EuraStudy
Samenvattingen/Geschiedenis/Tijd van burgers en stoommachines (1800-1900)
Samenvattingen · GeschiedenisNL · HAVO

Tijd van burgers en stoommachines (1800-1900)

Het achtste tijdvak (1800-1900) is de eeuw van de industriële revolutie: de stoommachine, de fabriek en de spoorweg maakten van agrarische samenlevingen industriële samenlevingen, met Groot-Brittannië voorop. De nieuwe fabrieksarbeid riep de sociale kwestie op en daarmee het socialisme en de vakbonden, terwijl de industrialisatie ook een modern imperialisme voedde dat in de Wedloop om Afrika culmineerde. In Nederland bracht de Grondwet van Thorbecke (1848) de parlementaire democratie, kwam de industrialisatie pas rond 1870 goed op gang en werd Nederlands-Indië via het cultuurstelsel uitgebuit.

4 Onderdelen·~18 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Standaard 2 · Verdieping 2

T·101010 / 15
Examenprofiel
De industriële revolutie en de overgang naar een industriële samenleving verklaren (stoommachine, fabrieken, spoorwegen)De sociale kwestie en de opkomst van socialisme, vakbonden en Marx uitleggen en aan de industrialisatie koppelenHet moderne imperialisme (Wedloop om Afrika) en het Nederlandse cultuurstelsel plaatsen en aan de industrialisatie verbindenDe politiek-maatschappelijke stromingen, de democratisering (Grondwet van Thorbecke) en de emancipatiebewegingen beschrijven
Operatoren:leg uitverklaartoon aanvergelijkberedeneerplaats

basisniveau

De industriële revolutie, de sociale kwestie, het moderne imperialisme en de opkomst van de politiek-maatschappelijke stromingen met de democratisering zijn de kenmerkende aspecten van dit tijdvak.

verhoogd niveau

Verdieping (SE): de causale samenhang industrialisatie → sociale kwestie → ideologieën en industrialisatie → imperialisme, plus de Nederlandse context (Thorbecke, schoolstrijd, kinderwetje, cultuurstelsel) in verband met de Europese ontwikkelingen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Tijd van burgers en stoommachines (1800-1900)
    • 01De industriële revolutie en de industriële samenleving◐
    • 02De sociale kwestie: socialisme, vakbonden en Marx●
    • 03Modern imperialisme, de Wedloop om Afrika en Nederlands-Indië◐
    • 04Politieke stromingen, democratisering en emancipatie●
§ 01

De industriële revolutie en de industriële samenleving#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

In de negentiende eeuw voltrok zich de industriële revolutie: een ingrijpende omslag waarbij goederen niet langer met de hand in kleine werkplaatsen, maar machinaal in grote fabrieken werden gemaakt. De sleuteluitvinding was de stoommachine, een motor die de energie van verhitte stoom omzet in beweging. Nadat James Watt de stoommachine in de tweede helft van de achttiende eeuw (rond 1770) sterk verbeterde, kon deze fabrieken, pompen en later voertuigen aandrijven. Waar men vroeger afhankelijk was van spier-, water- en windkracht, leverde de stoommachine nu een krachtige, plaatsonafhankelijke energiebron die dag en nacht kon draaien. Dit is het kenmerkende aspect „de industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving". Zie de tijdlijn in Afb. 1 voor de kerndata van deze eeuw.

Tijdlijn van de negentiende eeuw

De negentiende eeuw in kerndataTijdlijn van 1800 tot 1900, 1825: 1e spoorlijn (GB), 1830: Cultuurstelsel, 1839: 1e NL spoorlijn, 1848: Thorbecke + Marx, 1874: Kinderwetje, 1884: Conf. Berlijn, 1830–1900: Industrialisatie18001900jaarIndustrialisatie18251e spoorlijn(GB)1830Cultuurstelsel18391e NL spoorlijn1848Thorbecke + Marx1874Kinderwetje1884Conf. Berlijn
Afb. 1Afb. 1 — Kerndata 1800–1900: industrialisatie, democratisering, sociale kwestie en imperialisme.
De industrialisatie begon in Groot-Brittannië, en dat was geen toeval. Het land beschikte over volop steenkool en ijzererts (de grondstoffen voor stoom en machines), over kapitaal uit handel en koloniën om fabrieken te bouwen, over een groot koloniaal rijk als afzetmarkt, en over een relatief stabiel bestuur. De katoenindustrie liep voorop: spinmachines en weefgetouwen, aangedreven door stoom, verhoogden de productie enorm. Rond de fabrieken groeiden fabriekssteden, want arbeiders moesten dicht bij hun werk wonen. Zo verschoof de bevolking van het platteland naar de stad (urbanisatie) en ontstond een nieuwe industriële samenleving met een fabrikantenklasse (de industriële bourgeoisie) en een grote klasse van loonarbeiders (het proletariaat). De ambachtelijke, agrarische wereld van vóór 1800 maakte plaats voor een wereld van fabrieken, schoorstenen en massaproductie.
De tweede motor van de omwenteling was het vervoer. De stoommachine werd op rails en op schepen gezet: de spoorweg en het stoomschip verbonden productiegebieden, grondstoffen en markten met elkaar en versnelden alles. De eerste stoomspoorlijn ter wereld reed in 1825 in Engeland (Stockton–Darlington); de beroemde lijn Liverpool–Manchester volgde in 1830. Spoorwegen maakten het mogelijk grondstoffen goedkoop aan te voeren en producten snel en ver af te zetten, wat de industrialisatie verder aanjoeg — een zichzelf versterkend proces. Ook in Nederland kwam de trein: in 1839 reed tussen Amsterdam en Haarlem de eerste Nederlandse spoorlijn. Het vervoer over grote afstand werd zo voor het eerst snel, goedkoop en betrouwbaar, wat handel, economie en zelfs het tijdsbesef van mensen veranderde.
Nederland industrialiseerde laat: de omslag kwam hier pas rond 1870 goed op gang, decennia later dan in Groot-Brittannië. Daar waren redenen voor. Nederland had weinig steenkool en ijzererts, een sterke traditie van handel en landbouw die goed geld opleverde (waardoor de prikkel om in fabrieken te investeren minder groot was), en goede waterwegen die stoomtransport lang minder noodzakelijk maakten. Pas toen stoomkracht goedkoper werd en de infrastructuur (spoorwegen, kanalen) op orde kwam, versnelde ook de Nederlandse industrie. Voor het examen is dit een klassiek verklaringsvraagstuk: leg uit waaróm de industrialisatie in Groot-Brittannië eerder op gang kwam dan in Nederland, met verwijzing naar grondstoffen, kapitaal, afzetmarkten en de bestaande economie. Zo verbindt dit aspect de Europese ontwikkeling met de Nederlandse context.
Uitgewerkt voorbeeld

Waarom Groot-Brittannië als eerste industrialiseerde

Verklaar aan de hand van minstens twee omstandigheden waarom de industriële revolutie juist in Groot-Brittannië begon.

  1. 01Grondstoffen

    Groot-Brittannië had grote voorraden steenkool en ijzererts; steenkool leverde de brandstof voor stoommachines, ijzer het materiaal voor machines, rails en fabrieken.

  2. 02Kapitaal en markten

    Winsten uit handel en een uitgestrekt koloniaal rijk leverden kapitaal om fabrieken te bouwen én een grote afzetmarkt om de massaproductie te verkopen.

  3. 03Trek de conclusie

    Doordat grondstoffen, geld en markten in één land samenkwamen — bovendien met een stabiel bestuur — kon de mechanisatie hier het eerst tot een volledige industriële revolutie uitgroeien.

Resultaat: De combinatie van steenkool en ijzererts, kapitaal en koloniale afzetmarkten en een stabiel bestuur verklaart waarom Groot-Brittannië als eerste industrialiseerde en een voorsprong op landen als Nederland kreeg.

Eindexamen-focus

  • De industriële revolutie definiëren en de rol van de stoommachine, de fabriek en de spoorweg uitleggen.
  • Verklaren waarom de industrialisatie in Groot-Brittannië het eerst op gang kwam (grondstoffen, kapitaal, afzetmarkten, bestuur).
  • De late Nederlandse industrialisatie (pas rond 1870) verklaren en aan de Britse voorsprong koppelen.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat de industriële revolutie in één jaar plaatsvond; het was een geleidelijk proces van decennia dat per land verschillend verliep.
  • De stoommachine als een uitvinding uit het niets zien in plaats van als een verbetering (Watt) die bestaande techniek bruikbaar maakte voor fabrieken en vervoer.
  • Vergeten dat Nederland juist láát industrialiseerde en dit verwarren met de Britse voorsprong.

Actieve herhaling

Leg uit hoe de stoommachine en de spoorweg samen de overgang van een agrarische naar een industriële samenleving mogelijk maakten. Verklaar vervolgens waarom deze omslag in Groot-Brittannië eerder plaatsvond dan in Nederland.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma geschiedenis havo/vwo — industriële revolutie (CvTE / Examenblad)

§ 02

De sociale kwestie: socialisme, vakbonden en Marx#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Kernpunten

De industrialisatie bracht welvaart, maar voor de fabrieksarbeiders bracht zij vooral ellende. Dit heet de sociale kwestie: het maatschappelijke probleem van de slechte leef- en werkomstandigheden van de arbeidersklasse. In de fabrieken werkte men vaak twaalf tot veertien uur per dag voor een hongerloon, in lawaaierige, gevaarlijke en ongezonde ruimten, zonder verzekering tegen ziekte, ongeval of werkloosheid. In de snel gegroeide fabriekssteden woonden arbeiders opeengepakt in krotten, met gebrekkige riolering en veel ziekte. Berucht was de kinderarbeid: kinderen waren goedkoop en met hun kleine handen bruikbaar bij de machines, en werkten al op jonge leeftijd lange dagen. Dit is het kenmerkende aspect „de opkomst van emancipatiebewegingen" en „discussies over de sociale kwestie". Afb. 2 laat zien hoe de industrialisatie via de sociale kwestie tot nieuwe ideologieën leidde.

Van industrialisatie naar ideologieën

Industrialisatie, sociale kwestie en de reacties daaropGraaf, Industrialisatie → Fabrieksarbeid, Fabrieksarbeid → Sociale kwestie, Sociale kwestie → Socialisme, Sociale kwestie → Vakbonden, Sociale kwestie → Sociale wetgevingIndustrialisatieFabrieksarbeidSociale kwestieSocialismeVakbondenSocialewetgevingmisstanden
Afb. 2Afb. 2 — De industrialisatie riep de sociale kwestie op, die op haar beurt het socialisme, de vakbonden en sociale wetgeving voortbracht.
Op de sociale kwestie kwamen antwoorden. Het belangrijkste was het socialisme: een stroming die stelde dat de bestaande, kapitalistische maatschappij onrechtvaardig was omdat een kleine groep fabriekseigenaren rijk werd over de rug van de arbeiders, en die streefde naar een rechtvaardiger verdeling van de welvaart en meer macht voor de arbeidersklasse. De invloedrijkste denkers waren Karl Marx en Friedrich Engels. In hun Communistisch Manifest uit 1848 stelden zij dat de geschiedenis wordt gedreven door een strijd tussen klassen, dat de arbeiders (het proletariaat) door de bezittende klasse (de bourgeoisie) worden uitgebuit, en dat de arbeiders zich moesten verenigen en de macht grijpen. Hun beroemde oproep luidde: „Proletariërs aller landen, verenigt u!" Het socialisme bood de arbeiders zo een verklaring van hun ellende én een strijdprogramma.
Arbeiders bleven niet alleen bij denkbeelden; zij organiseerden zich. Zo ontstonden vakbonden: verenigingen van arbeiders die door samen te werken en desnoods te staken (het werk neerleggen) betere lonen en arbeidsomstandigheden probeerden af te dwingen. Eén arbeider stond machteloos tegenover een fabrikant, maar samen konden zij druk uitoefenen. Naast de vakbonden ontstonden socialistische politieke partijen die langs parlementaire weg verbetering en uitbreiding van het kiesrecht nastreefden. Zo werd de arbeidersklasse geleidelijk een politieke macht van betekenis. De sociale kwestie dwong uiteindelijk ook de overheid tot ingrijpen: langzaam kwamen er wetten die de ergste misstanden — vooral kinderarbeid en extreem lange werktijden — aan banden legden (sociale wetgeving).
In Nederland was het kinderwetje van Van Houten uit 1874 de eerste belangrijke sociale wet. Het verbood fabrieksarbeid door kinderen jonger dan twaalf jaar. Het was een voorzichtige eerste stap: het verbod kende beperkingen (arbeid in de landbouw en het huishouden viel er bijvoorbeeld buiten) en er was aanvankelijk nauwelijks controle op de naleving. Toch is het kinderwetje belangrijk omdat de overheid hiermee voor het eerst erkende dat zij de zwaksten in het arbeidsproces moest beschermen — een breuk met het idee dat de staat zich niet met de economie mocht bemoeien. Voor het examen betekent dit: verbind de Nederlandse sociale wetgeving met de bredere sociale kwestie, en beredeneer waarom een verbod met beperkingen tóch een principiële doorbraak was.
Uitgewerkt voorbeeld

Waarom sloten arbeiders zich aan bij een vakbond?

Leg met een redenering uit waarom een arbeider meer bereikte via een vakbond dan alleen.

  1. 01De machtsverhouding

    Tegenover de fabrikant stond de losse arbeider zwak: wie klaagde of te veel loon vroeg, kon zo worden ontslagen en vervangen.

  2. 02De kracht van samen

    Als arbeiders zich verenigden en dreigden gezamenlijk te staken, kon de fabriek stil komen te liggen; die dreiging gaf hun een drukmiddel dat één arbeider nooit had.

  3. 03Trek de conclusie

    Door samen te onderhandelen en te staken konden arbeiders betere lonen en werktijden afdwingen; collectieve actie herstelde deels de scheve machtsverhouding met de werkgever.

Resultaat: Een enkele arbeider was machteloos tegenover de fabrikant, maar via de vakbond en de dreiging van een gezamenlijke staking konden arbeiders wél druk uitoefenen en verbeteringen afdwingen.

Eindexamen-focus

  • De sociale kwestie beschrijven (arbeidsomstandigheden, kinderarbeid, woontoestanden) en aan de industrialisatie koppelen.
  • Het socialisme en de kernideeën van Marx en Engels (klassenstrijd, Communistisch Manifest 1848) uitleggen.
  • De rol van vakbonden en het kinderwetje van Van Houten (1874) plaatsen als reacties op de sociale kwestie.

Veelgemaakte fouten

  • Socialisme en vakbonden door elkaar halen; het socialisme is een ideologie/stroming, een vakbond is een organisatie van arbeiders.
  • Denken dat het kinderwetje van 1874 alle kinderarbeid verbood; het gold voor fabrieksarbeid door kinderen onder de twaalf en kende belangrijke uitzonderingen.
  • De sociale kwestie los zien van de industrialisatie in plaats van als het rechtstreekse gevolg van de fabrieksarbeid.

Actieve herhaling

Leg uit hoe de industrialisatie de sociale kwestie veroorzaakte. Beredeneer vervolgens waarom zowel het socialisme, de vakbonden als de sociale wetgeving (zoals het kinderwetje van 1874) als reacties op dezelfde sociale kwestie kunnen worden gezien.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma geschiedenis havo/vwo — sociale kwestie en socialisme (CvTE / Examenblad)

§ 03

Modern imperialisme, de Wedloop om Afrika en Nederlands-Indië#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

In de tweede helft van de negentiende eeuw ontstond het moderne imperialisme: het streven van westerse industriële landen om grote gebieden in Afrika en Azië te veroveren en rechtstreeks te besturen als kolonie. Kenmerkend „modern" is dat dit imperialisme nauw samenhing met de industrialisatie. De fabrieken van Europa hadden voortdurend grondstoffen nodig (katoen, rubber, metalen, palmolie) én afzetmarkten om hun massaproductie kwijt te kunnen; koloniën leverden beide. Daarnaast speelden nationale trots en prestige een rol — een groot koloniaal rijk gold als bewijs van de grootheid van een natie — en gaf de industriële voorsprong Europa de militaire en technische middelen (stoomschepen, geweren, spoorwegen, medicijnen tegen tropische ziekten) om verre gebieden werkelijk te onderwerpen. Dit is het kenmerkende aspect „de moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie". Afb. 3 toont deze samenhang.

Industrialisatie drijft het imperialisme

Van industrialisatie naar de Wedloop om AfrikaGraaf, Industrialisatie → Grondstoffen, Industrialisatie → Afzetmarkten, Industrialisatie → Prestige, Grondstoffen → Modern imperialisme, Afzetmarkten → Modern imperialisme, Prestige → Modern imperialisme, Modern imperialisme → Wedloop om AfrikaIndustrialisatieGrondstoffenAfzetmarktenPrestigeModernimperialismeWedloop omAfrika
Afb. 3Afb. 3 — De industrialisatie voedde de behoefte aan grondstoffen, markten en prestige en dreef zo het moderne imperialisme.
Het bekendste voorbeeld is de Wedloop om Afrika: in enkele decennia verdeelden de Europese mogendheden vrijwel het hele Afrikaanse continent onder elkaar. Om te voorkomen dat deze wedloop tot oorlog tussen de Europese landen zelf zou leiden, kwamen de mogendheden bijeen op de Conferentie van Berlijn (1884–1885). Daar maakten zij afspraken over hoe Afrika verdeeld en geclaimd mocht worden. Veelzeggend is dat er geen enkele Afrikaanse vertegenwoordiger aanwezig was: Europeanen verdeelden een heel continent zonder de bewoners te raadplegen, waarbij grenzen dwars door volkeren en gebieden werden getrokken. De onderwerping ging vaak met geweld gepaard en werd door de Europeanen gerechtvaardigd met een gevoel van superioriteit — het idee dat zij de „beschaving" brachten. Voor bronvragen is die rechtvaardiging (legitimatie) belangrijk: kaarten, teksten en spotprenten laten de westerse blik op de koloniën zien.
De koloniale onderwerping had ingrijpende gevolgen. Voor Europa leverde zij grondstoffen, markten en prestige; voor de gekoloniseerde volken betekende zij verlies van zelfstandigheid, uitbuiting van arbeid en grondstoffen, en het opleggen van vreemd bestuur en vreemde grenzen. Deze grenzen, in Berlijn met de liniaal getrokken, zouden lang na de koloniale tijd nog voor conflicten zorgen. Het moderne imperialisme was dus geen losstaand verschijnsel, maar de keerzijde van de industrialisatie: dezelfde fabrieken die in Europa de welvaart en de sociale kwestie voortbrachten, dreven de honger naar grondstoffen en markten die tot de verovering van Afrika en Azië leidde. Zo hangen de kenmerkende aspecten van dit tijdvak nauw samen.
Nederland had al eeuwen een kolonie in Azië: Nederlands-Indië (het huidige Indonesië). Hier was het cultuurstelsel het beruchte instrument van uitbuiting. Het werd in 1830 ingevoerd door gouverneur-generaal Johannes van den Bosch. Onder het cultuurstelsel werden Javaanse boeren gedwongen een deel van hun grond en arbeid te gebruiken voor de verplichte verbouw van gewassen voor de Nederlandse staat (gouvernementsteelt), zoals koffie, suiker en indigo. Die producten werden naar Nederland verscheept en met grote winst verkocht; de opbrengsten (het „batig slot") vulden de Nederlandse schatkist. Voor Nederland was het cultuurstelsel dus zeer winstgevend, maar voor de Javaanse bevolking betekende het dwangarbeid, verlies van grond voor de eigen voedselteelt en op sommige plaatsen hongersnood. Het cultuurstelsel is het Nederlandse schoolvoorbeeld van koloniale uitbuiting en verbindt de Nederlandse context met het bredere imperialisme.
Uitgewerkt voorbeeld

Waarom was er geen Afrikaan op de Conferentie van Berlijn?

Leg uit wat de afwezigheid van Afrikaanse vertegenwoordigers op de Conferentie van Berlijn (1884–1885) laat zien over het moderne imperialisme.

  1. 01Wie er zaten

    Aan tafel zaten uitsluitend Europese mogendheden; zij maakten onderling afspraken over hoe Afrika verdeeld en geclaimd mocht worden.

  2. 02Wie ontbrak

    Geen enkele Afrikaanse leider was aanwezig; de bewoners van het continent werden niet geraadpleegd over de verdeling van hun eigen land.

  3. 03Wat dit toont

    Het laat de kern van het moderne imperialisme zien: Europa beschouwde zich als superieur en zag Afrika als gebied om te verdelen en te benutten, niet als volkeren met eigen rechten.

Resultaat: Dat Afrika zonder één Afrikaanse stem werd verdeeld, toont de Europese superioriteitsgedachte en de eenzijdige machtsverhouding die kenmerkend zijn voor het moderne imperialisme.

Eindexamen-focus

  • Het moderne imperialisme uitleggen en aantonen dat het samenhing met de industrialisatie (grondstoffen, afzetmarkten, prestige, techniek).
  • De Wedloop om Afrika en de Conferentie van Berlijn (1884–1885) plaatsen, inclusief de afwezigheid van Afrikaanse inbreng.
  • Het cultuurstelsel (1830, Van den Bosch) beschrijven als gedwongen gouvernementsteelt en als voorbeeld van koloniale uitbuiting.

Veelgemaakte fouten

  • Het moderne imperialisme losmaken van de industrialisatie in plaats van de honger naar grondstoffen en markten als drijvende kracht te herkennen.
  • Denken dat op de Conferentie van Berlijn ook Afrikanen meebeslisten; Europese mogendheden verdeelden Afrika zonder de bewoners te raadplegen.
  • Het cultuurstelsel voorstellen als gewone handel in plaats van als gedwongen teelt ten bate van de Nederlandse staat.

Actieve herhaling

Toon met een redenering aan dat het moderne imperialisme samenhing met de industriële revolutie. Leg vervolgens uit waarom het Nederlandse cultuurstelsel een voorbeeld van koloniale uitbuiting is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma geschiedenis havo/vwo — modern imperialisme en cultuurstelsel (CvTE / Examenblad)

§ 04

Politieke stromingen, democratisering en emancipatie#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Kernpunten

De negentiende eeuw was ook de eeuw waarin de grote politiek-maatschappelijke stromingen ontstonden die de moderne politiek tot vandaag bepalen. Een stroming (ideologie) is een samenhangend geheel van ideeën over hoe de samenleving ingericht zou moeten worden. Vijf stromingen zijn voor het examen kernachtig te kennen: het liberalisme (vrijheid van het individu, een beperkte overheid en vrijhandel), het nationalisme (het eigen volk en de eigen natie staan centraal), het socialisme (gelijkheid en een rechtvaardiger verdeling van welvaart, opgekomen uit de sociale kwestie), het confessionalisme (de politiek moet op het geloof gebaseerd zijn) en het feminisme (gelijke rechten voor vrouwen). Dit is het kenmerkende aspect „de opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme". De tabel in Afb. 4 zet ze naast elkaar.

De vijf politieke stromingen

Vijf stromingen vergelekenTabel met 3 kolommen en 5 rijen, Gegevens: Stroming · Kernidee · Wil / doel; Liberalisme · Vrijheid individu · Beperkte staat; Nationalisme · Eigen natie · Sterke natiestaat; Socialisme · Gelijkheid · Eerlijke verdeling; Confessionalisme · Geloof leidt · Politiek op geloof; Feminisme · Gelijke rechten · Vrouwenkiesrecht, gemarkeerde cel: SocialismeSTROMINGKERNIDEEWIL / DOELLIBERALISMEVrijheid individuBeperkte staatNATIONALISMEEigen natieSterke natiestaatSOCIALISMEGelijkheidEerlijke verdelingCONFESSIONALISMEGeloof leidtPolitiek op geloofFEMINISMEGelijke rechtenVrouwenkiesrechtElke stroming heeft een eigen kernidee en een eigen strevenvoor de samenleving.
Afb. 4Afb. 4 — De vijf politiek-maatschappelijke stromingen van de negentiende eeuw naast elkaar.
In Nederland was het liberalisme rond het midden van de eeuw toonaangevend. Het keerpunt was de Grondwet van Thorbecke uit 1848, opgesteld door de liberaal Johan Rudolf Thorbecke in het Europese revolutiejaar 1848 (in datzelfde jaar verscheen ook het Communistisch Manifest en braken in veel Europese landen revoluties uit). Deze grondwet maakte van Nederland een parlementaire democratie. Zij voerde de ministeriële verantwoordelijkheid in: niet de koning maar de ministers werden verantwoordelijk voor het bestuur, en zij moesten verantwoording afleggen aan het parlement (de Staten-Generaal). De koning werd zo onschendbaar maar politiek machteloos, en de macht verschoof naar de gekozen volksvertegenwoordiging. Ook kwam er rechtstreekse verkiezing van de Tweede Kamer. De Grondwet van Thorbecke is daarmee het fundament van de Nederlandse democratie en het scharnierpunt van de Nederlandse context in dit tijdvak.
Toch was Nederland in 1848 nog geen democratie zoals wij die kennen, want het kiesrecht was beperkt door het censuskiesrecht: alleen mannen die genoeg belasting betaalden (de census) mochten stemmen. Zo kon slechts een kleine, welgestelde bovenlaag kiezen. De rest van de eeuw stond in het teken van de voortschrijdende democratisering: de strijd om steeds meer mensen — eerst meer mannen, later ook vrouwen — aan het politieke proces te laten deelnemen. Stap voor stap werd de censusgrens verlaagd, zodat het kiesrecht werd uitgebreid. Deze uitbreiding van het kiesrecht is het kenmerkende aspect „voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces". Het is een geleidelijk proces dat pas in het volgende tijdvak (met het algemeen kiesrecht) zou worden voltooid.
Twee strijdpunten kleuren de Nederlandse politiek van deze eeuw bijzonder. Het eerste is de schoolstrijd: het langdurige conflict over de vraag of ook het bijzonder onderwijs (het christelijke, door kerken opgerichte onderwijs) door de overheid bekostigd moest worden, net als het openbare onderwijs. Vooral de confessionele stromingen streden hiervoor; de schoolstrijd hielp confessionele partijen groot te worden. Het tweede is de opkomst van de emancipatie- en feministische beweging: bewegingen die opkwamen voor gelijke rechten en kansen voor groepen die tot dan toe waren achtergesteld. De feministische beweging streed voor gelijke rechten voor vrouwen, met het vrouwenkiesrecht als belangrijk doel. Zo verweefden zich in Nederland de vijf stromingen, de democratisering en de emancipatiebewegingen tot één samenhangend politiek-maatschappelijk verhaal — precies wat het examen van dit tijdvak vraagt te overzien.
Uitgewerkt voorbeeld

Parlementaire democratie zonder algemeen kiesrecht

Toon aan dat Nederland na 1848 wel een parlementaire democratie was, maar nog niet democratisch in de moderne zin.

  1. 01Wat 1848 wél bracht

    De ministers werden verantwoordelijk aan het parlement (ministeriële verantwoordelijkheid) en de Tweede Kamer werd rechtstreeks gekozen; de macht lag dus bij een gekozen volksvertegenwoordiging, niet meer bij de koning.

  2. 02Wat nog ontbrak

    Door het censuskiesrecht mochten alleen mannen die genoeg belasting betaalden stemmen; een kleine, rijke bovenlaag koos, de grote meerderheid was uitgesloten.

  3. 03Trek de conclusie

    Het bestuur berustte op een gekozen parlement (parlementaire democratie), maar omdat vrijwel niemand mocht kiezen, was er nog geen democratie met algemeen kiesrecht — die zou pas via de voortschrijdende democratisering ontstaan.

Resultaat: Nederland kreeg in 1848 een parlementaire democratie met ministeriële verantwoordelijkheid en een gekozen Tweede Kamer, maar het beperkte censuskiesrecht maakte dat het nog geen democratie met algemeen kiesrecht was.

Eindexamen-focus

  • De vijf stromingen (liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme, feminisme) herkennen en met hun kernidee omschrijven.
  • De Grondwet van Thorbecke (1848) uitleggen: parlementaire democratie, ministeriële verantwoordelijkheid, rechtstreekse verkiezing Tweede Kamer, censuskiesrecht.
  • De democratisering (kiesrechtuitbreiding), de schoolstrijd en de feministische beweging plaatsen in de Nederlandse context.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat Nederland met de Grondwet van 1848 meteen algemeen kiesrecht kreeg; het kiesrecht bleef beperkt door het censuskiesrecht.
  • De stromingen door elkaar halen; koppel elke stroming aan haar kernidee (liberalisme = vrijheid/beperkte staat, socialisme = gelijkheid, confessionalisme = geloof, enzovoort).
  • De schoolstrijd verwarren met een strijd over de inhoud van het onderwijs in plaats van over de bekostiging van het bijzonder onderwijs.

Actieve herhaling

Leg uit welke veranderingen de Grondwet van Thorbecke (1848) in het Nederlandse bestuur bracht. Beredeneer waarom Nederland daarmee wel een parlementaire democratie, maar nog geen democratie met algemeen kiesrecht werd.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma geschiedenis havo/vwo — stromingen en democratisering (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01De industriële revolutie en de industriële samenleving◐
    • 02De sociale kwestie: socialisme, vakbonden en Marx●
    • 03Modern imperialisme, de Wedloop om Afrika en Nederlands-Indië◐
    • 04Politieke stromingen, democratisering en emancipatie●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Tijd van burgers en stoommachines (1800-1900)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~18
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma geschiedenis havo/vwo — industriële revolutie

Vorig onderwerp

Tijd van pruiken en revoluties (1700-1800)

Volgend onderwerp

Tijd van wereldoorlogen (1900-1950)

EuraStudy·Samenvattingen T·10·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.