EuraStudy
Samenvattingen/Lichamelijke opvoeding/Spel: slag- en loopspelen
Samenvattingen · Lichamelijke opvoedingNL · HAVO

Spel: slag- en loopspelen

Slag- en loopspelen zoals softbal, honkbal en slagbal draaien om één idee: het slagteam slaat de bal weg en probeert punten te scoren door langs de honken rond te lopen, terwijl het veldteam de bal snel onder controle krijgt en de lopers uitmaakt. Je leert het slaan (batten), het lopen langs de honken en het veldwerk (vangen, gooien, uittikken en uitbranden), plus de tactiek van beide teams. Dit hoort bij het handelingsdeel/schoolexamen van LO; er is geen centraal examen — je wordt beoordeeld op je bewegen, je spelinzicht en je reflectie daarop.

4 Onderdelen·~21 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 2 · Standaard 1 · Verdieping 1

T·0444 / 12
Examenprofiel
De bal doelgericht slaan en snel starten om veilig een honk te halen, en doorlopen als de situatie het toelaat (slagteam)De bal in het veld snel onder controle krijgen, samenwerken op de posities en een loper uitmaken vóór het honk (veldteam)Een slag- en veldsituatie ontleden: waar sla ik naartoe, wanneer loop ik door, en hoe en waar maak ik als veldteam de loper uit
Operatoren:leg uitbeschrijfpas toeanalyseerbeoordeelstel op

basisniveau

Beheers de kern: de bal raken en wegslaan, snel starten en veilig een honk halen, en in het veld de bal vangen, gooien en de loper uittikken — en ken de drie manieren waarop een speler uit gaat.

verhoogd niveau

Wie zich verdiept, leest de spelsituatie vooruit: het slagteam kiest bewust waar het naartoe slaat en of het doorloopt, het veldteam bepaalt razendsnel naar welk honk het gooit om de voorste loper te stoppen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Spel: slag- en loopspelen
    • 01Het slaan van de bal: batten○
    • 02Lopen langs de honken: scoren○
    • 03Het veldwerk en de drie manieren om uit te gaan◐
    • 04Een slag- en veldsituatie ontleden●
§ 01

Het slaan van de bal: batten#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Slagteam versus veldteam: de taken

Twee teams, twee takenTabel met 3 kolommen en 2 rijen, Gegevens: Team · Doel · Kern van de taak; Slagteam · Punten scoren · Ver slaan, honk halen; Veldteam · Scoren voorkomen · Bal pakken, uitmaken, gemarkeerde cel: Ver slaan, honk halenTEAMDOELKERN VAN DE TAAKSlagteamPunten scorenVer slaan, honk halenVeldteamScoren voorkomenBal pakken, uitmaken
Afb. 1Afb. 1 — Het slagteam slaat de bal weg en loopt de honken rond om te scoren; het veldteam krijgt de bal onder controle en maakt de lopers uit.

Kernpunten

Slag- en loopspelen zoals softbal, honkbal en slagbal beginnen allemaal bij dezelfde handeling: het slaan van de bal, ook wel batten genoemd. De slagman staat bij de thuisplaat en probeert de bal die naar hem toe komt — bij softbal en honkbal onderhands of bovenhands gegooid door de werper, bij slagbal vaak zelf opgegooid of door een medespeler aangegooid — met een knuppel (de bat) zo goed mogelijk het speelveld in te slaan. De bedoeling is de bal ver genoeg en op zo'n plek te slaan dat je de tijd krijgt om naar een honk te rennen voordat het veldteam de bal terug heeft. Het slaan is dus geen doel op zich, maar het startsein van een loopactie: een goede slag levert ruimte en tijd op om te scoren. Op het schoolexamen laat je zien dat je de bal gecontroleerd kunt raken en wegslaan, en dat je begrijpt waarom een geslagen bal het begin is van het scoren. Zo verbindt het batten de techniek van het raken met de tactiek van het spel.
Een goede slag ontstaat uit een aantal technische bouwstenen die je stap voor stap kunt leren. Je begint met een stabiele stand: je staat zijwaarts ten opzichte van de werprichting, met je voeten ongeveer op schouderbreedte en je knieën licht gebogen, zodat je stevig staat en kunt draaien. De knuppel houd je met twee handen vast, de handen dicht bij elkaar, en je houdt de bat achter je schouder klaar. De kern van het slaan zit in het draaien: je zet af met je achterste been, draait je heupen en romp mee, en brengt de bat in een vlakke, horizontale baan naar de bal. Je houdt daarbij je ogen op de bal tot het moment van raken — „kijk de bal op de knuppel”. Na het raken zwaai je door (de doorzwaai), waardoor de slag krachtig en gecontroleerd blijft. Wie deze bouwstenen in de goede volgorde leert — eerst een stevige stand en oog voor de bal, dan de heupdraai en de doorzwaai — slaat betrouwbaarder en harder. Op het examen wordt van je verwacht dat je deze techniek herkenbaar uitvoert en kunt uitleggen waarom elke stap belangrijk is.
Naast de techniek is er de tactiek van het slaan: waar sla je de bal naartoe? Een bal die recht op een veldspeler af gaat, wordt snel gevangen of teruggegooid en levert je weinig tijd op. Daarom probeert een slimme slagman de bal te plaatsen in de ruimte waar geen veldspeler staat, of ver naar achteren zodat de veldspelers een grote afstand moeten afleggen. Hoe verder en hoe onbereikbaarder de bal, hoe meer tijd je hebt om honken te halen — een bal die helemaal over de veldspelers heen gaat, kan je zelfs meerdere honken tegelijk opleveren. Bij slagbal, waar je zelf het moment van slaan kiest, kun je bovendien kiezen tussen een harde, verre slag en een zachte, korte tik om de veldspelers te verrassen. Het gaat er dus niet alleen om dat je de bal raakt, maar dat je hem bewust ergens naartoe slaat waar hij het meeste oplevert. Op het schoolexamen kun je gevraagd worden uit te leggen waarom een bepaalde slagrichting handig is; je laat dan zien dat je het slaan koppelt aan het scoren, en niet alleen aan het raken.
Uitgewerkt voorbeeld

Waar sla ik naartoe?

Bij softbal staan de veldspelers vooral in het midden en links van het veld. De ruimte rechtsachter is leeg. Je bent slagman en wilt zoveel mogelijk tijd om te lopen. Waar sla je naartoe en waarom?

  1. 01Lees het veld

    Kijk vóór de slag waar de veldspelers staan en waar de open ruimte is: hier is dat rechtsachter, waar niemand staat.

  2. 02Kies de richting

    Richt je slag op de lege ruimte rechtsachter, zodat geen veldspeler de bal direct kan oppakken.

  3. 03Kies de lengte

    Sla de bal ver genoeg zodat de dichtstbijzijnde veldspeler een grote afstand moet lopen voordat hij de bal heeft.

  4. 04Koppel aan de loop

    Doordat de bal ver in de lege hoek ligt, win je tijd en kun je na de slag rustig naar het eerste honk lopen, misschien zelfs door naar het tweede.

Resultaat: Je slaat de bal ver naar de lege ruimte rechtsachter. Daar staat geen veldspeler, dus het veldteam verliest tijd met halen en teruggooien, en jij hebt de tijd om veilig (misschien zelfs meer dan één) honk te halen.

Eindexamen-focus

  • De basistechniek van het batten herkenbaar uitvoeren: stabiele zijwaartse stand, oog op de bal, heupdraai en doorzwaai.
  • Uitleggen waar je de bal naartoe slaat en waarom: weg van de veldspelers en ver genoeg om tijd te winnen voor een loopactie.

Veelgemaakte fouten

  • De bal recht op een veldspeler slaan, waardoor die snel wordt gevangen of teruggegooid en je geen tijd wint om te lopen.
  • De ogen van de bal afwenden vlak voor het raken (bijvoorbeeld al naar het honk kijken), waardoor je de bal mist of maar half raakt.

Actieve herhaling

Beschrijf de vier belangrijkste stappen van een goede slag (stand, oog op de bal, heupdraai, doorzwaai) en leg vervolgens uit naar welke plek in het veld je bij voorkeur slaat en waarom die plek je de meeste tijd oplevert om een honk te halen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — spel: slag- en loopspelen (CvTE / Examenblad)

§ 02

Lopen langs de honken: scoren#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Scoren: van slag tot run

Van slag tot puntGraaf, Bal slaan → Naar honk lopen, Naar honk lopen → Doorlopen langs honken, Doorlopen langs honken → Veilig thuis = runBal slaanNaar honk lopenDoorlopen langshonkenVeilig thuis = runsnel startenals het kanpunt
Afb. 2Afb. 2 — Scoren verloopt als een keten: de bal wegslaan, starten naar een honk, langs de honken doorlopen en veilig thuiskomen — dan telt de run.

Kernpunten

Bij slag- en loopspelen scoor je niet door een doel te raken, maar door een rondje te lopen: je vertrekt bij de thuisplaat, loopt via de honken het veld rond en scoort een punt (een run) als je weer veilig thuis bent. De honken zijn vaste punten op het veld — bij softbal en honkbal drie honken plus de thuisplaat, samen een ruit (het binnenveld). Een speler die op een honk staat, is veilig: hij mag daar niet worden uitgemaakt. Zodra hij een honk verlaat om naar het volgende te lopen, loopt hij risico, want dan kan het veldteam hem uitmaken voordat hij het volgende honk aanraakt. Het lopen is dus een afweging tussen veiligheid en vooruitgang: op een honk ben je veilig maar scoor je niet, tussen de honken maak je vooruitgang maar loop je gevaar. Op het schoolexamen laat je zien dat je begrijpt hoe je scoort — door de honken rond te lopen — en dat je weet wanneer een speler veilig is en wanneer niet. Dit inzicht is de basis voor alle loopbeslissingen in het spel.
Na een goede slag begint de loopactie, en het snelle, goed getimede starten is daarbij cruciaal. Zodra je de bal geraakt hebt, laat je de knuppel los en sprint je naar het eerste honk; elke tiende seconde telt, want je racet tegen het veldteam dat de bal probeert te halen en terug te gooien. Bij het eerste honk maak je een keuze: is de bal nog ver weg of ligt hij in een lege hoek, dan loop je door naar het tweede honk; komt de bal snel terug, dan blijf je veilig op het eerste honk staan. Deze beslissing — doorlopen of stoppen — neem je terwijl je rent, door te kijken waar de bal is en hoe ver de veldspelers zijn. Een veelgemaakte fout is te lang twijfelen: wie halverwege blijft staan, staat tussen de honken en is een makkelijke prooi. Een goede loper durft door te lopen als het kan, maar stopt op tijd als het risico te groot wordt. Op het examen wordt van je verwacht dat je snel kunt starten na de slag en dat je verstandige loopkeuzes maakt op basis van waar de bal is.
Vaak staan er meer lopers tegelijk op de honken, en dan wordt het lopen een gezamenlijke actie waarbij de voorste lopers voorrang hebben. Als een medespeler een bal slaat, schuiven de lopers die al op de honken staan één of meer honken op: de loper op het derde honk kan naar huis lopen en scoren, terwijl de nieuwe slagman naar het eerste honk gaat. Belangrijk is dat de lopers elkaar niet in de weg lopen en dat de voorste loper (die het dichtst bij thuis is) als eerste kan scoren. Soms is een loper gedwongen te lopen omdat de loper achter hem zijn honk nodig heeft; dat heet een gedwongen loop, en juist dan kan het veldteam relatief makkelijk uitmaken door de bal simpelweg naar het volgende honk te gooien. Voor het slagteam is het dus de kunst om met meerdere lopers slim op te schuiven en zoveel mogelijk punten binnen te halen zonder onnodig risico. Op het schoolexamen kun je gevraagd worden uit te leggen hoe lopers opschuiven en wanneer een loper veilig door kan lopen of juist gedwongen wordt; je laat dan zien dat je het scoren begrijpt als samenspel tussen de lopers.
Uitgewerkt voorbeeld

Doorlopen of stoppen?

Je hebt de bal geslagen en bereikt het eerste honk. De bal is net opgepakt door een veldspeler die vrij dichtbij staat en klaarstaat om te gooien. Wat doe je?

  1. 01Bepaal je positie

    Je staat op het eerste honk en bent daar op dit moment veilig; je kunt hier blijven zonder risico.

  2. 02Schat de bal in

    De bal is al opgepakt en de veldspeler staat dichtbij en klaar om snel te gooien naar het tweede honk.

  3. 03Weeg het risico

    Als je nu doorloopt, kan de bal eerder bij het tweede honk zijn dan jij — dan word je uitgemaakt tijdens het lopen.

  4. 04Neem de beslissing

    Het risico is te groot: je blijft veilig op het eerste honk staan en wacht op een betere kans bij de volgende slag.

Resultaat: Je blijft op het eerste honk staan. Omdat de bal al onder controle is en de veldspeler klaarstaat, is doorlopen te riskant; op het honk ben je veilig en houd je je kans op scoren bij een volgende slag open.

Eindexamen-focus

  • Uitleggen hoe je scoort: van thuisplaat via de honken rond, en dat een run pas telt als je veilig thuis bent.
  • Na de slag snel starten en verstandig kiezen tussen doorlopen en stoppen op basis van waar de bal is.

Veelgemaakte fouten

  • Halverwege tussen twee honken blijven twijfelen: daar ben je niet veilig en word je makkelijk uitgemaakt.
  • Denken dat je op een honk kunt worden uitgemaakt: wie het honk aanraakt is veilig — het risico ontstaat alleen tijdens het lopen ertussenin.

Actieve herhaling

Je slaat de bal ver in de linkerhoek en sprint naar het eerste honk. De bal ligt nog ver weg en wordt langzaam opgehaald. Beschrijf welke beslissing je bij het eerste honk neemt, waar je op let om die keuze te maken, en waarom te lang twijfelen gevaarlijk is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — lopen en scoren in slagspelen (CvTE / Examenblad)

§ 03

Het veldwerk en de drie manieren om uit te gaan#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

De drie manieren om uit te gaan

Drie soorten uitTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Manier · Wat gebeurt er · Voorwaarde; Gevangen bal · Bal uit lucht gevangen · Vóór de grond; Uitgebrand · Honk aangeraakt · Gedwongen loop; Uitgetikt · Loper aangeraakt · Tussen de honken, gemarkeerde cel: Gedwongen loopMANIERWAT GEBEURT ERVOORWAARDEGevangen balBal uit lucht gevangenVóór de grondUitgebrandHonk aangeraaktGedwongen loopUitgetiktLoper aangeraaktTussen de honken
Afb. 3Afb. 3 — Een speler gaat uit door een gevangen bal, door uitbranden op een honk (bij een gedwongen loop) of door uittikken tussen de honken.

Kernpunten

Terwijl het slagteam probeert te scoren, heeft het veldteam maar één opdracht: de bal zo snel mogelijk onder controle krijgen en de lopers uitmaken. Het veldwerk bestaat uit drie basishandelingen die je moet beheersen. Vangen is het opvangen van een geslagen bal, uit de lucht of van de grond; je gaat achter de bal staan, maakt je handen klaar en volgt de bal met je ogen tot in je handen. Gooien is het snel en gericht doorspelen van de bal naar een medespeler of naar een honk; je gooit bovenhands met kracht en richting, want een slordige gooi kost kostbare tijd. Vangen van een aangegooide bal op een honk (het opvangen bij een honk) is de derde handeling: de honkspeler vangt de bal terwijl hij het honk aanraakt. Deze drie handelingen — vangen, gooien, opvangen — vormen samen de ketting die een geslagen bal omzet in een uit. Op het schoolexamen laat je zien dat je deze veldtechnieken beheerst en dat je begrijpt dat snelheid en nauwkeurigheid het verschil maken tussen een loper uitmaken of niet.
Een speler van het slagteam kan op drie manieren uit gaan, en die drie manieren moet je uit je hoofd kennen. De eerste is de gevangen bal: als een veldspeler de geslagen bal rechtstreeks uit de lucht vangt, vóórdat die de grond raakt, is de slagman meteen uit. De tweede is uitgebrand (ook wel geforceerde uit of forceout): het veldteam speelt de bal naar een honk waar de loper naartoe móét lopen, en de honkspeler raakt dat honk met de bal aan vóórdat de loper er is — de loper is dan uitgebrand op dat honk. Dit werkt alleen bij een gedwongen loop, want alleen dan móét de loper dat honk halen. De derde is uitgetikt (getikt): een veldspeler raakt de loper zelf aan met de bal (of met de hand waarin de bal zit) terwijl de loper tussen de honken loopt en dus niet veilig op een honk staat. Bij elke manier geldt hetzelfde principe: de bal moet er eerder zijn dan de loper, of de bal moet de loper raken vóór het honk. Op het examen wordt van je verwacht dat je deze drie manieren kunt benoemen en per situatie kunt herkennen welke van toepassing is.
Het verschil tussen uitbranden en uittikken is een klassiek struikelpunt, dus het loont om het scherp te krijgen. Uitbranden gebruik je als de loper gedwongen is te lopen: dan hoef je hem niet aan te raken, je hoeft alleen de bal naar het juiste honk te gooien en dat honk aan te raken voordat hij er is — sneller en veiliger, want je hoeft niet te mikken op een bewegende loper. Uittikken gebruik je als de loper níét gedwongen is (hij zou ook op zijn honk mogen blijven): dan moet je hem echt aanraken met de bal terwijl hij tussen de honken loopt. Voor het veldteam is de vuistregel dus: kijk eerst of je kunt uitbranden op het juiste honk (dat is makkelijker), en pas als dat niet kan, probeer je de loper uit te tikken. Verstandig veldwerk betekent samenwerken: de veldspelers roepen naar welk honk gegooid moet worden, dekken de honken en zorgen dat er altijd iemand bij het honk staat om de bal te vangen. Op het schoolexamen kun je gevraagd worden het juiste soort uit te kiezen in een gegeven situatie; je laat dan zien dat je uitbranden (gedwongen loop, honk aanraken) en uittikken (niet gedwongen, loper aanraken) uit elkaar kunt houden.

De uit-beslissing van het veldteam

Uitbranden of uittikken?Graaf, Bal onder controle → Loopt de loper gedwongen?, Loopt de loper gedwongen? → Uitbranden op honk, Loopt de loper gedwongen? → Loper uittikkenBal ondercontroleLoopt de lopergedwongen?Uitbranden ophonkLoper uittikkenjanee
Afb. 4Afb. 4 — Het veldteam pakt de bal en beslist: loopt de loper gedwongen, dan uitbranden op het honk; zo niet, dan de loper uittikken.
Uitgewerkt voorbeeld

Welke uit is dit?

Een loper staat op het eerste honk. De slagman slaat een lage bal over de grond. De loper op het eerste honk móét nu wel doorlopen naar het tweede honk, omdat de slagman naar het eerste honk komt. Het veldteam pakt de bal. Wat is de slimste uit?

  1. 01Herken de gedwongen loop

    De slagman komt naar het eerste honk, dus de loper op het eerste honk móét doorlopen naar het tweede: dit is een gedwongen loop.

  2. 02Kies de manier

    Bij een gedwongen loop kun je uitbranden: je hoeft de loper niet aan te raken, alleen het tweede honk met de bal aan te raken voordat hij er is.

  3. 03Speel de bal

    Het veldteam gooit de bal snel naar de speler op het tweede honk, die het honk aanraakt terwijl hij de bal vangt.

  4. 04Vergelijk met uittikken

    Uittikken (de loper aanraken) zou ook mogen, maar is moeilijker en langzamer; uitbranden op het honk is hier de veiligste keuze.

Resultaat: Dit is een gedwongen loop, dus de slimste uit is uitbranden op het tweede honk: de bal naar dat honk gooien en het honk aanraken voordat de loper er is. Dat is sneller en zekerder dan proberen de loper uit te tikken.

Eindexamen-focus

  • De drie manieren om uit te gaan benoemen: gevangen bal, uitgebrand (honk aanraken bij gedwongen loop) en uitgetikt (loper aanraken tussen de honken).
  • Het veldwerk uitvoeren en het juiste soort uit kiezen: eerst uitbranden op het honk overwegen, anders de loper uittikken.

Veelgemaakte fouten

  • Uitbranden en uittikken door elkaar halen: uitbranden = het honk aanraken bij een gedwongen loop; uittikken = de loper zelf aanraken tussen de honken.
  • Proberen een loper uit te tikken die veilig op een honk staat: op een honk kan een loper niet worden uitgemaakt, alleen tijdens het lopen ertussenin.

Actieve herhaling

Leg de drie manieren waarop een speler uit kan gaan uit in je eigen woorden. Beschrijf daarna een situatie waarin uitbranden de juiste keuze is en een situatie waarin uittikken de enige mogelijkheid is, en verklaar het verschil.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — veldwerk en manieren van uitgaan (CvTE / Examenblad)

§ 04

Een slag- en veldsituatie ontleden#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Spelrollen en hun taak

Wie doet watTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Rol · Team · Kern van de taak; Slagman · Slagteam · Bal wegslaan; Loper · Slagteam · Honken rondlopen; Veldspeler · Veldteam · Bal halen en gooien; Honkspeler · Veldteam · Uitmaken op honk, gemarkeerde cel: Uitmaken op honkROLTEAMKERN VAN DE TAAKSlagmanSlagteamBal wegslaanLoperSlagteamHonken rondlopenVeldspelerVeldteamBal halen en gooienHonkspelerVeldteamUitmaken op honk
Afb. 5Afb. 5 — De vier kernrollen in een slagspel: de slagman slaat, de loper scoort, de veldspeler haalt de bal en de honkspeler maakt uit op het honk.

Kernpunten

Slag- en loopspelen zijn niet alleen een kwestie van goed slaan en snel lopen, maar vooral van de situatie lezen en de juiste keuze maken — dat heet een situatie ontleden. Voor de slagman komt het neer op drie vragen: waar sla ik naartoe, wanneer loop ik door en wanneer blijf ik staan? Voor het veldteam komt het neer op: hoe krijgen we de bal snel onder controle, naar welk honk gooien we, en welke loper maken we uit? Ontleden betekent dat je niet blind reageert, maar vooruitdenkt: je kijkt vóór de slag al waar de veldspelers staan en welke lopers waar staan, zodat je een plan hebt zodra de bal in het spel komt. Een goede speler leest het spel een stap vooruit — de slagman weet al waar de open ruimte is, het veldteam weet al naar welk honk het gaat gooien. Op het schoolexamen wordt van je verwacht dat je een spelsituatie kunt analyseren en je keuze kunt onderbouwen; het gaat er niet alleen om dat je iets doet, maar dat je begrijpt waaróm dat de beste keuze is.
Voor het slagteam draait de tactiek om drie principes die samen het scoren mogelijk maken. Ten eerste: sla de bal ver en onbereikbaar, weg van de veldspelers, zodat je zoveel mogelijk tijd wint. Ten tweede: haal veilig een honk — kies zekerheid boven risico als je twijfelt, want een loper op een honk kan bij een volgende slag alsnog scoren, maar een uitgemaakte loper is weg. Ten derde: loop door als het kan — als de bal ver weg is of in een lege hoek ligt, benut je die ruimte door een extra honk te pakken, want elk honk brengt je dichter bij een punt. De kunst is het evenwicht tussen die principes: te voorzichtig lopen levert weinig punten op, te roekeloos lopen levert veel uitgemaakte lopers op. Een slagteam dat goed ontleedt, kiest per situatie: bij een verre slag in de lege hoek loopt het door, bij een korte bal dicht bij een veldspeler blijft het veilig staan. Op het examen laat je zien dat je deze afweging kunt maken en kunt uitleggen waarom je in een bepaalde situatie doorloopt of juist stopt.
Voor het veldteam draait de tactiek om de bal snel controleren, de juiste loper uitmaken en samenwerken op de posities. Snel controleren betekent dat de dichtstbijzijnde veldspeler achter de bal komt en hem zeker pakt, want een gemiste of gemorste bal geeft de lopers gratis tijd. De juiste loper uitmaken betekent dat je meestal de voorste loper stopt — die staat het dichtst bij een punt — tenzij een andere loper veel makkelijker uit te maken is; je kiest het honk waar je de grootste kans hebt om op tijd te zijn. Samenwerken op de posities betekent dat elke veldspeler zijn plek kent: de honkspelers dekken hun honk zodat er altijd iemand klaarstaat om de aangegooide bal te vangen, de veldspelers roepen naar welk honk gegooid moet worden, en niemand laat een honk onbeschermd. Zo wordt het veld een samenwerkend geheel dat een geslagen bal razendsnel omzet in een uit. Op het schoolexamen kun je gevraagd worden een veldsituatie te ontleden: naar welk honk gooi je, welke loper maak je uit en welke posities zijn daarbij betrokken? Je laat dan zien dat je het veldwerk begrijpt als een gezamenlijke, doordachte actie en niet als los rennen achter de bal.
Uitgewerkt voorbeeld

Het veld ontleden met twee lopers

Er staan lopers op het eerste en het tweede honk. De slagman slaat een bal die stuitert het middenveld in. Jij bent veldspeler in het middenveld en pakt de bal. Ontleed de situatie en bepaal je actie.

  1. 01Controleer de bal

    Je komt achter de bal en pakt hem zeker op; een gemorste bal zou de lopers gratis tijd geven om op te schuiven.

  2. 02Lees de lopers

    Er lopen mogelijk drie lopers tegelijk: van tweede naar derde honk, van eerste naar tweede, en de slagman naar het eerste honk — de voorste (richting derde honk) staat het dichtst bij een punt.

  3. 03Kies loper en honk

    De voorste loper is het dichtst bij scoren; kun je op tijd zijn bij het derde honk, dan gooi je daarnaartoe. Is die te ver, dan kies je een honk waar een gedwongen loop uitbranden mogelijk maakt.

  4. 04Laat de posities samenwerken

    Je roept naar welk honk je gooit, de honkspeler dekt dat honk en staat klaar om de bal te vangen en het honk aan te raken.

Resultaat: Je pakt de bal zeker, kiest de loper die het dichtst bij een punt is (of het honk met een gedwongen loop), en gooit gericht naar de honkspeler die het honk dekt. Zo maak je met samenwerkende posities de gevaarlijkste loper uit in plaats van blind achter de bal aan te rennen.

Eindexamen-focus

  • Een slag- of veldsituatie analyseren en de eigen keuze onderbouwen: waar sla ik, wanneer loop ik door, naar welk honk gooit het veldteam.
  • De spelprincipes van slagteam (ver slaan, veilig honk halen, doorlopen als het kan) en veldteam (snel controleren, juiste loper uitmaken, samenwerken) toepassen.

Veelgemaakte fouten

  • Alleen op de bal reageren zonder vooruit te denken: wie pas ná de slag begint na te denken over waar de bal of de loper naartoe moet, is te laat.
  • Als veldteam de verkeerde (bijvoorbeeld de achterste) loper willen uitmaken terwijl de voorste loper op het punt van scoren staat.

Actieve herhaling

Ontleed als aanvoerder van het veldteam de volgende situatie: er staan lopers op het eerste en tweede honk en de bal wordt in het middenveld geslagen. Beschrijf hoe je de bal snel onder controle krijgt, welke loper je wilt uitmaken, naar welk honk je gooit en welke posities daarbij samenwerken. Onderbouw elke keuze.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — spelinzicht en tactiek in slag- en loopspelen (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Het slaan van de bal: batten○
    • 02Lopen langs de honken: scoren○
    • 03Het veldwerk en de drie manieren om uit te gaan◐
    • 04Een slag- en veldsituatie ontleden●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Spel: slag- en loopspelen

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~21
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — spel: slag- en loopspelen

Vorig onderwerp

Spel: terugslagspelen

Volgend onderwerp

Turnen

EuraStudy·Samenvattingen T·04·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.