EuraStudy
Samenvattingen/Handvaardigheid/Kunsttheorie en beeldtaal
Samenvattingen · HandvaardigheidNL · HAVO

Kunsttheorie en beeldtaal

Kunsttheorie gaat over de vraag wat kunst eigenlijk is en wat een werk goed maakt. Je leert de vier grote kunstopvattingen kennen — nabootsing, expressie, abstractie en het conceptuele — elk met een eigen maatstaf voor 'goede kunst'. Daarnaast leer je hoe beeldtaal betekenis overdraagt: van denotatie en connotatie via symboliek naar de semiotiek (teken, betekenaar en betekende). Ten slotte leer je hoe je met begrip van stijl en opvatting een kunstwerk 'leest', ook een ruimtelijk werk.

5 Onderdelen·~26 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 2

T·0666 / 13
Examenprofiel
De vier grote kunstopvattingen (nabootsing, expressie, abstractie/autonomie, conceptueel) herkennen en elk aan hun eigen maatstaf voor goede kunst koppelenBeeldtaal en betekenisoverdracht uitleggen met denotatie en connotatie, symboliek en de semiotische begrippen teken, betekenaar en betekendeHet begrip stijl gebruiken om werk te herkennen, te dateren en in een opvatting en periode te plaatsenEen kunstwerk 'lezen' door beeldtaal, opvatting en stijl te verbinden met een onderbouwde interpretatie
Operatoren:leg uitverklaarvergelijkinterpreteerbenoemberedeneer

basisniveau

Kunsttheorie en beeldtaal horen tot de begripsstof van het centraal examen kunst beschouwen: je moet opvattingen en tekens kunnen herkennen en een werk daarmee kunnen duiden.

verhoogd niveau

In je eigen ruimtelijke werk kun je bewust vanuit een kunstopvatting werken en met beeldtaal en symboliek betekenis toevoegen, en dat in je werkdossier verantwoorden.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 5 onderdelen▾
  1. Kunsttheorie en beeldtaal
    • 01Kunsttheorie en kunstopvattingen○
    • 02Nabootsing en expressie◐
    • 03Abstractie en concept◐
    • 04Beeldtaal: van denotatie naar semiotiek●
    • 05Stijl en het lezen van beeldende kunst●
§ 01

Kunsttheorie en kunstopvattingen#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kernpunten

Kunsttheorie is het nadenken over de vraag wat kunst eigenlijk is en waarom we het ene werk geslaagd noemen en het andere niet. Zo'n antwoord noemen we een kunstopvatting: een samenhangend geheel van ideeen over wat kunst zou moeten zijn en doen. Het belang daarvan voor het beschouwen is groot, want een werk krijgt pas een eerlijke beoordeling als je het meet aan de opvatting waaruit het is gemaakt. Wie een abstract schilderij afwijst omdat het 'nergens op lijkt', hanteert stiekem de maatstaf van de nabootsing, terwijl de maker juist een heel andere bedoeling had. Voor handvaardigheid geldt dit net zo goed voor beeldhouwkunst: een gladde, geidealiseerde marmeren figuur en een ruwe, abstracte bronzen vorm komen uit verschillende opvattingen voort en vragen dus om een verschillende maatstaf. Afb. 1 zet de vier grote opvattingen naast elkaar met hun kernidee, hun maatstaf en een voorbeeld, zodat je ze in een oogopslag kunt vergelijken.

De vier grote kunstopvattingen

De vier kunstopvattingenTabel met 4 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Kunstopvatting · Kernidee · Maatstaf voor goede kunst · Voorbeeld; Nabootsing (mimesis) · kunst beeldt de zichtbare werkelijkheid overtuigend af · gelijkenis, geloofwaardige illusie · een klassiek of renaissanceportret; Expressie · kunst drukt een innerlijke emotie uit · kracht en echtheid van het gevoel · Van Goghs bewogen verfstreken; Abstractie / autonomie · vorm en kleur zijn zelf het onderwerp · harmonie van de zuivere beeldmiddelen · Mondriaans compositie in vlakken; Conceptueel · het idee is het eigenlijke kunstwerk · oorspronkelijkheid en zeggingskracht van het idee · Duchamps readymade, gemarkeerde cel: ConceptueelKUNSTOPVATTINGKERNIDEEMAATSTAF VOOR GOEDEKUNSTVOORBEELDNabootsing (mimesis)kunst beeldt de zichtbarewerkelijkheid overtuigend afgelijkenis, geloofwaardigeillusieeen klassiek ofrenaissanceportretExpressiekunst drukt een innerlijkeemotie uitkracht en echtheid van hetgevoelVan Goghs bewogenverfstrekenAbstractie / autonomievorm en kleur zijn zelf hetonderwerpharmonie van de zuiverebeeldmiddelenMondriaans compositie invlakkenConceptueelhet idee is het eigenlijkekunstwerkoorspronkelijkheid enzeggingskracht van het ideeDuchamps readymade
Afb. 1Afb. 1 — De vier grote kunstopvattingen met hun kernidee, maatstaf en een voorbeeld; de conceptuele opvatting is uitgelicht als de meest verrassende.
Het scharnier van elke kunstopvatting is haar maatstaf: het criterium waaraan zij 'goede kunst' afmeet. Bij de nabootsing is dat de overtuigende gelijkenis met de zichtbare werkelijkheid; hoe echter de illusie, hoe knapper het werk. Bij de expressie is dat de kracht en echtheid van de uitgedrukte emotie; niet de gelijkenis telt, maar hoe raak het gevoel is overgebracht. Bij de abstractie of autonomie is de maatstaf de harmonie en zeggingskracht van de zuiver beeldende middelen zelf — vorm, kleur, lijn en ritme — los van elk herkenbaar onderwerp. En bij de conceptuele opvatting telt vooral de oorspronkelijkheid en de zeggingskracht van het idee achter het werk, meer dan het vakmanschap of de schoonheid ervan. Zodra je die vier maatstaven kent, begrijp je waarom kenners over hetzelfde werk zo verschillend kunnen oordelen: ze leggen er eenvoudigweg een andere lat langs.
De vier opvattingen zijn de nabootsing (ook wel mimesis of imitatie), de expressie, de abstractie of autonomie, en de conceptuele kunst. Het is verleidelijk ze als een nette opeenvolging in de tijd te zien, alsof de ene de andere afloste, maar dat klopt maar half. Ze zijn eerder vier houdingen die naast elkaar bestaan en met elkaar wedijveren; wel is telkens een andere opvatting toonaangevend geweest. De nabootsing beheerste de westerse kunst eeuwenlang, van de klassieke oudheid tot ver in de negentiende eeuw. De expressie kwam sterk op met de romantiek en de moderne kunst. De abstractie brak door in het begin van de twintigste eeuw, en de conceptuele opvatting kreeg vooral vanaf de jaren zestig grote invloed. Toch schildert men vandaag nog steeds naturalistisch en expressief; de opvattingen verdwijnen niet, ze verliezen alleen hun alleenheerschappij. In de laatste sectie zie je deze grote lijn op een tijdlijn terug.
Op het centraal examen gebruik je kunstopvattingen op twee manieren. Ten eerste herken je vanuit welke opvatting een maker heeft gewerkt: dat lees je af aan de vorm (streeft het werk naar gelijkenis, naar emotie, naar zuivere vorm of naar een idee?) en aan de context van de periode. Ten tweede beoordeel je een werk aan de bijbehorende maatstaf en niet aan die van een andere opvatting; dat voorkomt de veelgemaakte fout om moderne kunst met de ogen van de nabootsing af te wijzen. Een handige eerste vraag bij een onbekend werk is dan ook: wat wilde de maker hier bereiken, en met welke maatstaf zou hij zelf willen worden beoordeeld? Wie zo kijkt, doet elk werk recht, van een klassiek portretbuste tot een readymade. Met die houding als basis duiken we in de volgende secties dieper in elk van de vier opvattingen en daarna in de beeldtaal waarmee kunst betekenis overdraagt.
Uitgewerkt voorbeeld

Twee opvattingen, twee maatstaven

Twee makers beelden dezelfde boom af: de een streeft naar een perfecte gelijkenis, de ander naar een uitbarsting van kleur en gevoel. Leg uit vanuit welke opvatting elk werkt en met welke maatstaf je elk moet beoordelen.

  1. 01Herken de eerste opvatting

    De maker die naar een perfecte gelijkenis streeft, werkt vanuit de nabootsing (mimesis): kunst moet de zichtbare werkelijkheid overtuigend weergeven.

  2. 02Herken de tweede opvatting

    De maker die kleur en gevoel laat uitbarsten, werkt vanuit de expressie: niet de gelijkenis maar de uitgedrukte emotie staat voorop.

  3. 03Leg de maatstaven aan

    Het eerste werk beoordeel je op de geloofwaardigheid van de illusie; het tweede op de kracht en echtheid van het gevoel, ook als de boom vervormd of onnatuurlijk gekleurd is.

  4. 04Trek de conclusie

    Beide werken kunnen uitstekend zijn, maar alleen als je elk aan zijn eigen maatstaf meet; het expressieve werk afwijzen omdat de boom 'niet klopt', is de verkeerde lat aanleggen.

Resultaat: Dezelfde boom, twee opvattingen: de een vraagt om de maatstaf van de gelijkenis (nabootsing), de ander om die van het gevoel (expressie). Een eerlijk oordeel meet elk werk aan zijn eigen opvatting.

Eindexamen-focus

  • Herkennen vanuit welke kunstopvatting een werk is gemaakt aan de hand van de vorm en de context.
  • Een werk beoordelen aan de maatstaf van zijn eigen opvatting in plaats van aan een vreemde maatstaf (zoals nabootsing bij abstracte kunst).

Veelgemaakte fouten

  • De vier opvattingen zien als een strikte opeenvolging in de tijd, terwijl ze naast elkaar bestaan en wedijveren.
  • Abstracte of conceptuele kunst afwijzen met het criterium van de nabootsing ('het lijkt nergens op'), en zo de verkeerde maatstaf aanleggen.

Actieve herhaling

Leg uit wat een kunstopvatting is en waarom je een kunstwerk aan de maatstaf van zijn eigen opvatting moet beoordelen. Geef bij twee verschillende opvattingen de bijbehorende maatstaf voor 'goede kunst'.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo — kunsttheorie en kunstopvattingen (CvTE / Examenblad)

§ 02

Nabootsing en expressie#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

De oudste en langst dominante kunstopvatting is de nabootsing, in het Grieks mimesis genoemd: kunst is het overtuigend nabeelden van de zichtbare werkelijkheid. Al bij de Griekse wijsgeren Plato en Aristoteles staat mimesis centraal, en eeuwenlang gold het beheersen van de illusie als het hoogste kunnen. In de renaissance kreeg die opvatting een krachtig gereedschap met het lineair perspectief, dat de schilder als het ware een venster op de wereld liet schilderen: de theoreticus Leon Battista Alberti beschreef het schilderij zelfs letterlijk als een open raam waardoor je de afgebeelde ruimte in kijkt. Het uiterste van deze opvatting is de trompe-l'oeil, het 'bedrieg-het-oog', waarin de illusie zo perfect is dat je een geschilderd voorwerp voor echt aanziet. Afb. 2 zet de nabootsing en de expressie tegenover elkaar en verbindt elke opvatting met enkele sprekende voorbeelden, zodat je het verschil meteen aan concrete werken kunt ophangen.

Nabootsing en expressie met voorbeelden

Nabootsing tegenover expressieGraaf, Nabootsing (mimesis) → klassiek/renaissancebeeld (gelijkenis), Nabootsing (mimesis) → trompe-l'oeil (illusie), Expressie → Van Gogh (emotie in de verf), Expressie → Munch, De schreeuw (1893), Expressie → Die Brucke (vervorming)Nabootsing(mimesis)Expressieklassiek/renaissancebeeld(gelijkenis)trompe-l'oeil(illusie)Van Gogh (emotiein de verf)Munch, Deschreeuw (1893)Die Brucke(vervorming)streeft naaruiterstevoorbeeldvoorbeeldprogramma
Afb. 2Afb. 2 — Nabootsing en expressie met hun voorbeelden; de expressieve opvatting is uitgelicht als de grote vernieuwer van de negentiende en twintigste eeuw.
In de beeldhouwkunst heeft de nabootsing een even lange traditie. De Griekse beeldhouwers streefden naar een natuurgetrouwe, geidealiseerde weergave van het menselijk lichaam, en die norm keerde in de renaissance terug bij makers als Donatello en Michelangelo. Een geslaagd beeld toonde dan een overtuigend levend lichaam, met kloppende anatomie, natuurlijke houding en zorgvuldig weergegeven huid, haar en stof. Toch kreeg de nabootsing in de negentiende eeuw een geduchte concurrent: de fotografie, uitgevonden rond 1839, kon de zichtbare werkelijkheid sneller en nauwkeuriger vastleggen dan welke schilder of beeldhouwer ook. Daarmee verloor de zuivere nabootsing haar vanzelfsprekende voorrang, en gingen kunstenaars op zoek naar wat kunst nog kon zijn als getrouw afbeelden niet langer het doel was. Die zoektocht opende de deur naar de expressie en, later, naar de abstractie en het concept.
De expressieve opvatting draait niet om de buitenwereld maar om de binnenwereld: kunst is de uitdrukking van een innerlijke emotie, ervaring of gemoedstoestand van de maker. De maatstaf verschuift daarmee van gelijkenis naar zeggingskracht; een werk is geslaagd als het gevoel raak en echt is overgebracht, ook als de vorm daarvoor vervormd of overdreven wordt. De romantiek zette deze opvatting op de kaart, en Vincent van Gogh bracht haar tot volle bloei: zijn dik opgezette, wervelende verfstreken en zijn heftige kleuren tonen niet zozeer hoe een korenveld of een sterrennacht er precies uitziet, maar wat het bij hem losmaakte. Edvard Munch verbeeldde in 'De schreeuw' (1893) de pure angst met een golvend, vervormd landschap en een uitgerekt gezicht. Even later maakte de kunstenaarsgroep Die Brucke van deze vervorming een programma: hoekige vormen, felle kleuren en ruwe uitvoering in dienst van een rauw levensgevoel.
Nabootsing en expressie herken je in de praktijk vooral aan de manier waarop de vorm wordt behandeld. Streeft het werk naar een gladde, kloppende, overtuigende weergave, dan overheerst de nabootsing; wordt de vorm juist vervormd, vereenvoudigd of overdreven om een gevoel te versterken, dan is de expressie aan het woord. Let daarbij op de beeldaspecten: onnatuurlijke, symbolische kleuren, een ruwe of onrustige uitvoering, scheve of uitgerekte vormen en heftige contrasten wijzen op expressie. In de beeldhouwkunst zie je hetzelfde verschil tussen een glad geidealiseerd marmerbeeld en Rodins ruwe, gespannen brons, dat het innerlijk zichtbaar maakt (zie het onderwerp over de negentiende eeuw). Op het examen vraagt men je vaak om aan de vorm te beredeneren welke opvatting overheerst; koppel je antwoord dan altijd aan concrete waarnemingen, precies zoals bij het beschrijven en analyseren.
Uitgewerkt voorbeeld

Waarom 'De schreeuw' expressie is

Leg uit waarom Edvard Munchs 'De schreeuw' (1893) tot de expressieve opvatting hoort en niet tot de nabootsing. Betrek de vorm en de kleur in je antwoord.

  1. 01Kijk naar de vorm

    Het landschap golft en kronkelt, de figuur is uitgerekt en vervormd tot bijna een schim; niets streeft naar een correcte, natuurgetrouwe weergave.

  2. 02Kijk naar de kleur

    De hemel is onnatuurlijk fel oranjerood, de kleuren zijn niet beschrijvend maar geladen; ze versterken een gevoel in plaats van een tafereel af te beelden.

  3. 03Bepaal de maatstaf

    Je beoordeelt het werk niet op gelijkenis met de werkelijkheid maar op hoe raak het de emotie overbrengt — hier de pure, allesoverheersende angst.

  4. 04Concludeer

    Omdat vorm en kleur bewust worden vervormd en geladen om een gevoel uit te drukken, werkt Munch vanuit de expressie, niet vanuit de nabootsing.

Resultaat: De golvende vervorming en de onnatuurlijke, geladen kleuren maken 'De schreeuw' tot een expressief werk: het beeldt geen tafereel na, maar drukt de angst zelf uit.

Eindexamen-focus

  • De nabootsing (mimesis) uitleggen als het venster op de wereld, met het lineair perspectief en de trompe-l'oeil als uitersten.
  • Aan de vervorming van de vorm en aan symbolische kleur herkennen dat een werk vanuit de expressie is gemaakt in plaats van de nabootsing.

Veelgemaakte fouten

  • Expressieve vervorming lezen als onkunde ('hij kon niet goed tekenen'), terwijl de vervorming juist een bewust middel is om gevoel over te brengen.
  • Denken dat de fotografie de kunst 'verving'; ze verving de vanzelfsprekende voorrang van de zuivere nabootsing en zette makers aan tot nieuwe opvattingen.

Actieve herhaling

Je krijgt twee werken van dezelfde voorstelling: een naturalistisch en een expressief. Benoem per werk de kunstopvatting en onderbouw dat met minstens twee beeldaspecten (bijvoorbeeld kleurgebruik en de behandeling van de vorm).

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo — nabootsing en expressie (CvTE / Examenblad)

§ 03

Abstractie en concept#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

In het begin van de twintigste eeuw zet een deel van de kunstenaars een radicale stap: zij laten het herkenbare onderwerp helemaal los. Dat is de abstracte of autonome opvatting: kunst hoeft niets meer af te beelden, maar bestaat om zichzelf, om de zuivere werking van vorm, kleur, lijn en ritme. 'Autonoom' betekent hier zelfstandig — het werk verwijst niet naar iets buiten zichzelf, maar is zijn eigen onderwerp. Wassily Kandinsky maakte rond 1910 tot 1913 enkele van de eerste volledig abstracte werken, waarin kleurvlekken en lijnen als een soort muziek voor het oog samenklinken. Piet Mondriaan zocht juist de uiterste soberheid: in zijn neoplasticisme reduceerde hij de schilderkunst tot horizontale en verticale zwarte lijnen, witte vlakken en alleen de primaire kleuren rood, geel en blauw, op zoek naar een universele harmonie en evenwicht. Afb. 3 verbindt de abstractie en de conceptuele opvatting met hun voorbeelden, zodat je beide vernieuwingen aan concrete makers kunt koppelen.

Abstractie en concept met voorbeelden

Abstractie tegenover conceptGraaf, Abstractie / autonomie → Kandinsky (vroege abstractie), Abstractie / autonomie → Mondriaan (neoplasticisme), Abstractie / autonomie → Brancusi (essentiele vorm), Conceptueel: het idee is het werk → Duchamp, readymade (1913-1917), Conceptueel: het idee is het werk → Kosuth, One and Three Chairs (1965)Abstractie /autonomieConceptueel: hetidee is het werkKandinsky(vroegeabstractie)Mondriaan(neoplasticisme)Brancusi(essentielevorm)Duchamp,readymade (1913-1917)Kosuth, One andThree Chairs(1965)voorbeeldvoorbeeldin 3Dreadymadevoorbeeld
Afb. 3Afb. 3 — De abstracte en de conceptuele opvatting met hun voorbeelden; het conceptuele, waarin het idee het werk is, is benadrukt.
De abstractie heeft ook de beeldhouwkunst ingrijpend veranderd, en dat is voor handvaardigheid van bijzonder belang. Constantin Brancusi bracht de vorm terug tot haar essentie: in zijn 'Vogel in de ruimte' is van een vogel geen veer of snavel meer te zien, alleen een gladde, opwaarts strevende vorm die het gevoel van vliegen vangt. Zo bevrijdde de abstractie de sculptuur van de plicht om een figuur na te bootsen; het beeld mocht een zuivere vorm in de ruimte zijn. Iets vergelijkbaars deden de constructivisten, die abstracte constructies van industriele materialen bouwden in plaats van figuren te beelden. Voor een maakvak als handvaardigheid opent dat een wereld: je hoeft niet iets herkenbaars te maken, je kunt met massa, holte, materiaal en vorm zelf een zeggingskrachtig, autonoom object scheppen. In het onderwerp over de moderne kunst kom je deze beeldhouwers uitgebreider tegen.
Nog radicaler is de conceptuele opvatting: daarin is het idee het eigenlijke kunstwerk, terwijl de vorm, het vakmanschap en de schoonheid bijzaak worden. Marcel Duchamp zette de toon met zijn readymades — gewone gebruiksvoorwerpen die hij tot kunst verklaarde door ze te kiezen en te tonen. Zijn 'Bicycle Wheel' (1913) is een fietswiel op een kruk, en zijn beruchte 'Fountain' (1917) is een omgekeerd urinoir dat hij signeerde met de schuilnaam R. Mutt en als sculptuur inzond. Daarmee stelde hij de vraag: wat maakt iets tot kunst — het maken, of de keuze en het idee van de kunstenaar? Decennia later vatte Joseph Kosuth dit samen in 'One and Three Chairs' (1965), waarin een echte stoel, een foto van die stoel en de woordenboekdefinitie van 'stoel' samen de vraag stellen wat een stoel, en wat een kunstwerk, nu eigenlijk is. Bij deze opvatting telt de oorspronkelijkheid en de scherpte van het idee.
Voor een maakvak is de conceptuele opvatting zowel prikkelend als verwarrend, want zij lijkt het ambacht dat je juist leert overbodig te verklaren. Toch is dat een misverstand: idee en uitvoering sluiten elkaar niet uit, ze kunnen elkaar versterken. Een goed conceptueel werk kiest zijn vorm en materiaal juist heel precies, omdat die het idee dragen — Duchamps keuze voor uitgerekend een urinoir is niet toevallig maar provocerend bedoeld. Het beschouwen van conceptueel werk vraagt daarom een andere eerste vraag: niet 'hoe knap is dit gemaakt?' maar 'welk idee of welke vraag stelt dit werk aan de orde?'. Daarmee sluit deze opvatting nauw aan bij het onderwerp betekenis en functie van kunst. Op het examen moet je conceptuele werken herkennen en met hun eigen maatstaf beoordelen; wie een readymade afserveert omdat er 'niets aan gemaakt is', mist het punt en legt opnieuw de verkeerde lat aan.
Uitgewerkt voorbeeld

Duchamps 'Fountain' als conceptueel werk

Leg uit waarom Marcel Duchamps 'Fountain' (1917) een conceptueel werk is en met welke maatstaf je het moet beoordelen.

  1. 01Beschrijf het werk

    Fountain is een gewoon, in de fabriek gemaakt urinoir dat Duchamp omgekeerd plaatste, signeerde als R. Mutt en als sculptuur inzond; hij maakte het voorwerp zelf niet.

  2. 02Bepaal wat het kunstwerk is

    Niet het vakmanschap maakt dit tot kunst, maar het idee: de kunstenaar verklaart een gekozen voorwerp tot kunst en stelt zo de vraag wat kunst eigenlijk is.

  3. 03Leg de maatstaf aan

    Je beoordeelt het werk op de oorspronkelijkheid en de zeggingskracht van dat idee, niet op schoonheid of ambacht; de provocerende keuze van juist een urinoir is deel van de betekenis.

  4. 04Vermijd de valkuil

    Het werk afwijzen omdat er 'niets aan gemaakt is', legt de maatstaf van de nabootsing of het ambacht aan; dat mist de conceptuele bedoeling.

Resultaat: Fountain is conceptueel omdat het idee — een gekozen voorwerp tot kunst verklaren en zo de vraag 'wat is kunst?' stellen — het eigenlijke werk is; je meet het aan de kracht van dat idee, niet aan het vakmanschap.

Eindexamen-focus

  • Uitleggen dat de abstracte (autonome) opvatting het herkenbare onderwerp loslaat en vorm en kleur zelf tot onderwerp maakt (Kandinsky, Mondriaan, Brancusi).
  • De conceptuele opvatting herkennen aan de voorrang van het idee boven het vakmanschap, met de readymade (Duchamp) als sleutelvoorbeeld.

Veelgemaakte fouten

  • Abstracte kunst 'onaf' of 'te makkelijk' noemen, terwijl de maatstaf de harmonie van de zuivere beeldmiddelen is, niet de gelijkenis.
  • Denken dat conceptuele kunst vakmanschap overbodig maakt; idee en uitvoering kunnen elkaar juist versterken, en de vormkeuze draagt het idee.

Actieve herhaling

Vergelijk een abstract werk van Mondriaan met een readymade van Duchamp. Leg uit vanuit welke opvatting elk is gemaakt en met welke maatstaf je elk moet beoordelen; ga in op het verschil tussen zuivere vorm en het zuivere idee.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo — abstractie en conceptuele kunst (CvTE / Examenblad)

§ 04

Beeldtaal: van denotatie naar semiotiek#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Kernpunten

Een kunstwerk spreekt een taal, de beeldtaal: net als woorden dragen beelden betekenis over, en net als bij taal berust die overdracht grotendeels op afspraken die je moet kennen om het beeld te 'lezen'. De basis van die beeldtaal ken je al uit het beschouwen: het onderscheid tussen denotatie en connotatie. De denotatie is de letterlijke inhoud, gewoon wat er te zien is; de connotatie is de bijbetekenis, de gevoelswaarde en de associaties die het beeld oproept. Neem een rode roos: denotatief is dat niet meer dan een bepaalde bloem, maar connotatief roept hij liefde, hartstocht en, met zijn snel verwelkende bloei, ook vergankelijkheid op. Kunstenaars sturen hun betekenis vooral op het niveau van de connotatie, en juist daar begint de rijkere interpretatie. Afb. 4 laat zien hoe een teken uiteenvalt in wat je waarneemt en wat dat oproept, en hoe die twee samen tot betekenis in een context leiden.

Het teken: betekenaar, betekende en betekenis

Teken, betekenaar en betekendeGraaf, Teken: de rode roos → Betekenaar: de waarneembare vorm, Teken: de rode roos → Betekende: het begrip (liefde), Betekenaar: de waarneembare vorm → Betekenis in de context, Betekende: het begrip (liefde) → Betekenis in de contextTeken: de roderoosBetekenaar: dewaarneembarevormBetekende: hetbegrip (liefde)Betekenis in decontextwat zie ik?wat roept hetop?samen, incontextsamen, incontext
Afb. 4Afb. 4 — Het semiotische model: een teken valt uiteen in betekenaar en betekende, die samen in een context de betekenis vormen.
Veel connotaties lopen via de symboliek. Een symbool is een beeld dat volgens afspraak voor iets anders staat dan het zelf is: een schedel staat voor de dood en de vergankelijkheid (denk aan het vanitas-stilleven), een duif voor de vrede of de Heilige Geest, een weegschaal voor het recht. Deze afspraken zijn cultuurgebonden en tijdgebonden; wit staat in de westerse traditie voor reinheid en onschuld, maar in sommige andere culturen juist voor rouw. Daarom kun je een symbool alleen goed lezen als je de code kent waarin het is gemaakt — precies het inzicht dat achter de iconografie en iconologie uit het beschouwen-onderwerp zit. In de beeldhouwkunst werkt dit net zo: een attribuut in de hand van een beeld, de houding van een figuur of het gekozen materiaal (duurzaam marmer of brons voor gezag en eeuwigheid) draagt symbolische betekenis. Wie de symbolen niet herkent, mist een groot deel van wat het werk zegt.
De theorie die het overdragen van betekenis het scherpst ontleedt, is de semiotiek, de leer van de tekens (tekenleer). Haar grondlegger, de taalkundige Ferdinand de Saussure, splitste elk teken in twee onlosmakelijke helften: de betekenaar en het betekende. De betekenaar is de waarneembare vorm — de klank van een woord, of in de kunst de zichtbare vorm, kleur of lijn. Het betekende is het begrip of de voorstelling die daarbij in je hoofd opkomt. Bij de rode roos is de geschilderde roos de betekenaar en het begrip 'liefde' het betekende. Cruciaal is dat het verband tussen die twee vaak niet vanzelfsprekend maar afgesproken (arbitrair) is: er is geen natuurwet die zegt dat een roos liefde moet betekenen, het is een culturele conventie. Daarom kan dezelfde betekenaar in een andere cultuur of tijd een ander betekende dragen, en daarom is kennis van de context onmisbaar om een teken juist te lezen.
De semioticus Charles Sanders Peirce voegde een handig onderscheid toe in de manier waarop tekens naar hun betekenis verwijzen. Een icoon lijkt op datgene waarnaar het verwijst, zoals een realistisch portret of een pictogram; een index heeft een oorzakelijk of feitelijk verband, zoals rook die naar vuur verwijst of een voetafdruk naar een voet; en een symbool verwijst puur op grond van afspraak, zoals de duif naar vrede. Veel kunstwerken combineren deze soorten: een geschilderde duif is tegelijk een icoon (ze lijkt op een duif) en een symbool (ze staat voor vrede). Voor het beschouwen is dit gereedschap goud waard, want het dwingt je precies te benoemen hoe een beeld betekenis maakt. Op het examen pas je dit toe door bij een werk de betekenaar (wat zie ik?) en het betekende (wat roept dat op?) te scheiden en de betekenis vervolgens in de context te plaatsen — waarmee je het lezen van kunst, het onderwerp van de laatste sectie, methodisch onderbouwt.
Uitgewerkt voorbeeld

Een schedel in een vanitas-stilleven lezen

In een zeventiende-eeuws stilleven ligt een schedel tussen boeken en een gedoofde kaars. Lees dit teken met de begrippen denotatie, connotatie, betekenaar en betekende.

  1. 01Denotatie (betekenaar)

    Letterlijk zie je een menselijke schedel, geschilderd tussen andere voorwerpen; de geschilderde schedel is de waarneembare betekenaar.

  2. 02Connotatie (betekende)

    Volgens de westerse traditie roept de schedel de dood en de vergankelijkheid op; dat begrip is het betekende, de bijbetekenis die je eraan verbindt.

  3. 03Betrek de context

    In een vanitas-stilleven versterken de gedoofde kaars en het vergankelijke rondom de schedel de boodschap: al het aardse is tijdelijk. De context stuurt welk betekende geldt.

  4. 04Formuleer de betekenis

    Betekenaar (de schedel) en betekende (dood, vergankelijkheid) leveren samen, in deze context, de betekenis: een aansporing om stil te staan bij de vergankelijkheid van het leven.

Resultaat: De schedel is een symbool waarvan de betekenaar (het geschilderde bot) en het betekende (dood en vergankelijkheid) in de context van het vanitas-stilleven samen de betekenis vormen; zonder kennis van die code lees je alleen de denotatie.

Eindexamen-focus

  • Denotatie en connotatie scheiden en uitleggen hoe symboliek (schedel, duif, weegschaal) cultuurgebonden connotaties overdraagt.
  • De semiotische begrippen teken, betekenaar en betekende toepassen en het arbitraire, contextafhankelijke verband tussen betekenaar en betekende benoemen.

Veelgemaakte fouten

  • Bij de betekenis blijven steken op de denotatie en de symbolische connotaties over het hoofd zien.
  • Denken dat een symbool overal en altijd hetzelfde betekent; symbolen zijn cultuur- en tijdgebonden, zodat dezelfde betekenaar een ander betekende kan dragen.

Actieve herhaling

Kies een kunstwerk met een duidelijk symbool (bijvoorbeeld een schedel, een duif of een weegschaal). Scheid de denotatie van de connotatie, benoem de betekenaar en het betekende, en leg uit waarom je de context nodig hebt om het teken juist te lezen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo — beeldtaal en semiotiek (CvTE / Examenblad)

§ 05

Stijl en het lezen van beeldende kunst#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Kernpunten

Het laatste sleutelbegrip is stijl: de kenmerkende manier van vormgeven waaraan je werk herkent. Stijl gaat niet over wat er is afgebeeld, maar over hoe het is gemaakt — de vormentaal, de kleurbehandeling, de compositie en de uitvoering die samen een handtekening vormen. Je onderscheidt verschillende soorten. De persoonlijke stijl is het herkenbare handschrift van een maker: aan Van Goghs verfstreek of aan Mondriaans rasters herken je hem meteen. De tijd- of groepsstijl is de gedeelde vormentaal van een periode of stroming, zoals de renaissance, de barok of het kubisme. Daarnaast bestaat een streek- of cultuurstijl. Omdat stijl zo herkenbaar is, is hij het belangrijkste gereedschap om een werk op stijl te dateren en in een periode te plaatsen — een vaardigheid die het centraal examen telkens toetst. Afb. 5 toont als grote lijn wanneer elk van de vier opvattingen opkwam en toonaangevend werd.

De opkomst van de vier kunstopvattingen

Opkomst van de vier opvattingen, 1400-2000Tijdlijn van 1400 tot 2000, 1450: Nabootsing: lineair perspectief, 1800: Expressie: de romantiek, 1839: Fotografie daagt de nabootsing uit, 1910: Abstractie: Kandinsky, Mondriaan, 1917: Conceptueel: Duchamps readymade, 1965: Conceptuele kunst: Kosuth, 1400–1850: Nabootsing overheerst, 1800–1920: Expressie, 1910–1970: Abstractie, 1917–2000: Conceptueel14002000jaarNabootsingoverheerstExpressieAbstractieConceptueel1450Nabootsing:lineair perspec…1800Expressie: deromantiek1839Fotografie daagtde nabootsing u…1910Abstractie:Kandinsky, Mond…1917Conceptueel:Duchamps readym…1965Conceptuelekunst: Kosuth
Afb. 5Afb. 5 — De grote lijn: wanneer elk van de vier opvattingen opkwam en toonaangevend werd. De banden overlappen, want opvattingen blijven naast elkaar bestaan.
Stijl en opvatting hangen samen: elke periode heeft een voorkeur voor een bepaalde kunstopvatting, en die voorkeur zie je aan de stijl terug. De grote lijn loopt van de nabootsing, die van de klassieke oudheid tot ver in de negentiende eeuw toonaangevend bleef, via de expressie, die met de romantiek en de moderne kunst opkwam, naar de abstractie in het begin van de twintigste eeuw en ten slotte de conceptuele opvatting vanaf ongeveer de jaren zestig. Belangrijk is dat je die tijdlijn niet leest als een estafette waarin de ene opvatting de andere netjes aflost; het zijn eerder golven die opkomen, dominant worden en daarna naast de nieuwe blijven bestaan. Ook vandaag wordt er naturalistisch, expressief, abstract en conceptueel gewerkt, vaak door elkaar. De tijdlijn toont dus vooral wanneer een opvatting doorbrak en het beeld ging bepalen, niet wanneer de vorige ophield — een nuance die je op het examen laat zien dat je de grote lijn echt begrijpt.
Met stijl, beeldtaal en de opvattingen op zak kun je een kunstwerk volledig 'lezen'. Dat lezen verloopt langs de vertrouwde weg. Eerst beschrijf je de denotatie: wat is er letterlijk te zien, welke voorstelling en welke beeldaspecten? Dan analyseer je de beeldtaal en de stijl: welke tekens, symbolen en connotaties draagt het werk, en aan welke persoonlijke of tijdstijl herken je het? Vervolgens interpreteer je: vanuit welke kunstopvatting is dit gemaakt, en welke betekenis komt daaruit voort? Ten slotte plaats je het geheel in de context van maker, tijd en opdrachtgever. Zo wordt 'lezen' geen los raden maar een methodische opeenstapeling waarin elke stap de volgende voedt. Bij ruimtelijk werk voeg je telkens de driedimensionale aspecten toe: het materiaal en zijn symboliek, de massa en de holte, en het feit dat je om het beeld heen loopt en het van meerdere standpunten leest.
De winst van dit alles op het examen is dat je een werk niet alleen kunt beschrijven, maar ook kunt dateren, plaatsen en eerlijk beoordelen. Herken je de stijl, dan weet je vaak al in welke periode en stroming je zit; herken je de opvatting, dan weet je met welke maatstaf je moet oordelen. Daarmee ontwijk je de klassieke valkuil waarmee dit onderwerp begon: een abstract of conceptueel werk afwijzen met het criterium van de nabootsing, of andersom een readymade prijzen om een vakmanschap dat er niet toe doet. Wie stijl, beeldtaal en opvatting samenbrengt, doet elk werk recht — van een klassiek portretbuste tot een abstracte sculptuur of een readymade — en levert precies de onderbouwde, methodische beschouwing waar het centraal examen kunst beschouwen om vraagt.
Uitgewerkt voorbeeld

Een werk op stijl dateren en de opvatting bepalen

Je ziet een schilderij met alleen zwarte lijnen, witte vlakken en de primaire kleuren rood, geel en blauw. Bepaal de stijl en de kunstopvatting, dateer het op stijl en leg uit met welke maatstaf je het beoordeelt.

  1. 01Herken de stijl

    Het strakke raster van horizontale en verticale lijnen met alleen primaire kleuren is de persoonlijke stijl van Mondriaan en de tijdstijl van het neoplasticisme (De Stijl).

  2. 02Dateer op stijl

    Die vormentaal ontstaat in het begin van de twintigste eeuw, rond 1917 en de jaren twintig; op stijl plaats je het werk dus in de vroege moderne kunst.

  3. 03Bepaal de opvatting

    Er is geen herkenbaar onderwerp; vorm en kleur zijn zelf het onderwerp. Dit is de abstracte, autonome opvatting, gericht op universele harmonie en evenwicht.

  4. 04Leg de maatstaf aan

    Je beoordeelt het werk op de harmonie en het evenwicht van de zuivere beeldmiddelen, niet op gelijkenis; de nabootsing als maatstaf zou hier volstrekt misplaatst zijn.

Resultaat: Aan de strakke stijl herken je Mondriaans neoplasticisme uit de vroege twintigste eeuw; het is abstracte, autonome kunst die je meet aan de harmonie van vorm en kleur, niet aan gelijkenis met de werkelijkheid.

Eindexamen-focus

  • Het begrip stijl (persoonlijke stijl, tijd-/groepsstijl) gebruiken om een werk te herkennen, op stijl te dateren en in een periode te plaatsen.
  • Een werk methodisch 'lezen' door beeldtaal, stijl en kunstopvatting te verbinden met een onderbouwde interpretatie en de context.

Veelgemaakte fouten

  • De tijdlijn van opvattingen lezen als een estafette waarin elke opvatting de vorige vervangt, terwijl ze naast elkaar blijven bestaan.
  • Stijl verwarren met onderwerp; stijl gaat over de manier van vormgeven (het 'hoe'), niet over wat er is afgebeeld (het 'wat').

Actieve herhaling

Kies een kunstwerk en 'lees' het volledig: beschrijf de denotatie, analyseer de beeldtaal en de stijl, bepaal de kunstopvatting en formuleer een onderbouwde interpretatie met de context. Geef bij een ruimtelijk werk ook minstens twee driedimensionale aspecten.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo — stijl en het lezen van beeldende kunst (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 05

    • 01Kunsttheorie en kunstopvattingen○
    • 02Nabootsing en expressie◐
    • 03Abstractie en concept◐
    • 04Beeldtaal: van denotatie naar semiotiek●
    • 05Stijl en het lezen van beeldende kunst●

0/5 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Kunsttheorie en beeldtaal

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~26
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo — kunsttheorie en kunstopvattingen

Vorig onderwerp

Betekenis, functie en context van kunst en vormgeving

Volgend onderwerp

Kunstgeschiedenis: renaissance en barok

EuraStudy·Samenvattingen T·06·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.