EuraStudy
Samenvattingen/Fries/Leesvaardigheid (centraal examen): tekstbegrip en leesstrategieën
Samenvattingen · FriesNL · HAVO

Leesvaardigheid (centraal examen): tekstbegrip en leesstrategieën

Het centraal examen Fries toetst maar één vaardigheid: leesvaardigheid. Je leest authentieke Friese teksten en laat met meerkeuze-, open-, citeer- en gatvragen zien dat je de hoofdgedachte, de structuur en de details begrijpt. In dit onderwerp leer je hoe het examen is opgebouwd, op welke niveaus tekstbegrip wordt getoetst, welke leesstrategieën je inzet en hoe het nakijken en de N-term werken.

4 Onderdelen·~23 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3

T·0111 / 13
Examenprofiel
De opzet van het centraal examen Fries kennen: alleen leesvaardigheid, authentieke Friese teksten en de vaste vraagvormen.Tekstbegrip tonen op woord-, zin-, alinea-, tekst- en bedoelingsniveau, en globaal en gericht begrip onderscheiden.Per vraag de juiste leesstrategie en een examenstrategie met tijdsindeling toepassen.Weten hoe het correctievoorschrift en de N-term je ruwe score in een cijfer omzetten.
Operatoren:bepaalleg uitciteerberedeneernoemverklaar

basisniveau

Voor het centraal examen: lees authentieke Friese teksten en beantwoord de vragen — open vragen meestal in het Nederlands, citaten letterlijk in het Fries — volledig en precies.

verhoogd niveau

Wie het Fries levend wil houden, blijft Friese media zoals Omrop Fryslân, de Leeuwarder Courant en 'It Nijs' volgen; dezelfde leesstrategieën gelden voor elke Friese tekst.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Leesvaardigheid (centraal examen): tekstbegrip en leesstrategieën
    • 01Het centraal examen Fries: alleen leesvaardigheid○
    • 02Tekstbegrip op verschillende niveaus◐
    • 03Leesstrategieën: globaal en gericht lezen◐
    • 04Examenstrategie, nakijken en de N-term◐
§ 01

Het centraal examen Fries: alleen leesvaardigheid#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kernpunten

Fries — voluit Friese taal en cultuur (Fryske taal en kultuer) — is een regionaal eindexamenvak dat je in Fryslân op de havo kunt kiezen. Het Fries is naast het Nederlands de tweede rijkstaal, en scholen in de provincie mogen het als examenvak aanbieden. Belangrijk om meteen scherp te hebben: van alle vaardigheden die bij een taal horen, toetst het centraal examen (CE) er maar één, namelijk leesvaardigheid. Spreken, gesprekken voeren, schrijven en luisteren komen op het centraal examen niet voor; die vaardigheden worden in het schoolexamen (SE) getoetst, samen met kennis van de Friese literatuur en cultuur. Dat betekent dat je op de examendag geen Fries hoeft te produceren: je hoeft alleen te laten zien dat je geschreven Fries begrijpt. Die tweedeling — lezen in het CE, de rest in het SE — bepaalt hoe je je voorbereidt en waar dit onderwerp precies over gaat.
Op de examendag krijg je een tekstboekje met een aantal authentieke Friese teksten en een bijbehorend vragenboekje of antwoordblad. Authentiek betekent dat de teksten niet speciaal voor het examen zijn geschreven, maar echt zijn verschenen: artikelen en reportages uit de Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad, columns en beschouwingen uit het tijdschrift 'de Moanne', berichten van de nieuwssite 'It Nijs' of teksten die aansluiten bij Omrop Fryslân, de regionale omroep die in het Fries uitzendt. De onderwerpen raken vaak aan Fryslân zelf — taal, natuur, geschiedenis, sport of actualiteit, bijvoorbeeld rond Ljouwert (Leeuwarden), de Europese Culturele Hoofdstad van 2018 — maar je hoeft er geen voorkennis over te hebben: alle antwoorden staan in de tekst. Omdat het echte, volwassen teksten zijn, kom je woorden tegen die je niet kent; dat hoort erbij en is geen probleem, zolang je de grote lijn maar vat.
De vragen komen in vaste vormen, en je herkent ze snel als je weet waarop je moet letten. Er zijn meerkeuzevragen (kies A, B, C of D), open vragen die je in een paar zinnen beantwoordt, citeervragen (waarbij je letterlijk een woord of een paar woorden uit de Friese tekst overschrijft) en gat- of invulvragen (waarbij je bijvoorbeeld het juiste signaalwoord of de juiste zin in een opening kiest). De vragen staan meestal in het Nederlands en je beantwoordt de open vragen ook in het Nederlands: het examen meet of je het Fries begrijpt, niet of je vlekkeloos Fries kunt schrijven. Een uitzondering is de citeervraag — daar schrijf je juist wél de Friese woorden letterlijk over, precies zoals ze in de tekst staan. Weet dus bij elke vraag welk soort antwoord wordt gevraagd, want de vorm bepaalt hoe je antwoordt en in welke taal.
Een paar praktische zaken scheppen rust op de examendag. Hoe lang het examen duurt, staat in het examenrooster van dat jaar; reken erop dat je de tijd nodig hebt en verdeel die over de teksten (zie het onderwerp examenstrategie verderop). Of en welk woordenboek je mag gebruiken — bijvoorbeeld een woordenboek Frysk–Nederlands — vind je in de regeling voor dat examen; gebruik het spaarzaam, want wie elk onbekend woord opzoekt, komt in tijdnood. Het centraal examen en het schoolexamen bepalen samen je eindcijfer voor Fries; de precieze weging staat in het examenprogramma en in het PTA van je school. De tabel hiernaast (Afb. 1) zet de opzet van het centraal examen Fries in één oogopslag naast elkaar: vaardigheid, teksten, vraagvormen, antwoordtaal en hulpmiddel — zodat je precies weet wat je op de examendag kunt verwachten.

Opzet van het centraal examen Fries

Centraal examen Fries in één oogopslagTabel met 2 kolommen en 7 rijen, Gegevens: Aspect · Invulling; Vaardigheid · Alleen leesvaardigheid; Vak · Regionaal eindexamenvak (Fryslân); Teksten · Authentiek Frysk; Vraagvormen · Meerkeuze, open, citeer, gat; Antwoordtaal · Meestal Nederlands; citaat in het Frysk; Hulpmiddel · Woordenboek volgens de regeling; Overige vaardigheden · In het schoolexamen (SE)ASPECTINVULLINGVaardigheidAlleen leesvaardigheidVakRegionaal eindexamenvak(Fryslân)TekstenAuthentiek FryskVraagvormenMeerkeuze, open, citeer, gatAntwoordtaalMeestal Nederlands; citaatin het FryskHulpmiddelWoordenboek volgens deregelingOverige vaardighedenIn het schoolexamen (SE)
Afb. 1Het centraal examen Fries toetst alleen leesvaardigheid; de overige vaardigheden zitten in het schoolexamen.
Omdat alleen leesvaardigheid wordt getoetst, kun je heel gericht oefenen. De beste voorbereiding bestaat uit drie dingen: oude examens (oefenexamens) maken onder tijdsdruk, je antwoorden nakijken met het correctievoorschrift om te zien wát een goed antwoord precies inhoudt, en de terugkerende vraagtypen leren herkennen. Daarnaast helpt het enorm om regelmatig Fries te lézen buiten het lesboek om — een bericht op de nieuwssite 'It Nijs', een artikel in de Leeuwarder Courant of het Friesch Dagblad, of een stuk uit 'de Moanne' — want hoe meer Fries je leest, hoe sneller en zekerder je het examen straks doorwerkt. De volgende drie onderwerpen geven je precies het gereedschap dat je nodig hebt: eerst de niveaus van tekstbegrip, dan de leesstrategieën, en ten slotte de examen- en nakijkstrategie.
Uitgewerkt voorbeeld

Een open vraag bij een Friese tekst in de juiste taal beantwoorden

Bij een Friese tekst staat de Nederlandse open vraag: 'Waar gaan wy volgens de tekst morgen naartoe?' In de tekst staat: 'Wy geane moarn nei Ljouwert.' Hoe pak je dit aan?

  1. 01Stap 1 — Lees de vraag eerst

    De vraag is Nederlands en vraagt waar 'wy' (wij) morgen heen gaan. Je weet nu precies wat je zoekt: een plaatsnaam plus het woord voor 'morgen'.

  2. 02Stap 2 — Zoek gericht in de Friese zin

    In 'Wy geane moarn nei Ljouwert' betekent 'moarn' morgen en 'nei Ljouwert' naar Leeuwarden; Ljouwert is de Friese naam voor Leeuwarden.

  3. 03Stap 3 — Antwoord in het Nederlands

    Je antwoordt kort en in het Nederlands, want de vraag staat in het Nederlands: ze gaan morgen naar Leeuwarden (Ljouwert). Vertalen mag, want gevraagd wordt om begrip, niet om een citaat.

Resultaat: Antwoord: ze gaan morgen naar Leeuwarden (Ljouwert). Je las de Nederlandse vraag, vond 'moarn nei Ljouwert' in de Friese tekst en antwoordde kort in het Nederlands — precies zoals een open vraag dat vraagt.

Eindexamen-focus

  • Het centraal examen Fries toetst alleen leesvaardigheid; spreken, schrijven, luisteren en de literatuur- en cultuurkennis zitten in het schoolexamen.
  • Je leest authentieke Friese teksten en beantwoordt meerkeuze-, open-, citeer- en gatvragen; open vragen meestal in het Nederlands, citeervragen letterlijk in het Fries.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat je op het centraal examen ook Fries moet schrijven of spreken; het CE toetst alleen lezen en de open vragen beantwoord je meestal in het Nederlands.
  • Bij een citeervraag het Friese citaat vertalen of in eigen woorden navertellen; een citeervraag vraagt de Friese woorden letterlijk, precies zoals ze in de tekst staan.

Actieve herhaling

Vat in eigen woorden samen wat het centraal examen Fries van je vraagt: welke vaardigheid het toetst, wat voor teksten je krijgt, welke vraagvormen er zijn en in welke taal je antwoordt. Controleer je antwoord aan Afb. 1.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Friese taal en cultuur (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Tekstbegrip op verschillende niveaus#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Tekstbegrip speelt zich af op meerdere niveaus tegelijk, en het examen toetst ze allemaal. Onderaan staat het woord (Frysk: wurd): ken je de betekenis, of kun je die uit de context afleiden? Daarboven staat de zin (sin): snap je hoe de woorden samen één gedachte vormen, ook bij een lange zin met een bijzin? Daarboven de alinea: zie je wat de kerngedachte is en welke zinnen die uitwerken? Nog hoger de hele tekst: begrijp je het onderwerp, de hoofdgedachte en de opbouw? En bovenaan de bedoeling van de schrijver: wil die vooral informeren, overtuigen, waarschuwen of vermaken? De piramide in Afb. 2 laat zien hoe deze niveaus op elkaar stapelen, van het losse woord onderaan tot de bedoeling van de schrijver bovenaan. Een goede lezer schakelt voortdurend tussen die niveaus — soms uitzoomen voor de grote lijn, soms inzoomen op één woord dat de hele zin kantelt.

Niveaus van tekstbegrip

Niveaus van tekstbegrippiramide, 5 niveaus, Gegevens: Wurd, Sin, Alinea, Tekst, BedoelingWurdbetekenis / contextSinbijzin, verbandAlineakerngedachteTeksthoofdgedachte, opbouwBedoelingdoel en houdingVan woord tot bedoeling
Afb. 2Begrip stapelt op: het losse woord onderaan, de bedoeling van de schrijver bovenaan.
Bij het lezen wissel je tussen twee manieren van begrijpen: globaal en gericht. Globaal begrip is het overzicht — waar gaat de tekst in grote lijnen over, wat is de toon, hoe is hij opgebouwd? Gericht begrip is het inzoomen op één bepaald gegeven: een naam, een jaartal, een reden, een woord. Het examen vraagt allebei. Een vraag naar het hoofddoel van de tekst of naar de beste titel toetst je globale begrip; een citeervraag of een vraag naar één detail in een bepaalde alinea toetst je gerichte begrip. De kunst is om per vraag te weten welk soort begrip nodig is: wie een detailvraag globaal probeert te beantwoorden, mist de precisie, en wie een hoofdgedachtevraag met één detail beantwoordt, mist het overzicht. In de volgende sectie werk je dit onderscheid uit tot concrete leesstrategieën, zodat je per vraag de passende houding kiest.
Het hoogste niveau gaat over de bedoeling van de schrijver, en juist daar zit vaak het verschil tussen een voldoende en een hoog cijfer. Een tekst informeert niet alleen; hij wil ook overtuigen, waarschuwen, relativeren of vermaken, en de schrijver zegt dat lang niet altijd met zoveel woorden. Je moet dan tussen de regels door lezen: niet alleen wát er staat, maar waaróm de schrijver het zo zegt. Vragen als 'Wat is de houding van de schrijver tegenover X?' of 'Met welk doel noemt de schrijver Y?' toetsen dit niveau. Let daarvoor op signaalwoorden die een verband aangeven — 'mar' (maar) en 'lykwols' (echter) kondigen een tegenstelling aan, 'dêrom' (daarom) en 'dêrtroch' (daardoor) een gevolg, 'bygelyks' (bijvoorbeeld) een voorbeeld — en op woorden met een duidelijk positieve of negatieve lading. Die signalen verraden hoe de schrijver over zijn onderwerp denkt.
Een veelvoorkomende valkuil is dat één onbekend Fries woord je het hele zicht ontneemt. Dat hoeft niet. Vaak kun je uit de rest van de zin afleiden of een woord positief of negatief is, en of het een oorzaak, een gevolg of een tegenstelling aanduidt — en voor de vraag is dat meestal genoeg. Neem een zin met het signaalwoord 'mar' (maar): staat vóór 'mar' iets negatiefs, dan moet wat erna komt juist positief zijn, ook al ken je dat ene woord niet. Ook verwantschap helpt: Fries, Nederlands en Engels lijken op elkaar, dus 'grien' lijkt op groen en op green, en 'wetter' op water. Let ten slotte op de woordsoort en de plaats in de zin. Begrip op zin- en tekstniveau redt zo je begrip op woordniveau: je hoeft niet elk woord te kennen om de zin — en dus de vraag — te snappen.
Om grip te houden op een langere tekst helpt het om actief te lezen. Zet in het tekstboekje korte aantekeningen: streep de signaalwoorden aan en noteer naast elke alinea in één of twee Nederlandse woorden waar die over gaat. Zo maak je voor jezelf een mini-inhoudsopgave waarmee je bij elke vraag razendsnel de juiste alinea terugvindt, zonder de hele tekst opnieuw te lezen. Dat scheelt tijd en voorkomt fouten: je zoekt gericht in de aangewezen alinea in plaats van te gokken. Actief lezen sluit direct aan op de leesstrategieën van de volgende sectie, waar je leert wanneer je globaal (skimmen) en wanneer je gericht (scannen) leest. Wie de niveaus van tekstbegrip herkent én zijn tekst actief bewerkt met aantekeningen, leest sneller en beantwoordt de vragen met meer zekerheid.
Uitgewerkt voorbeeld

Een onbekend woord afleiden uit een signaalwoord

In een Friese tekst staat: 'Juster wie it waar min, mar hjoed is it moai.' Stel dat je het woord 'min' niet kent. Was het weer gisteren goed of slecht, en hoe beredeneer je dat?

  1. 01Stap 1 — Zoek het signaalwoord

    'Mar' betekent 'maar' en kondigt een tegenstelling aan: wat na 'mar' komt, gaat in tegen wat ervóór staat.

  2. 02Stap 2 — Bepaal de bekende lading

    Na 'mar' staat 'hjoed is it moai' (vandaag is het mooi); 'moai' (mooi) is positief. Door de tegenstelling met 'mar' moet het deel vóór 'mar' juist negatief zijn.

  3. 03Stap 3 — Leid de betekenis af

    Het weer 'juster' (gisteren) was dus niet mooi; 'min' moet 'slecht' betekenen, ook al kende je het woord niet. De tegenstelling vult het ontbrekende woord in.

Resultaat: Het weer was gisteren slecht: het signaalwoord 'mar' dwingt een tegenstelling af met het positieve 'moai', dus 'min' betekent 'slecht'. Begrip op zinsniveau redt je begrip op woordniveau.

Eindexamen-focus

  • Het examen toetst begrip op woord-, zin-, alinea-, tekst- én bedoelingsniveau; vragen naar het doel of de houding van de schrijver toetsen het hoogste niveau.
  • Je moet globaal en gericht begrip onderscheiden en per vraag weten welk niveau van begrip nodig is.

Veelgemaakte fouten

  • Bij elk onbekend Fries woord blokkeren; vaak kun je uit signaalwoorden en context afleiden of een woord positief of negatief is of een verband aanduidt, en dat is genoeg voor de vraag.
  • De bedoeling van de schrijver negeren en alleen letten op wat er letterlijk staat; vragen naar houding of doel vragen juist om lezen tussen de regels door.

Actieve herhaling

Lees een Friese examentekst en schrijf naast elke alinea in één of twee Nederlandse woorden waar die over gaat. Formuleer daarna in één Nederlandse zin de hoofdgedachte van de hele tekst, en bepaal of de schrijver vooral informeert, overtuigt of waarschuwt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Friese taal en cultuur (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Leesstrategieën: globaal en gericht lezen#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Op het examen kun je de Friese teksten niet allemaal even nauwkeurig, woord voor woord lezen: daar is de tijd te krap voor. Goede lezers hebben meerdere snelheden en kiezen per moment de passende. Twee leeshoudingen moet je uit elkaar houden. Globaal lezen (skimmen) doe je om snel de hoofdlijn en de opbouw van een tekst te pakken: je leest de titel, een eventuele inleiding, de eerste zin van elke alinea en het slot, en laat de rest voor wat het is. Gericht lezen (scannen) doe je om één specifiek gegeven te vinden — een naam, een jaartal, een reden — zonder de hele tekst te lezen; je laat je oog over de tekst glijden tot het dat ene gegeven vangt, zoals je in een register zoekt. Welke houding past, hangt af van de vraag: een vraag naar de hoofdgedachte vraagt globaal lezen, een citeer- of detailvraag vraagt gericht lezen.
De beste werkvolgorde per tekst legt Afb. 3 vast: oriënteren, dan de vraag lezen, dan de alinea zoeken, dan gericht lezen, dan antwoorden en ten slotte controleren. Je begint met oriënteren: lees de titel, de inleiding (vaak cursief boven de tekst) en de eerste zin van elke alinea, zodat je de grote lijn en de opbouw te pakken hebt. Lees dán de eerste vraag goed — wat wordt precies gevraagd, en naar welke alinea verwijst de vraag (vaak staat dat erbij)? Zoek vervolgens die alinea op en lees daar gericht naar het antwoord. Schrijf je antwoord op en controleer het. De kern is de volgorde 'eerst de vraag, dan de alinea': door de vraag vóór het intensieve lezen te lezen, weet je waarnaar je zoekt en lees je veel doelgerichter dan wanneer je eerst de hele tekst woord voor woord doorploegt.

Werkvolgorde per Friese examentekst

Aanpak per examentekstGraaf, Oriënteren → Vraag lezen, Vraag lezen → Alinea zoeken, Alinea zoeken → Gericht lezen, Gericht lezen → Antwoorden, Antwoorden → ControlerenOriënterenVraag lezenAlinea zoekenGericht lezenAntwoordenControleren
Afb. 3Lees de vraag vóór je de alinea intensief leest; zo zoek je doelgericht.
Beantwoord de vragen meestal in de gegeven volgorde, want de vragen volgen doorgaans de tekst van begin tot eind: vraag 1 gaat over het begin, de laatste vraag over het slot. Kom je een vraag tegen waar je niet uitkomt, sla die dan over, zet er een streepje bij en ga verder; vaak helpt een latere vraag of een tweede lezing je alsnog op weg. Laat echter nooit een vraag definitief leeg: aan het eind vul je bij elke onbeantwoorde vraag in elk geval iets in. Bij een meerkeuzevraag heb je met gokken altijd nog kans op een punt, bij een leeg vakje nooit. Kies bovendien bij elke vraag bewust je leeshouding: een detailvraag scan je (gericht), een hoofdgedachtevraag lees je eerst globaal en dan gericht na. Zo voorkom je dat één lastige vraag je hele examen ophoudt.
Actief lezen maakt deze werkvolgorde nog sneller. Terwijl je oriënteert, zet je korte aantekeningen in het tekstboekje: streep de signaalwoorden aan — 'mar' (maar), 'lykwols' (echter), 'dêrom' (daarom), 'ta beslút' (ten slotte) — en noteer naast elke alinea in een paar Nederlandse woorden het onderwerp. Die mini-inhoudsopgave is goud waard bij het zoeken: als een vraag naar 'de reden' vraagt, weet je dankzij je kantlijnwoorden meteen in welke alinea die reden staat. Onderstreep in de vraag zelf óók de kernwoorden, zodat je precies weet wát er gevraagd wordt — 'hoeveel', 'waarom', 'welke twee'. Actief lezen kost een halve minuut extra bij het begin, maar verdient zich ruimschoots terug doordat je daarna elke vraag gericht en snel kunt beantwoorden. In de volgende sectie zie je hoe je dit binnen je totale examentijd inplant.
Uitgewerkt voorbeeld

De werkvolgorde toepassen op een Friese leesvraag

Je krijgt dit korte fragment: 'It waar is hjoed moai. Dêrom boartsje de bern bûten.' (Het weer is vandaag mooi. Daarom spelen de kinderen buiten.) De open vraag luidt: 'Waarom spelen de kinderen volgens de tekst buiten?' Beschrijf hoe je te werk gaat.

  1. 01Stap 1 — Oriënteer

    Lees het geheel: twee korte zinnen die gaan over het weer en de kinderen, verbonden door het woord 'Dêrom' (daarom).

  2. 02Stap 2 — Lees de vraag scherp

    Gevraagd wordt naar de réden ('waarom') dat de kinderen buiten spelen — dus naar een oorzaak-gevolg-verband, niet naar wat de kinderen doen.

  3. 03Stap 3 — Zoek gericht en let op het signaalwoord

    'Dêrom' (daarom) koppelt de tweede zin aan de eerste: de kinderen spelen buiten omdat het weer mooi is. Het signaalwoord wijst de reden rechtstreeks aan.

  4. 04Stap 4 — Antwoord in het Nederlands en controleer

    Antwoord: de kinderen spelen buiten omdat het weer vandaag mooi is. Controleer of je de réden noemt (het mooie weer), niet alleen het gevolg.

Resultaat: De kinderen spelen buiten omdat het weer vandaag mooi is. Het signaalwoord 'Dêrom' (daarom) legt het verband tussen het mooie weer en het buitenspelen; je las de vraag vóór de tekst, herkende dat naar de reden werd gevraagd en antwoordde kort in het Nederlands.

Eindexamen-focus

  • Je moet per vraag de juiste leeshouding kiezen: globaal lezen (skimmen) voor de hoofdlijn, gericht lezen (scannen) voor één detail of een citaat.
  • Je werkt per tekst volgens een vaste volgorde: oriënteren, de vraag lezen, dan gericht het antwoord zoeken in de aangewezen alinea.

Veelgemaakte fouten

  • De hele Friese tekst van begin tot eind even intensief lezen; dan raak je in tijdnood, terwijl veel vragen alleen globaal of gericht lezen vereisen.
  • De alinea intensief gaan lezen vóór je de vraag hebt gelezen; dan weet je niet waarnaar je zoekt en lees je veel te veel.

Actieve herhaling

Neem een oude Friese examentekst. Skim hem eerst in één minuut en schrijf in één Nederlandse zin op waar hij over gaat. Kies daarna bij drie vragen bewust je leeshouding (globaal of gericht) en beantwoord ze volgens de werkvolgorde oriënteren – vraag lezen – gericht zoeken.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Friese taal en cultuur (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Examenstrategie, nakijken en de N-term#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Een goed examen begint met een plan, niet met de eerste zin van de eerste tekst. Verken eerst kort het hele examen: hoeveel teksten zijn er, hoeveel vragen horen bij elke tekst, en hoe lang zijn ze? Verdeel dan je tijd evenwichtig over de teksten en — heel belangrijk — reserveer aan het eind een blok (bijvoorbeeld een kwartier) om je antwoorden te controleren en opengelaten vragen alsnog in te vullen. De totale examentijd staat in het examenrooster van dat jaar; deel díé tijd door het aantal teksten om een richttijd per tekst te krijgen. Wie zonder plan begint, blijft te lang bij een lastige tekst hangen en komt bij de laatste tekst in tijdnood, terwijl daar net zo goed punten te halen waren. Afb. 4 vat de fasen van plannen tot cijfer samen als checklist, zodat je op de examendag niets vergeet.

Examenstrategie: van plannen tot cijfer

Examenstrategie in fasenTabel met 2 kolommen en 7 rijen, Gegevens: Fase · Wat je doet; Plannen · Tijd verdelen over de teksten plus controletijd; Oriënteren · Titel, inleiding en eerste zinnen lezen; Woordenboek · Alleen bij een cruciaal, onafleidbaar woord; Open vraag · Volledig; meestal in het Nederlands; Citeervraag · Letterlijk in het Frysk, juiste aantal woorden; Controleren · Niets leeg; alles nagelopen; Van score naar cijfer · Correctievoorschrift, dan de N-termFASEWAT JE DOETPlannenTijd verdelen over deteksten plus controletijdOriënterenTitel, inleiding en eerstezinnen lezenWoordenboekAlleen bij een cruciaal,onafleidbaar woordOpen vraagVolledig; meestal in hetNederlandsCiteervraagLetterlijk in het Frysk,juiste aantal woordenControlerenNiets leeg; alles nagelopenVan score naar cijferCorrectievoorschrift, dan deN-term
Afb. 4Een vaste werkwijze per fase voorkomt tijdnood en slordigheidsfouten.
Het woordenboek is een hulpmiddel, geen kruk. Of en welk woordenboek je bij het centraal examen Fries mag gebruiken, staat in de regeling voor dat examen (denk aan een woordenboek Frysk–Nederlands); ga daar dus niet zomaar van uit, maar controleer het vooraf. Gebruik het woordenboek alléén voor een woord dat je (1) echt niet uit de context kunt afleiden én (2) dat cruciaal is voor het antwoord op een vraag. Een woord in een zijzin dat er voor de vraag niet toe doet, hoef je niet op te zoeken. Spreek met jezelf af dat je per tekst hooguit een paar woorden opzoekt; merk je dat je vaker naar het woordenboek grijpt, dan lees je waarschijnlijk te intensief en moet je terug naar globaal lezen. Elke minuut die je in het woordenboek steekt, gaat af van je leestijd en dus van de punten die je nog kunt halen.
Je examen wordt nagekeken met een correctievoorschrift dat het CvTE voor iedere zitting opstelt. Daarin staat per vraag precies welk antwoord goed is en hoeveel punten het oplevert; voor veel vragen geldt één punt goed, nul fout, en bij sommige open vragen zijn meerdere punten te verdienen (bijvoorbeeld één punt per genoemd element). Omdat dat voorschrift bindend is, is je eigen docent bij het nakijken aan dezelfde regels gebonden als elke andere corrector in het land. Twee dingen kosten daardoor onnodig punten. Bij een open vraag die om twee redenen vraagt, moet je er ook echt twee noemen — noem je er één, dan mis je punten, ook al klopt wat je schrijft. En bij een citeervraag is letterlijkheid wet: schrijf exact het gevraagde aantal Friese woorden over, precies zoals ze in de tekst staan (inclusief de Friese spelling met â, ê, û en y), zonder te vertalen of te veranderen.
De ruwe score — het totaal aantal behaalde punten — wordt niet rechtstreeks je cijfer: daar komt de N-term tussen. De N-term is een normeringsterm die het CvTE ná afname per examen en per jaar vaststelt, onder meer op grond van hoe moeilijk het examen bleek te zijn. De N-term zet je ruwe score om in een cijfer op de schaal van 1 tot en met 10. Omdat de N-term per zitting verschilt, kun je je cijfer niet vooraf exact uitrekenen en kun je de N-term ook niet voorspellen — wees dus voorzichtig met geruchten als 'de N-term wordt vast hoog'. Wat je wél volledig in de hand hebt, is je ruwe score: elke vraag die je volledig en nauwkeurig beantwoordt, en elk citaat dat je letterlijk overschrijft, telt mee. Richt je daarom op wat je kunt beïnvloeden en laat de normering aan het CvTE over.
Controleren aan het eind is geen luxe maar levert punten op. Loop in je gereserveerde slottijd je antwoorden na met een paar vaste vragen. Heb je bij elke open vraag écht álles genoemd wat gevraagd werd (twee redenen zijn twee redenen)? Heb je bij elke citeervraag exact het juiste aantal Friese woorden letterlijk overgeschreven, zonder spelfout en zonder een woord te veranderen? Heb je elke meerkeuzevraag van een letter voorzien? Heb je geen vraag overgeslagen en niets leeg gelaten? Deze snelle controle vangt precies de fouten die niets met begrip te maken hebben maar wél punten kosten: een half antwoord, een verkeerd geteld citaat, een vergeten hokje. Het is de goedkoopste manier om je cijfer nog een stukje op te halen.
Uitgewerkt voorbeeld

Een citeervraag bij een Friese zin nauwkeurig beantwoorden

De citeervraag luidt: 'Citeer de eerste twee woorden van de zin.' De zin in de tekst is: 'Omrop Fryslân stjoert nijs yn it Frysk út.' Wat schrijf je op, en wat zijn de valkuilen?

  1. 01Stap 1 — Vind de zin en tel de gevraagde woorden

    Er worden twee woorden gevraagd; de eerste twee woorden van de zin zijn 'Omrop' en 'Fryslân'.

  2. 02Stap 2 — Schrijf letterlijk over in het Fries

    Je schrijft exact 'Omrop Fryslân' over, met de hoofdletters en met het dakje op de â in Fryslân, precies zoals het in de tekst staat.

  3. 03Stap 3 — Vermijd de valkuilen

    Niet vertalen ('Omroep Friesland' is fout), niet meer of minder woorden ('Omrop Fryslân stjoert' is drie woorden) en de spelling niet veranderen ('Fryslân' zonder dakje is fout).

Resultaat: Het juiste citaat is 'Omrop Fryslân' — exact twee woorden, letterlijk in het Fries overgeschreven, met de â. Bij een citeervraag bepalen letterlijkheid en het juiste aantal woorden het punt; vertalen of verkeerd tellen kost het.

Eindexamen-focus

  • Je deelt je tijd in (een richttijd per tekst plus controletijd) en laat geen enkele vraag onbeantwoord.
  • Het correctievoorschrift bepaalt per vraag wat goed is: open vragen moeten volledig zijn, citeervragen letterlijk in het Fries; de N-term (per jaar vastgesteld) zet je ruwe score om in een cijfer.

Veelgemaakte fouten

  • Te lang bij één lastige tekst of vraag blijven hangen, waardoor je bij de laatste teksten in tijdnood komt; sla over, zet een streepje en kom later terug.
  • Denken dat je de N-term kunt voorspellen of je cijfer vooraf kunt uitrekenen; de N-term wordt pas ná afname per examen vastgesteld — stuur op je ruwe score, niet op geruchten.

Actieve herhaling

Maak een oude Friese examentekst onder tijdsdruk: bepaal vooraf je richttijd per tekst, houd een kwartier controletijd over en kijk daarna je antwoorden na met het officiële correctievoorschrift. Tel per open vraag of je alle gevraagde elementen had en of elk citaat letterlijk en met het juiste aantal woorden is overgeschreven.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Friese taal en cultuur (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Het centraal examen Fries: alleen leesvaardigheid○
    • 02Tekstbegrip op verschillende niveaus◐
    • 03Leesstrategieën: globaal en gericht lezen◐
    • 04Examenstrategie, nakijken en de N-term◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Leesvaardigheid (centraal examen): tekstbegrip en leesstrategieën

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~23
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Friese taal en cultuur (HAVO)

Volgend onderwerp

Tekstsoorten, tekststructuur en tekstverbanden

EuraStudy·Samenvattingen T·01·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.