EuraStudy
Samenvattingen/Kunst (algemeen)/Massacultuur vanaf 1950
Samenvattingen · Kunst (algemeen)NL · HAVO

Massacultuur vanaf 1950

Vanaf 1950 werd kunst en cultuur voor het eerst massaal: verspreid via media, gemaakt voor een groot publiek en verweven met commercie en consumptie. Je leert de massacultuur en de popcultuur herkennen, de rol van de media (tv, film, reclame) begrijpen en de pop art van Andy Warhol duiden, die de beelden van de consumptiemaatschappij tot kunst maakt. Je leert bovendien het postmodernisme kennen — dat de grens tussen hoge en lage cultuur uitwist en vrij citeert en mengt — en de globalisering en digitalisering van de kunst in onze eigen tijd plaatsen.

4 Onderdelen·~22 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·131313 / 13
Examenprofiel
De massacultuur en de popcultuur herkennen en de rol van de media (tv, film, reclame) verklarenDe pop art (Warhol) duiden als kunst die de beelden van de consumptiemaatschappij overneemt en de grens hoog–laag doorbreektHet postmodernisme benoemen (citeren, mengen, ironie) en de globalisering en digitalisering van de kunst plaatsen
Operatoren:leg uitverklaaranalyseervergelijkberedeneerinterpreteer

basisniveau

Deze context beschrijft de cultuur van je eigen tijd; koppel haar aan de invalshoek vermaak (massavermaak, media) en aan opdrachtgever en macht (de commercie als opdrachtgever).

verhoogd niveau

Zie de massacultuur als het voorlopige eindpunt van de verwereldlijking: kunst wordt product, beeld en media, en het postmodernisme wist de grens tussen kunst en amusement, hoog en laag, uit.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Massacultuur vanaf 1950
    • 01Massacultuur en de rol van de media○
    • 02Pop art en Andy Warhol: de consumptiemaatschappij als kunst◐
    • 03Het postmodernisme: citeren, mengen en ironie●
    • 04Globalisering en digitalisering van de kunst◐
§ 01

Massacultuur en de rol van de media#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kernpunten

Om de cultuur vanaf 1950 te begrijpen, moet je eerst het begrip massacultuur scherp kunnen omschrijven, want het bepaalt de hele context. Massacultuur is cultuur die bestemd is voor en verspreid wordt onder een zeer groot, breed publiek — de massa — in plaats van voor een kleine elite van vorsten, kerk of gegoede burgerij. Zij wordt mogelijk gemaakt door de moderne massamedia en de massaproductie: dezelfde film, plaat, tijdschrift of televisieprogramma bereikt in één keer miljoenen mensen. Na de Tweede Wereldoorlog groeide in het welvarende Westen de vrije tijd en de koopkracht, en ontstond een enorme markt voor amusement, muziek, mode en media gericht op iedereen. Cultuur werd zo een massaproduct, geen voorrecht meer. Dit is een fundamentele verschuiving ten opzichte van alle eerdere contexten, waar kunst voor een beperkt publiek werd gemaakt. Op het examen verklaar je de eigenaardigheden van deze cultuur — de brede toegankelijkheid, de commercie, de rol van de media — vrijwel altijd vanuit dit massakarakter.
De motor achter de massacultuur zijn de massamedia, en je moet hun rol kunnen uitleggen, want zij bepalen hoe cultuur in deze tijd werkt. Massamedia zijn de kanalen die informatie en beeld op grote schaal verspreiden: film en bioscoop, radio, de grammofoon- en later de geluidsdrager, de geïllustreerde pers, en vooral de televisie, die vanaf de jaren vijftig en zestig in vrijwel elk huishouden kwam. Deze media veranderden de cultuur ingrijpend: cultuur werd iets dat je thuis, snel en voortdurend consumeert; beeld en geluid werden alomtegenwoordig; en één artiest, film of programma kon in korte tijd wereldberoemd worden. De media schiepen zo een gedeelde beeldcultuur waarin iedereen dezelfde sterren, liedjes, films en reclames kende. Bovendien vervaagde door de media de grens tussen kunst, amusement en reclame: alles verscheen in dezelfde stroom van beelden op hetzelfde scherm. Op het examen koppel je verschijnselen als de wereldwijde roem van popmuzikanten of filmsterren en de alomtegenwoordigheid van beeld rechtstreeks aan de kracht van de massamedia.
De popcultuur is de meest zichtbare vorm van massacultuur, en je moet haar kunnen herkennen en aan de jongeren en de commercie kunnen koppelen. Popcultuur (populaire cultuur) is de brede cultuur van het grote publiek: popmuziek, films, televisieseries, mode, strips, reclame en later games. Zij ontstond vooral vanaf de jaren vijftig en zestig, toen jongeren voor het eerst een eigen, koopkrachtige groep met een eigen smaak en identiteit werden. Popmuziek, mode en film gaven uiting aan die jeugdcultuur en werden tegelijk grote commerciële producten. Kenmerkend voor de popcultuur is dat zij vermakelijk, toegankelijk, actueel en commercieel is: zij wil een groot publiek plezieren en verkopen, en zij verandert snel met de mode. Zij staat daarmee tegenover de „hoge” kunst die traditioneel als ernstig, moeilijk en tijdloos gold. Op het examen herken je de popcultuur aan haar brede toegankelijkheid, haar commerciële karakter en haar band met vermaak en de jeugd, en verbind je haar met de invalshoek vermaak.
Een belangrijk gevolg van de massacultuur is dat de commercie een nieuwe, machtige opdrachtgever werd, en dat inzicht verbindt deze context met de invalshoek opdrachtgever en macht. Waar vroeger de kerk, de vorst of de burgerij de kunst bestelde en betaalde, is in de massacultuur vaak het bedrijfsleven de sturende kracht: platenmaatschappijen, filmstudio's, omroepen, uitgevers en adverteerders bepalen in hoge mate wat er wordt gemaakt en verspreid, gericht op zoveel mogelijk publiek en winst. Cultuur wordt zo een product dat verkocht moet worden, en de reclame doordringt alles. Dit heeft twee kanten: enerzijds maakt de commercie cultuur breed toegankelijk en levendig; anderzijds kan de druk om te verkopen tot vervlakking en eenvormigheid leiden, en dreigt kunst tot louter amusement en koopwaar te verworden. Deze spanning — tussen brede toegankelijkheid en commerciële vervlakking — is een terugkerend thema in het denken over de massacultuur. Op het examen kun je gevraagd worden de rol van de commercie als opdrachtgever te benoemen en de gevolgen ervan te wegen (Afb. 1).

Hoe de massacultuur werkt

De keten van de massacultuurGraaf, Commercie (opdrachtgever) → Cultuurproduct, Cultuurproduct → Massamedia, Massamedia → Groot massapubliek, Groot massapubliek → Commercie (opdrachtgever)Commercie(opdrachtgever)CultuurproductMassamediaGrootmassapubliekfinanciertverspreid viabereiktkoopt
Afb. 1Afb. 1 — In de massacultuur stuurt de commercie de productie; de media verspreiden het cultuurproduct naar een groot massapubliek.
Uitgewerkt voorbeeld

De rol van de media verklaren

Verklaar hoe het komt dat een popmuzikant vanaf de jaren zestig in korte tijd wereldberoemd kon worden.

  1. 01Bepaal de context

    Vanaf 1950 ontstaat een massacultuur: cultuur voor een groot publiek, verspreid via de massamedia en gedreven door commercie.

  2. 02Benoem de media

    Radio, grammofoonplaten, televisie en film verspreiden dezelfde muziek en beelden tegelijk naar miljoenen mensen in binnen- en buitenland.

  3. 03Koppel media aan roem

    Doordat één artiest via al deze kanalen tegelijk een enorm publiek bereikt, kan hij razendsnel bekend worden bij de hele massa.

  4. 04Benoem de commercie

    Platenmaatschappijen en omroepen investeren in de artiest om zoveel mogelijk publiek en winst te bereiken, wat de roem verder aanjaagt.

Resultaat: De massamedia (radio, plaat, tv, film) verspreiden dezelfde muziek en beelden tegelijk naar miljoenen mensen, en de commercie jaagt dat aan; daardoor kan een popmuzikant in de massacultuur in korte tijd wereldberoemd worden — iets wat in eerdere contexten onmogelijk was.

Eindexamen-focus

  • De massacultuur en de popcultuur omschrijven (cultuur voor een groot publiek, commercieel, via de media) en tegenover de eerdere elitecultuur plaatsen.
  • De rol van de massamedia (film, tv, reclame) verklaren en de commercie als nieuwe, machtige opdrachtgever herkennen.

Veelgemaakte fouten

  • Massacultuur of popcultuur als „geen echte kunst” afdoen, in plaats van haar te herkennen en te analyseren als een op zichzelf staand, invloedrijk cultureel verschijnsel.
  • De rol van de commercie en de media over het hoofd zien bij het verklaren van verschijnselen als wereldwijde popsterren of de alomtegenwoordigheid van beeld.

Actieve herhaling

Leg uit wat massacultuur is en hoe de massamedia haar mogelijk maken. Verklaar vervolgens hoe de commercie in deze context de rol van opdrachtgever heeft overgenomen en welk gevolg dat voor de cultuur kan hebben.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma kunst (algemeen) havo/vwo — massacultuur, popcultuur en de media (CvTE / Examenblad)

§ 02

Pop art en Andy Warhol: de consumptiemaatschappij als kunst#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

De kunst reageerde op de nieuwe massacultuur met een eigen stroming — de pop art — die je moet kunnen omschrijven en herkennen. Pop art (populaire kunst) ontstond in de jaren vijftig en zestig, in Groot-Brittannië en vooral in de Verenigde Staten, en nam als onderwerp juist de wereld van de massacultuur zelf: reclame, stripverhalen, verpakkingen van consumptieartikelen, filmsterren en alledaagse consumptiegoederen. In plaats van „verheven” of „hoge” onderwerpen koos de pop art bewust de banale, alledaagse beelden van de consumptiemaatschappij en verhief die tot kunst. De stijl is vaak vlak, helder, fel gekleurd en onpersoonlijk, alsof het beeld zelf uit de reclame of de strip komt. Zo bracht de pop art de massacultuur de deftige kunstwereld binnen en stelde zij de vraag waarom een soepblik of een stripplaatje geen kunst zou mogen zijn. Op het examen herken je de pop art aan haar onderwerpen uit de reclame- en consumptiewereld en aan haar vlakke, felle, aan de massamedia ontleende beeldtaal.
Andy Warhol is de beroemdste popartkunstenaar, en aan zijn werk en werkwijze kun je de kern van de stroming goed begrijpen. Warhol (1928–1987) maakte kunst van de meest alledaagse en massaal geproduceerde beelden: hij schilderde en zeefdrukte soepblikken van een bekend merk, colaflessen, dollarbiljetten en de portretten van beroemdheden en filmsterren. Kenmerkend is dat hij zijn beelden vaak in series en herhalingen weergaf — hetzelfde blik of gezicht vele malen naast elkaar — en dat hij de zeefdruk gebruikte, een techniek waarmee je een beeld mechanisch en in oplage kunt vermenigvuldigen, net als in de industrie. Warhol noemde zijn atelier zelfs „the Factory” (de fabriek). Zo bootste hij in zijn werkwijze de massaproductie en de eindeloze herhaling van de consumptiemaatschappij na. De persoonlijke, unieke hand van de kunstenaar verdwijnt bijna — precies zoals in de massaproductie. Op het examen herken je Warhol aan de alledaagse consumptiebeelden, de herhaling in series en de mechanische zeefdruktechniek.
De betekenis van Warhols werk is dubbelzinnig, en dat je die dubbelzinnigheid kunt benoemen, is precies wat een goede examenbeschouwing vraagt. Enerzijds lijkt Warhol de consumptiemaatschappij te vieren: hij toont haar glanzende producten en sterren zonder zichtbaar oordeel, koel en fascinerend. Anderzijds houdt hij haar juist een spiegel voor: door een gewoon soepblik eindeloos te herhalen en tot kunst te verheffen, laat hij de leegte, de eentonigheid en de oppervlakkigheid van een cultuur van massaproductie en beroemdheid zien. Zijn beroemde uitspraak dat iedereen in de toekomst vijftien minuten wereldberoemd zal zijn, vat die dubbelzinnigheid over roem en vluchtigheid samen. Warhols werk fascineert en bekritiseert tegelijk; het geeft geen eenduidig oordeel maar dwingt de kijker zelf na te denken over de wereld van reclame, consumptie en beroemdheid. Op het examen beoordeel je pop art daarom niet op klassieke schoonheid, maar op deze reflectie op de massacultuur; je benoemt dat het werk de consumptiewereld tegelijk toont, viert en bevraagt.
Voor de examenbeschouwing is het verhelderend te zien hoe de pop art zich verhoudt tot de eerdere moderne kunst, want dat toont een beslissende omslag die je kunt uitleggen. De avant-garde van de vroege twintigste eeuw (kubisme, De Stijl) was vaak moeilijk, abstract en gericht op een klein, ingewijd publiek; zij bewaakte de grens tussen de „hoge” kunst en de „lage” populaire cultuur. De pop art doorbreekt die grens bewust: zij haalt de beelden van de lage, populaire massacultuur — reclame, strip, consumptie — de hoge kunstwereld binnen en behandelt ze als volwaardig kunstonderwerp. Daarmee stelt zij de scheiding tussen hoge en lage cultuur ter discussie en maakt zij de kunst toegankelijker en herkenbaarder. Deze vermenging van hoog en laag is een eerste stap naar het postmodernisme, dat die grens nog radicaler zal uitwissen. Wie de pop art kan plaatsen als de kunst die de massacultuur binnenhaalt en de grens hoog–laag begint te doorbreken, laat zien de logica van deze context te begrijpen (Afb. 2).

Kenmerken van de pop art

De pop art ontleedTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Aspect · Pop art (Warhol) · Betekenis; Onderwerp · Reclame, consumptie · Massacultuur zelf; Techniek · Zeefdruk, oplage · Massaproductie; Vorm · Herhaling in series · Eentonigheid; Grens · Hoog en laag mengt · Kunst wordt breed, gemarkeerde cel: MassaproductieASPECTPOP ART (WARHOL)BETEKENISOnderwerpReclame, consumptieMassacultuur zelfTechniekZeefdruk, oplageMassaproductieVormHerhaling in seriesEentonigheidGrensHoog en laag mengtKunst wordt breed
Afb. 2Afb. 2 — De pop art neemt onderwerp en beeldtaal uit de massacultuur over; Warhols herhaling en zeefdruk bootsen de massaproductie na.
Uitgewerkt voorbeeld

Warhols herhaling duiden

Verklaar waarom Warhol een gewoon soepblik of een gezicht van een filmster vele malen herhaald in zeefdruk weergeeft.

  1. 01Benoem het onderwerp

    Warhol kiest een alledaags, massaal geproduceerd beeld: een soepblik van een merk of het gezicht van een beroemdheid uit de massacultuur.

  2. 02Benoem de techniek

    Hij gebruikt de zeefdruk en herhaalt hetzelfde beeld vele malen naast elkaar, een mechanische, in oplage werkende techniek.

  3. 03Leg de verwijzing uit

    De herhaling en de mechanische techniek bootsen de massaproductie en de eindeloze reproductie van de consumptiemaatschappij na; de unieke kunstenaarshand verdwijnt.

  4. 04Benoem de betekenis

    Zo toont Warhol de massacultuur en houdt haar tegelijk een spiegel voor: de herhaling onthult de eentonigheid en oppervlakkigheid van een wereld van consumptie en roem.

Resultaat: Door een alledaags beeld mechanisch in zeefdruk te herhalen, bootst Warhol de massaproductie na en laat hij de unieke kunstenaarshand verdwijnen; zo toont hij de consumptiemaatschappij en onthult tegelijk haar eentonigheid en oppervlakkigheid — de pop art viert en bevraagt de massacultuur.

Eindexamen-focus

  • De pop art herkennen (onderwerpen uit reclame en consumptie, vlakke felle beeldtaal) en Warhol duiden (soepblikken, sterren, herhaling, zeefdruk).
  • De dubbelzinnige betekenis van pop art benoemen (de consumptiewereld tegelijk tonen, vieren en bevragen) en de grens hoog–laag zien doorbreken.

Veelgemaakte fouten

  • Pop art alleen zien als een vrolijke viering van reclame en consumptie, zonder de kritische, bevragende kant (de leegte en herhaling van de massacultuur) te benoemen.
  • Warhols herhaling en zeefdruk als gemakzucht of onkunde zien, in plaats van als een bewuste nabootsing van de massaproductie en het uitwissen van de unieke kunstenaarshand.

Actieve herhaling

Je krijgt een popartwerk van Warhol met een alledaags consumptieartikel of een filmster, meermaals herhaald in zeefdruk. Analyseer de popartkenmerken en leg uit hoe het werk de consumptiemaatschappij tegelijk toont en bevraagt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma kunst (algemeen) havo/vwo — pop art en Andy Warhol (CvTE / Examenblad)

§ 03

Het postmodernisme: citeren, mengen en ironie#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Kernpunten

Vanaf de late twintigste eeuw beheerst het postmodernisme het denken over kunst, en je moet dit begrip kunnen omschrijven, ook al is het lastiger te vatten dan een stijl. Het postmodernisme (grofweg vanaf de jaren zeventig) is niet één herkenbare stijl maar een houding en een denkwijze die reageert op het moderne. Het moderne geloofde nog in vooruitgang, in één juiste, zuivere vorm (denk aan De Stijl en het Bauhaus) en in het onderscheid tussen hoge kunst en lage cultuur. Het postmodernisme verliest dat geloof: het gelooft niet meer in één grote waarheid, één vooruitgang of één juiste stijl, en het beschouwt alle stijlen, tijden en bronnen als een grote voorraad waaruit je vrij kunt putten. In plaats van iets volstrekt nieuws te zoeken, hergebruikt, citeert en combineert het postmodernisme bestaande beelden en stijlen. Het is speels, betrekkelijk en vaak ironisch in plaats van ernstig en vooruitstrevend. Op het examen omschrijf je het postmodernisme als deze houding van hergebruik, mengen en relativeren, en niet als een vaste stijl.
De kenmerkende werkwijzen van het postmodernisme moet je kunnen herkennen, want daaraan zie je de houding terug in concrete werken. Ten eerste het citeren: postmoderne kunstenaars, architecten en makers verwijzen bewust naar en lenen uit bestaande kunst, stijlen en beelden uit heden en verleden — een klassieke zuil op een modern gebouw, een verwijzing naar een beroemd schilderij, een fragment uit een oude film. Ten tweede het mengen: verschillende stijlen, tijden en bronnen worden vrij en verrassend door elkaar gebruikt, zonder de moderne eis van zuiverheid; hoog en laag, oud en nieuw, ernst en amusement lopen door elkaar. Ten derde de ironie: het postmodernisme neemt zichzelf en de traditie niet bloedserieus, maar speelt ermee, met een knipoog, humor of dubbele bodem. Deze middelen — citeren, mengen, ironie — komen voort uit dezelfde houding: als er geen één juiste stijl of waarheid meer is, dan is alles beschikbaar om vrij mee te spelen. Op het examen herken je het postmodernisme aan deze werkwijzen.
Een kernstelling van het postmodernisme is dat de grens tussen hoge en lage cultuur is uitgewist, en dat inzicht verbindt deze paragraaf met de pop art en de hele massacultuur. Waar de moderne kunst de „hoge” kunst nog scherp scheidde van de „lage” populaire cultuur, wist het postmodernisme die scheiding bewust uit: populaire cultuur (reclame, film, strips, popmuziek, televisie) en „serieuze” kunst worden als gelijkwaardig behandeld en vrij vermengd. De pop art had die grens al opengebroken; het postmodernisme voltooit dat proces. Kunst mag putten uit de reclame en de strip, en omgekeerd kan de populaire cultuur „artistiek” zijn; de vraag „is dit hoge of lage cultuur?” verliest haar zin. Deze vermenging past bij een tijd waarin de media alles — kunst, amusement, reclame — in dezelfde beeldstroom naast elkaar zetten. Op het examen kun je gevraagd worden een postmodern werk te herkennen aan deze vermenging van hoog en laag, en het te verbinden met de massacultuur waaruit het voortkomt.
Voor de examenbeschouwing is het waardevol het postmodernisme te plaatsen als het voorlopige eindpunt van de lange lijn door alle contexten, want zo toon je historisch overzicht. Door de eeuwen heen zag je de kunst zich losmaken van vaste opdrachtgevers en vaste doelen: van de dienende kerkkunst, via de vorstelijke representatie en de burgerlijke markt, naar de vrije romantische expressie, de realistische werkelijkheid, de moderne vernieuwingsdrang en ten slotte de massacultuur. Het postmodernisme is daarvan in zekere zin het eindpunt: er is geen bindende traditie, geen één juiste stijl en geen vaste grens tussen kunst en amusement meer; alles is beschikbaar, alles mag naast elkaar bestaan, en de kunstenaar put vrij uit de hele voorraad van de cultuurgeschiedenis. Dat geeft grote vrijheid, maar roept ook de vraag op waar kunst nog voor staat als alles kan. Deze vraag is de kern van de cultuur van onze eigen tijd. Wie het postmodernisme zo kan plaatsen — als uitkomst van de hele ontwikkeling en als de houding van de eigen tijd — laat zien niet alleen deze context, maar de hele leerstof in samenhang te overzien (Afb. 3).

Modern versus postmodern

Twee houdingen tegenover de kunstTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Aspect · Modern · Postmodern; Geloof · Vooruitgang, waarheid · Relativering; Stijl · Eén zuivere vorm · Citeren en mengen; Grens hoog–laag · Scherp gescheiden · Uitgewist; Toon · Ernstig · Ironisch, speels, gemarkeerde cel: UitgewistASPECTMODERNPOSTMODERNGeloofVooruitgang, waarheidRelativeringStijlEén zuivere vormCiteren en mengenGrens hoog–laagScherp gescheidenUitgewistToonErnstigIronisch, speels
Afb. 3Afb. 3 — Het postmodernisme reageert op het moderne: geen één juiste stijl of vooruitgang meer, maar vrij citeren, mengen en relativeren.
Uitgewerkt voorbeeld

Een postmodern gebouw duiden

Verklaar waarom een gebouw dat klassieke zuilen combineert met moderne materialen en dat met een speelse knipoog naar oude stijlen verwijst, postmodern is.

  1. 01Benoem de waarneming

    Het gebouw mengt klassieke elementen (zuilen, frontons) met moderne vormen en materialen, en verwijst met een knipoog naar oude stijlen.

  2. 02Herken het citeren

    De klassieke elementen zijn bewuste citaten uit de bouwgeschiedenis, overgenomen en hergebruikt in een nieuwe context.

  3. 03Herken het mengen en de ironie

    Oude en nieuwe stijlen lopen vrij door elkaar, zonder de moderne eis van zuiverheid; de speelse knipoog toont ironie en relativering.

  4. 04Concludeer

    Citeren, mengen en ironie samen zijn de postmoderne houding: er is geen één juiste stijl meer, dus put de maker vrij uit de hele voorraad van de geschiedenis.

Resultaat: Het gebouw citeert klassieke elementen, mengt oude en nieuwe stijlen vrij en doet dat met ironie; deze werkwijzen tonen de postmoderne houding, waarin geen één juiste stijl of waarheid meer geldt en de maker vrij uit de hele cultuurgeschiedenis put.

Eindexamen-focus

  • Het postmodernisme omschrijven als een houding van citeren, mengen en ironie, zonder geloof in één juiste stijl of grote waarheid.
  • Herkennen dat het postmodernisme de grens tussen hoge en lage cultuur uitwist en het verbinden met de pop art en de massacultuur.

Veelgemaakte fouten

  • Het postmodernisme als één herkenbare stijl behandelen, terwijl het juist een houding van hergebruik, mengen en relativeren is die vele vormen aanneemt.
  • Het citeren en mengen van oude stijlen als gebrek aan originaliteit zien, in plaats van als een bewuste postmoderne strategie na het verlies van geloof in één juiste, nieuwe vorm.

Actieve herhaling

Je krijgt een postmodern werk (bijvoorbeeld een gebouw of beeld dat klassieke en moderne stijlen mengt en met een knipoog citeert). Leg uit welke postmoderne werkwijzen (citeren, mengen, ironie) je herkent en hoe het werk de grens tussen hoge en lage cultuur uitwist.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma kunst (algemeen) havo/vwo — het postmodernisme (CvTE / Examenblad)

§ 04

Globalisering en digitalisering van de kunst#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

De massacultuur van onze eigen tijd wordt ten slotte gevormd door de globalisering, en je moet dit begrip kunnen omschrijven en op de cultuur toepassen. Globalisering is het proces waarin de wereld door handel, reizen, media en techniek steeds sterker met elkaar verbonden raakt, zodat afstanden en grenzen in belang afnemen. Voor de cultuur betekent dit dat films, muziek, mode en beelden zich wereldwijd verspreiden en dat mensen overal ter wereld dezelfde populaire cultuur delen. Dit heeft twee kanten. Enerzijds ontstaat een gedeelde wereldcultuur en kunnen invloeden uit alle windstreken zich vrij vermengen, wat de cultuur verrijkt en verbindt. Anderzijds dreigt uniformering: dezelfde grote, vaak westerse of commerciële producten overheersen overal, wat plaatselijke, eigen culturen kan verdringen. Deze spanning tussen wereldwijde verbondenheid en het verlies van eigenheid is kenmerkend voor de hedendaagse cultuur. Op het examen verbind je de globalisering met de wereldwijde verspreiding van populaire cultuur en met de invalshoek interculturaliteit (de ontmoeting en vermenging van culturen).
De tweede grote kracht in de kunst van vandaag is de digitalisering, en je moet kunnen uitleggen hoe zij het maken en verspreiden van kunst ingrijpend verandert. Digitalisering is de overgang naar digitale techniek: de computer, het internet, de smartphone en de sociale media. Zij heeft de cultuur opnieuw omgewoeld. Kunst kan nu digitaal worden gemaakt (digitale beelden, muziek, video, games, ontwerp) en oneindig en kosteloos worden gekopieerd en verspreid via het internet. Beeld en geluid zijn overal en altijd beschikbaar op elk scherm. Bovendien kan in principe iedereen nu zelf cultuur maken en wereldwijd publiceren — via sociale media, video's en muziek online — waardoor de scheiding tussen maker en publiek vervaagt. De digitalisering versterkt zo de kernkenmerken van de massacultuur (brede toegankelijkheid, alomtegenwoordigheid van beeld, snelheid) en voegt er de interactiviteit en de eindeloze, kosteloze reproductie aan toe. Op het examen herken je de digitalisering aan deze nieuwe technische mogelijkheden en aan de vervagende grens tussen maker en publiek.
Globalisering en digitalisering versterken elkaar, en dat samenspel moet je kunnen doorzien, want het bepaalt de cultuur van je eigen tijd. Het internet en de sociale media zijn immers bij uitstek wereldwijd: een digitaal gemaakt beeld, filmpje of nummer kan in enkele uren de hele aardbol rondgaan en overal tegelijk worden bekeken en gedeeld. Zo maakt de digitalisering de globalisering nog sneller en vollediger: culturele producten en invloeden verspreiden zich vrijwel onmiddellijk over de hele wereld, en makers uit alle windstreken kunnen elkaar direct beïnvloeden. De hedendaagse cultuur is daardoor tegelijk wereldwijd, digitaal, razendsnel en voor iedereen toegankelijk — het voorlopige eindpunt van de ontwikkeling die met de massacultuur na 1950 begon. Deze cultuur biedt ongekende vrijheid en verbondenheid, maar roept ook vragen op over eigenheid, kwaliteit, waarheid en de overvloed aan beeld. Op het examen kun je gevraagd worden dit samenspel van globalisering en digitalisering te herkennen in een hedendaags cultureel verschijnsel.
Voor de examenbeschouwing sluit deze paragraaf de hele leerstof af, en het is waardevol de grote lijn nog eens te overzien, want juist dat overzicht toont dat je het vak beheerst. Je hebt de kunst zien reizen door zes contexten met telkens een eigen wereldbeeld, opdrachtgever en stijl: de godgerichte kerkkunst, de vorstelijke hofcultuur, de burgerlijke markt, de gevoelige Romantiek en het nuchtere realisme, de vernieuwende moderne avant-garde, en ten slotte de massacultuur van je eigen tijd. Door al die contexten heen liep een gestage verwereldlijking en democratisering: de kunst maakte zich los van de kerk en de vorst, richtte zich op steeds bredere lagen, en werd uiteindelijk in de massacultuur voor iedereen toegankelijk en met commercie, media en techniek verweven. De globalisering en digitalisering zijn daarvan het voorlopige eindpunt: kunst en cultuur zijn nu wereldwijd, digitaal en van iedereen. Wie deze grote lijn kan navertellen en er een concreet werk in kan plaatsen, laat zien de zes contexten en zes invalshoeken als één samenhangend geheel te begrijpen — precies wat kunst (algemeen) van je vraagt (Afb. 4).

Verwereldlijking door de zes contexten

De zes contexten in de tijdTijdlijn van 1000 tot 2000, 1100: Kerk, 1600: Hof, 1650: Burgerij, 1830: Romantiek en realisme, 1920: Modern, 1970: Massacultuur, 1000–1400: Kerk, 1500–1700: Hof en burgerij, 1800–1900: 19e eeuw, 1900–2000: Modern en massa1000jaarKerkHof en burgerij19e eeuwModern en massa1100Kerk1600Hof1650Burgerij1830Romantiek enrealisme1920Modern1970Massacultuur
Afb. 4Afb. 4 — De zes contexten tonen een gestage verwereldlijking: van de godgerichte kerkkunst tot de wereldwijde, digitale massacultuur van vandaag.
Uitgewerkt voorbeeld

Een hedendaags verschijnsel in de grote lijn plaatsen

Een online video van een onbekende maker gaat binnen een dag de hele wereld over. Verklaar hoe dit globalisering en digitalisering toont en plaats het in de grote lijn van verwereldlijking.

  1. 01Herken de digitalisering

    De video is digitaal gemaakt en via het internet en de sociale media kosteloos en oneindig verspreid; een gewone maker kan zo wereldwijd publiceren.

  2. 02Herken de globalisering

    Doordat het internet wereldwijd is, bereikt de video in korte tijd mensen over de hele aardbol, die dezelfde cultuur delen.

  3. 03Zie het samenspel

    Digitalisering en globalisering versterken elkaar: de digitale techniek maakt de wereldwijde verspreiding vrijwel onmiddellijk en voor iedereen mogelijk.

  4. 04Plaats in de grote lijn

    Dit is het voorlopige eindpunt van de verwereldlijking door de zes contexten: kunst maakte zich los van kerk en vorst en werd uiteindelijk wereldwijd, digitaal en van iedereen.

Resultaat: De video toont de digitalisering (digitaal gemaakt, gratis en wereldwijd verspreid, iedereen maker) en de globalisering (wereldwijd gedeelde cultuur), die elkaar versterken; zij vormt het voorlopige eindpunt van de verwereldlijking die van de kerkkunst tot de hedendaagse massacultuur loopt.

Eindexamen-focus

  • De globalisering omschrijven (wereldwijde verbondenheid, gedeelde cultuur, dreigende uniformering) en met de wereldwijde populaire cultuur en interculturaliteit verbinden.
  • De digitalisering uitleggen (digitaal maken en verspreiden, internet, sociale media, vervagende grens maker–publiek) en het samenspel met de globalisering doorzien.

Veelgemaakte fouten

  • Globalisering en digitalisering als louter technische of economische begrippen zien, zonder hun gevolgen voor de cultuur (gedeelde wereldcultuur, uniformering, iedereen maker) te benoemen.
  • De hedendaagse digitale cultuur niet als voortzetting van de massacultuur na 1950 herkennen, terwijl zij dezelfde kenmerken (toegankelijkheid, media, commercie) versterkt en uitbreidt.

Actieve herhaling

Leg uit hoe de globalisering en de digitalisering samen de kunst en cultuur van vandaag vormen. Plaats vervolgens een hedendaags cultureel verschijnsel (bijvoorbeeld een wereldwijd verspreide online video of muziekstijl) in de grote lijn van verwereldlijking die door de zes contexten loopt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma kunst (algemeen) havo/vwo — globalisering en digitalisering van de cultuur (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Massacultuur en de rol van de media○
    • 02Pop art en Andy Warhol: de consumptiemaatschappij als kunst◐
    • 03Het postmodernisme: citeren, mengen en ironie●
    • 04Globalisering en digitalisering van de kunst◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Massacultuur vanaf 1950

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~22
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma kunst (algemeen) havo/vwo — massacultuur, popcultuur en de media

Vorig onderwerp

Cultuur van het moderne in de eerste helft van de twintigste eeuw

EuraStudy·Samenvattingen T·13·MMXXVI

Laatste onderwerp van dit vak — terug naar het vakoverzicht.