t=vs​=25 m/s150 m​=6,0 s

Resultaat: Resultaat: uit v=s/tv = s/tv=s/t volgt t=s/vt = s/vt=s/v, en met s=150 ms = 150\ \text{m}s=150 m en v=25 m/sv = 25\ \text{m/s}v=25 m/s is t=6,0 st = 6{,}0\ \text{s}t=6,0 s. Doordat je eerst symbolisch herleidt en pas daarna invult, zie je meteen dat de eenheden m/(m/s)=s\text{m}/(\text{m/s}) = \text{s}m/(m/s)=s kloppen.

Eindexamen-focus

  • Je moet een verband herkennen als recht evenredig, omgekeerd evenredig of een machtsverband, en beredeneren hoe yyy verandert als xxx met een factor wordt vermenigvuldigd.
  • Het CE verwacht dat je een gegeven formule eerst herleidt naar de gevraagde grootheid en pas daarna getallen invult.

Veelgemaakte fouten

  • Recht en omgekeerd evenredig verwarren: bij omgekeerd evenredig verdubbelt yyy niet als xxx verdubbelt, maar halveert het.
  • Bij het herleiden een bewerking maar aan één kant van het isgelijkteken toepassen, zodat de gelijkheid niet meer klopt.
  • Bij een kwadratisch verband (n=2n = 2n=2) denken dat yyy verdubbelt in plaats van vier keer zo groot wordt.
  • Machten van tien vermenigvuldigen door de exponenten te vermenigvuldigen in plaats van op te tellen.

Actieve herhaling

Gegeven is de veerwet F=C⋅uF = C \cdot uF=C⋅u. Herleid hieruit de veerconstante CCC. Bereken CCC als een kracht F=6,0 NF = 6{,}0\ \text{N}F=6,0 N een uitrekking u=0,15 mu = 0{,}15\ \text{m}u=0,15 m veroorzaakt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma natuurkunde (HAVO) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 04

Grafieken lezen: hellingen en oppervlakten#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Helling en oppervlak van een v,t-diagram

v,t-diagram: helling en oppervlakSchaubild von v(t) = 2t, Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von 0 bis 612345624681012(5; 10)v(t) = 2tv (m/s)t (s)
Afb. 4Een recht (v,t)-diagram v(t) = 2t. De helling (2 m/s²) is de versnelling; het gearceerde oppervlak onder de lijn tot t = 5 s (een driehoek) is de afgelegde weg s = 25 m.

Kernpunten

Een grafiek is in de natuurkunde geen plaatje maar een informatiebron waaruit je nauwkeurig moet kunnen aflezen. Kijk daarom altijd eerst naar de assen: welke grootheid staat horizontaal en welke verticaal, in welke eenheid, en welke waarde hoort bij één hokje? Pas als je de assen en de schaal begrijpt, kun je betrouwbaar waarden aflezen. Ligt een gevraagd punt tussen twee meetpunten in, dan schat je de waarde door te interpoleren: aflezen op een tussenliggende plek van de getekende lijn. Wil je een waarde net buiten het gemeten gebied weten, dan extrapoleer je door de lijn voorzichtig door te trekken — met het voorbehoud dat je dan aanneemt dat het verband ook daarbuiten hetzelfde blijft, wat niet altijd zo is. Het aflezen luistert nauw: gebruik de schaalverdeling en niet je oogmaat.
Twee eigenschappen van een grafiek dragen bijzonder veel natuurkundige informatie: de helling en het oppervlak. De helling van een grafiek is de verticale verandering gedeeld door de horizontale verandering, ΔyΔx\dfrac{\Delta y}{\Delta x}ΔxΔy​, en je bepaalt haar door een flink recht stuk van de lijn te nemen en Δy\Delta yΔy en Δx\Delta xΔx af te lezen. Het bijzondere is dat die helling zélf weer een grootheid is, met een eigen betekenis en eenheid. In een (x,t)(x,t)(x,t)-diagram (plaats tegen tijd) is de helling ΔxΔt\dfrac{\Delta x}{\Delta t}ΔtΔx​ de snelheid. In een (v,t)(v,t)(v,t)-diagram (snelheid tegen tijd) is de helling ΔvΔt\dfrac{\Delta v}{\Delta t}ΔtΔv​ de versnelling. De eenheid volgt automatisch: m/s\text{m/s}m/s voor de eerste, m/s2\text{m/s}^{2}m/s2 voor de tweede. De helling vertaalt een grafiek zo in een nieuwe grootheid.
Het oppervlak onder een grafiek is de tweede informatiedrager, en ook dat oppervlak is een grootheid. In een (v,t)(v,t)(v,t)-diagram stelt het oppervlak onder de lijn de afgelegde weg voor: vermenigvuldig je immers een snelheid (m/s\text{m/s}m/s) met een tijd (s\text{s}s), dan hou je een afstand (m\text{m}m) over — precies de eenheid die uit „oppervlak = hoogte maal breedte” rolt. In de figuur zie je een recht (v,t)(v,t)(v,t)-diagram met het gearceerde oppervlak tot t=5 st = 5\ \text{s}t=5 s; dat vlak is een driehoek, dus het oppervlak (de afgelegde weg) reken je uit als 12⋅basis⋅hoogte\tfrac{1}{2} \cdot \text{basis} \cdot \text{hoogte}21​⋅basis⋅hoogte. Bij grillige grafieken benader je het oppervlak door het in hokjes te verdelen en die te tellen. Zo levert de grafiek naast de helling nóg een grootheid op.
Dat een helling en een oppervlak zélf grootheden zijn, is een van de krachtigste ideeën uit de natuurkunde. Het betekent dat je uit één grafiek meteen een andere kunt afleiden: de helling van het plaats-tijddiagram levert het snelheid-tijddiagram, en het oppervlak onder het snelheid-tijddiagram levert de afgelegde weg weer terug. Helling en oppervlak zijn in die zin elkaars tegengestelde bewerking. Belangrijk is dat je bij het bepalen ervan de eenheden meesleept: een helling zonder eenheid is betekenisloos, want juist de eenheid (m/s\text{m/s}m/s of m/s2\text{m/s}^{2}m/s2) vertelt wélke grootheid je hebt gevonden. Reken de helling daarom nooit uit met kale hokjes, maar altijd met de afgelezen waarden inclusief hun eenheden.
In de praktijk gebruik je grafieken vooral om waarden te voorspellen die je niet rechtstreeks gemeten hebt. Interpoleren — aflezen tússen meetpunten — is meestal betrouwbaar, want je blijft binnen het gemeten gebied. Extrapoleren — de lijn buiten het gemeten gebied doortrekken — is riskanter: je neemt aan dat het verband hetzelfde blijft, en die aanname kan onjuist zijn zodra er iets verandert (een veer die knikt, een beweging die afremt). Bij het examen wordt bovendien vaak gevraagd de helling of het oppervlak met een korte redenering te bepalen én te benoemen welke grootheid eruit komt. Wie assen, schaal, helling en oppervlak beheerst, kan een grafiek lezen als een tekst — en dat is bij vrijwel elke natuurkunde-opgave nodig.
a=ΔvΔta = \frac{\Delta v}{\Delta t}a=ΔtΔv​

versnelling = helling van het (v,t)-diagram

De helling van een snelheid-tijddiagram is de verandering van de snelheid gedeeld door de tijd; de eenheid m/s² laat zien dat het om een versnelling gaat.

s=12⋅Δt⋅vs = \tfrac{1}{2} \cdot \Delta t \cdot vs=21​⋅Δt⋅v

afgelegde weg = oppervlak onder het (v,t)-diagram

De afgelegde weg is het oppervlak onder de v,t-grafiek; voor een rechte lijn vanuit de oorsprong is dat de driehoek ½ · basis · hoogte.

Uitgewerkt voorbeeld

De versnelling en de weg uit een v,t-grafiek

Bepaal uit het getekende (v,t)(v,t)(v,t)-diagram v(t)=2tv(t) = 2tv(t)=2t de versnelling (uit de helling) en de afgelegde weg tot t=5 st = 5\ \text{s}t=5 s (uit het oppervlak).

  1. 01Stap 1 — De versnelling uit de helling

    Lees af dat de lijn van (0; 0) naar (5; 10) loopt: Δv = 10 m/s over Δt = 5,0 s.

    a=ΔvΔt=10 m/s−05,0 s−0=2,0 m/s2a = \frac{\Delta v}{\Delta t} = \frac{10\ \text{m/s} - 0}{5{,}0\ \text{s} - 0} = 2{,}0\ \text{m/s}^{2}a=ΔtΔv​=5,0 s−010 m/s−0​=2,0 m/s2
  2. 02Stap 2 — De afgelegde weg uit het oppervlak

    Het oppervlak onder de lijn tot t = 5 s is een driehoek met basis 5,0 s en hoogte 10 m/s.

    s=12⋅Δt⋅v=12⋅5,0 s⋅10 m/s=25 ms = \tfrac{1}{2} \cdot \Delta t \cdot v = \tfrac{1}{2} \cdot 5{,}0\ \text{s} \cdot 10\ \text{m/s} = 25\ \text{m}s=21​⋅Δt⋅v=21​⋅5,0 s⋅10 m/s=25 m
  3. 03Stap 3 — Controleer de eenheden

    De helling levert (m/s)/s = m/s² (een versnelling); het oppervlak levert s · m/s = m (een afstand).

    m/ss=m/s2,s⋅m/s=m\frac{\text{m/s}}{\text{s}} = \text{m/s}^{2}, \qquad \text{s} \cdot \text{m/s} = \text{m}sm/s​=m/s2,s⋅m/s=m

Resultaat: Resultaat: de helling geeft de versnelling a=2,0 m/s2a = 2{,}0\ \text{m/s}^{2}a=2,0 m/s2 en het oppervlak onder de grafiek geeft de afgelegde weg s=25 ms = 25\ \text{m}s=25 m. Zowel de helling als het oppervlak is dus een eigen grootheid, herkenbaar aan de eenheid die eruit komt.

Eindexamen-focus

  • Je moet de helling van een (x,t)(x,t)(x,t)- of (v,t)(v,t)(v,t)-diagram bepalen als ΔyΔx\dfrac{\Delta y}{\Delta x}ΔxΔy​ mét eenheid en benoemen dat die helling een snelheid respectievelijk een versnelling is.
  • Het CE verwacht dat je het oppervlak onder een (v,t)(v,t)(v,t)-grafiek uitrekent als de afgelegde weg, en dat je waarden afleest via interpoleren of extrapoleren.

Veelgemaakte fouten

  • De helling in kale hokjes aflezen in plaats van met de afgelezen waarden en hun eenheden, zodat de schaal wordt genegeerd.
  • Het oppervlak onder een driehoekige (v,t)(v,t)(v,t)-grafiek als rechthoek v⋅tv \cdot tv⋅t nemen in plaats van als driehoek 12vt\tfrac{1}{2} v t21​vt.
  • De helling van een (v,t)(v,t)(v,t)-diagram voor een snelheid aanzien, terwijl het een versnelling is (en het oppervlak juist de afgelegde weg).
  • Zonder voorbehoud extrapoleren en aannemen dat het verband ook ver buiten de metingen nog geldt.

Actieve herhaling

Een (v,t)(v,t)(v,t)-diagram is een rechte lijn door de oorsprong die bij t=5,0 st = 5{,}0\ \text{s}t=5,0 s een snelheid v=10 m/sv = 10\ \text{m/s}v=10 m/s bereikt. Bepaal de versnelling uit de helling en de afgelegde weg tot t=5,0 st = 5{,}0\ \text{s}t=5,0 s uit het oppervlak.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma natuurkunde (HAVO) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 05

Modelleren en onderzoeken#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

De onderzoekscyclus

De onderzoekscyclusGraaf, Onderzoeksvraag → Hypothese, Hypothese → Meten, Meten → Verwerken, Verwerken → Conclusie, Conclusie → OnderzoeksvraagOnderzoeksvraagHypotheseMetenVerwerkenConclusienieuwe vraag
Afb. 5De onderzoekscyclus: van onderzoeksvraag via hypothese, meten en verwerken naar een conclusie, die weer nieuwe vragen oproept — onderzoek is een herhalende kring.

Kernpunten

Een natuurkundig model is een vereenvoudigde beschrijving van de werkelijkheid die je met formules of berekeningen gebruikt om iets te voorspellen. Elk model maakt aannames: dingen die je bewust weglaat of versimpelt om de som hanteerbaar te houden. Bij een vallend voorwerp neem je bijvoorbeeld vaak aan dat de luchtweerstand te verwaarlozen is en dat de valversnelling ggg constant is. Zulke aannames maken een model bruikbaar, maar begrenzen ook de geldigheid ervan: laat je een propje papier vallen, dan is „geen luchtweerstand” een slechte aanname en klopt de voorspelling niet. Een goed natuurkundige benoemt daarom altijd zijn aannames en beseft dat een model geen exacte kopie van de werkelijkheid is, maar een nuttige benadering die je aan metingen moet toetsen.
Niet elk probleem is met één formule op te lossen; verandert een kracht of snelheid voortdurend, dan gebruik je een numeriek model (rekenmodel) dat de beweging in kleine stapjes Δt\Delta tΔt vooruitrekent. In elke stap werk je eerst de snelheid bij met de versnelling en dan de plaats met de snelheid: vnieuw=voud+a⋅Δtv_{\text{nieuw}} = v_{\text{oud}} + a \cdot \Delta tvnieuw​=voud​+a⋅Δt en xnieuw=xoud+v⋅Δtx_{\text{nieuw}} = x_{\text{oud}} + v \cdot \Delta txnieuw​=xoud​+v⋅Δt. Daarna verhoog je de tijd met Δt\Delta tΔt en herhaal je de stap, honderden keren achter elkaar — precies het werk waarvoor je een computer of rekenmodel inzet. Zo bouw je stukje bij beetje de hele beweging op, ook als er geen kant-en-klare formule bestaat. De uitkomst is een tabel of grafiek van plaats en snelheid tegen de tijd.
De prijs van een numeriek model is dat het maar een benadering geeft. Binnen één stap doe je namelijk alsof de snelheid en de versnelling even constant blijven, terwijl ze in werkelijkheid tijdens die stap al veranderen. Hoe groter je Δt\Delta tΔt kiest, hoe grover die aanname en hoe groter de fout per stap. Maak je Δt\Delta tΔt kleiner, dan verandert er binnen elke stap minder en sluit het model beter aan bij de werkelijkheid; in de limiet van heel kleine stapjes nadert het numerieke resultaat de exacte, analytische oplossing. De keerzijde is dat kleinere stappen méér stappen en dus meer rekenwerk kosten. Bij modelleren zoek je daarom een Δt\Delta tΔt die klein genoeg is voor de gewenste nauwkeurigheid, maar niet zó klein dat het onnodig veel rekentijd vraagt.
Naast rekenen en modelleren hoort bij natuurkunde het zelf doen van onderzoek, en dat verloopt volgens een vaste cyclus die je in de figuur ziet. Je begint met een onderzoeksvraag: een scherp geformuleerde vraag over een verband, bijvoorbeeld „hoe hangt de slingertijd af van de lengte?”. Daaruit leid je een hypothese af: een toetsbare verwachting, liefst met een richting („een langere slinger heeft een grotere slingertijd”). Vervolgens bedenk je een meetopzet, voer je de metingen uit, verwerk je de resultaten (vaak in een tabel en een grafiek) en trek je een conclusie waarin je de hypothese aanneemt of verwerpt. Levert dat nieuwe vragen op, dan begint de cyclus opnieuw — onderzoek is zelden af na één ronde.
Bij het opzetten van een goed onderzoek let je scherp op de variabelen. De onafhankelijke variabele is de grootheid die je zelf instelt en varieert (bij de slinger: de lengte); de afhankelijke variabele is wat je meet en wat daarvan afhangt (de slingertijd). Alle overige grootheden die de uitkomst kunnen beïnvloeden houd je constant — de constante of controlevariabelen — want alleen dan weet je zeker dat een gevonden verband écht door jouw onafhankelijke variabele komt en niet door iets anders. Meet bovendien meerdere keren en over een flink bereik, zodat je een betrouwbare meetreeks krijgt. Zo sluit modelleren en onderzoeken de kring van dit hoofdstuk: je rekent met grootheden en eenheden, verwerkt de metingen met significante cijfers, en giet het verband ten slotte in een grafiek of model.
vnieuw=voud+a⋅Δtv_{\text{nieuw}} = v_{\text{oud}} + a \cdot \Delta tvnieuw​=voud​+a⋅Δt

snelheid bijwerken (per stap Δt)

De nieuwe snelheid is de oude snelheid plus de versnelling maal de stapgrootte; dit is de eerste regel van elke stap in het model.

xnieuw=xoud+v⋅Δtx_{\text{nieuw}} = x_{\text{oud}} + v \cdot \Delta txnieuw​=xoud​+v⋅Δt

plaats bijwerken (per stap Δt)

De nieuwe plaats is de oude plaats plus de (zojuist bijgewerkte) snelheid maal de stapgrootte; daarna verhoog je de tijd met Δt en herhaal je.

Uitgewerkt voorbeeld

Eén stap van een numeriek valmodel

Een numeriek valmodel begint met voud=0v_{\text{oud}} = 0voud​=0, xoud=0x_{\text{oud}} = 0xoud​=0, versnelling a=9,8 m/s2a = 9{,}8\ \text{m/s}^{2}a=9,8 m/s2 en stapgrootte Δt=0,1 s\Delta t = 0{,}1\ \text{s}Δt=0,1 s. Bepaal de snelheid en de afgelegde afstand na de eerste stap.

  1. 01Stap 1 — Werk de snelheid bij

    Nieuwe snelheid = oude snelheid + a · Δt.

    vnieuw=0+9,8⋅0,1=0,98 m/sv_{\text{nieuw}} = 0 + 9{,}8 \cdot 0{,}1 = 0{,}98\ \text{m/s}vnieuw​=0+9,8⋅0,1=0,98 m/s
  2. 02Stap 2 — Werk de plaats bij

    Nieuwe plaats = oude plaats + de zojuist berekende snelheid · Δt.

    xnieuw=0+0,98⋅0,1=0,098 mx_{\text{nieuw}} = 0 + 0{,}98 \cdot 0{,}1 = 0{,}098\ \text{m}xnieuw​=0+0,98⋅0,1=0,098 m
  3. 03Stap 3 — Vergelijk met de exacte waarde

    De exacte valafstand na 0,1 s volgt uit ½·a·t². Het model rekent binnen de stap met één vaste snelheid, dus het wijkt af.

    12at2=12⋅9,8⋅(0,1)2=0,049 m\tfrac{1}{2} a t^{2} = \tfrac{1}{2} \cdot 9{,}8 \cdot (0{,}1)^{2} = 0{,}049\ \text{m}21​at2=21​⋅9,8⋅(0,1)2=0,049 m

Resultaat: Resultaat: na de eerste stap geeft het model v=0,98 m/sv = 0{,}98\ \text{m/s}v=0,98 m/s en een afgelegde afstand van 0,098 m0{,}098\ \text{m}0,098 m. Dat is nog grof: de exacte waarde is 0,049 m0{,}049\ \text{m}0,049 m, want binnen de stap loopt de snelheid in werkelijkheid van 000 naar 0,98 m/s0{,}98\ \text{m/s}0,98 m/s op in plaats van constant te zijn. Met veel kleinere stapjes Δt\Delta tΔt kruipt het model naar de exacte waarde toe — daarom is een kleinere stapgrootte nauwkeuriger.

Eindexamen-focus

  • Je moet in een numeriek model één stap kunnen uitrekenen met vnieuw=voud+a⋅Δtv_{\text{nieuw}} = v_{\text{oud}} + a \cdot \Delta tvnieuw​=voud​+a⋅Δt en xnieuw=xoud+v⋅Δtx_{\text{nieuw}} = x_{\text{oud}} + v \cdot \Delta txnieuw​=xoud​+v⋅Δt, en uitleggen waarom een kleinere Δt\Delta tΔt nauwkeuriger is.
  • Het CE/SE verwacht dat je bij een onderzoek de onafhankelijke, afhankelijke en constante variabelen aanwijst en de stappen van de onderzoekscyclus benoemt.

Veelgemaakte fouten

  • De onafhankelijke en afhankelijke variabele verwisselen, of vergeten de overige grootheden constant te houden.
  • In het numerieke model bij de plaatsstap de verkeerde snelheid gebruiken, of vergeten de tijd met Δt\Delta tΔt op te hogen.
  • Denken dat een kleinere Δt\Delta tΔt altijd „gratis beter” is, zonder te beseffen dat het ook veel meer rekenstappen kost.
  • De aannames van een model niet benoemen en de modeluitkomst voor de exacte werkelijkheid aanzien.

Actieve herhaling

Een numeriek valmodel start met v=0v = 0v=0, a=9,8 m/s2a = 9{,}8\ \text{m/s}^{2}a=9,8 m/s2 en Δt=0,1 s\Delta t = 0{,}1\ \text{s}Δt=0,1 s. Bereken de snelheid en de afgelegde afstand na de eerste stap. Leg uit waarom het model met een kleinere Δt\Delta tΔt dichter bij de exacte waarde 12at2\tfrac{1}{2} a t^{2}21​at2 komt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma natuurkunde (HAVO) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

Inhoud

Sectie -- / 05

    • 01Grootheden, eenheden en het SI-stelsel○
    • 02Significante cijfers, afronden en nauwkeurigheid◐
    • 03Verhoudingen, evenredigheid en formules herleiden◐
    • 04Grafieken lezen: hellingen en oppervlakten◐
    • 05Modelleren en onderzoeken◐

0/5 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Vaardigheden: rekenen, grafieken, modelleren en onderzoeken

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~29
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

College voor Toetsen en Examens (CvTE)

  • Examenprogramma natuurkunde (HAVO)

Volgend onderwerp

Kracht en beweging: kinematica en de wetten van Newton

EuraStudy·Samenvattingen T·01·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.