EuraStudy
Samenvattingen/Geschiedenis/Tijd van jagers en boeren (prehistorie)
Samenvattingen · GeschiedenisNL · HAVO

Tijd van jagers en boeren (prehistorie)

Het eerste tijdvak (tot ongeveer 3000 v.Chr.) omvat de prehistorie: van rondtrekkende jager-verzamelaars naar de eerste boeren en de eerste steden. De grote omwenteling is de landbouwrevolutie (neolithische revolutie), die leidde tot vaste woonplaatsen, voedseloverschotten, arbeidsverdeling en uiteindelijk de eerste stedelijke samenlevingen en het schrift. In de Lage Landen verliep dit trager: pas rond 5300 v.Chr. verscheen hier de landbouw, en rond 3400–3100 v.Chr. bouwde de trechterbekercultuur de hunebedden.

4 Onderdelen·~20 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3

T·0333 / 15
Examenprofiel
De leefwijze van jager-verzamelaars beschrijven (nomadisch, kleine groepen, aangepast aan de natuur)De landbouwrevolutie en haar gevolgen verklaren (sedentair leven, voedseloverschot, arbeidsdeling)Het ontstaan van de eerste steden en van het schrift plaatsen en het belang ervan uitleggenDe Nederlandse context van de prehistorie plaatsen (bandkeramiek, hunebedden, archeologie als bron)
Operatoren:beschrijfleg uitverklaartoon aanplaats

basisniveau

De leefwijze van jager-verzamelaars, de landbouwrevolutie en het ontstaan van de eerste steden vormen de drie kenmerkende aspecten van dit tijdvak.

verhoogd niveau

Verdieping (SE): vergelijk de neolithische revolutie in verschillende delen van de wereld en onderzoek de rol van archeologie als bron voor de prehistorie.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Tijd van jagers en boeren (prehistorie)
    • 01De leefwijze van jager-verzamelaars○
    • 02De landbouwrevolutie (neolithische revolutie)◐
    • 03De eerste steden en het ontstaan van het schrift◐
    • 04De prehistorie in de Lage Landen: bandkeramiek en hunebedden◐
§ 01

De leefwijze van jager-verzamelaars#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kernpunten

Gedurende verreweg het langste deel van de menselijke geschiedenis leefden mensen als jager-verzamelaars: ze jaagden op dieren en verzamelden vruchten, noten, wortels, eieren en schaaldieren. Ze trokken rond — men noemt deze leefwijze nomadisch — omdat het voedsel dat de natuur op één plek bood na verloop van tijd op raakte of met de seizoenen verschoof; het leefgebied en de natuur bepaalden hun bestaan dus volledig. Dit is het eerste kenmerkende aspect van het tijdvak: „de levenswijze van jagers en verzamelaars”. Om de schaal te beseffen: van de honderdduizenden jaren dat er moderne mensen bestaan, leefde de mensheid het overgrote deel als jager-verzamelaar; de boeren, steden en het schrift beslaan pas de laatste paar duizend jaar. De prehistorie heet bovendien zo omdat er nog geen schrift bestond; onze kennis komt daarom niet uit teksten maar vrijwel uitsluitend uit archeologische vondsten — botten, werktuigen, haardplaatsen en grotschilderingen — een punt dat op het examen telkens terugkeert bij bronvragen.
Jager-verzamelaars leefden in kleine groepen van doorgaans enkele tientallen mensen die samen jaagden, samen verzamelden en het voedsel onderling deelden. Er was weinig persoonlijk bezit, en dat is geen toeval: wie voortdurend rondtrekt, kan nu eenmaal niet veel meedragen, dus het opstapelen van goederen had geen zin. Mede daardoor waren de sociale verschillen gering — er bestond nog geen rijke of machtige klasse die zich van de rest onderscheidde. De taakverdeling verliep vaak naar sekse en leeftijd (grofweg: jagen en verzamelen, met veel onderlinge variatie), maar van echte specialisatie in aparte beroepen was geen sprake: iedereen was bij de voedselvoorziening betrokken. Deze betrekkelijke gelijkheid en het ontbreken van vaste bezittingen staan in scherp contrast met de samenleving die na de landbouwrevolutie ontstond, en dat contrast is precies wat de omwenteling zo ingrijpend maakt (zie Afb. 1).

Jager-verzamelaars versus boeren

Twee leefwijzen vergelekenTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Kenmerk · Jager-verzamelaar · Boer; Wonen · Nomadisch · Vaste plaats; Voedsel · Jagen, verzamelen · Akkerbouw, vee; Bezit · Weinig · Voorraad, grond; Sociaal · Gelijk · Verschillen, gemarkeerde cel: Akkerbouw, veeKENMERKJAGER-VERZAMELAARBOERWonenNomadischVaste plaatsVoedselJagen, verzamelenAkkerbouw, veeBezitWeinigVoorraad, grondSociaalGelijkVerschillenVergelijking van de twee leefwijzen op viervergelijkingspunten.
Afb. 1Afb. 1 — De landbouwrevolutie veranderde vrijwel elk kenmerk van het menselijk bestaan.
Kenmerkend voor de jager-verzamelaars is dat de mens zich aanpaste aan de natuur in plaats van de natuur naar zijn hand te zetten. Dat aanpassingsvermogen was verre van „primitief”: het vuur was al beheerst — onmisbaar voor warmte, bescherming tegen roofdieren en het bereiden en verteerbaar maken van voedsel — en men vervaardigde verfijnde werktuigen van steen, bot en gewei. De opeenvolgende ijstijden dwongen groepen zich aan te passen of te migreren, en juist in deze periode verspreidde de moderne mens (Homo sapiens) zich vanuit Afrika over vrijwel de hele wereld, tot in Australië en Amerika. Deze wereldwijde verspreiding en het vermogen om zich aan zeer uiteenlopende klimaten aan te passen vormen de achtergrond waartegen later, na de ijstijden, op verschillende plaatsen de overgang naar landbouw plaatsvond — een overgang die zonder dat verworven technische kunnen ondenkbaar was geweest.
De prehistorie wordt archeologisch ingedeeld naar het gebruikte gereedschap, en die indeling is handig maar vraagt om nuance. Men onderscheidt de oude steentijd (het paleolithicum, de tijd van de jager-verzamelaars), de nieuwe steentijd (het neolithicum, de tijd van de eerste boeren), gevolgd door de bronstijd en de ijzertijd, genoemd naar de metalen die men leerde bewerken. Cruciaal is dat deze indeling niet overal gelijktijdig verliep: de landbouw — de scheidslijn tussen oude en nieuwe steentijd — ontstond op verschillende plaatsen op zeer verschillende momenten. In het Nabije Oosten, in het gebied dat de „Vruchtbare Halvemaan” heet, begon de landbouw het vroegst, rond 10.000 v.Chr.; in de Lage Landen kwam diezelfde landbouw pas millennia later, rond 5300 v.Chr. Wie dus zegt „in de nieuwe steentijd”, moet erbij bedenken dat die „nieuwe steentijd” in Nederland duizenden jaren later begon dan in Mesopotamië — een besef dat het examen graag toetst met een vergelijkings- of chronologievraag.
Uitgewerkt voorbeeld

Bron voor de prehistorie beoordelen

Een archeoloog vindt in een grot dierenbotten met snijsporen, vuurstenen speerpunten en houtskool. Wat kun je hieruit over de bewoners afleiden en waarom is dit een betrouwbare bron?

  1. 01Lees de vondsten

    Dierenbotten met snijsporen wijzen op jacht en het verwerken van vlees; vuurstenen speerpunten op jachtwapens; houtskool op het gebruik van vuur.

  2. 02Trek een conclusie

    De bewoners waren jagers die vuur beheersten en werktuigen maakten — kenmerken van jager-verzamelaars uit de oude steentijd.

  3. 03Beoordeel de bron

    Materiële resten zijn onbedoeld achtergelaten en niet bewerkt om iemand te overtuigen; ze zijn daarom een betrouwbare, zij het beperkte bron. De beperking is dat ze niets vertellen over wat mensen dáchten of geloofden.

Resultaat: De vondsten tonen jagende mensen die vuur en werktuigen gebruikten; als materiële, onbedoelde resten zijn ze betrouwbaar, maar ze geven geen inzicht in denkbeelden.

Eindexamen-focus

  • De kenmerken van de jager-verzamelaarssamenleving benoemen (nomadisch, kleine groepen, weinig bezit, geringe sociale verschillen).
  • Uitleggen waarom we voor de prehistorie op archeologische bronnen zijn aangewezen (er is geen schrift).
  • De archeologische indeling (steentijd, bronstijd, ijzertijd) herkennen en beseffen dat zij niet overal gelijktijdig verliep.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat alle mensen tegelijk en overal op landbouw overgingen, terwijl dat op verschillende plaatsen op verschillende tijden gebeurde.
  • De prehistorie 'primitief' noemen zonder te zien hoe verfijnd het aanpassingsvermogen (vuur, werktuigen, migratie) was.
  • Geschreven bronnen verwachten voor de prehistorie, terwijl die per definitie ontbreken (vandaar 'pre-historie').

Actieve herhaling

Leg uit waarom jager-verzamelaars nomadisch leefden en welke gevolgen die leefwijze had voor hun bezit en hun sociale verhoudingen. Verklaar bovendien waarom historici voor deze periode vooral archeologische bronnen gebruiken en welke beperking die bronnen hebben.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma geschiedenis havo/vwo — tijd van jagers en boeren (CvTE / Examenblad)

§ 02

De landbouwrevolutie (neolithische revolutie)#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

De grootste omwenteling van dit tijdvak is de landbouwrevolutie, ook wel de neolithische revolutie genoemd: de overgang van jagen en verzamelen naar het zelf verbouwen van gewassen (zoals tarwe en gerst) en het houden van vee (zoals schapen, geiten en runderen). Zij begon rond 10.000 v.Chr. in het Nabije Oosten, in de „Vruchtbare Halvemaan” — het boogvormige gebied rond de rivieren de Eufraat, de Tigris en de Nijl, waar wilde graansoorten en temmbare dieren van nature voorkwamen. Het woord „revolutie” is hier verwarrend en verdient uitleg: het slaat níet op snelheid, want de verandering voltrok zich over vele eeuwen, maar op de diepgang. Vrijwel elk aspect van het menselijk bestaan — wonen, voeding, bezit, bevolkingsomvang, sociale verhoudingen — veranderde er ingrijpend door. Dit is het tweede kenmerkende aspect van het tijdvak: „het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen”, en het is het scharnier waar de hele latere geschiedenis op draait.
Door landbouw hoefde men niet langer rond te trekken: boeren gingen sedentair leven — dat wil zeggen op een vaste plaats — in dorpen dicht bij hun akkers, die immers verzorging en bewaking vroegen. Deze overgang naar een vast bestaan had enorme gevolgen. Men kon nu voorraden aanleggen en bezit opbouwen: opgeslagen graan, vee, gereedschap en vooral grond, iets wat een nomade nauwelijks kende. De bevolking kon bovendien groeien, omdat een bewerkte akker meer monden voedde dan hetzelfde stuk land aan jacht en verzameling opleverde. Maar de landbouw was ook risicovoller en arbeidsintensiever dan de jacht: één misoogst, droogte of ziekte kon honger betekenen, en het werk op het land was zwaar en langdurig. De overgang was dus geen eenduidige „vooruitgang” maar veeleer een ruil — méér mensen en méér bezit, in ruil voor harder werken, nieuwe kwetsbaarheden en, zo weten we uit skeletonderzoek, soms zelfs een slechtere gezondheid.
Zodra er structureel voedseloverschotten waren, hoefde niet langer iedereen aan de voedselproductie deel te nemen — en juist dat opende de deur naar een ingewikkelder samenleving. Er ontstond arbeidsverdeling, ook wel specialisatie genoemd: sommige mensen konden zich toeleggen op een ander vak en werden pottenbakker, wever, smid, priester of bestuurder, terwijl de boeren hen met hun overschot voedden. Met deze specialisatie én met het nieuwe bezit kwamen ook sociale verschillen: wie veel grond, vee of voorraden bezat of controleerde, kreeg meer aanzien en macht dan wie niets had. Zo maakte de betrekkelijke gelijkheid van de jager-verzamelaars plaats voor een samenleving met rijk en arm, met leiders en geleiden. Op deze manier legde de landbouwrevolutie, via de tussenschakel van het voedseloverschot, de basis voor de latere standenmaatschappijen — een oorzaak-gevolgketen die je in Afb. 2 stap voor stap ziet uitgetekend.

Gevolgketen van de landbouwrevolutie

Gevolgketen van de landbouwrevolutieGraaf, Landbouw → Vaste woonplaats, Vaste woonplaats → Voedseloverschot, Voedseloverschot → Arbeidsverdeling, Arbeidsverdeling → Sociale verschillenLandbouwVaste woonplaatsVoedseloverschotArbeidsverdelingSocialeverschillen
Afb. 2Afb. 2 — Van akkerbouw naar sociale verschillen: de gevolgketen die de landbouwrevolutie in gang zette.
De landbouwrevolutie verspreidde zich vanuit het Nabije Oosten geleidelijk over Europa en Azië, en dat verspreidingstempo is voor de Nederlandse context van belang. In de Lage Landen deed de landbouw pas rond 5300 v.Chr. haar intrede, met de zogeheten Bandkeramiekers — de eerste boeren — die zich op de vruchtbare lössgronden van Zuid-Limburg vestigden, terwijl in de rest van het huidige Nederland nog lange tijd jager-verzamelaars leefden. Op weer andere plaatsen op aarde, zoals in Midden-Amerika, China en Nieuw-Guinea, ontstond de landbouw geheel onafhankelijk en op eigen tijdstippen, met eigen gewassen zoals maïs en rijst. Deze ongelijktijdigheid en veelvormigheid zijn een belangrijk inzicht: de tijdvakindeling is Europees gekleurd, maar de landbouwrevolutie was een wereldwijd, meervoudig verschijnsel dat op meerdere plaatsen onafhankelijk het pad naar steden en staten opende. Wie dit begrijpt, vermijdt de fout te denken dat de landbouw zich vanuit één plek als een olievlek over een passieve wereld verspreidde.
Uitgewerkt voorbeeld

Van voedseloverschot naar sociale ongelijkheid

Toon aan dat het voedseloverschot de spil is waardoor arbeidsverdeling en sociale verschillen konden ontstaan.

  1. 01Begin bij het overschot

    Landbouw op een vaste plek maakte het mogelijk meer voedsel te produceren dan de boer zelf nodig had: er ontstond een structureel overschot.

  2. 02Leg de eerste stap

    Omdat niet iedereen meer voltijds voedsel hoefde te produceren, konden sommigen zich toeleggen op andere taken — ambacht, bestuur, godsdienst — en zo ontstond arbeidsverdeling.

  3. 03Leg de tweede stap

    Wie het overschot en de grond beheerste, verwierf aanzien en macht; zo groeiden de sociale verschillen tussen bezitters en niet-bezitters.

Resultaat: Het voedseloverschot is de scharnier: het maakt specialisatie mogelijk en creëert bezit dat macht en dus sociale verschillen oplevert. Zonder overschot geen arbeidsverdeling en geen ongelijkheid.

Eindexamen-focus

  • De landbouwrevolutie definiëren en verklaren waarom zij een 'revolutie' heet ondanks haar trage verspreiding.
  • De gevolgen ordenen: sedentair leven, voorraadvorming en bezit, bevolkingsgroei, arbeidsverdeling en sociale verschillen.
  • Uitleggen dat de landbouw op verschillende plaatsen op verschillende momenten en soms onafhankelijk ontstond.

Veelgemaakte fouten

  • De landbouwrevolutie als een plotselinge, snelle gebeurtenis voorstellen in plaats van als een eeuwenlang proces.
  • De overgang uitsluitend als 'vooruitgang' zien en de nadelen (misoogst, harder werk, ziekten) vergeten.
  • Denken dat de arbeidsverdeling en de sociale ongelijkheid er al waren vóór de voedseloverschotten, in plaats van eruit voort te komen.

Actieve herhaling

Beredeneer hoe de landbouwrevolutie via voedseloverschotten leidde tot arbeidsverdeling en sociale verschillen. Leg in je antwoord uit waarom deze omwenteling een 'revolutie' wordt genoemd hoewel zij zich over eeuwen uitstrekte, en waarom de landbouw in Nederland pas veel later begon dan in het Nabije Oosten.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma geschiedenis havo/vwo — landbouw en landbouwsamenlevingen (CvTE / Examenblad)

§ 03

De eerste steden en het ontstaan van het schrift#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Tijdlijn van de prehistorie tot de eerste steden

Van eerste landbouw tot eerste stedenTijdlijn van -11000 tot -2500, -10000: Eerste landbouw, -5300: Landbouw Limburg, -3500: Eerste steden, -3300: Spijkerschrift, -3100: Hunebedden, -11000–-3500: Neolithicum, -3500–-2500: Eerste steden−11000−2500jaar (v.Chr.)NeolithicumEerste steden−10000Eerste landbouw−5300Landbouw Limburg−3500Eerste steden−3300Spijkerschrift−3100Hunebedden
Afb. 3Afb. 3 — Van de eerste landbouw (ca. 10.000 v.Chr.) via de Nederlandse prehistorie tot de eerste steden en het schrift (ca. 3300 v.Chr.).

Kernpunten

Waar de landbouw het meest opbracht — in de vruchtbare riviervlakten van de Eufraat en de Tigris (samen Mesopotamië, „het land tussen de rivieren”) en langs de Nijl — groeiden dorpen geleidelijk uit tot de eerste steden, rond 3500–3000 v.Chr. Deze steden, zoals Uruk en Ur in het zuiden van Mesopotamië (het gebied van de Soemeriërs), telden duizenden inwoners en waren van een geheel andere orde dan een dorp: er waren tempels, markten, werkplaatsen van ambachtslieden, priesters en bestuurders, en muren ter verdediging. Het ontstaan van deze eerste stedelijke, georganiseerde gemeenschappen is het derde kenmerkende aspect van het tijdvak en markeert tevens het naderende einde van de prehistorie. De rivieren speelden hierin een sleutelrol: hun jaarlijkse overstromingen brachten vruchtbaar slib, en met irrigatie kon men die vruchtbaarheid oogsten — daarom noemt men deze vroegste beschavingen niet voor niets „rivierculturen”.
Een stad met duizenden inwoners kan eenvoudigweg niet bestaan zonder organisatie, en juist die noodzaak bracht nieuwe verschijnselen voort. Het voedsel moest worden verdeeld, de irrigatie — de aanleg en het onderhoud van bevloeiingskanalen — moest centraal worden geregeld, en er moesten regels, rechtspraak en leiders zijn. Zo ontstonden de eerste vormen van bestuur en de eerste wetten. Priesters, die de tempels en de graanvoorraden beheerden, en later koningen kregen gezag over de gemeenschap; er kwam belasting (vaak afgedragen in graan) en er ontstond een leger om de stad en haar land te beschermen. De politieke eenheid die hieruit groeide was de stadstaat: een stad met het omliggende platteland als een zelfstandig bestuurd geheel. Deze stadstaat was de eerste staatsvorm in de geschiedenis en daarmee de verre voorloper van alle latere staten — een lijn die in tijdvak 2 en verder wordt voortgezet.
Om al die administratie te kunnen bijhouden — hoeveel graan er in de tempel lag, wie hoeveel belasting had betaald, welke handelsafspraken golden — ontstond het schrift. In Mesopotamië ontwikkelden de Soemeriërs rond 3300 v.Chr. het spijkerschrift, waarbij men met een rietstengel wigvormige tekens in vochtige kleitabletten drukte; in het oude Egypte ontstonden ongeveer in dezelfde tijd de hiërogliefen. Het schrift was aanvankelijk vooral een praktisch, boekhoudkundig hulpmiddel voor de tempel- en paleiseconomie, en pas geleidelijk werd het ook gebruikt voor wetten, verhalen, brieven en religieuze teksten. Deze uitvinding is een keerpunt van de eerste orde en verdient bijzondere aandacht, want zij bepaalt de grens van onze hele indeling: vanaf het moment dat er geschreven bronnen zijn, spreken historici niet meer van pre-historie maar van geschiedenis. De grens tussen tijdvak 1 en tijdvak 2 valt dan ook ongeveer samen met deze uitvinding, rond 3000 v.Chr.
Het ontstaan van steden, staten en schrift hangt onlosmakelijk samen met de landbouwrevolutie, en dat verband is een schoolvoorbeeld van een historische oorzaak-gevolgketen op lange termijn: zonder voedseloverschot geen grote bevolking, zonder grote bevolking geen steden, zonder complexe steden geen behoefte aan centraal bestuur, en zonder dat bestuur geen dwingende reden om het schrift te ontwikkelen. Elke schakel maakt de volgende mogelijk of noodzakelijk. Tegelijk illustreert deze keten de betekenis van geografie en toeval: juist dáár waar rivieren de grootste overschotten mogelijk maakten, kwam de keten het snelst op gang, terwijl elders — zoals in de Lage Landen — de ontwikkeling veel trager verliep of stokte. Wie op het examen gevraagd wordt uit te leggen waarom de eerste steden juist in Mesopotamië en Egypte ontstonden, kan met deze keten precies laten zien hoe de geografische omstandigheden, via de tussenstappen van overschot en bevolkingsgroei, uiteindelijk tot steden en schrift leidden.
Uitgewerkt voorbeeld

De keten landbouw → stad → schrift

Leg in drie stappen uit hoe de landbouwrevolutie uiteindelijk tot het schrift leidde.

  1. 01Landbouw → grote bevolking

    De vruchtbare riviervlakten van Mesopotamië leverden dankzij irrigatie grote voedseloverschotten, waardoor de bevolking sterk kon groeien en dorpen tot steden uitgroeiden.

  2. 02Stad → bestuur

    Steden met duizenden inwoners vereisten organisatie: verdeling van voedsel, het regelen van irrigatie, belasting en wetten. Zo ontstond een bestuur met priesters en koningen.

  3. 03Bestuur → schrift

    Om voorraden, belastingen en afspraken bij te houden, ontwikkelden de Soemeriërs rond 3300 v.Chr. het spijkerschrift. Zo bracht de administratieve behoefte van de stadstaat het schrift voort.

Resultaat: De keten loopt van landbouwoverschot naar bevolkingsgroei en steden, van steden naar bestuur, en van bestuur naar het schrift — een oorzaak-gevolgketen die de prehistorie afsluit.

Eindexamen-focus

  • Uitleggen waarom de eerste steden juist in vruchtbare riviervlakten (Mesopotamië, Egypte) ontstonden.
  • Het verband leggen tussen stadsgroei, de behoefte aan bestuur en wetten, en het ontstaan van het schrift.
  • De uitvinding van het schrift herkennen als het keerpunt tussen prehistorie en geschiedenis (rond 3000 v.Chr.).

Veelgemaakte fouten

  • Het schrift alleen als 'cultureel' zien en vergeten dat het begon als een praktisch boekhoudmiddel voor de tempeleconomie.
  • Steden en staten losmaken van de landbouwrevolutie in plaats van ze als gevolg ervan te zien.
  • De rol van de rivieren (irrigatie, vruchtbaar slib) over het hoofd zien bij het verklaren van de eerste beschavingen.

Actieve herhaling

Verklaar met behulp van een oorzaak-gevolgketen waarom de uitvinding van het schrift samenhangt met het ontstaan van de eerste steden in Mesopotamië. Leg vervolgens uit waarom de uitvinding van het schrift het einde van de prehistorie markeert.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma geschiedenis havo/vwo — eerste steden en schrift (CvTE / Examenblad)

§ 04

De prehistorie in de Lage Landen: bandkeramiek en hunebedden#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

De prehistorie in de Lage Landen

Nederlandse prehistorie in drie fasenTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Groep · Datering · Aspect; Jager-verzamelaars · lange tijd · Levenswijze jagers; Bandkeramiekers · ca. 5300 v.Chr. · Ontstaan landbouw; Trechterbekercultuur · ca. 3400 v.Chr. · Landbouwsamenleving, gemarkeerde cel: TrechterbekercultuurGROEPDATERINGASPECTJager-verzamelaarslange tijdLevenswijze jagersBandkeramiekersca. 5300 v.Chr.Ontstaan landbouwTrechterbekercultuurca. 3400 v.Chr.LandbouwsamenlevingVan jager-verzamelaars naar boeren met hunebedden — geensteden of schrift.
Afb. 4Afb. 4 — Drie fasen van de Nederlandse prehistorie, elk gekoppeld aan een kenmerkend aspect van het tijdvak.

Kernpunten

Terwijl in het Nabije Oosten de eerste steden al ontstonden, verkeerden de Lage Landen nog volop in de prehistorie — een goed voorbeeld van de ongelijktijdigheid die dit tijdvak kenmerkt. Lange tijd leefden in het gebied van het huidige Nederland en België jager-verzamelaars, die zich aanpasten aan de landschappen van na de laatste ijstijd: bossen, rivieren, moerassen en de kust. Deze mensen jaagden op edelherten, wilde zwijnen en vissen, verzamelden noten en vruchten, en trokken met de seizoenen rond, net als hun tijdgenoten elders. Van hen resten ons vrijwel uitsluitend archeologische sporen — vuurstenen werktuigen, resten van kampementen en heel soms een graf — omdat ook hier het schrift nog volstrekt ontbrak. De Nederlandse prehistorie is daarmee bij uitstek het werkterrein van de archeoloog, en dat maakt de bronnenkritiek die je in het eerste onderdeel leerde hier direct toepasbaar: alles wat we weten, is afgeleid uit stille, materiële resten.
De landbouw bereikte de Lage Landen relatief laat, rond 5300 v.Chr., met de eerste boerengemeenschap die we uit de bodem kennen: de Bandkeramiekers, genoemd naar het bandvormige versieringspatroon op hun aardewerk. Zij vestigden zich op de vruchtbare lössgronden van Zuid-Limburg, waar zij in stevige, langwerpige boerderijen woonden, akkers met graan bewerkten en vee hielden. Dit is de eerste sedentaire, landbouwende cultuur op Nederlandse bodem, en zij laat op kleine schaal precies de gevolgen zien die de landbouwrevolutie overal had: vaste woonplaatsen, voorraadvorming en een gebondenheid aan de grond. Belangrijk is echter dat de landbouw zich vanuit Limburg maar langzaam noordwaarts verspreidde: in grote delen van Nederland bleven nog eeuwenlang jager-verzamelaars leven naast, en in contact met, de eerste boeren. De overgang naar landbouw was in de Lage Landen dus geen plotselinge omslag maar een langgerekt, plaatselijk verschillend proces.
Het bekendste tastbare overblijfsel van de Nederlandse prehistorie zijn de hunebedden in Drenthe: grafmonumenten van enorme zwerfkeien, gebouwd rond 3400–3100 v.Chr. door de mensen van de trechterbekercultuur (genoemd naar de trechtervormige bekers in hun graven). Deze cultuur bestond uit boeren die hun doden collectief begroeven in deze megalithische (uit grote stenen opgebouwde) graven. De hunebedden zijn om meerdere redenen veelzeggend. Ten eerste tonen ze dat er een samenleving bestond die genoeg mankracht kón organiseren om tonnen zware keien te verplaatsen en te stapelen — een teken van coördinatie en van een zekere sociale organisatie. Ten tweede wijzen collectieve graven en grafgiften op gedeelde opvattingen over de dood en mogelijk het hiernamaals. Als bron zijn ze typisch prehistorisch: ze vertellen ons veel over handelen en kunnen (bouwen, begraven), maar zonder begeleidende teksten blijft veel over de precieze denkbeelden en de organisatie giswerk.
Voor het examen is de Nederlandse context van dit tijdvak vooral een concrete toepassing van de drie kenmerkende aspecten op eigen bodem, en juist die verbinding wordt getoetst. De rondtrekkende jager-verzamelaars in de Lage Landen illustreren het eerste aspect (de levenswijze van jagers en verzamelaars); de Bandkeramiekers in Limburg (ca. 5300 v.Chr.) illustreren het tweede aspect (het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen); en de hunebeddenbouwers van de trechterbekercultuur (ca. 3400–3100 v.Chr.) laten een gevestigde landbouwsamenleving met gemeenschappelijke monumenten zien. Wat in de Lage Landen echter ontbreekt, is het derde aspect in zijn volle vorm: hier ontstonden in de prehistorie géén echte steden, staten of schrift zoals in Mesopotamië — die complexe stedelijke beschaving kwam pas veel later en van buitenaf, met de Romeinen in het volgende tijdvak. Wie dit overziet, kan op het examen zowel de wereldwijde lijn (Vruchtbare Halvemaan → eerste steden) als de Nederlandse variant (jager-verzamelaars → bandkeramiek → hunebedden) benoemen, en de twee zuiver naast elkaar leggen — precies het soort vergelijking dat de examenmaker waardeert.
Uitgewerkt voorbeeld

Een hunebed als historische bron beoordelen

Een hunebed in Drenthe bevat menselijke resten, potscherven en stenen werktuigen. Wat kun je hieruit over de bouwers afleiden, en wat kun je juist niet met zekerheid weten?

  1. 01Lees de vondsten

    De enorme keien tonen dat men veel mankracht kon organiseren; de menselijke resten en grafgiften (potten, werktuigen) wijzen op een collectieve begraafplaats met zorg voor de doden.

  2. 02Trek onderbouwde conclusies

    De bouwers waren gevestigde boeren (trechterbekercultuur, ca. 3400–3100 v.Chr.) met een zekere sociale organisatie en gedeelde opvattingen over de dood.

  3. 03Benoem de grenzen van de bron

    Zonder geschreven bronnen weten we niet zeker wat zij precies geloofden, hoe hun bestuur was geregeld of welke taal zij spraken — de materiële resten tonen handelen, niet gedachten.

Resultaat: Het hunebed bewijst een georganiseerde landbouwsamenleving met dodencultus rond 3400–3100 v.Chr.; over de exacte denkbeelden en het bestuur blijft de bron, typisch voor de prehistorie, noodzakelijkerwijs stil.

Eindexamen-focus

  • De Nederlandse prehistorie plaatsen: jager-verzamelaars, de bandkeramiek (ca. 5300 v.Chr.) en de hunebedden (ca. 3400–3100 v.Chr.).
  • De drie kenmerkende aspecten toepassen op de Lage Landen en herkennen dat het derde (steden/staten/schrift) hier in de prehistorie ontbreekt.
  • Hunebedden en aardewerk als typisch archeologische bronnen beoordelen: rijk over handelen, arm over denkbeelden.

Veelgemaakte fouten

  • De hunebedden veel te oud (of veel te jong) dateren; ze stammen uit ongeveer 3400–3100 v.Chr., het late neolithicum.
  • Denken dat er in de Nederlandse prehistorie al steden of een staat waren; die kwamen pas veel later, met de Romeinen.
  • De datum van de bandkeramiek (ca. 5300 v.Chr.) verwarren met de veel oudere start van de landbouw in het Nabije Oosten (ca. 10.000 v.Chr.).

Actieve herhaling

Beschrijf hoe de drie kenmerkende aspecten van dit tijdvak zich in de Lage Landen manifesteerden (jager-verzamelaars, bandkeramiek, hunebedden) en leg uit welk aspect hier in de prehistorie ontbrak en waarom. Beoordeel bovendien wat een hunebed als bron ons wél en niet kan vertellen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma geschiedenis havo/vwo — tijd van jagers en boeren (Nederlandse context) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01De leefwijze van jager-verzamelaars○
    • 02De landbouwrevolutie (neolithische revolutie)◐
    • 03De eerste steden en het ontstaan van het schrift◐
    • 04De prehistorie in de Lage Landen: bandkeramiek en hunebedden◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Tijd van jagers en boeren (prehistorie)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~20
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma geschiedenis havo/vwo — tijd van jagers en boeren

Vorig onderwerp

De tien tijdvakken en kenmerkende aspecten (oriëntatiekennis)

Volgend onderwerp

Tijd van Grieken en Romeinen (oudheid)

EuraStudy·Samenvattingen T·03·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.