EuraStudy
Samenvattingen/Lichamelijke opvoeding/Spel: terugslagspelen
Samenvattingen · Lichamelijke opvoedingNL · HAVO

Spel: terugslagspelen

Terugslagspelen zijn de netspelen — volleybal, badminton en tennis — waarin twee partijen om beurten een bal of shuttle over een net spelen en punten scoren door de tegenstander de bal onbereikbaar of moeilijk terug te laten spelen. Je leert de gemeenschappelijke spelprincipes (rally opbouwen, bal onder controle houden, aanvallen en verdedigen) én de specifieke technieken per spel. Lichamelijke opvoeding wordt op de HAVO volledig met een schoolexamen (handelingsdeel) afgesloten; er is geen centraal examen, dus de oefeningen hieronder zijn oefensituaties, geen gedateerde examenopgaven.

4 Onderdelen·~28 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3

T·0333 / 12
Examenprofiel
De gemeenschappelijke spelprincipes van terugslagspelen (spel over het net, rally opbouwen, bal onder controle houden, aanvallen en verdedigen) uitvoeren en herkennenPer terugslagspel de kerntechnieken beheersen: volleybal (bovenhands/onderhands, opslag, aanname-set-aanval, blok, rotatie), badminton (basisslag, clear, drop, smash, service, footwork) en tennis (forehand, backhand, service, plaatsing)Een terugslag-spelsituatie ontleden: zien waar de open ruimte ligt, kiezen tussen opbouwen en aanvallen, en de bal doelgericht plaatsen of het punt verdedigen
Operatoren:leg uitbeschrijfpas toeanalyseerbeoordeelstel op

basisniveau

Terugslagspelen horen tot domein B (Bewegen) en worden in het schoolexamen praktisch getoetst: je laat zien dat je in volleybal, badminton of tennis een rally kunt opbouwen, de bal kunt plaatsen en positie kunt kiezen.

verhoogd niveau

Wie zich verdiept, gebruikt de tactische begrippen (vrije ruimte, tempo, aanval-versus-opbouw, dekken) om spelsituaties bewust te lezen en het eigen én het teamspel te sturen — en kan dat ook in de rol van coach of scheidsrechter benoemen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Spel: terugslagspelen
    • 01Spelprincipes: spel over het net, aanvallen en verdedigen○
    • 02Volleybal: bovenhands en onderhands, opslag, aanname-set-aanval, blok en rotatie◐
    • 03Badminton: basisslag, clear, drop, smash, service en footwork◐
    • 04Tennis: forehand, backhand, service, rally en plaatsing◐
§ 01

Spelprincipes: spel over het net, aanvallen en verdedigen#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kernpunten

Terugslagspelen vormen een eigen familie binnen de spelen, en het loont om eerst te begrijpen wat ze gemeenschappelijk hebben voordat je de losse technieken leert. Een terugslagspel is een netspel: twee partijen staan aan weerszijden van een net en spelen om beurten een bal of shuttle heen en weer, zonder dat ze elkaars speelhelft betreden en zonder direct lichamelijk contact met de tegenstander. Dat maakt terugslagspelen wezenlijk anders dan doelspelen zoals voetbal of basketbal, waarin je juist wél de ruimte deelt en de bal van de tegenstander mag afpakken. In een terugslagspel kun je de bal niet veroveren; je kunt alleen scoren door de bal zó terug te spelen dat de ander hem niet of niet goed terug kan spelen. De drie terugslagspelen die je op de HAVO tegenkomt zijn volleybal, badminton en tennis (zie Afb. 1). Ze verschillen in materiaal en tempo, maar de onderliggende logica — het net, de rally, het scoren door de ander in de problemen te brengen — is telkens dezelfde. Wie die gedeelde logica doorziet, leert een nieuw terugslagspel veel sneller, en dat inzicht is precies wat in het schoolexamen wordt gewaardeerd: je laat zien dat je begrijpt wat je doet, niet alleen dat je een slag kunt maken.

De drie terugslagspelen vergeleken

Drie netspelenTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Spel · Speelvoorwerp · Scoren door; Volleybal · Bal, hoog net · Bal op de grond; Badminton · Shuttle, hoog net · Shuttle op de grond; Tennis · Bal, laag net · Ander haalt niet, gemarkeerde cel: Ander haalt nietSPELSPEELVOORWERPSCOREN DOORVolleybalBal, hoog netBal op de grondBadmintonShuttle, hoog netShuttle op de grondTennisBal, laag netAnder haalt niet
Afb. 1Afb. 1 — Volleybal, badminton en tennis zijn alle drie netspelen: je speelt de bal of shuttle over een net en scoort door de tegenstander in de problemen te brengen.
Het hart van elk terugslagspel is de rally, en het opbouwen van die rally begint bij controle. Een rally is de reeks slagen die volgt op de opslag (service): de bal gaat over en weer tot iemand een fout maakt of het punt beslist. Zolang je de bal onder controle houdt — dat wil zeggen: je speelt hem beheerst en met de bedoeling die je hebt, in plaats van dat je hem maar ergens naartoe meppt — blijf je in de rally en houd je de kans op een punt open. Controle heeft twee kanten. Ten eerste techniek: je raakt de bal met de juiste techniek zodat hij gaat waar je wilt en met de snelheid die je wilt. Ten tweede keuze: je kiest een veilige, opbouwende slag zolang je nog niet in de aanval kunt, en een risicovollere, beslissende slag zodra de kans zich voordoet. Deze afweging tussen opbouwen en aanvallen is de tactische kern van terugslagspelen. Een beginner die elke bal meteen keihard probeert af te maken, verliest juist punten door fouten; een speler die begrijpt dat je eerst opbouwt en pas aanvalt als de situatie het toelaat, wint rally's. In de beoordeling van het schoolexamen wordt dan ook niet alleen naar krachtige slagen gekeken, maar vooral naar of je de rally beheerst opbouwt en de juiste momentkeuze maakt.
Aanvallen in een terugslagspel betekent: de bal zó spelen dat de tegenstander hem onbereikbaar of heel moeilijk terug te spelen vindt. Daar zijn drie manieren voor, en het is belangrijk ze te onderscheiden. De eerste is plaatsen in de vrije ruimte: je speelt de bal naar de plek op de speelhelft waar de tegenstander níet staat, zodat hij een grote afstand moet afleggen en er vaak niet op tijd is. De vrije ruimte is dus alle ruimte op de andere helft die op dat moment niet gedekt wordt. De tweede manier is tempo: je speelt de bal zo hard (of, bij badminton, zo snel via een smash) dat de tegenstander te weinig tijd heeft om goed te reageren. De derde manier is effect of variatie: je verandert het ritme of de baan van de bal — een korte bal na een lange, een zachte drop na harde clears, bij tennis een bal met effect die onverwacht opspringt — zodat je de tegenstander verrast en uit balans brengt. Meestal combineer je deze middelen: je bouwt op met veilige, geplaatste slagen tot de tegenstander uit positie staat, en dán val je aan door de bal in de ontstane vrije ruimte te plaatsen of het tempo op te voeren. Aanvallen is dus zelden één klap; het is het resultaat van geduldig opbouwen tot het moment rijp is (zie Afb. 2).

Opbouwen of aanvallen — de keuze in de rally

Opbouwen of aanvallenGraaf, Bal ontvangen → Situatie lezen, Situatie lezen → Opbouwen (veilig), Situatie lezen → Aanvallen (vrije ruimte), Opbouwen (veilig) → Terug naar positie, Aanvallen (vrije ruimte) → Terug naar positie, Terug naar positie → Bal ontvangenBal ontvangenSituatie lezenOpbouwen(veilig)Aanvallen (vrijeruimte)Terug naarpositieonder drukkans
Afb. 2Afb. 2 — Elke slag begint met het lezen van de situatie: sta je onder druk, dan bouw je veilig op; ligt er vrije ruimte, dan val je aan. Daarna keer je terug naar je positie.
Verdedigen is de andere helft van het spel, en het is meer dan alleen de bal terugkrijgen. Verdedigen begint bij positie kiezen: je gaat op de plek staan van waaruit je de meeste ballen kunt bereiken. In veel terugslagspelen is dat na je eigen slag terugkeren naar een centrale uitgangspositie — de basispositie — omdat je van daaruit zowel een korte als een lange, een linkse als een rechtse bal het snelst haalt. Sta je uit positie, dan laat je vrije ruimte achter waar de tegenstander in aanvalt. Het tweede deel van verdedigen is de bal daadwerkelijk terugspelen: onder druk kies je een veilige, hoge en diepe verdedigende slag (bij volleybal een onderhandse aanname, bij badminton een defensieve clear, bij tennis een hoge diepe bal) die je tijd geeft om je te herstellen en terug te keren naar je positie. Het derde deel, vooral in het dubbelspel, is dekken: samen met je medespeler de ruimte zó verdelen dat er geen gaten vallen — de een neemt voor, de ander achter, of de een links en de ander rechts. Goed verdedigen betekent dus vooruitdenken: je stelt jezelf telkens de vraag „waar zal de tegenstander de bal spelen, en sta ik zó dat ik daar op tijd ben?” In het schoolexamen laat je zien dat je niet passief afwacht, maar bewust positie kiest, de bal veilig terugspeelt en (in het dubbel) je deel van het veld dekt.
Uitgewerkt voorbeeld

Een spelsituatie ontleden: waar ligt de vrije ruimte?

Bij een enkelspel badminton speelt de tegenstander een korte, zachte bal net over het net; hij staat na die slag ver vooraan bij het net. Ontleed de situatie en bepaal welke slag je kiest.

  1. 01Lees de positie van de tegenstander

    De tegenstander staat na zijn korte bal ver vooraan, dicht bij het net. De hele achterkant van zijn speelveld is daardoor onbezet.

  2. 02Bepaal de vrije ruimte

    De vrije ruimte ligt achterin: de achterhoek van de speelhelft die de tegenstander net heeft verlaten om naar voren te komen.

  3. 03Kies de aanvalsmanier

    Plaatsen in de vrije ruimte is hier sterker dan tempo: een lange, hoge slag naar achteren (een clear) dwingt de tegenstander een grote afstand terug af te leggen.

  4. 04Denk aan je eigen herstel

    Speel de clear diep en hoog genoeg zodat je tijd wint om zelf terug te keren naar je basispositie in het midden van het veld, klaar voor het antwoord.

Resultaat: De vrije ruimte ligt achterin; je valt aan door de shuttle met een diepe clear naar de achterhoek te plaatsen en keert daarna terug naar je basispositie in het midden.

Eindexamen-focus

  • De gemeenschappelijke spelprincipes van terugslagspelen benoemen: spel over het net, rally opbouwen, bal onder controle houden, en het verschil tussen opbouwen en aanvallen.
  • In een spelsituatie zien waar de vrije ruimte ligt en kiezen op welke manier je aanvalt (plaatsen, tempo of variatie) of hoe je verdedigt (positie, veilig terugspelen, dekken).

Veelgemaakte fouten

  • Elke bal meteen keihard willen afmaken in plaats van eerst opbouwen; door de vele fouten verlies je juist punten die je met een geplaatste opbouwslag had gewonnen.
  • Na je slag blijven staan waar je stond in plaats van terug te keren naar de basispositie, waardoor je vrije ruimte achterlaat waar de tegenstander direct in aanvalt.

Actieve herhaling

Bekijk een spelsituatie in een terugslagspel naar keuze waarin de tegenstander na een lange bal ver in de achterhoek staat. Beschrijf waar op dat moment de vrije ruimte ligt, welke aanvalsslag je kiest en waarom, en leg uit wat je daarna zelf moet doen om niet uit positie te komen te staan.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein B Bewegen: spel (terugslagspelen) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Volleybal: bovenhands en onderhands, opslag, aanname-set-aanval, blok en rotatie#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Bovenhands versus onderhands spelen

Twee manieren van spelenTabel met 3 kolommen en 2 rijen, Gegevens: Techniek · Hoe raken · Waarvoor; Bovenhands · Vingers boven voorhoofd · Rustige, hoge bal / set-up; Onderhands · Gestrekte onderarmen · Harde, lage bal / aanname, gemarkeerde cel: Harde, lage bal / aannameTECHNIEKHOE RAKENWAARVOORBovenhandsVingers boven voorhoofdRustige, hoge bal / set-upOnderhandsGestrekte onderarmenHarde, lage bal / aanname
Afb. 4Afb. 4 — Bovenhands speel je de rustige, hoge bal (vooral de set-up); onderhands speel je de harde, lage bal (vooral de aanname van de opslag).

Kernpunten

Volleybal is het terugslagspel waarin een team de bal maximaal drie keer mag raken voordat hij over het net moet, en juist die driecontactregel maakt het spel bijzonder. De bal mag de grond aan de eigen kant niet raken en één speler mag hem niet twee keer achter elkaar raken (behalve na een blok). Daardoor is volleybal een echt teamspel: één speler alleen kan de bal zelden goed aanvallen, want je hebt de andere spelers nodig om de bal eerst onder controle te brengen en klaar te leggen. De twee basistechnieken om de bal te spelen zijn bovenhands en onderhands. Bovenhands spelen (de set of toets) doe je met beide handen boven je voorhoofd, met gespreide vingers die de bal kort en gecontroleerd wegduwen; dit gebruik je voor de nauwkeurige, hoge bal — vooral om de bal klaar te leggen voor de aanvaller. Onderhands spelen (de aanname of pass) doe je met gestrekte, tegen elkaar geklemde onderarmen waarop de bal terugkaatst; dit gebruik je voor harde, lage of ver weg gespeelde ballen, zoals de aanname van een opslag. De vuistregel is: harde en lage bal onderhands, rustige en hoge bal bovenhands. Wie deze twee technieken beheerst en weet wanneer hij welke kiest, heeft de basis van het volleybal te pakken — en dat wordt in het schoolexamen als eerste beoordeeld.
De rally in volleybal begint met de opslag en verloopt idealiter volgens een vaste opbouw van drie contacten: aanname, set-up en aanval (zie Afb. 3). De opslag (service) is de bal waarmee je de rally opent; je slaat hem van achter de achterlijn over het net naar de tegenpartij. Je kunt onderhands serveren (veilig, met een zwaaiende onderarm van onderaf) of bovenhands (moeilijker, maar sneller en gerichter). Vangt de tegenpartij die opslag op, dan zetten zij de aanval op met de drie contacten. Het eerste contact is de aanname: meestal onderhands, om de harde opslag onder controle te brengen en hoog naar het midden van het net te spelen. Het tweede contact is de set-up: de spelverdeler speelt de aangenomen bal bovenhands hoog en nauwkeurig langs het net klaar, zó dat een medespeler hem kan aanvallen. Het derde contact is de aanval (smash of spike): de aanvaller springt op, slaat de bovenhands klaargelegde bal met een krachtige, neerwaartse beweging over het net, en probeert hem op de vloer van de tegenpartij te krijgen in de vrije ruimte. Deze vaste keten aanname → set → aanval is de ruggengraat van het volleybal; hoe beter elk contact, hoe groter de kans dat de aanval scoort. In de beoordeling laat je zien dat je jouw rol in die keten kunt vervullen en dat je begrijpt hoe de drie contacten op elkaar aansluiten.

De volleybalcyclus: aanname, set-up, aanval

Aanname → set → aanvalGraaf, Opslag ontvangen → Aanname (onderhands), Aanname (onderhands) → Set-up (bovenhands), Set-up (bovenhands) → Aanval (smash), Aanval (smash) → Opslag ontvangenOpslag ontvangenAanname(onderhands)Set-up(bovenhands)Aanval (smash)1e contact2e contact3e contactnieuwe rally
Afb. 3Afb. 3 — De aanval in volleybal wordt opgebouwd met drie contacten: aanname (onderhands), set-up (bovenhands) en aanval (smash); daarna begint de cyclus opnieuw.
Tegenover de aanval staat de verdediging, en die kent twee lagen: het blok bij het net en de veldverdediging daarachter. Het blok is de eerste verdediging: één of meer spelers springen aan het net omhoog met gestrekte armen en handen boven de netrand, om de aanvalsslag van de tegenstander direct terug te kaatsen of af te stoppen. Een goed blok verkleint de ruimte waarin de aanvaller kan slaan en kan de bal meteen terug op de speelhelft van de tegenstander brengen. Wat het blok niet tegenhoudt, moet de veldverdediging opvangen: de spelers achter het blok staan laag en klaar om de doorgekomen aanval onderhands te verdedigen en weer hoog te spelen, zodat het eigen team opnieuw kan opbouwen. Verdedigen in volleybal is dus samenspel tussen de blokkeerders en de veldspelers: samen dekken zij het hele veld af, waarbij het blok de ruimte verkleint en de veldverdediging de rest opvangt. Het lezen van de aanval — de vraag „waar zal de aanvaller slaan?” — bepaalt waar je gaat staan. Sta je goed opgesteld, dan verander je een aanval van de tegenstander in een nieuwe aanvalskans voor jezelf.
Om te zorgen dat elke speler alle posities leert en niemand steeds op dezelfde plek staat, kent volleybal de rotatie. Een team van zes spelers staat in twee rijen van drie: drie voorspelers dicht bij het net en drie achterspelers achterin. Telkens wanneer je team de opslag verovert (de rally wint terwijl de tegenpartij serveerde), draaien alle spelers één positie door met de wijzers van de klok mee: de speler rechtsvoor gaat naar rechtsachter, en de speler die achteraan rechts stond, wordt de nieuwe opslaggever. Zo komt iedereen om de beurt aan de opslag én in elke veldpositie, vooraan zowel als achteraan. De rotatie zorgt voor eerlijkheid en veelzijdigheid: je moet als volleyballer zowel kunnen serveren en verdedigen als aannemen en aanvallen. Voor het schoolexamen betekent dit dat je de rotatievolgorde moet kennen (met de klok mee, doordraaien na het veroveren van de opslag) en dat je op elke positie je taak kunt uitvoeren — een goede volleyballer is op elke plek in het veld bruikbaar.
Uitgewerkt voorbeeld

De juiste techniek kiezen bij de aanname

De tegenpartij slaat een harde, snelle opslag die laag over het net komt en recht op jou afkomt. Bepaal welke techniek je gebruikt om de bal aan te nemen en hoe je hem speelt, zodat je team de aanval kan opbouwen.

  1. 01Beoordeel de bal

    De opslag is hard en laag: dit is precies de bal die je niet bovenhands maar onderhands moet aannemen, omdat je onderarmen de harde bal beter onder controle brengen.

  2. 02Neem de houding aan

    Ga laag door de knieën, breng je gestrekte onderarmen tegen elkaar en richt het platte vlak van je onderarmen op de bal.

  3. 03Speel de bal hoog naar het net

    Kaats de bal rustig en hoog naar het midden voor het net, zodat de spelverdeler er goed bij kan om de set-up te maken.

  4. 04Denk aan het vervolg

    Een goede aanname is hoog en centraal: dat geeft de spelverdeler tijd en ruimte om de bal bovenhands klaar te leggen voor de aanvaller.

Resultaat: Je neemt de harde, lage opslag onderhands aan met gestrekte onderarmen, laag door de knieën, en speelt de bal hoog en centraal naar het net zodat de set-up en de aanval kunnen volgen.

Eindexamen-focus

  • Bovenhands en onderhands spelen onderscheiden en de juiste keuze maken (harde/lage bal onderhands, rustige/hoge bal bovenhands), plus de opslag uitvoeren.
  • De opbouw van de aanval via de drie contacten aanname → set-up → aanval beschrijven en toepassen, en de rotatierichting (met de klok mee, na het veroveren van de opslag) kennen.

Veelgemaakte fouten

  • Een harde, lage opslag bovenhands willen aannemen in plaats van onderhands; de bal schiet dan alle kanten op en de aanval is meteen bedorven.
  • De set-up te dicht op of te ver van het net leggen, zodat de aanvaller de bal niet goed kan raken; de bal moet hoog en net langs het net klaargelegd worden.

Actieve herhaling

Beschrijf de drie contacten waarmee een volleybalteam een aanval opbouwt na de aanname van een opslag. Geef per contact aan welke techniek (bovenhands of onderhands) je gebruikt en waarom, en leg uit wat er met de rotatie gebeurt als jouw team deze rally wint terwijl de tegenpartij serveerde.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein B: terugslagspelen (volleybal) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Badminton: basisslag, clear, drop, smash, service en footwork#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Van basispositie naar de shuttle en terug

Footwork-kringloopGraaf, Basispositie (midden) → Shuttle lezen, Shuttle lezen → Uitvalspas naar shuttle, Uitvalspas naar shuttle → Slag maken, Slag maken → Basispositie (midden)Basispositie(midden)Shuttle lezenUitvalspas naarshuttleSlag makenherstel naarmidden
Afb. 6Afb. 6 — Footwork verloopt als een kringloop: vanuit de basispositie beweeg je met een uitvalspas naar de shuttle, slaat, en keert daarna direct terug naar het midden.

Kernpunten

Badminton is het snelste terugslagspel: je speelt een lichte shuttle (pluimbal) met een racket over een hoog net, en juist omdat de shuttle sterk afremt in de lucht, draait alles om timing, plaatsing en snel voetenwerk. De shuttle mag de grond niet raken; raakt hij binnen de lijnen jouw kant van het veld, dan is het punt voor de tegenstander. Het spel begint bij de klaarhouding en de basisslag. De klaarhouding is de manier waarop je klaarstaat om te reageren: licht op de voeten, knieën iets gebogen, racket omhoog voor je lichaam, klaar om elke kant op te bewegen. De basisslag is de overhandse slag boven je hoofd (de bovenhandse forehand), waarmee je de meeste slagen in badminton maakt: je brengt het racket met een gestrekte arm hoog boven je op het hoogste punt en raakt de shuttle daar met een zweepachtige polsbeweging. Vanuit die ene basisbeweging kun je verschillende slagen maken — hoe je het racket op het raakpunt richt en hoe hard je slaat, bepaalt of het een clear, een drop of een smash wordt. Het beheersen van de klaarhouding en de basisslag is de eerste stap; in het schoolexamen wordt daarna gekeken of je die basisslag kunt variëren tot verschillende doelgerichte slagen.
De drie belangrijkste slagen in badminton zijn de clear, de drop en de smash, en samen geven ze je een compleet aanvalsgereedschap (zie Afb. 5). De clear is de lange, hoge slag: je slaat de shuttle hoog en diep naar de achterlijn van de tegenstander. De clear is zowel een verdedigende slag (hij geeft je tijd om te herstellen omdat de shuttle lang onderweg is) als een opbouwslag (hij dwingt de tegenstander helemaal naar achteren, waardoor er vooraan ruimte ontstaat). De drop is de korte, zachte slag: je remt de slag af zodat de shuttle net over het net valt en snel naar de grond gaat, vlak achter het net. De drop is de tegenhanger van de clear — na een paar clears die de tegenstander diep in de achterhoek hebben gezet, valt een onverwachte drop in de vrije ruimte vlak bij het net. De smash is de aanvalsslag bij uitstek: je slaat de shuttle van bovenaf keihard en steil naar beneden, zodat hij snel en scherp naar de vloer van de tegenstander gaat. De smash werkt het best als de shuttle hoog genoeg voor je staat en de tegenstander uit positie is. Het samenspel van deze drie — diep clearen om ruimte te maken, kort droppen om te verrassen, hard smashen om af te maken — is de tactische kern van het badminton en precies wat je in het schoolexamen wilt laten zien.

De drie badmintonslagen

Clear, drop, smashTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Slag · Baan · Doel; Clear · Hoog en diep · Ruimte maken / herstellen; Drop · Kort, net over net · Verrassen vooraan; Smash · Hard, steil omlaag · Punt afmaken, gemarkeerde cel: Punt afmakenSLAGBAANDOELClearHoog en diepRuimte maken / herstellenDropKort, net over netVerrassen vooraanSmashHard, steil omlaagPunt afmaken
Afb. 5Afb. 5 — Clear, drop en smash zijn de drie hoofdslagen: de clear maakt ruimte, de drop verrast vooraan, de smash maakt het punt af.
De service (opslag) neemt in badminton een aparte plaats in, omdat er strikte regels voor gelden en de rally er altijd mee begint. Bij de service moet je de shuttle onderhands slaan: op het moment dat je de shuttle raakt, moet die onder je middel (heup) zijn en moet het hele racketblad naar beneden wijzen. Bovenhands serveren zoals bij tennis mag dus niet. Je serveert diagonaal naar het serviceveld van de tegenstander. In het enkelspel serveer je meestal een hoge, diepe service naar de achterlijn, zodat de tegenstander ver naar achteren moet en niet meteen kan aanvallen; in het dubbelspel serveer je juist vaak een korte, lage service net over het net, zodat de tegenstander de shuttle niet van bovenaf kan aanvallen. De service is dus geen losse formaliteit maar een eerste tactische slag: waar en hoe je serveert, bepaalt mee hoe de rally begint. Wie de serviceregels niet kent, maakt onnodige fouten (fout bij te hoog raakpunt), en wie de service tactisch inzet, heeft vanaf de eerste slag een voordeel.
Wat badminton op hoog tempo mogelijk maakt, is het voetenwerk (footwork) rondom de basispositie. De basispositie is het midden van je speelhelft: van daaruit kun je een korte bal bij het net en een lange bal in de achterhoek allebei het snelst bereiken. Het footwork is de manier waarop je je van die basispositie naar de shuttle beweegt en weer terugkeert. Je beweegt niet met gewone, grote stappen, maar met snelle uitvals- en bijzetpassen: je zet af, je maakt een laatste grote uitvalspas (lunge) naar de shuttle, en je duwt jezelf daarna meteen weer terug naar het midden. De gouden regel is: na elke slag keer je terug naar de basispositie. Doe je dat niet, dan sta je uit positie en speelt de tegenstander de shuttle simpelweg naar de ruimte die je net hebt verlaten. Goed footwork betekent daarom niet alleen snel bij de shuttle zijn, maar vooral: telkens weer terugkeren naar het punt van waaruit je alles dekt. In het schoolexamen zie je dit terug in de beoordeling van je verplaatsing: een speler die na elke slag netjes herstelt naar het midden, houdt veel meer ballen in het spel dan een speler die blijft staan waar hij de laatste bal raakte.
Uitgewerkt voorbeeld

Een aanval opbouwen met clear en drop

In een enkelspel wil je een punt winnen tegen een tegenstander die goed diep terugslaat. Stel een aanvalsplan op met de badmintonslagen en leg uit hoe je de vrije ruimte creëert en gebruikt.

  1. 01Maak ruimte met de clear

    Speel enkele hoge, diepe clears naar de achterlijn. De tegenstander moet daardoor telkens ver naar achteren en blijft achterin hangen.

  2. 02Herken de ontstane vrije ruimte

    Doordat de tegenstander diep staat, komt de ruimte vlak bij het net (vooraan) vrij te liggen.

  3. 03Sla toe met de drop

    Speel nu onverwacht een drop: een korte, zachte slag die net over het net valt in de vrije ruimte vooraan, waar de tegenstander niet op tijd kan zijn.

  4. 04Houd de smash achter de hand

    Krijg je in plaats van een diepe bal een korte, hoge bal terug, dan kun je die van bovenaf met een smash steil naar beneden afmaken.

Resultaat: Je zet de tegenstander met diepe clears achterin, creëert zo vrije ruimte vooraan en maakt het punt met een verrassende drop net over het net — of met een smash als je een hoge bal terugkrijgt.

Eindexamen-focus

  • De klaarhouding en de basisslag beheersen en daaruit de drie hoofdslagen afleiden: clear (lang/hoog), drop (kort/zacht) en smash (hard/steil naar beneden), met hun tactische doel.
  • De serviceregels toepassen (onderhands, raakpunt onder de heup, racket omlaag) en het belang van footwork en terugkeren naar de basispositie benoemen.

Veelgemaakte fouten

  • Bij de service de shuttle te hoog (boven de heup) of met het racket omhoog raken; dat is volgens de regels een fout, ook al gaat de shuttle goed over.
  • Na een slag blijven staan in plaats van terugkeren naar de basispositie, waardoor je de shuttle in de zojuist verlaten ruimte niet meer haalt.

Actieve herhaling

Je speelt een enkelspel badminton. Beschrijf hoe je met een reeks clears de tegenstander diep in de achterhoek zet en vervolgens met een drop de vrije ruimte vlak bij het net aanspeelt. Leg per slag uit welk doel je nastreeft en waarom je na elke slag naar de basispositie terugkeert.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein B: terugslagspelen (badminton) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Tennis: forehand, backhand, service, rally en plaatsing#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Plaatsing: de tegenstander laten lopen

Van opbouw naar aanvalGraaf, Diep spelen → Tegenstander laten lopen, Tegenstander laten lopen → Zwakke kant belasten, Zwakke kant belasten → Aanvallen in vrije ruimteDiep spelenTegenstanderlaten lopenZwakke kantbelastenAanvallen invrije ruimteruimteontstaat
Afb. 8Afb. 8 — Plaatsing is leidend: door diep te spelen en de tegenstander van hoek naar hoek te laten lopen, ontstaat de vrije ruimte waarin je uiteindelijk aanvalt.

Kernpunten

Tennis is het terugslagspel met de laagste netband en de grootste rol voor de stuit van de bal: je speelt een bal met een racket over een laag net, en anders dan bij volleybal en badminton mag de bal aan jouw kant één keer stuiteren voordat je hem terugspeelt. Dat ene toegestane stuitje verandert het spel: je hebt iets meer tijd, maar je moet de bal op het juiste moment na de stuit raken, op een goede hoogte. De twee grondslagen — de slagen die je na de stuit maakt — zijn de forehand en de backhand (zie Afb. 7). De forehand speel je aan de kant van je slagarm: voor een rechtshandige speler is dat de rechterkant. Je draait je lichaam zijwaarts, brengt het racket naar achteren en zwaait er van laag naar hoog doorheen, zodat je de bal voor je lichaam raakt. De backhand speel je aan de andere kant van je lichaam, met de rug van je hand naar de bal gericht (of met twee handen aan het racket voor meer stevigheid). De forehand is voor de meeste spelers de krachtigste en meest vertrouwde slag; de backhand is lastiger maar onmisbaar, want de tegenstander zoekt juist die kant op. Wie beide grondslagen betrouwbaar kan maken, kan een rally van beide kanten volhouden — het startpunt van goed tennis en het eerste wat in het schoolexamen wordt beoordeeld.

Forehand, backhand en service

Drie tennisslagenTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Slag · Uitvoering · Wanneer; Forehand · Slagarmkant, laag-hoog · Grondslag na stuit; Backhand · Andere kant, rug van hand · Grondslag na stuit; Service · Bovenhands, opgooi · Begin van het punt, gemarkeerde cel: Grondslag na stuitSLAGUITVOERINGWANNEERForehandSlagarmkant, laag-hoogGrondslag na stuitBackhandAndere kant, rug van handGrondslag na stuitServiceBovenhands, opgooiBegin van het punt
Afb. 7Afb. 7 — De forehand en backhand zijn de grondslagen na de stuit; de service is de bovenhandse openingsslag van elk punt.
De rally in tennis begint met de service, en die service is een aparte, bovenhandse slag met eigen regels. Bij de service gooi je de bal met je vrije hand omhoog en slaat hem in één vloeiende beweging van bovenaf over het net, diagonaal in het serviceveld van de tegenstander. Je hebt twee servicebeurten per punt: mist de eerste, dan mag je een tweede. Daarom slaan spelers de eerste service vaak hard en gedurfd, en de tweede veiliger, om zeker in het veld te komen. Na een geldige service ontwikkelt zich de rally: bal over en weer met forehands en backhands, tot iemand een fout maakt of een winnende slag speelt. Anders dan in badminton, waar de shuttle sterk afremt, blijft een tennisbal snel; dat betekent dat je minder tijd hebt en dat plaatsing en diepte extra belangrijk worden. De service is bovendien niet zomaar het begin: een goede, goed geplaatste service zet de tegenstander direct in de verdediging en geeft jou de kans om het initiatief in de rally te nemen. In het schoolexamen laat je zien dat je een service in het serviceveld kunt brengen en van daaruit een rally kunt opbouwen.
De tactische kern van tennis is plaatsing: waar je de bal neerlegt, is belangrijker dan hoe hard je slaat. Net als in de andere terugslagspelen scoor je door de bal in de vrije ruimte te plaatsen — de kant van het veld waar de tegenstander niet staat. Er zijn een paar krachtige plaatsingsprincipes. Ten eerste diep spelen: een bal die diep bij de achterlijn landt, dwingt de tegenstander achter zijn baseline en geeft hem weinig hoek om zelf aan te vallen. Ten tweede de tegenstander laten lopen: sla je de ene bal naar de rechterhoek en de volgende naar de linkerhoek, dan moet hij telkens grote afstanden afleggen en komt hij uiteindelijk te laat of uit balans. Ten derde de zwakke kant belasten: veel spelers hebben een zwakkere backhand, dus door herhaald op die kant te spelen dwing je zwakke returns af. Tempo en effect (een bal met topspin die hoog opspringt, of een slice die laag blijft) versterken deze plaatsing, maar plaatsing zelf is leidend. De vuistregel is dus: bouw de rally op met diepe, veilige slagen, laat de tegenstander lopen, en val pas aan door de bal in de ontstane vrije ruimte te plaatsen. Precies dit tactische lezen van het veld — waar staat de tegenstander, waar is de ruimte, wanneer val ik aan — is wat een goede tennisser onderscheidt en wat je in het schoolexamen wilt tonen.
Verdedigen in tennis draait, net als bij badminton, om positie kiezen en herstellen. Na elke slag keer je terug naar een centrale uitgangspositie achter het midden van de baseline: van daaruit dek je zowel de forehand- als de backhandhoek en ben je op tijd voor de meeste ballen. Sta je na een slag scheef of te ver naar één kant, dan opent de tegenstander de andere hoek en ben je te laat. Onder druk — bijvoorbeeld wanneer je ver uit positie een bal net kunt bereiken — kies je een veilige, hoge en diepe verdedigende slag die je tijd geeft om terug te keren naar het midden, in plaats van een riskante winnende poging die vaak fout gaat. In het dubbelspel komt daar het dekken bij: samen met je partner verdeel je het veld, waarbij je afspreekt wie welke helft of welke hoogte (net of achterin) neemt, zodat er geen gaten vallen. Verdedigen is dus geen passief afwachten maar actief anticiperen: je leest waar de bal heen zal gaan en zorgt dat je op tijd op de juiste plek staat. Wie dit beheerst, verandert de aanvallen van de tegenstander telkens weer in nieuwe kansen — en dat vermogen om aanval en verdediging te combineren is de rode draad door alle terugslagspelen die het schoolexamen van je vraagt.
Uitgewerkt voorbeeld

Een punt winnen door plaatsing

Je hebt geserveerd en de rally is begonnen. De tegenstander staat centraal achter de baseline en heeft een zwakke backhand. Beschrijf stap voor stap hoe je door plaatsing een punt opbouwt en afmaakt.

  1. 01Speel diep en veilig

    Begin met diepe grondslagen richting de baseline, zodat de tegenstander achterin blijft en zelf geen aanvalshoek krijgt.

  2. 02Belast de zwakke kant

    Speel herhaald naar de backhandhoek van de tegenstander; door de zwakkere slag krijg je kortere, zwakkere returns terug.

  3. 03Laat de tegenstander lopen

    Wissel af: speel nu een bal naar de open forehandhoek, zodat de tegenstander de hele breedte van het veld moet afleggen en te laat komt.

  4. 04Val aan in de vrije ruimte

    Nu de tegenstander uit positie naar één kant is gedwongen, plaats je de winnende bal in de vrije ruimte aan de andere kant, waar hij niet meer bij kan.

Resultaat: Je bouwt het punt op met diepe slagen, belast de zwakke backhand, laat de tegenstander van hoek naar hoek lopen en maakt het punt af door de bal in de ontstane vrije ruimte te plaatsen — plaatsing wint, niet kracht.

Eindexamen-focus

  • De forehand en de backhand als grondslagen uitvoeren (na de toegestane stuit) en de service bovenhands diagonaal in het serviceveld brengen, met twee servicebeurten per punt.
  • De rally tactisch opbouwen met plaatsing: diep spelen, de tegenstander laten lopen en de zwakke kant belasten om de bal uiteindelijk in de vrije ruimte te plaatsen.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat harder slaan altijd beter is; in tennis wint plaatsing (diep, in de hoeken, in de vrije ruimte) meer punten dan brute kracht, die vaak tot fouten leidt.
  • Na een slag blijven staan waar je de bal raakte in plaats van terug te keren naar het midden van de baseline, waardoor de tegenstander de andere hoek openspeelt.

Actieve herhaling

Je speelt een rally in het enkelspel tennis tegen een tegenstander met een zwakke backhand. Stel een aanvalsplan op: leg uit hoe je met diepe slagen en het belasten van de backhandkant de tegenstander uit positie speelt, en waarheen je uiteindelijk de winnende bal plaatst. Beschrijf ook wat je zelf na elke slag doet om niet uit positie te komen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein B: terugslagspelen (tennis) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Spelprincipes: spel over het net, aanvallen en verdedigen○
    • 02Volleybal: bovenhands en onderhands, opslag, aanname-set-aanval, blok en rotatie◐
    • 03Badminton: basisslag, clear, drop, smash, service en footwork◐
    • 04Tennis: forehand, backhand, service, rally en plaatsing◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Spel: terugslagspelen

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~28
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein B Bewegen: spel (terugslagspelen)

Vorig onderwerp

Spel: doelspelen

Volgend onderwerp

Spel: slag- en loopspelen

EuraStudy·Samenvattingen T·03·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.