EuraStudy
Samenvattingen/Frans/Gesprekken voeren
Samenvattingen · FransNL · HAVO

Gesprekken voeren

Gesprekken voeren betekent dat je in het Frans een eenvoudig gesprek kunt beginnen, gaande houden en afronden: beurten nemen, op de ander reageren en zelf vragen stellen. Belangrijk om te weten is waar dit onderdeel thuishoort: gespreksvaardigheid wordt op het schoolexamen getoetst, niet op het centraal examen, dat voor Frans uitsluitend leesvaardigheid toetst. Je oefent het spreken dus vooral voor de mondelinge toetsen van je school, waar durf en vloeiendheid zwaarder wegen dan foutloos Frans.

3 Onderdelen·~17 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2

T·101010 / 13
Examenprofiel
Een eenvoudig gesprek in het Frans voeren: beurten nemen, op je gesprekspartner reageren en zelf vragen stellen om het gesprek op gang te houden.Compenserende strategieën en redmiddelen inzetten — omschrijven, om herhaling of uitleg vragen, tijd winnen met vulwoorden — om het gesprek gaande te houden, ook als je een woord kwijt bent.Je redden in alledaagse situaties zoals de winkel, het restaurant en het maken van een afspraak, met de juiste beleefdheidsvormen en vraagzinnen.
Operatoren:voerreageervraaglos op

basisniveau

Voor het schoolexamen: durf te spreken en houd een eenvoudig gesprek gaande. Werk met korte zinnen die je zeker weet, leer een handvol vaste reactiewoorden en redmiddelen uit je hoofd, en onthoud dat verstaanbaarheid en vloeiendheid zwaarder wegen dan foutloze grammatica.

verhoogd niveau

Wie doorstroomt naar een vervolgopleiding of veel met Frans te maken krijgt, heeft baat bij een vlotte spreekvaardigheid. Blijf gesprekken voeren in echte situaties en breid je redmiddelen uit, zodat je je ook buiten de schoolse oefeningen in het Frans kunt redden.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 3 onderdelen▾
  1. Gesprekken voeren
    • 01Beurten nemen, reageren en vragen stellen○
    • 02Redmiddelen en compenserende strategieën◐
    • 03Alledaagse gesprekssituaties◐
§ 01

Beurten nemen, reageren en vragen stellen#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kernpunten

Een gesprek voeren is iets anders dan een tekst opzeggen die je uit je hoofd hebt geleerd: het is samenspel. Net als bij het overspelen van een bal nemen jij en je gesprekspartner om de beurt het woord — de een zegt iets, de ander luistert en reageert, en kaatst de beurt daarna weer terug. Goed luisteren is dus de helft van het werk: pas als je hoort wat de ander zegt, kun je er zinvol op ingaan. Voordat we de losse vaardigheden bespreken, eerst een eerlijk woord over de plaats van dit onderdeel: gespreksvaardigheid hoort bij het schoolexamen, niet bij het centraal examen. Het centraal examen Frans toetst namelijk uitsluitend leesvaardigheid; je oefent het spreken dus voor de mondelinge toetsen van je eigen school.
Het eerste wat je leert, is reageren op wat de ander zegt. Met korte reactiewoorden laat je merken dat je luistert en dat het gesprek door kan gaan. „Oui” (ja) en „non” (nee) zijn de basis, maar daarnaast heb je een handvol vaste woordjes die een gesprek soepel maken: „bien sûr” (natuurlijk), „d'accord” (oké, akkoord) en het verraste „ah bon ?” (o ja? echt waar?). Reageer je met „d'accord” op een voorstel, dan stem je in; zeg je „ah bon ?”, dan toon je belangstelling en nodig je de ander uit om verder te praten. Juist die kleine signalen houden een gesprek warm: ze vullen de stiltes en laten zien dat je erbij bent, ook als je zelf even geen lange zin paraat hebt.
Een gesprek is pas een gesprek als jij ook zelf vragen stelt; anders blijf je hangen in alleen maar antwoorden geven en valt het al snel stil. Met een korte tegenvraag geef je de beurt terug aan de ander. De makkelijkste is „Et toi ?” (en jij?), waarmee je een vraag die je net beantwoord hebt, terugkaatst: „Moi, j'aime le foot. Et toi ?” Daarnaast helpen de vraagwoorden je op weg — „Pourquoi ?” (waarom?), „Comment ?” (hoe?), „Quand ?” (wanneer?) en „Où ?” (waar?). Wissel gesloten ja/nee-vragen af met open vragen die om een echt antwoord vragen, want open vragen geven je gesprekspartner meer om over te vertellen en houden het gesprek langer op gang.
Misschien wel het belangrijkste inzicht voor het mondelinge schoolexamen is dit: durven spreken weegt zwaarder dan foutloos spreken. Wie bij elke twijfel stopt om de perfecte vervoeging te zoeken, laat het gesprek doodbloeden, en juist dat kost punten. Een kleine fout in een werkwoordsvorm is zelden een probleem zolang je gesprekspartner je begrijpt en het gesprek doorloopt. Spreek daarom in korte, eenvoudige zinnen die je zeker weet, en praat door als je een foutje maakt in plaats van halverwege opnieuw te beginnen. Vloeiendheid en verstaanbaarheid zijn het doel; de examinator beoordeelt of je je in het Frans weet te redden, niet of je een foutloze grammaticatoets aflegt.
Ten slotte heeft elk gesprek een begin, een midden en een eind, en voor alle drie zijn er vaste zinnen die je uit je hoofd kunt leren. Je opent beleefd met „Bonjour” (goedendag) en sluit af met „Au revoir” (tot ziens) of „À bientôt” (tot snel). Loopt het gesprek even vast, dan houd je het op gang met een reactie of een nieuwe vraag in plaats van te zwijgen. Bereid je voor een mondelinge toets daarom niet alleen voor op de inhoud, maar oefen ook deze scharnierzinnen: de openingen, de overgangen en de afsluitingen. Met een handvol vaste uitdrukkingen op zak raak je veel minder snel in paniek wanneer je even niet op een woord komt.
Uitgewerkt voorbeeld

Reageren en de beurt teruggeven

Je gesprekspartner zegt: „J'adore la musique française.” Reageer met een passend reactiewoord en stel daarna een vraag terug, zodat het gesprek doorloopt.

  1. 01Stap 1 — Luister en herken de uitspraak

    Je partner zegt dat hij of zij dol is op Franse muziek („J'adore la musique française”). Dit is een mededeling, geen vraag, dus jij bent nu aan de beurt om te reageren.

  2. 02Stap 2 — Kies een passend reactiewoord

    Met een kort reactiewoord laat je merken dat je luistert. „Ah bon ?” toont belangstelling en verrassing; „Moi aussi” (ik ook) sluit aan als jij het deelt. Kies bijvoorbeeld „Ah bon ?” om de ander uit te nodigen verder te vertellen.

  3. 03Stap 3 — Geef de beurt terug met een open vraag

    Voeg een vraag toe zodat je partner door kan praten. Een vraagwoord helpt: „Quel est ton chanteur préféré ?” (wie is je favoriete zanger?). Zo ligt de bal weer bij de ander.

Resultaat: Een goede reactie is bijvoorbeeld: „Ah bon ? Quel est ton chanteur préféré ?” Je reageert eerst met een kort reactiewoord dat belangstelling toont, en geeft daarna met een open vraag de beurt terug — precies de twee stappen die een gesprek gaande houden.

Eindexamen-focus

  • Het mondelinge schoolexamen verwacht dat je beurten neemt en op je gesprekspartner reageert met korte reactiewoorden als „oui”, „d'accord” en „ah bon ?” in plaats van alleen losse antwoorden te geven.
  • Je moet zelf het initiatief nemen en vragen terugstellen — met „Et toi ?” of een vraagwoord als „Pourquoi ?” — zodat het gesprek op gang blijft.

Veelgemaakte fouten

  • Alleen antwoorden en nooit terugvragen, waardoor het gesprek stilvalt omdat je de beurt niet teruggeeft. Voeg een korte tegenvraag toe, bijvoorbeeld „Et toi ?”, om de bal weer bij de ander te leggen.
  • Blokkeren bij een foutje en halverwege opnieuw beginnen. Beter praat je door met een eenvoudige zin: verstaanbaarheid en vloeiendheid tellen op het schoolexamen zwaarder dan een foutloze vorm.

Actieve herhaling

Stel je voert een kort kennismakingsgesprek in het Frans. Reageer eerst met een passend reactiewoord op de uitspraak „J'adore la musique française.” en stel daarna zelf een vraag terug om het gesprek op gang te houden.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Redmiddelen en compenserende strategieën#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Redmiddelen op een rij

Redmiddelen (compenserende strategieën)Tabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Redmiddel · Wanneer · Frans; Omschrijven · woord kwijt · C'est une chose pour …; Om herhaling vragen · niet verstaan · Pouvez-vous répéter ?; Tijd winnen · nadenken · Eh bien, … / Alors, …; Om uitleg vragen · woord onbekend · Qu'est-ce que ça veut dire ?REDMIDDELWANNEERFRANSOmschrijvenwoord kwijtC'est une chose pour …Om herhaling vragenniet verstaanPouvez-vous répéter ?Tijd winnennadenkenEh bien, … / Alors, …Om uitleg vragenwoord onbekendQu'est-ce que ça veut dire ?
Afb. 1Bij elke hapering hoort een vast redmiddel en een Franse zin die je kant-en-klaar kunt leren.

Kernpunten

Je zult in een gesprek altijd weleens een woord niet weten of iets niet meteen verstaan — dat overkomt zelfs gevorderde sprekers. Compenserende strategieën, ook wel redmiddelen genoemd, zijn de trucs waarmee je zo'n gat overbrugt zonder dat het gesprek stilvalt. In plaats van te zwijgen of in het Nederlands te schieten, zoek je een Franse omweg. Het doel is steeds hetzelfde: het gesprek gaande houden, ook als je woordenschat tekortschiet. De tabel onderaan deze sectie zet de vier belangrijkste redmiddelen op een rij — omschrijven, om herhaling vragen, tijd winnen en om uitleg vragen — telkens met de situatie waarin je ze gebruikt en de Franse zin die erbij hoort.
Het krachtigste redmiddel is omschrijven: ken je een woord niet, dan leg je met andere woorden uit wat je bedoelt. De vaste opening daarvoor is „C'est une chose pour …” (het is een ding om te …), gevolgd door waar het voor dient. Weet je het woord „tire-bouchon” (kurkentrekker) niet, dan zeg je „C'est une chose pour ouvrir une bouteille de vin” (het is een ding om een wijnfles mee te openen) — en je gesprekspartner begrijpt je. Je kunt ook beschrijven hoe iets eruitziet of waarvan het gemaakt is: „C'est petit, c'est en métal” (het is klein, het is van metaal). Wie durft te omschrijven, hoeft een gesprek nooit te stoppen omdat één woord ontbreekt.
Net zo belangrijk is dat je durft toe te geven dat je iets niet verstaat of niet kent, want ook dat houdt het gesprek op de rails. Versta je iets niet, dan vraag je beleefd om herhaling met „Pouvez-vous répéter ?” (kunt u dat herhalen?) of „Pouvez-vous parler plus lentement ?” (kunt u langzamer praten?). Ken je een woord niet dat de ander gebruikt, dan vraag je om uitleg met „Qu'est-ce que ça veut dire ?” (wat betekent dat?). Dit zijn geen tekenen van zwakte, integendeel: het laat zien dat je het gesprek serieus neemt en de draad wilt vasthouden. Zoals de tabel hieronder laat zien, hoort bij elke hapering een vaste zin die je kant-en-klaar uit je hoofd kunt leren.
Soms heb je gewoon even een seconde nodig om je zin te bedenken, en ook daarvoor heeft het Frans handige vulwoorden. Met „Eh bien, …” (nou, …) of „Alors, …” (dus, …) vul je de stilte terwijl je nadenkt, net zoals wij in het Nederlands „eh” of „nou ja” zeggen. Ze betekenen weinig, maar ze geven je lucht en houden de beurt bij jou, zodat de ander niet meteen het woord overneemt. Ook „Comment dire ?” (hoe zal ik het zeggen?) doet dit werk. Gebruik ze met mate — als opvulling tussendoor, niet als elk tweede woord — dan klink je natuurlijker en koop je net genoeg tijd om verder te kunnen.
Deze redmiddelen werken het best als een vaste reflex, en het stroomschema onderaan deze sectie laat die reflex zien. Loop je vast doordat je een woord kwijt bent (de hapering), win dan eerst tijd met „Eh bien…”, omschrijf vervolgens wat je bedoelt, en ga daarna gewoon verder met je verhaal. Die volgorde — tijd winnen, omschrijven, doorgaan — voorkomt dat één ontbrekend woord je hele gesprek stillegt. Het middelste blokje, „Omschrijf het”, is in het schema niet voor niets benadrukt: omschrijven is de stap die je daadwerkelijk uit de impasse haalt. Oefen deze keten een paar keer hardop, zodat je hem tijdens de toets automatisch toepast in plaats van in paniek te zwijgen.

Wat doe je bij een hapering?

Wat doe je bij een hapering?Graaf, Hapering: woord kwijt → Tijd winnen (Eh bien…), Tijd winnen (Eh bien…) → Omschrijf het, Omschrijf het → Ga verderHapering: woordkwijtTijd winnen (Ehbien…)Omschrijf hetGa verder
Afb. 2De vaste reflex bij een ontbrekend woord: win tijd, omschrijf het, en ga verder.
Uitgewerkt voorbeeld

Een onbekend woord omschrijven

Je bent het Franse woord voor paraplu („parapluie”) kwijt. Houd het gesprek gaande: win eerst tijd met een vulwoord en omschrijf daarna in het Frans wat je bedoelt.

  1. 01Stap 1 — Win tijd met een vulwoord

    Begin niet met een stilte, maar koop een seconde met „Eh bien, …” of „Comment dire ?”. Zo houd je de beurt bij jezelf terwijl je een omschrijving bedenkt.

  2. 02Stap 2 — Kies de omschrijvingsformule

    Gebruik de vaste opening „C'est une chose pour …” (het is een ding om te …). Daarna noem je waar het voorwerp voor dient.

  3. 03Stap 3 — Beschrijf de functie van het voorwerp

    Een paraplu gebruik je tegen de regen. In het Frans: „C'est une chose pour se protéger de la pluie” (het is een ding om je tegen de regen te beschermen). Eventueel vul je aan: „quand il pleut” (als het regent).

Resultaat: Een goede oplossing is: „Eh bien… c'est une chose pour se protéger de la pluie, quand il pleut.” Je wint eerst tijd met „Eh bien…”, en omschrijft daarna met „C'est une chose pour …” precies waar een paraplu voor dient — zo blijft het gesprek lopen, ook al ken je het woord „parapluie” niet.

Eindexamen-focus

  • Op het mondelinge schoolexamen wordt gelet op je redmiddelen: kun je een onbekend woord omschrijven met „C'est une chose pour …” in plaats van stil te vallen of in het Nederlands te schieten?
  • Je moet ook kunnen reageren als je iets niet verstaat of niet kent, met vaste zinnen als „Pouvez-vous répéter ?” en „Qu'est-ce que ça veut dire ?”.

Veelgemaakte fouten

  • In het Nederlands schieten zodra je een woord niet weet. Beter omschrijf je het in het Frans met „C'est une chose pour …”, zodat het gesprek Franstalig blijft.
  • Zwijgen wanneer je iets niet verstaat. Vraag in plaats daarvan om herhaling of uitleg met „Pouvez-vous répéter ?” of „Qu'est-ce que ça veut dire ?” — dat houdt het gesprek aan de gang.

Actieve herhaling

Je wilt in een gesprek het woord „parapluie” (paraplu) gebruiken, maar je bent het even kwijt. Bedenk hardop een Franse omschrijving zodat je gesprekspartner toch begrijpt wat je bedoelt, en gebruik daarbij een vulwoord om tijd te winnen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Alledaagse gesprekssituaties#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Uitdrukkingen per situatie

Uitdrukkingen per situatieTabel met 2 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Situatie · Nuttige uitdrukking (FR); In de winkel · Je voudrais …, s'il vous plaît; In het restaurant · L'addition, s'il vous plaît; Afspraak maken · On se retrouve à quelle heure ?; De weg vragen · Pour aller à la gare ?SITUATIENUTTIGE UITDRUKKING(FR)In de winkelJe voudrais …, s'il vousplaîtIn het restaurantL'addition, s'il vous plaîtAfspraak makenOn se retrouve à quelleheure ?De weg vragenPour aller à la gare ?
Afb. 3Per alledaagse situatie één vaste Franse zin om je te redden.

Kernpunten

Het uiteindelijke doel van gespreksvaardigheid is praktisch: dat je je in het Frans kunt redden in alledaagse situaties die je op vakantie of tijdens een uitwisseling echt tegenkomt. Denk aan een aankoop doen in de winkel, iets bestellen in het restaurant, een afspraak maken, de weg vragen of een telefoongesprekje voeren. In al die situaties heb je maar een paar vaste zinnen nodig om uit de voeten te kunnen; je hoeft niet vloeiend te zijn, je moet je redden. De tabel onderaan deze sectie verzamelt per situatie een nuttige uitdrukking die je uit je hoofd kunt leren. Wie die handvol zinnen paraat heeft, stapt veel zelfverzekerder een Franse winkel of brasserie binnen.
In Frankrijk is beleefdheid geen formaliteit maar de sleutel tot een geslaagd gesprek, en daar valt of staat veel mee. Begin élk contact met „Bonjour” (goedendag) — een winkel binnenlopen zonder te groeten komt onbeleefd over. Vraag je iets, voeg dan „s'il vous plaît” (alstublieft) toe, en bedank altijd met „merci” (dank u), eventueel versterkt tot „merci beaucoup” (hartelijk dank). Tegen onbekenden en in winkels gebruik je bovendien de beleefde u-vorm „vous”, niet het vertrouwelijke „tu” dat je voor vrienden en familie bewaart. Sluit ten slotte af met „Au revoir” (tot ziens). Met dit beleefdheidsraamwerk — groeten, „s'il vous plaît”, „merci”, „vous” en afscheid nemen — maak je in elke situatie meteen een goede indruk.
Binnen dat beleefde kader heeft elke situatie zijn eigen kernzin, zoals de tabel hieronder laat zien. In de winkel zeg je wat je wilt met „Je voudrais …, s'il vous plaît” (ik zou graag … willen) — een beleefde vorm die netter is dan het directe „Je veux” (ik wil). In het restaurant vraag je aan het eind om de rekening met „L'addition, s'il vous plaît” (de rekening, alstublieft). Wil je een afspraak maken, dan vraag je „On se retrouve à quelle heure ?” (hoe laat spreken we af?). En ben je de weg kwijt, dan helpt „Pour aller à la gare ?” (hoe kom ik bij het station?) je verder. Leer per situatie zo'n vaste zin, dan heb je in het echte leven meteen een houvast.
Twee situaties verdienen wat extra aandacht, omdat ze net wat lastiger zijn: de weg vragen en telefoneren. Vraag je de weg, begin dan beleefd en houd het simpel: „Pardon, pour aller à la poste ?” (pardon, hoe kom ik bij het postkantoor?) of „Où se trouve la gare ?” (waar is het station?), eventueel gevolgd door „C'est loin ?” (is het ver?). Bel je iemand, dan meld je je met „Allô ?” en zeg je met wie je wilt spreken: „Je voudrais parler à Madame Dubois” (ik zou graag mevrouw Dubois willen spreken). Word je zelf gebeld, dan hoor je vaak „C'est de la part de qui ?” (met wie spreek ik?) of „Ne quittez pas” (blijf aan de lijn). Ook hier geldt: een paar vaste zinnen zijn genoeg om je te redden.
De beste manier om deze situaties te oefenen is het rollenspel: samen met een klasgenoot speel je een scène na waarin de een bijvoorbeeld de verkoper is en de ander de klant. Zo train je niet alleen de losse zinnen, maar ook het echte samenspel — beurten nemen, reageren en je redmiddelen inzetten als je vastloopt. Wissel daarbij van rol, zodat je beide kanten van het gesprek oefent, en bouw langzaam uit: begin met de kernzin en voeg er telkens een vraag of reactie aan toe. Veel mondelinge schoolexamens Frans bestaan juist uit zo'n nagespeelde situatie, dus oefen ze hardop en niet alleen op papier. Hoe vaker je een scène hebt gespeeld, hoe automatischer de juiste zin tijdens de toets bovenkomt.
Uitgewerkt voorbeeld

Een beleefde aankoop in de winkel

Je staat in een Franse bakkerij en wilt een stokbrood kopen. Voer het gesprekje beleefd: groet, vraag om „une baguette” en bedank. Werk stap voor stap.

  1. 01Stap 1 — Groet eerst

    Open het contact altijd met „Bonjour” (eventueel „Bonjour madame” of „Bonjour monsieur”). In Frankrijk is groeten verplichte beleefdheid; zonder „Bonjour” begin je op de verkeerde voet.

  2. 02Stap 2 — Vraag beleefd wat je wilt

    Gebruik de beleefde vorm „Je voudrais …, s'il vous plaît”. Voor één stokbrood: „Je voudrais une baguette, s'il vous plaît” (ik zou graag een stokbrood willen, alstublieft).

  3. 03Stap 3 — Reken af en bedank

    Na het afrekenen sluit je netjes af. Bedank met „Merci beaucoup” (hartelijk dank) en neem afscheid met „Au revoir” (tot ziens). Zo rond je het gesprek beleefd af.

Resultaat: Het hele gesprekje luidt bijvoorbeeld: „Bonjour ! Je voudrais une baguette, s'il vous plaît. … Merci beaucoup, au revoir !” Je begint met de verplichte begroeting, vraagt beleefd met „Je voudrais …, s'il vous plaît” en sluit af met een bedankje en een afscheid — precies de beleefdheidsvolgorde die in een Franse winkel verwacht wordt.

Eindexamen-focus

  • Het mondelinge schoolexamen toetst vaak een nagespeelde alledaagse situatie (winkel, restaurant, afspraak); je moet de juiste kernzin paraat hebben, zoals „Je voudrais …, s'il vous plaît” of „L'addition, s'il vous plaît”.
  • Er wordt gelet op de Franse beleefdheidsvormen: begin met „Bonjour”, gebruik „s'il vous plaît” en „merci”, en spreek onbekenden aan met „vous”.

Veelgemaakte fouten

  • De begroeting overslaan en meteen je vraag stellen. In Frankrijk hoort élk contact met „Bonjour” te beginnen; zonder groet kom je onbeleefd over.
  • De vertrouwelijke vorm „tu” gebruiken tegen een onbekende of een verkoper. Gebruik in winkels en tegen vreemden de beleefde u-vorm „vous”.

Actieve herhaling

Speel een korte scène in de bakkerij: je wilt beleefd om een stokbrood („une baguette”) vragen en daarna afrekenen. Schrijf of zeg hardop wat je achtereenvolgens zegt, met de juiste begroeting, vraag en bedanking.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 03

    • 01Beurten nemen, reageren en vragen stellen○
    • 02Redmiddelen en compenserende strategieën◐
    • 03Alledaagse gesprekssituaties◐

0/3 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Gesprekken voeren

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~17
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Frans (HAVO)

Vorig onderwerp

Kijk- en luistervaardigheid

Volgend onderwerp

Spreken en presenteren

EuraStudy·Samenvattingen T·10·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.