EuraStudy
Samenvattingen/Fries/Tekstsoorten, tekststructuur en tekstverbanden
Samenvattingen · FriesNL · HAVO

Tekstsoorten, tekststructuur en tekstverbanden

Wie Friese teksten goed wil begrijpen, kijkt niet alleen naar wat er staat, maar ook naar het doel van de tekst en naar hoe die is opgebouwd. In dit onderwerp leer je teksten indelen naar tekstdoel en tekstsoort, de structuur van een tekst en een alinea herkennen, en de tekstverbanden benoemen aan de hand van Friese signaalwoorden en verwijswoorden. Met die kennis beantwoord je de vragen van het centraal examen Fries (leesvaardigheid) sneller en trefzekerder.

4 Onderdelen·~25 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3

T·0222 / 13
Examenprofiel
Friese teksten indelen naar tekstdoel (informeren, overtuigen, beschouwen, activeren, instrueren) en tekstsoort.De structuur van een tekst en een alinea herkennen: haadgedachte, kearnsin en veelvoorkomende structuren.Tekstverbanden benoemen aan de hand van Friese signaalwoorden (mar, dêrtroch, om't ...).Verwijswoorden (dy, dat, it, dizze, harren) aan hun antecedent koppelen en zo de tekstsamenhang volgen.
Operatoren:herkenbenoemleg uitbepaalverklaarberedeneer

basisniveau

Voor het centraal examen Fries (leesvaardigheid): herken het tekstdoel, de structuur en de signaal- en verwijswoorden, zodat je elke vraag snel bij het juiste tekstdeel plaatst en het verband begrijpt.

verhoogd niveau

Wie het Fries als thuistaal kent, herkent de signaal- en verwijswoorden vaak al; het gaat er dan om ze bewust te benoemen en in te zetten om zakelijke teksten gestructureerd te lezen en samen te vatten.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Tekstsoorten, tekststructuur en tekstverbanden
    • 01Tekstsoorten en tekstdoelen○
    • 02Tekststructuur en de alinea◐
    • 03Tekstverbanden en Friese signaalwoorden◐
    • 04Verwijswoorden en tekstsamenhang◐
§ 01

Tekstsoorten en tekstdoelen#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kernpunten

Elke Friese tekst die je op het examen tegenkomt, is met een bepaald doel geschreven: het tekstdoel. Achter een nijsberjocht (nieuwsbericht) op de site It Nijs, een kollum (column) in de Leeuwarder Courant of een betoog in het tijdschrift de Moanne zit telkens een andere bedoeling. De schrijver wil je iets laten weten, van iets overtuigen, aan het denken zetten of aanzetten tot een handeling. Het tekstdoel bepalen betekent dus dat je je afvraagt: waarom is deze tekst geschreven, en wat wil de schrijver dat ik als lezer weet, vind of doe? Omdat het doel de hele tekst stuurt — de inhoud, de opbouw, de toon en de woordkeus — is het herkennen ervan de eerste stap in vrijwel elke tekstanalyse. De tabel hiernaast (Afb. 1) zet de belangrijkste tekstsoorten naast hun tekstdoel, zodat je de patronen in een oogopslag ziet.

Tekstsoorten en hun tekstdoel

Tekstsoorten en tekstdoelenTabel met 3 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Tekstsoort · Tekstdoel · Kenmerk; Nieuwsbericht · Informeren · Feiten: wie-wat-waar-wanneer; Uiteenzetting · Informeren · Objectief uitleggen; Beschouwing · Beschouwen · Standpunten afwegen; Betoog · Overtuigen · Een standpunt + argumenten; Column · Amuseren, prikkelen · Persoonlijk, subjectief; Advertentie / oproep · Activeren · Aanzetten tot handelenTEKSTSOORTTEKSTDOELKENMERKNieuwsberichtInformerenFeiten: wie-wat-waar-wanneerUiteenzettingInformerenObjectief uitleggenBeschouwingBeschouwenStandpunten afwegenBetoogOvertuigenEen standpunt + argumentenColumnAmuseren, prikkelenPersoonlijk, subjectiefAdvertentie / oproepActiverenAanzetten tot handelen
Afb. 1Het tekstdoel is de bedoeling van de schrijver; de tekstsoort is de vorm waarin die bedoeling wordt gegoten.
In de schoolboektraditie deel je teksten in naar een handvol tekstdoelen. Bij een informatief (informerend) doel wil de schrijver kennis of feiten overdragen; denk aan een nijsberjocht of een uiteenzetting die uitlegt hoe iets zit. Bij een betogend of overtuigend doel wil hij dat je zijn mening gaat delen: een betoog of een opiniestuk kiest een duidelijk standpunt en verdedigt dat met argumenten. Bij een beschouwend doel zet de schrijver juist verschillende standpunten naast elkaar en weegt die af, zonder fel partij te kiezen. Bij een activerend doel wil hij je tot een concrete handeling bewegen — meedoen, stemmen, de Friese taal doorgeven — zoals in een advertentie of een oproep. En bij een directief of instructief doel stuurt hij je handelen stap voor stap, zoals in een recept of een handleiding. Voor het examen Fries, dat leesvaardigheid toetst, zijn vooral de zakelijke, informerende en betogende teksten belangrijk.
Het is belangrijk om het tekstdoel en de tekstsoort uit elkaar te houden, want ze hangen samen maar zijn niet hetzelfde. Het tekstdoel is de bedoeling (overtuigen, informeren, activeren); de tekstsoort — ook wel het teksttype — is de vorm waarin die bedoeling wordt gegoten (een betoog, een uiteenzetting, een kollum, een ferslach oftewel verslag). Een doel kan in verschillende tekstsoorten verschijnen: overtuigen kan in een betoog, maar net zo goed in een advertentie of een ingezonden brief. En omgekeerd kan dezelfde tekstsoort soms meer dan een doel dienen. Wie de twee door elkaar haalt, kiest bij examenvragen al snel het verkeerde antwoord. Bepaal daarom eerst het doel — wat wil de schrijver? — en pas daarna de tekstsoort: in welke vorm doet hij dat? Benoem het doel altijd met een werkwoord (informeren, overtuigen), nooit met de vorm; 'het doel is een column' is fout, want een column is een tekstsoort.
Een tekst heeft meestal een hoofddoel, maar kan daarnaast nevendoelen hebben. Het hoofddoel is wat de schrijver in de eerste plaats wil bereiken; een nevendoel is een bijkomende bedoeling die daaronder meespeelt. Een kollum over de treinverbinding naar Ljouwert (Leeuwarden) wil bijvoorbeeld vooral amuseren (hoofddoel), maar zet de lezer en passant aan het denken over het openbaar vervoer (nevendoel: overtuigen). Op het examen wordt bijna altijd naar het hoofddoel gevraagd. Dat leid je af uit een paar signalen in de tekst zelf: de kop en de ondertitel verraden vaak de bedoeling; de toon en de woordkeus vormen een tweede aanwijzing (neutrale, zakelijke taal hoort bij informeren, terwijl waarderende of sturende woorden wijzen op overtuigen of activeren); en ook de opbouw helpt (een tekst die louter uitlegt informeert, een tekst met een standpunt en argumenten overtuigt). Door die signalen samen te wegen kom je betrouwbaar bij het hoofddoel uit.
Een handig hulpmiddel bij het bepalen van doel en tekstsoort is het onderscheid tussen objectief en subjectief taalgebruik. Objectief taalgebruik is feitelijk, controleerbaar en zonder oordeel — het hoort bij informeren. Subjectief taalgebruik drukt een mening, een waardering of een gevoel uit — het hoort bij overtuigen, amuseren of uiten. Aan dat verschil zie je vaak in een oogopslag of een tekst vooral wil informeren of juist wil beïnvloeden. Op het examen Fries lees je zakelijke teksten uit echte Friese media: nieuwsberichten en reportages van Omrop Fryslân en de nieuwssite It Nijs, en opinie- en achtergrondstukken uit de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en het tijdschrift de Moanne. Let bij zulke teksten steeds eerst op de kop, de bron en de toon: die drie verklappen samen meestal al of je een informerende, een betogende of een beschouwende tekst voor je hebt.
Uitgewerkt voorbeeld

Het tekstdoel van een Friese tekst bepalen

Een tekst op de nieuwssite It Nijs draagt de kop 'Wês sunich op it Frysk' (Wees zuinig op het Fries) en eindigt met: 'Brûk it dyn hiele libben. Praat it mei dyn bern.' (Gebruik het je hele leven. Spreek het met je kinderen.) Welk tekstdoel heeft de schrijver vooral, en waaraan zie je dat?

  1. 01Stap 1 - Lees de kop en de toon

    De kop 'Wês sunich op it Frysk' is een gebiedende, sturende zin, geen neutrale mededeling. Dat wijst niet op informeren, maar op een doel dat de lezer wil beinvloeden. Houd dit vast als eerste aanwijzing.

  2. 02Stap 2 - Onderscheid overtuigen en activeren

    Overtuigen wil dat de lezer een mening gaat delen; activeren wil dat de lezer iets gaat doen. De slotzin roept op tot concrete handelingen — 'Brûk it' (gebruik het) en 'praat it mei dyn bern' (spreek het met je kinderen) — en niet alleen tot een opvatting. Dat verschuift het doel richting activeren.

  3. 03Stap 3 - Weeg de hele tekst

    De motiverende, aansporende woordkeus versterkt de oproep tot handelen. Omdat de tekst de lezer tot gedrag wil bewegen en niet slechts tot een standpunt, is activeren het hoofddoel; overtuigen speelt hooguit als nevendoel mee.

Resultaat: Het hoofddoel is activeren (aanzetten tot): de schrijver wil dat de lezer daadwerkelijk iets gaat doen, namelijk het Fries blijven gebruiken en doorgeven. Dat blijkt uit de gebiedende kop ('Wês sunich op it Frysk'), de directe oproepen in de slotzin ('Brûk it', 'praat it mei dyn bern') en de motiverende woordkeus. Informeren past niet, want de tekst draagt niet vooral kennis over.

Eindexamen-focus

  • Het centraal examen Fries (leesvaardigheid) vraagt geregeld naar het hoofddoel of de tekstsoort van (een deel van) een tekst; je moet je keuze onderbouwen met kenmerken uit de tekst (kop, toon, woordkeus, opbouw) en niet op gevoel.
  • Je moet het tekstdoel (de bedoeling) en de tekstsoort (de vorm) uit elkaar houden en het doel met een werkwoord benoemen (informeren, overtuigen, activeren).

Veelgemaakte fouten

  • Het tekstdoel verwarren met de tekstsoort. 'Het doel is een kollum' is fout: een kollum is een tekstsoort; het doel ervan is meestal amuseren. Benoem het doel met een werkwoord.
  • Te snel 'overtuigen' kiezen omdat er ergens een mening doorschemert, terwijl de tekst overwegend uitlegt en ordent en dus vooral informeert.

Actieve herhaling

Kies een zakelijke tekst van It Nijs of Omrop Fryslân. Benoem het hoofddoel en de tekstsoort, en onderbouw je keuze met minstens drie aanwijzingen uit de tekst (kop, toon, woordkeus of opbouw). Leg in een zin uit waarom de tekst, als dat zo is, niet louter 'informeren' als doel heeft.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Friese taal en cultuur (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Tekststructuur en de alinea#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Een goede lezer ziet niet alleen wat er in een tekst staat, maar ook hoe die is opgebouwd. Elke goed geschreven Friese tekst heeft een herkenbare structuur: meestal een ynlieding (inleiding), een kearn (kern) en een beslút (slot). De inleiding introduceert het onderwerp en trekt de aandacht, de kern werkt het onderwerp uit in meerdere alinea's, en het slot rondt af met een conclusie, een samenvatting of een advies. De bouwstenen van die structuur zijn de alinea's: een alinea is een groepje zinnen dat bij elkaar hoort omdat de zinnen over een deelonderwerp gaan. In een gedrukte tekst herken je een nieuwe alinea aan een witregel of aan een nieuwe regel die inspringt. Wie de structuur doorziet, leest niet langer een ongeordende brij van zinnen, maar een geordend geheel waarin elke alinea een eigen plek en functie heeft — en dat helpt je om elke examenvraag bij het juiste tekstdeel te plaatsen.
De belangrijkste gedachte van de hele tekst heet de haadgedachte (hoofdgedachte): de kern van wat de schrijver wil zeggen, in een zin samen te vatten. Binnen elke alinea heet die centrale gedachte de kearnsin (kernzin). De gouden regel luidt: een hoofdgedachte per alinea. Alle andere zinnen in de alinea staan in dienst van die ene gedachte en geven uitleg, voorbeelden, cijfers of een tegenwerping. De kearnsin staat meestal vooraan in de alinea — de schrijver kondigt zijn punt aan en werkt het daarna uit — en soms juist achteraan, als de schrijver naar zijn punt toe redeneert. Als je in elke alinea de kearnsin onderstreept, maak je voor jezelf een soort inhoudsopgave: je ziet in een oogopslag welke deelonderwerpen er zijn en in welke alinea elk staat. Dat is precies wat je nodig hebt om een examenvraag snel bij de juiste alinea te brengen.
Binnen een alinea is de opbouw vaak vast: de kearnsin doet de bewering, en de omringende zinnen ondersteunen die met een toelichting, een voorbeeld, een oorzaak of een cijfer. De overgang van de ene alinea naar de andere wordt regelmatig gemarkeerd door een signaalwoord aan het begin van de nieuwe alinea — een woord als 'boppedat' (bovendien), 'mar' (maar) of 'dêrom' (daarom) dat aankondigt hoe de nieuwe alinea zich verhoudt tot de vorige. Zulke signaalwoorden zijn de scharnieren van de tekst: ze vertellen je of de schrijver doorgaat op dezelfde lijn, iets tegenstelt of een gevolg trekt. Let er daarom op waar een alinea begint en met welk woord: vaak staat daar de sleutel tot de structuur van het hele betoog. In de volgende sectie werk je die Friese signaalwoorden en de verbanden die ze aankondigen in detail uit.
Op tekstniveau kom je een aantal vaste structuren telkens tegen. Bij een probleem-oplossingstructuur schetst de schrijver eerst een probleem, dan de oorzaken en gevolgen ervan, en ten slotte een oplossing; het schema hiernaast (Afb. 2) laat die keten zien. Bij een oorzaak-gevolgstructuur ligt de nadruk op wat waaruit voortkomt. Bij een vraag-antwoordstructuur stelt de schrijver een vraag (soms al in de kop) en beantwoordt die in de rest van de tekst. En bij een chronologische structuur (tijdvolgorde) vertelt hij gebeurtenissen of stappen in de volgorde waarin ze plaatsvinden. Ook een opsomming — punt na punt op een rij — is een veelgebruikte ordening. Als je de overkoepelende structuur herkent, kun je voorspellen wat er komt en weet je waar in de tekst je een antwoord moet zoeken: bij een probleem-oplossingstekst staat de oplossing vrijwel zeker achteraan.

De probleem-oplossingstructuur

Probleem-oplossingstructuurGraaf, Probleem → Oorzaak, Oorzaak → Gevolg, Gevolg → OplossingProbleemOorzaakGevolgOplossing
Afb. 2In een probleem-oplossingstructuur loopt de tekst van het probleem via oorzaak en gevolg naar de oplossing.
Structuur herkennen is geen doel op zich, maar een praktisch hulpmiddel. Omdat de examenvragen meestal de volgorde van de tekst volgen, weet je bij elke vraag ongeveer waar je moet zoeken: een vraag over de opening gaat over de inleiding, een vraag naar een argument over een alinea in de kern, en een vraag naar de eindboodschap over het slot. Maak er daarom een gewoonte van om bij een nieuwe Friese tekst eerst de structuur te verkennen — kop, eerste zin van elke alinea, slot — voordat je de vragen aanpakt. Zo bouw je in een halve minuut een kaart van de tekst, en op die kaart plaats je vervolgens elke vraag. De haadgedachte en de structuur samen vormen het geraamte waaraan alle losse details hangen; wie dat geraamte ziet, verdwaalt niet in de tekst.
Uitgewerkt voorbeeld

De kearnsin en de structuur van een alinea herkennen

Een alinea luidt: 'Hieltyd minder jonge minsken prate Frysk. Op skoalle brûke se it amper, en thús geane se faak oer op it Nederlânsk. Dêrom driget de taal by de jongste generaasje te ferdwinen.' (Steeds minder jonge mensen spreken Fries. Op school gebruiken ze het nauwelijks, en thuis stappen ze vaak over op het Nederlands. Daarom dreigt de taal bij de jongste generatie te verdwijnen.) Welke zin is de kearnsin, en welke structuur heeft de alinea?

  1. 01Stap 1 - Zoek de haadgedachte

    De alinea gaat over de achteruitgang van het Fries bij jongeren. Vat dat samen: het Fries dreigt bij de jonge generatie te verdwijnen. Dat is de gedachte waar alle zinnen omheen draaien.

  2. 02Stap 2 - Vind de kearnsin

    De eerste twee zinnen geven waarnemingen (op school, thuis). De laatste zin, ingeleid door 'Dêrom' (daarom), trekt de conclusie: 'de taal driget te ferdwinen'. Dat is de kearnsin, en hij staat hier achteraan.

  3. 03Stap 3 - Bepaal de structuur

    Eerst komen de oorzaken (op school amper gebruikt, thuis Nederlands), daarna leidt 'Dêrom' het gevolg in. De alinea heeft dus een oorzaak-gevolgstructuur, met de kearnsin als het gevolg.

Resultaat: De kearnsin is de slotzin 'Dêrom driget de taal by de jongste generaasje te ferdwinen'. De alinea heeft een oorzaak-gevolgstructuur: de eerste zinnen noemen de oorzaken, en het signaalwoord 'dêrom' leidt het gevolg (de kearnsin) in. Dat de kearnsin achteraan staat, herken je aan dat conclusiewoord.

Eindexamen-focus

  • Je moet per alinea de kearnsin (kernzin) kunnen aanwijzen en de haadgedachte van de hele tekst kunnen formuleren; veel vragen verwijzen naar een bepaalde alinea.
  • Je moet veelvoorkomende tekststructuren (probleem-oplossing, oorzaak-gevolg, vraag-antwoord, chronologisch) herkennen en gebruiken om te voorspellen waar een antwoord staat.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat een alinea over meerdere hoofdgedachten kan gaan; de regel is een hoofdgedachte per alinea, en de overige zinnen ondersteunen die alleen maar.
  • De kearnsin altijd vooraan zoeken; hij kan ook achteraan staan, bijvoorbeeld na een signaalwoord als 'dêrom' dat het punt als conclusie presenteert.

Actieve herhaling

Neem een Friese tekst van vier of vijf alinea's. Onderstreep in elke alinea de kearnsin en schrijf er in een Nederlands woord bij waar de alinea over gaat. Bepaal daarna de overkoepelende structuur (probleem-oplossing, oorzaak-gevolg, vraag-antwoord of chronologisch).

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Friese taal en cultuur (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Tekstverbanden en Friese signaalwoorden#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Zinnen en alinea's staan nooit los van elkaar; er zit altijd een logisch verband tussen — het tekstverband. Dat verband vertelt je hoe twee stukken tekst zich tot elkaar verhouden: voegt de tweede zin iets toe aan de eerste, spreekt hij die tegen, noemt hij de oorzaak of geeft hij een voorbeeld? Het verband bepaalt de betekenis. Vergelijk 'It reint. Wy bliuwe thús.' (Het regent. We blijven thuis.) met 'It reint, mar wy geane dochs nei bûten.' (Het regent, maar we gaan toch naar buiten.): in het eerste geval loopt de gedachte rechtdoor, in het tweede draait ze om. De Friese signaalwoorden zijn de wegwijzers die dat verband aankondigen. De tabel hiernaast (Afb. 3) koppelt elk verband aan zijn belangrijkste Friese signaalwoorden en de Nederlandse vertaling; leer ze in groepjes, niet los uit het hoofd.

Tekstverbanden en Friese signaalwoorden

Verband, Fries signaalwoord en NederlandsTabel met 3 kolommen en 8 rijen, Gegevens: Verband · Fries signaalwoord · Nederlands; Opsomming · en, ek, boppedat, dêrneist · en, ook, bovendien, daarnaast; Tegenstelling · mar, lykwols, dochs · maar, echter, toch; Oorzaak/gevolg · om't, want, dêrom, dêrtroch · omdat, want, daarom, daardoor; Tijd · doe't, wylst, foardat · toen, terwijl, voordat; Voorbeeld · bygelyks, sa as · bijvoorbeeld, zoals; Conclusie · dus, koartsein, al mei al · dus, kortom, al met al; Voorwaarde · as · als; Toegeving · hoewol, al · hoewel, gemarkeerde cel: mar, lykwols, dochsVERBANDFRIES SIGNAALWOORDNEDERLANDSOpsommingen, ek, boppedat, dêrneisten, ook, bovendien,daarnaastTegenstellingmar, lykwols, dochsmaar, echter, tochOorzaak/gevolgom't, want, dêrom, dêrtrochomdat, want, daarom,daardoorTijddoe't, wylst, foardattoen, terwijl, voordatVoorbeeldbygelyks, sa asbijvoorbeeld, zoalsConclusiedus, koartsein, al mei aldus, kortom, al met alVoorwaardeasalsToegevinghoewol, alhoewel
Afb. 3Elk tekstverband kondigt zich aan met eigen Friese signaalwoorden; de tegenstelling ('mar') draait de betekenis om.
De eenvoudigste verbanden zijn de opsomming en de toevoeging: de schrijver zet punten op een rij of voegt aan een punt nog iets toe dat dezelfde kant op wijst. De Friese signaalwoorden hiervoor zijn 'en' (en), 'ek' (ook), 'boppedat' (bovendien), 'dêrneist' (daarnaast) en 'ferder' (verder). Een voorbeeld: 'De kursus is fergees. Boppedat is der in sertifikaat.' (De cursus is gratis. Bovendien is er een certificaat.) Het tweede punt versterkt het eerste; er komt geen draai, maar meer van hetzelfde. Deze woorden zijn het tegenovergestelde van de tegenstellingswoorden uit de volgende alinea, en juist dat contrast maakt ze nuttig: 'boppedat' belooft meer van hetzelfde, 'mar' belooft het tegendeel. Wie dat verschil ziet, kan de loop van een betoog volgen zonder elke zin woord voor woord te wegen.
Het tegenovergestelde en voor het examen belangrijkste verband is de tegenstelling: de tweede zin gaat in tegen de verwachting die de eerste wekt. De Friese signaalwoorden zijn 'mar' (maar), 'lykwols' (echter), 'dochs' (toch) en 'oan de oare kant' (aan de andere kant). Kijk naar 'It reint, mar wy geane dochs nei bûten.' (Het regent, maar we gaan toch naar buiten): het regenen zou je thuis houden, maar toch gaan we naar buiten — de gedachte draait om. Bij een tegenstelling verandert de richting van het betoog volledig; mis je het signaalwoord, dan begrijp je de zin precies verkeerd. Let daarom extra op 'mar', 'lykwols' en 'dochs' — ze waarschuwen je dat er een bocht in het betoog zit. Van alle verbanden is dit degene die je nooit mag overlezen.
Een veelvoorkomend en vaak getoetst verband is het oorzaak-gevolgverband. Hier moet je goed opletten welke kant het signaalwoord op wijst. Sommige Friese woorden leiden de oorzaak of reden in: 'om't' (omdat), 'omdat' en 'want'. Andere leiden juist het gevolg in: 'dêrom' (daarom), 'dêrtroch' (daardoor) en 'sadat' (zodat). Vergelijk 'Wy bleaunen thús, om't it reinde.' (We bleven thuis, omdat het regende) met 'Hy wie siik, dêrtroch koe er net komme.' (Hij was ziek, daardoor kon hij niet komen). In de eerste zin leidt 'om't' de reden in (waarom bleven we thuis?), in de tweede leidt 'dêrtroch' het gevolg in (wat volgde eruit?). Het is belangrijk om te bepalen wat de oorzaak en wat het gevolg is, want examenvragen luiden geregeld 'Waarom gebeurt X?' of 'Wat is het gevolg van Y?'. Wie het verband ziet, beantwoordt zulke vragen rechtstreeks uit de tekst.
De overige verbanden rond je snel af. Bij een tijdverband zet de schrijver gebeurtenissen of stappen in volgorde: 'doe't' (toen), 'wylst' (terwijl), 'foardat' (voordat) en 'op it lêst' (ten slotte). Bij een voorbeeld maakt hij een algemene bewering concreet met 'bygelyks' (bijvoorbeeld) of 'sa as' (zoals) — en let op: het voorbeeld ondersteunt de bewering die ervoor staat. Bij een conclusie of samenvatting maakt hij de balans op met 'dus', 'koartsein' (kortom), 'ta beslút' (tot besluit) of 'al mei al' (al met al); zulke woorden staan vaak in het slot en kondigen dikwijls de haadgedachte aan. Ten slotte kondigt 'as' (als) een voorwaarde aan en geven 'hoewol' en 'al' (hoewel) een toegeving. Het echte nut van al deze signaalwoorden is dat je ermee kunt voorspellen wat komt: zie je 'dêrom', dan weet je dat er een gevolg volgt, nog voor je de zin uitleest. Omcirkel signaalwoorden daarom terwijl je leest.
Uitgewerkt voorbeeld

Het verband bepalen aan een Fries signaalwoord

In een Friese tekst staat: 'Hy wie siik, dêrtroch koe er net komme.' (Hij was ziek, daardoor kon hij niet komen.) Welk verband bestaat er tussen de twee zinsdelen, en aan welk signaalwoord zie je dat?

  1. 01Stap 1 - Zoek het signaalwoord

    Het woord 'dêrtroch' (daardoor) staat tussen de twee zinsdelen. Berg het op in de groep oorzaak-gevolg; het waarschuwt dat er een gevolg volgt.

  2. 02Stap 2 - Bepaal oorzaak en gevolg

    Het eerste deel, 'Hy wie siik' (hij was ziek), is de oorzaak. Het woord 'dêrtroch' leidt het gevolg in: 'koe er net komme' (kon hij niet komen).

  3. 03Stap 3 - Benoem het verband

    Het verband is oorzaak-gevolg. 'Dêrtroch' kijkt vooruit naar het gevolg. Vergelijk 'om't' (omdat), dat juist de reden zou inleiden — dan zou de zin luiden 'Hy koe net komme, om't er siik wie'.

Resultaat: Het verband is oorzaak-gevolg, herkenbaar aan het signaalwoord 'dêrtroch' (daardoor) dat het gevolg inleidt: ziek zijn is de oorzaak, niet kunnen komen het gevolg. Had er 'om't' (omdat) gestaan, dan was de reden ingeleid in plaats van het gevolg.

Eindexamen-focus

  • Het centraal examen Fries toetst of je het verband tussen zinnen of alinea's kunt benoemen aan de hand van een Fries signaalwoord — soms rechtstreeks, bijvoorbeeld met een vraag naar het verband tussen twee alinea's of naar de functie van een woord als 'mar' of 'dêrtroch'.
  • Je moet weten dat een tegenstellingswoord ('mar', 'lykwols', 'dochs') de betekenis omdraait, en dat de oorzaak-inleidende woorden ('om't', 'want') en de gevolg-inleidende woorden ('dêrom', 'dêrtroch') de tegengestelde kant op wijzen.

Veelgemaakte fouten

  • Een tegenstelling over het hoofd zien en de tweede zin lezen alsof hij de eerste bevestigt; het signaalwoord 'mar' of 'lykwols' keert de betekenis juist om.
  • 'om't' (omdat, de reden) en 'dêrtroch' (daardoor, het gevolg) door elkaar halen; het eerste kijkt achteruit naar de oorzaak, het tweede vooruit naar het gevolg.

Actieve herhaling

Zoek in een Friese tekst (bijvoorbeeld van It Nijs of Omrop Fryslân) vijf signaalwoorden. Bepaal bij elk het verband (opsomming, tegenstelling, oorzaak-gevolg, tijd, voorbeeld, conclusie of voorwaarde) en geef de Nederlandse vertaling van het signaalwoord.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Friese taal en cultuur (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Verwijswoorden en tekstsamenhang#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Naast de signaalwoorden zorgen de verwijswoorden voor de samenhang van een tekst. Een verwijswoord is een woord dat verwijst naar iets wat al genoemd is of nog genoemd wordt, zodat de schrijver het niet telkens hoeft te herhalen. In het Fries zijn de belangrijkste 'dizze' (deze), 'dy' (die), 'dit' (dit), 'dat' (dat), 'it' (het), 'sy' of 'se' (ze), 'harren' (hun of hen) en 'sokke' (zulke). In plaats van 'de âlde tsjerke' (de oude kerk) nog eens te noemen, schrijft de auteur simpelweg 'dy' (die). De tabel hiernaast (Afb. 4) zet de Friese verwijswoorden naast hun Nederlandse betekenis en laat zien waar ze naar verwijzen. Op het examen wordt hier vaak naar gevraagd met een vraag als 'Waar verwijst dy in regel 10 naar?' — en om die te beantwoorden moet je het woord aan het juiste antecedent koppelen.

Friese verwijswoorden

Friese verwijswoordenTabel met 3 kolommen en 9 rijen, Gegevens: Fries verwijswoord · Nederlands · Verwijst naar; dizze · deze · iets dichtbij of net genoemd; dy · die · iets verderweg of eerder genoemd; dit · dit · een zaak of feit dichtbij; dat · dat · een zaak of feit verderweg; it · het · een eerder genoemd it-woord of gegeven; sy / se · ze · een eerder genoemd persoon of ding; harren · hun / hen · meerdere personen; sokke · zulke · een eerder genoemde soort; dêr · daar · een plaats of eerder genoemd gegeven, gemarkeerde cel: dyFRIES VERWIJSWOORDNEDERLANDSVERWIJST NAARdizzedezeiets dichtbij of net genoemddydieiets verderweg of eerdergenoemdditditeen zaak of feit dichtbijdatdateen zaak of feit verderwegitheteen eerder genoemd it-woordof gegevensy / sezeeen eerder genoemd persoonof dingharrenhun / henmeerdere personensokkezulkeeen eerder genoemde soortdêrdaareen plaats of eerder genoemdgegeven
Afb. 4Verwijswoorden koppel je aan hun antecedent; het verschil tussen dizze/dit (dichtbij) en dy/dat (verderweg) helpt daarbij.
De meeste verwijswoorden verwijzen terug: ze wijzen naar iets wat eerder in de tekst is genoemd, het zogenoemde antecedent. Neem 'De boer hâldt kij. Dy steane yn it lân.' (De boer houdt koeien. Die staan in het land.): 'Dy' (die) verwijst terug naar 'kij' (koeien). Om het antecedent te vinden, stel je de vraag: welk eerder genoemd woord vervangt dit verwijswoord? Vervolgens controleer je je antwoord door het antecedent in te vullen: 'De kij steane yn it lân' (De koeien staan in het land) loopt logisch, dus de verwijzing klopt. Verwijswoorden die vooral terugverwijzen zijn 'dy', 'dat', 'it', 'sy'/'se' en 'harren'. Let bij een terugverwijzing goed op het getal en de soort: een meervoud als 'kij' vraagt om 'dy' of 'sy', en meerdere personen om 'harren' (hun of hen).
Tussen de aanwijzende verwijswoorden zit een verschil in nabijheid, net als in het Nederlands. 'Dizze' (deze) en 'dit' (dit) wijzen naar iets wat dichtbij staat of net genoemd is; 'dy' (die) en 'dat' (dat) wijzen naar iets wat verderweg staat of eerder is genoemd. 'Dit' en 'dat' gebruik je voor een zaak, een feit of een hele gedachte, en 'dizze' en 'dy' vaak voor een concreet zelfstandig naamwoord. Daarnaast heb je de persoonlijke verwijswoorden: 'it' (het) verwijst terug naar een eerder genoemd it-woord of gegeven, 'sy' of 'se' (ze) naar een eerder genoemd persoon of ding, en 'harren' (hun of hen) naar meerdere personen. En 'sokke' (zulke) verwijst naar een eerder genoemde soort: 'Sokke ferhalen hearre wy faak' (Zulke verhalen horen we vaak) grijpt terug op een type verhaal dat al ter sprake kwam.
Soms verwijst een woord juist vooruit naar iets wat nog komt; dat heet vooruitverwijzen. In 'Tink hjir om: de trein rydt hjoed net' (Let hierop: de trein rijdt vandaag niet) kondigt 'hjir' (hier) aan wat erna komt. Vaker verwijzen woorden echter terug. Samen met de signaalwoorden vormen de verwijswoorden de cohesie van een tekst: de onzichtbare draden die zinnen en alinea's tot een samenhangend geheel binden. Waar een signaalwoord het logische verband legt (oorzaak, tegenstelling), legt een verwijswoord de verbinding tussen woorden. Voor het examen is de strategie bij een verwijsvraag steeds dezelfde: zoek het verwijswoord, vraag je af welk eerder genoemd woord het vervangt, en controleer je antwoord door het antecedent in te vullen en te kijken of de zin logisch loopt. Wie zo leest, verliest de draad van een Friese tekst niet.
Verwijswoorden lijken klein, maar ze zijn op het examen goud waard, want een verkeerd gekozen antecedent verandert de betekenis van een hele passage. Bedenk dat het dichtstbijzijnde zelfstandig naamwoord niet altijd het juiste antecedent is: soms verwijst 'dy' over een tussenzin heen naar iets wat verder terugligt. Toets je keuze daarom altijd op twee dingen: het getal (past een enkelvoud of een meervoud?) en de betekenis (levert het invullen een logische, ware zin op?). Bij een persoon in het meervoud hoort 'harren', bij een zaak of gedachte 'dit' of 'dat', bij een concreet meervoud 'dy' of 'sy'. Door verwijswoorden en signaalwoorden samen te lezen, volg je de gedachtegang van de schrijver stap voor stap — en dat is precies wat leesvaardigheid van je vraagt.
Uitgewerkt voorbeeld

Bepalen waar een verwijswoord naar verwijst

In een Friese tekst staat: 'Yn Fryslân steane in protte âlde tsjerken. Dy lûke elk jier folle toeristen.' (In Friesland staan veel oude kerken. Die trekken elk jaar veel toeristen.) Waar verwijst 'Dy' naar, en hoe controleer je dat?

  1. 01Stap 1 - Zoek het verwijswoord en de richting

    'Dy' (die) staat vooraan in de tweede zin. Het staat nergens eerder in die zin voor, dus het moet terugverwijzen naar iets in de eerste zin.

  2. 02Stap 2 - Zoek het antecedent

    Vraag: welk eerder genoemd woord kan 'die' vervangen? In de eerste zin staat het meervoud 'âlde tsjerken' (oude kerken). 'Dy' betekent hier dus 'die kerken'.

  3. 03Stap 3 - Controleer door te vervangen

    Vul het antecedent in: 'De âlde tsjerken lûke elk jier folle toeristen' (De oude kerken trekken elk jaar veel toeristen). Dat loopt logisch en het getal klopt (meervoud), dus de verwijzing is juist.

Resultaat: 'Dy' verwijst terug naar 'âlde tsjerken' (de oude kerken). De controle bevestigt het: het antecedent invullen levert een logische zin op, en het meervoud 'dy' past bij het meervoud 'tsjerken'.

Eindexamen-focus

  • Het centraal examen Fries vraagt geregeld waar een verwijswoord ('dy', 'dat', 'it', 'dizze', 'harren') naar verwijst; je moet het aan het juiste antecedent koppelen.
  • Je moet je antwoord controleren door het antecedent in de zin in te vullen en na te gaan of de zin dan logisch en grammaticaal klopt.

Veelgemaakte fouten

  • Een verwijswoord aan het verkeerde antecedent koppelen doordat je alleen naar het dichtstbijzijnde zelfstandig naamwoord kijkt; controleer altijd op getal (enkelvoud of meervoud) en op betekenis.
  • 'dizze'/'dit' (dichtbij, net genoemd) en 'dy'/'dat' (verderweg, eerder genoemd) door elkaar halen; het verschil in nabijheid wijst je vaak naar het juiste antecedent.

Actieve herhaling

Zoek in een Friese tekst vijf verwijswoorden ('dy', 'dat', 'it', 'dizze', 'harren' ...). Bepaal bij elk het antecedent — het woord waarnaar het verwijst — en controleer je antwoord door het antecedent in de zin in te vullen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Friese taal en cultuur (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Tekstsoorten en tekstdoelen○
    • 02Tekststructuur en de alinea◐
    • 03Tekstverbanden en Friese signaalwoorden◐
    • 04Verwijswoorden en tekstsamenhang◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Tekstsoorten, tekststructuur en tekstverbanden

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~25
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Friese taal en cultuur (HAVO)

Vorig onderwerp

Leesvaardigheid (centraal examen): tekstbegrip en leesstrategieën

Volgend onderwerp

Woordenschat (wurdskat)

EuraStudy·Samenvattingen T·02·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.