EuraStudy
Samenvattingen/Geschiedenis/Tijd van Grieken en Romeinen (oudheid)
Samenvattingen · GeschiedenisNL · HAVO

Tijd van Grieken en Romeinen (oudheid)

Het tweede tijdvak (ca. 3000 v.Chr.–500 n.Chr.) is de klassieke oudheid: de Griekse stadstaten met hun wetenschappelijk denken, filosofie en de eerste democratie, en het Romeinse Rijk met zijn recht, bestuur en de klassieke vormentaal. Nederland raakte via de Romeinse grens aan de Rijn (de limes) bij deze wereld betrokken. Het tijdvak eindigt met de val van het West-Romeinse Rijk in 476 n.Chr.

4 Onderdelen·~21 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Standaard 3 · Verdieping 1

T·0444 / 15
Examenprofiel
De Griekse stadstaat en de Atheense democratie beschrijven en met moderne democratie vergelijkenDe ontwikkeling van wetenschappelijk denken en van burgerschap in de Grieks-Romeinse wereld uitleggenHet Romeinse Rijk, het Romeinse recht en de romanisering (ook in de Lage Landen) verklarenDe ontwikkeling van jodendom en christendom en de klassieke vormentaal plaatsen in het tijdvak
Operatoren:beschrijfleg uitverklaarvergelijktoon aanplaats

basisniveau

Het wetenschappelijk denken en de democratie in de Griekse stadstaat, de klassieke vormentaal, de groei van het Romeinse imperium (republiek → keizerrijk), de confrontatie met de Germaanse cultuur en de ontwikkeling van jodendom en christendom zijn de kenmerkende aspecten van dit tijdvak.

verhoogd niveau

Verdieping (SE): de doorwerking van de klassieke cultuur (recht, filosofie, architectuur) in latere tijdvakken en het lezen en duiden van Latijnse, Griekse en archeologische bronnen over de Lage Landen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Tijd van Grieken en Romeinen (oudheid)
    • 01Griekse stadstaten, wetenschappelijk denken en democratie◐
    • 02Het Romeinse Rijk: van republiek naar keizerrijk, recht en bestuur◐
    • 03De klassieke vormentaal en de ontwikkeling van jodendom en christendom●
    • 04De Romeinen in de Lage Landen en de val van Rome◐
§ 01

Griekse stadstaten, wetenschappelijk denken en democratie#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

In het oude Griekenland ontstonden vanaf ongeveer 800 v.Chr. talrijke zelfstandige stadstaten, in het Grieks polis genoemd (meervoud poleis), zoals Athene, Sparta, Korinthe en Thebe. Een polis bestond uit een ommuurde stad met het omringende platteland en had een eigen bestuur, leger, munt en godsdienst. Griekenland was dus geen eenheidsstaat maar een lappendeken van vaak rivaliserende stadstaten die wél een gemeenschappelijke taal, godenwereld en cultuur deelden. Die politieke versnippering was geen toeval: het bergachtige landschap en de vele eilanden maakten grote rijken moeilijk, terwijl de ligging aan de Middellandse Zee handel en kolonisatie bevorderde. Juist in die kleinschalige, met elkaar wedijverende poleis — waar burgers elkaar kenden en over gemeenschappelijke zaken moesten overleggen — konden nieuwe ideeën over wetenschap, kunst en vooral over bestuur en burgerschap zich snel ontwikkelen. Deze achtergrond verklaart waarom zoveel vernieuwing in deze relatief kleine wereld ontstond.
Een van de twee kenmerkende aspecten van dit tijdvak is de ontwikkeling van het wetenschappelijk denken. De Grieken staan bekend als de eersten die systematisch met het verstand en met argumenten naar verklaringen voor de wereld zochten, in plaats van uitsluitend te vertrouwen op mythen en de wil van de goden. Filosofen als Socrates (die vragen stelde tot een bewering niet meer houdbaar bleek), Plato en zijn leerling Aristoteles onderzochten de natuur, de mens en de samenleving met logische redenering en waarneming. Ook op andere terreinen legden Grieken grondslagen: in de wiskunde (de stelling van Pythagoras, de meetkunde van Euclides), in de geneeskunde (Hippocrates zocht natuurlijke in plaats van bovennatuurlijke oorzaken van ziekten) en in de geschiedschrijving (Herodotus en Thucydides beschreven het verleden op grond van onderzoek). Belangrijk is dat dit rationele denken de goden niet meteen verdrong — geloof en wetenschap bestonden lang naast elkaar — maar het idee dat de wereld met de rede te begrijpen is, werkt tot vandaag door in de westerse wetenschap.
Het tweede kenmerkende aspect is het denken over burgerschap en politiek, dat in Athene uitmondde in de eerste democratie. Het woord democratie betekent letterlijk „volksmacht” (demos = volk, kratos = macht). Rond 508/507 v.Chr. voerde de staatsman Cleisthenes hervormingen door die de macht bij de gewone burgers legden; in de vijfde eeuw v.Chr. groeide dit onder leiders als Perikles uit tot een volwaardig stelsel. De Atheense democratie was een directe democratie: de burgers namen zelf, in de volksvergadering, besluiten over wetten, belastingen en oorlog — er waren geen gekozen vertegenwoordigers zoals in een modern parlement. Ambten werden vaak door loting vervuld, zodat elke burger aan de beurt kon komen. Maar het burgerschap was sterk beperkt: alleen volwassen, vrije mannen die in Athene geboren waren telden mee. Vrouwen, slaven en vreemdelingen (metoiken) — samen de meerderheid van de bevolking — waren uitgesloten. Athene was dus de eerste democratie in beginsel, maar naar moderne maatstaven zeer onvolledig; zie Afb. 1.

Atheense versus moderne democratie

Democratie toen en nuTabel met 3 kolommen en 5 rijen, Gegevens: Punt · Athene (5e v.Chr.) · Modern; Vorm · Direct · Representatief; Stemrecht · Vrije mannen · Alle burgers; Vrouwen · Uitgesloten · Kiesrecht; Slaven · Uitgesloten · Afgeschaft; Schaal · Kleine polis · Miljoenen, gemarkeerde cel: Vrije mannenPUNTATHENE (5E V.CHR.)MODERNVormDirectRepresentatiefStemrechtVrije mannenAlle burgersVrouwenUitgeslotenKiesrechtSlavenUitgeslotenAfgeschaftSchaalKleine polisMiljoenenOvereenkomst: burgers beslissen. Verschil: omvang en vormvan het burgerschap.
Afb. 1Afb. 1 — De Atheense democratie was direct maar zeer beperkt in wie mocht meedoen.
De vergelijking met de moderne democratie is precies wat het examen graag toetst, dus het loont die scherp te maken. Overeenkomst: in beide gevallen beslissen burgers mee over het bestuur, en niet één vorst alleen. Verschillen: de Atheense democratie was direct (burgers stemden persoonlijk) tegenover onze representatieve democratie (we kiezen vertegenwoordigers); zij kende een zeer beperkt burgerschap (alleen vrije mannen) tegenover ons algemeen kiesrecht (alle volwassen burgers, mannen en vrouwen); en zij was alleen mogelijk in een kleine stadstaat waar iedereen kon samenkomen, terwijl een moderne staat miljoenen inwoners telt. Wie Athene „de eerste democratie” noemt, moet die kanttekening er dus bij zeggen. Toch is de betekenis groot: het idee dat gewone burgers samen over hun eigen samenleving mogen beslissen, is in Athene voor het eerst in praktijk gebracht en vormt een van de wortels van de latere Europese politieke cultuur.
Uitgewerkt voorbeeld

De „eerste democratie” beoordelen

Beoordeel de bewering dat Athene „de eerste democratie” had. Leg uit waarom die bewering deels waar en deels misleidend is.

  1. 01Waar

    Athene was de eerste bekende samenleving waar burgers zelf, in de volksvergadering, over wetten en oorlog beslisten; het woord „democratie” (volksmacht) komt er zelfs vandaan, en Cleisthenes legde rond 508 v.Chr. de basis.

  2. 02Misleidend

    Het burgerschap was zeer beperkt: alleen vrije, in Athene geboren mannen mochten meedoen; vrouwen, slaven en vreemdelingen — samen de meerderheid — niet. Het was bovendien direct, niet representatief.

  3. 03Weeg af

    Athene was dus de eerste democratie in naam en beginsel, maar naar moderne maatstaven zeer onvolledig. Wie het „de eerste democratie” noemt, moet die beperking er expliciet bij zeggen.

Resultaat: De bewering klopt in beginsel (burgers beslisten zelf), maar is misleidend zonder de kanttekening dat slechts een minderheid meetelde; het was een directe, maar exclusieve democratie.

Eindexamen-focus

  • De Atheense democratie beschrijven (directe democratie, volksvergadering, loting) én de beperkingen ervan (alleen vrije mannen) benoemen, en vergelijken met de moderne democratie (direct vs. representatief; beperkt vs. algemeen kiesrecht).
  • Uitleggen wat de ontwikkeling van wetenschappelijk denken inhoudt (verklaren met de rede in plaats van uitsluitend met mythen en goden) en dit met een voorbeeld (filosofie, wiskunde, geneeskunde) onderbouwen.
  • De rol van de kleinschalige, rivaliserende polis-wereld als voedingsbodem voor vernieuwing verklaren.

Veelgemaakte fouten

  • De Atheense democratie gelijkstellen aan de moderne: vergeten dat vrouwen, slaven en vreemdelingen waren uitgesloten en dat het een directe, niet een representatieve democratie was.
  • Griekenland als één land voorstellen in plaats van als vele zelfstandige, vaak rivaliserende stadstaten met een gedeelde cultuur.
  • Denken dat het wetenschappelijk denken de mythen en goden meteen volledig verving; geloof en rede bestonden lang naast elkaar.

Actieve herhaling

Vergelijk de Atheense democratie met een moderne parlementaire democratie op twee punten: wie mocht meebeslissen en hoe besluiten werden genomen. Beoordeel vervolgens met een argument of het juist is de Atheense democratie „de eerste democratie” te noemen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma geschiedenis havo/vwo — Griekse cultuur, wetenschap en democratie (CvTE / Examenblad)

§ 02

Het Romeinse Rijk: van republiek naar keizerrijk, recht en bestuur#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Uit de stad Rome groeide vanaf de derde eeuw v.Chr. een reusachtig rijk dat op zijn hoogtepunt (ongeveer 117 n.Chr., onder keizer Trajanus) het hele Middellandse Zeegebied, grote delen van Europa, het Nabije Oosten en Noord-Afrika omvatte. Belangrijk voor het examen is de staatkundige ontwikkeling die Rome doormaakte. Eerst was Rome een koninkrijk; daarna, vanaf ongeveer 509 v.Chr., een republiek, bestuurd door een senaat van vooraanstaande families en jaarlijks gekozen ambtenaren (de consuls) — bewust zó ingericht dat niet één man alle macht kreeg. Na een eeuw van burgeroorlogen kwam daar verandering in: in 27 v.Chr. werd Octavianus, onder de erenaam Augustus, de eerste keizer (princeps). Vanaf dat moment lag de werkelijke macht bij één man. Het kenmerkende aspect is „de groei van het Romeinse imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich in Europa verspreidde” — een centraal geleid rijk met steden, steunend op een sterk leger. Zie de tijdlijn in Afb. 3.
Het Romeinse Rijk bleef zo lang bijeen dankzij drie samenwerkende pijlers, die het examen graag als verklaring vraagt. Ten eerste een professioneel, gedisciplineerd leger: de legioenen bewaakten de grenzen en sloegen opstanden neer. Ten tweede een uitstekende infrastructuur — een dicht net van verharde wegen (vandaar „alle wegen leiden naar Rome”), aquaducten, bruggen en havens — die snelle troepenverplaatsing, handel en bevoorrading mogelijk maakte, zodat het centrale gezag het hele rijk kon bereiken. Ten derde een efficiënt bestuur met een gemeenschappelijke taal (Latijn in het westen, Grieks in het oosten), één munt en één rechtsstelsel. Deze pijlers versterkten elkaar en leverden de Pax Romana op (de „Romeinse vrede”, ongeveer 27 v.Chr.–180 n.Chr.): een lange periode van relatieve rust en bloei waarin handel en steden floreerden. Zie het schema in Afb. 2.

Pijlers van het Romeinse imperium

Drie pijlers van RomeGraaf, Sterk leger → Stabiel imperium, Wegen & aquaducten → Stabiel imperium, Bestuur, recht, taal → Stabiel imperiumSterk legerWegen &aquaductenBestuur, recht,taalStabiel imperium
Afb. 2Afb. 2 — Drie pijlers hielden het imperium bijeen; samen leverden ze de Pax Romana op.
De belangrijkste blijvende erfenis van Rome is het Romeinse recht: een uitgebreid, geschreven rechtsstelsel met beginselen die tot vandaag doorwerken. Denk aan gelijkheid voor de wet voor Romeinse burgers, het idee dat een beschuldigde recht heeft op verdediging, en dat rechtspraak volgens vaste regels verloopt in plaats van naar willekeur. Het Romeinse recht werd in de late middeleeuwen in Europa herontdekt en bestudeerd (onder meer aan de universiteit van Bologna) en vormt de basis van veel moderne rechtsstelsels op het Europese vasteland. Nauw verbonden hiermee was het Romeinse burgerschap (civis Romanus): wie het bezat, had bepaalde rechten en plichten. Het burgerschap werd geleidelijk aan steeds meer inwoners van het rijk verleend — in 212 n.Chr. kregen bijna alle vrije inwoners het — en was zo een krachtig instrument om overwonnen volken aan Rome te binden.
De Romeinen namen veel van de Griekse cultuur over — goden (vaak onder een andere naam), kunst, filosofie, architectuur, literatuur — en gaven die, aangevuld met eigen prestaties in recht, bestuur en techniek, door aan de rest van Europa. Zo ontstond de Grieks-Romeinse cultuur als gemeenschappelijke bron van de latere Europese beschaving; de klassieke vormentaal (zie de volgende sectie) is daar het zichtbaarste voorbeeld van. Tegelijk vond aan de grenzen van het rijk een confrontatie plaats met de Germaanse cultuur: ten noorden van de rijksgrens leefden Germaanse stammen met een heel andere, niet-verstedelijkte samenleving. In de Lage Landen liep die scheidslijn dwars door het land (zie de sectie over de Lage Landen). En binnen het rijk verspreidde zich vanaf de eerste eeuw het christendom, dat het volgende tijdvak zou bepalen — behandeld in de laatste sectie.
Uitgewerkt voorbeeld

Waarom hield het imperium stand?

Toon met drie samenhangende factoren aan waarom het Romeinse Rijk eeuwenlang zo groot kon blijven.

  1. 01Leger

    Een beroepsleger van gedisciplineerde legioenen bewaakte de grenzen (de limes) en sloeg opstanden neer, zodat het rijk militair bijeenbleef.

  2. 02Infrastructuur

    Een net van verharde wegen, havens en aquaducten maakte snelle troepenverplaatsing, handel en bevoorrading mogelijk, waardoor het centrale gezag het hele rijk kon bereiken.

  3. 03Bestuur en recht

    Een gemeenschappelijke taal, één munt en het Romeinse recht met het burgerschap bonden verschillende volken aan Rome en gaven bestuurlijke eenheid.

Resultaat: Leger, infrastructuur en bestuur/recht versterkten elkaar — militaire controle, snelle verbindingen en juridisch-bestuurlijke eenheid — en hielden zo het uitgestrekte imperium samen (Pax Romana).

Eindexamen-focus

  • De ontwikkeling van koninkrijk → republiek (senaat, consuls, ca. 509 v.Chr.) → keizerrijk (Augustus, 27 v.Chr.) beschrijven en de republiek niet met het keizerrijk verwarren.
  • Uitleggen hoe leger, infrastructuur en bestuur (met taal, munt en recht) samen het uitgestrekte imperium bijeenhielden en de Pax Romana opleverden.
  • Het Romeinse recht en burgerschap benoemen als blijvende erfenis en de doorwerking ervan (herontdekking, basis van moderne rechtsstelsels) aangeven.

Veelgemaakte fouten

  • Republiek en keizerrijk door elkaar halen: Rome was eerst eeuwenlang een republiek met senaat en consuls en pas ná 27 v.Chr. een keizerrijk.
  • De Grieks-Romeinse cultuur als puur Romeins voorstellen en de Griekse oorsprong (goden, filosofie, kunst) vergeten.
  • Denken dat de wegen en aquaducten louter versiering waren; ze waren militair en economisch essentieel om het rijk te besturen en bevoorraden.

Actieve herhaling

Verklaar met behulp van drie samenhangende factoren waarom het Romeinse Rijk zo lang stand hield. Leg vervolgens uit waarom het Romeinse recht een blijvende erfenis wordt genoemd.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma geschiedenis havo/vwo — Romeins imperium, republiek, keizerrijk en recht (CvTE / Examenblad)

§ 03

De klassieke vormentaal en de ontwikkeling van jodendom en christendom#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Het christendom en de Romeinse staat

Van vervolging naar staatsgodsdienstGraaf, Vervolgd → 313 toegestaan, 313 toegestaan → ca. 380/391 staatsgodsdienstVervolgd313 toegestaanca. 380/391staatsgodsdienst
Afb. 3Afb. 4 — De positie van het christendom binnen het Romeinse Rijk verschoof van vervolging naar staatsgodsdienst.

Kernpunten

Een apart kenmerkend aspect van dit tijdvak is de klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur: een herkenbare, samenhangende stijl in kunst en bouwkunst die als voorbeeld gold van harmonie, evenwicht en maat. In de bouwkunst herken je haar aan de zuilenorden (Dorisch, Ionisch, Korinthisch), aan tempels met een driehoekig fronton (zoals het Parthenon in Athene) en aan Romeinse toevoegingen als de boog, het gewelf en de koepel (denk aan het Colosseum en het Pantheon in Rome). In de beeldhouwkunst streefden Grieken en Romeinen naar een geïdealiseerde, natuurgetrouwe weergave van het menselijk lichaam in evenwichtige houdingen. „Vormentaal” betekent dat deze stijl een soort taal is die telkens opnieuw gebruikt en „gelezen” kan worden: wie de regels kent, herkent haar meteen. Dat maakt haar zo herkenbaar in bronnen — en zo geschikt om na te volgen.
Het belang van de klassieke vormentaal ligt vooral in haar doorwerking: zij is niet in de oudheid verdwenen, maar telkens opnieuw als voorbeeld genomen. In de renaissance (vanaf de 15e eeuw) grepen kunstenaars en architecten bewust terug op de klassieke oudheid; in de 17e en vooral de 18e eeuw (het classicisme en neoclassicisme) opnieuw. Daarom staan er tot vandaag gebouwen met klassieke zuilen en frontons — regeringsgebouwen, musea, banken, rechtbanken — die met die vorm gezag en waardigheid willen uitstralen. Ook in Nederland zie je dit, bijvoorbeeld aan het Paleis op de Dam of aan tal van 19e-eeuwse gebouwen. Voor het examen is dit een schoolvoorbeeld van continuïteit en van beeldvorming: een stijl uit de oudheid blijft eeuwen later betekenis dragen. Wie een bron met zuilen en een fronton ziet, kan die aan de klassieke vormentaal koppelen en uitleggen waarom die vorm juist voor gezag werd gekozen.
Naast de klassieke cultuur ontwikkelden zich in dit tijdvak twee godsdiensten die Europa blijvend zouden vormen. Het jodendom was al ouder: het is de godsdienst van het Joodse volk, met als kern het geloof in één God (monotheïsme) — uitzonderlijk in een wereld vol veelgodendom (polytheïsme) — en een leefwijze op grond van de wet (de Thora). De Joden woonden in dit tijdvak deels in hun eigen gebied (Judea, dat onder Romeins gezag kwam) en deels verspreid over het rijk. Uit deze Joodse wereld kwam in de eerste eeuw n.Chr. een nieuwe beweging voort: de volgelingen van Jezus van Nazaret, die hem als de beloofde messias (Christus) beschouwden. Zo ontstond het christendom, dat het joodse monotheïsme overnam maar zich er geleidelijk van losmaakte en zich tot niet-Joden richtte.
De verhouding tussen het christendom en de Romeinse staat maakte een opmerkelijke ontwikkeling door, die het examen graag als dateerbare lijn vraagt. Aanvankelijk werden de christenen vervolgd: zij weigerden de Romeinse goden en de keizer te vereren, wat als staatsgevaarlijk gold. Toch groeide het christendom gestaag, ook doordat het armen en slaven aansprak. Er kwam een keerpunt onder keizer Constantijn: met het Edict van Milaan (313 n.Chr.) werd het christendom toegestaan. Enkele decennia later ging de staat nog verder: onder keizer Theodosius werd het christendom rond 380/391 n.Chr. de staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk, waarna de oude heidense erediensten juist werden verboden. Zo werd Rome, dat de christenen eerst vervolgde, uiteindelijk de brug waarlangs het christendom heel Europa bereikte — een ontwikkeling die de kerstening in het volgende tijdvak (monniken en ridders) zou dragen.
Uitgewerkt voorbeeld

De klassieke vormentaal herkennen in een bron

Een foto toont een 19e-eeuws museumgebouw met een rij hoge zuilen en een driehoekig fronton boven de ingang. Toon aan dat hier de klassieke vormentaal doorwerkt en verklaar de keuze.

  1. 01Benoem het aspect

    De klassieke vormentaal is de Grieks-Romeinse bouwstijl met kenmerken als zuilenorden en een driehoekig fronton, gericht op harmonie en maat.

  2. 02Koppel de bron

    De hoge zuilen en het fronton op de foto zijn precies deze klassieke kenmerken; het gebouw grijpt dus terug op de oudheid (doorwerking / (neo)classicisme).

  3. 03Verklaar de keuze

    De klassieke vorm straalt gezag, waardigheid en beschaving uit; een museum (of bank of rechtbank) koos die vorm bewust om ernst en aanzien uit te drukken.

Resultaat: De zuilen en het fronton tonen dat de klassieke vormentaal uit de oudheid in de 19e eeuw doorwerkt; de bouwheer koos die stijl om gezag en waardigheid uit te stralen.

Eindexamen-focus

  • De klassieke vormentaal herkennen aan concrete kenmerken (zuilen, fronton, boog/koepel, geïdealiseerde beeldhouwkunst) en de doorwerking ervan (renaissance, (neo)classicisme, gezagsuitstraling) uitleggen als continuïteit.
  • De dateerbare lijn van het christendom en de Romeinse staat kunnen weergeven: vervolging → toegestaan (Edict van Milaan, 313) → staatsgodsdienst (onder Theodosius, ca. 380/391).
  • Het onderscheid tussen monotheïsme (jodendom, christendom) en het Romeinse polytheïsme benoemen en verklaren waarom dat tot spanningen leidde.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat het christendom vanaf het begin de staatsgodsdienst van Rome was, terwijl het eerst juist werd vervolgd en pas laat in het tijdvak staatsgodsdienst werd.
  • 313 (toegestaan) en 380/391 (staatsgodsdienst) door elkaar halen of samenvatten tot één moment.
  • De klassieke vormentaal alleen als „mooie oude gebouwen” zien en de doorwerking en de bewuste gezagsuitstraling in latere eeuwen missen.

Actieve herhaling

Op een bron staat een 19e-eeuws bankgebouw met klassieke zuilen en een fronton. Leg uit welk kenmerkend aspect uit de oudheid hier doorwerkt en waarom de bouwheer voor juist deze vorm koos. Beschrijf daarnaast in de juiste volgorde de verandering in de positie van het christendom binnen het Romeinse Rijk.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma geschiedenis havo/vwo — klassieke vormentaal, jodendom en christendom (CvTE / Examenblad)

§ 04

De Romeinen in de Lage Landen en de val van Rome#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Tijdlijn van de Grieks-Romeinse oudheid

De klassieke oudheid in kerndataTijdlijn van -520 tot 500, -508: Democratie Athene, -27: Keizer Augustus, 70: Batavenopstand, 117: Rijk grootst, 313: Christendom vrij, 391: Staatsgodsdienst, 476: Val West-Rome, -508–-27: Grieken & Republiek, -27–180: Pax Romana, 180–476: Neergang−520500jaarGrieken &RepubliekPax RomanaNeergang−508DemocratieAthene−27Keizer Augustus70Batavenopstand117Rijk grootst313Christendom vrij391Staatsgodsdienst476Val West-Rome
Afb. 4Afb. 3 — Sleutelgebeurtenissen van de klassieke oudheid, van de Atheense democratie tot 476 n.Chr.

Kernpunten

De Lage Landen raakten bij de klassieke wereld betrokken toen de Romeinen in de eerste eeuw v.Chr. tot aan de Rijn oprukten. De Rijn werd de noordgrens van het rijk: de limes, een verdedigingslinie van forten (castella), wachttorens en wegen langs de rivier. Ten zuiden van de Rijn — het huidige zuiden van Nederland en België — hoorde het gebied bij het Romeinse Rijk; ten noorden woonden „vrije” Germaanse stammen, zoals de Friezen, die nooit blijvend werden onderworpen. Zo liep de scheidslijn tussen de Romeinse en de Germaanse wereld dwars door de Lage Landen. Concreet gaf dit ook de confrontatie tussen beide culturen een lokaal gezicht: aan de ene kant van de rivier verstedelijkte, geromaniseerde bewoners, aan de andere kant een niet-verstedelijkte Germaanse samenleving. De limes is daarmee een van de meest tastbare sporen van de oudheid in Nederland en keert vaak terug in bronvragen.
In het Romeinse deel vond romanisering plaats: de inheemse bevolking nam Romeinse gewoonten over — taal (Latijn), bestuur, bouwwijze, kleding, godsdienst en de geldeconomie — terwijl de Romeinen soms omgekeerd lokale goden en gebruiken overnamen. Er verrezen Romeinse steden, zoals Nijmegen (het Romeinse Noviomagus) en Voorburg (Forum Hadriani), met stenen gebouwen, badhuizen (thermen), tempels en wegen. Romanisering laat zien hoe de Grieks-Romeinse cultuur zich tot in de noordelijke grensgebieden verspreidde en is een concreet, met archeologische vondsten (munten, dakpannen met Latijnse stempels, aardewerk) aantoonbaar voorbeeld van cultuuroverdracht (zie het uitgewerkte voorbeeld). De verhouding was overigens niet altijd vreedzaam: in 69–70 n.Chr. kwamen de Bataven, een Germaanse stam die in de rivierdelta woonde en soldaten aan Rome leverde, onder leiding van Julius Civilis in opstand tegen het Romeinse gezag (de Batavenopstand). De opstand werd uiteindelijk neergeslagen, maar toont dat romanisering ook weerstand opriep.
Vanaf de derde en vierde eeuw kwam het West-Romeinse Rijk onder toenemende druk, met meerdere samenwerkende oorzaken. Binnenlands verzwakten het rijk: politieke instabiliteit (voortdurende machtsstrijd om de keizerstroon), economische neergang, muntontwaarding (het geld werd minder waard) en overbelasting van het leger, dat steeds moeilijker te betalen en te bemannen was. Van buiten drongen Germaanse volken de grenzen binnen — de zogenoemde volksverhuizingen, mede onder druk van de oprukkende Hunnen uit het oosten. In 395 werd het rijk bestuurlijk gesplitst in een West- en een Oost-Romeins deel. In 476 n.Chr. werd de laatste West-Romeinse keizer (Romulus Augustulus) afgezet door de Germaanse legeraanvoerder Odoaker — bij afspraak wordt dat jaar als het einde van de oudheid genomen. Het Oost-Romeinse (Byzantijnse) Rijk bleef daarentegen nog bijna duizend jaar bestaan, met Constantinopel als hoofdstad.
De val van het West-Romeinse Rijk is een klassiek voorbeeld van een gebeurtenis met meerdere, samenwerkende oorzaken (multicausaliteit): interne verzwakking én externe druk versterkten elkaar. Tegelijk is het een keerpunt dat vaak te scherp wordt voorgesteld. Veel Romeinse gewoonten leefden voort: het Latijn bleef de taal van de kerk en de geleerden, het Romeinse recht werd later herontdekt, en het christendom — inmiddels staatsgodsdienst — bleef bestaan en verspreidde zich juist verder. De „val” was dus deels een geleidelijke transformatie in plaats van een plotselinge breuk (continuïteit naast verandering). Voor de Lage Landen betekende het einde van het Romeinse gezag wél iets ingrijpends: steden en centraal bestuur vielen weg, de geldeconomie verschrompelde en het gebied gleed terug naar een agrarische, zelfvoorzienende samenleving — precies de wereld van monniken en ridders die het volgende tijdvak beschrijft. Zie de tijdlijn in Afb. 3.
Uitgewerkt voorbeeld

Romanisering aantonen met een bron

Bij Nijmegen zijn Romeinse muntstukken, dakpannen met Latijnse stempels en resten van een badhuis gevonden. Toon met deze bron aan dat er romanisering plaatsvond.

  1. 01Benoem het kenmerkende aspect

    Romanisering = het overnemen van Romeinse cultuur, taal en gewoonten door de inheemse bevolking in het grensgebied van het rijk.

  2. 02Koppel de vondsten

    Munten wijzen op de Romeinse geldeconomie; dakpannen met Latijnse stempels op de Romeinse taal en bouworganisatie; een badhuis op een typisch Romeinse leefwijze (thermen).

  3. 03Trek de conclusie

    Deze materiële resten laten samen zien dat Romeinse gewoonten (geld, taal, badcultuur) tot in Nijmegen ingang vonden — concreet bewijs van romanisering.

Resultaat: De munten, Latijnse stempels en het badhuis tonen samen aan dat Romeinse geld-, taal- en leefgewoonten in de Lage Landen werden overgenomen: romanisering.

Eindexamen-focus

  • De limes (Rijn als noordgrens, castella) en de romanisering in de Lage Landen uitleggen, en dit met (archeologische) bronnen aantonen (munten, Latijnse stempels, badhuizen, Romeinse steden als Nijmegen en Voorburg).
  • De val van het West-Romeinse Rijk verklaren met samenwerkende interne én externe oorzaken (multicausaliteit) en 476 als afgesproken einde van de oudheid plaatsen.
  • Beoordelen in hoeverre de „val van Rome” een breuk (verandering) of een geleidelijke overgang (continuïteit) was, en de betekenis voor de Lage Landen aangeven.

Veelgemaakte fouten

  • De val van Rome monocausaal verklaren (alleen „de barbaren”) en de interne verzwakking (politieke chaos, economie, muntontwaarding) negeren.
  • Denken dat heel Nederland Romeins was, terwijl de Rijn de grens vormde en het noorden (o.a. de Friezen) Germaans en vrij bleef.
  • 476 als een totale, plotselinge breuk zien en de doorwerking van Latijn, recht en christendom (én het voortbestaan van het Oost-Romeinse Rijk) vergeten.

Actieve herhaling

Verklaar met behulp van interne én externe oorzaken waarom het West-Romeinse Rijk in de vierde en vijfde eeuw ineenstortte. Beoordeel vervolgens met een argument of het jaar 476 een echte breuk of vooral een symbolisch keerpunt is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma geschiedenis havo/vwo — Romeinen in de Lage Landen en de val van Rome (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Griekse stadstaten, wetenschappelijk denken en democratie◐
    • 02Het Romeinse Rijk: van republiek naar keizerrijk, recht en bestuur◐
    • 03De klassieke vormentaal en de ontwikkeling van jodendom en christendom●
    • 04De Romeinen in de Lage Landen en de val van Rome◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Tijd van Grieken en Romeinen (oudheid)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~21
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma geschiedenis havo/vwo — Griekse cultuur, wetenschap en democratie

Vorig onderwerp

Tijd van jagers en boeren (prehistorie)

Volgend onderwerp

Tijd van monniken en ridders (vroege middeleeuwen)

EuraStudy·Samenvattingen T·04·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.