EuraStudy
Samenvattingen/Filosofie/Wijsgerige antropologie: centrale begrippen
Samenvattingen · FilosofieNL · HAVO

Wijsgerige antropologie: centrale begrippen

De wijsgerige antropologie stelt de vraag: wat is de mens? Je onderzoekt wat een mensbeeld is, het onderscheid tussen essentie en existentie, de klassieke strijd tussen vrije wil en determinisme, en het probleem van de persoonlijke identiteit (wat maakt dat je door de tijd heen dezelfde blijft?). Deze begrippen vormen de basis waarop de latere onderdelen over lichaam en geest, de rede, en de ethiek voortbouwen.

3 Onderdelen·~14 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Standaard 1 · Verdieping 2

T·0222 / 11
Examenprofiel
Uitleggen wat een mensbeeld is en verschillende mensbeelden vergelijkenHet onderscheid essentie versus existentie hanteren (o.a. Sartre)De posities determinisme, indeterminisme en compatibilisme over de vrije wil onderscheidenTheorieen over persoonlijke identiteit uitleggen en op een casus toepassen
Operatoren:leg uitverklaarvergelijkberedeneerbeoordeelpas toe

basisniveau

Beheers de kern: wat een mensbeeld is, essentie versus existentie, en het verschil tussen determinisme en vrije wil.

verhoogd niveau

Weeg de posities over de vrije wil (inclusief het compatibilisme) tegen elkaar af en pas identiteitstheorieen toe op een gedachte-experiment.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 3 onderdelen▾
  1. Wijsgerige antropologie: centrale begrippen
    • 01Mensbeeld, essentie en existentie◐
    • 02Vrije wil en determinisme●
    • 03Persoonlijke identiteit●
§ 01

Mensbeeld, essentie en existentie#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

De wijsgerige antropologie draait om een mensbeeld: een samenhangend geheel van opvattingen over wat de mens in wezen is, wat hem onderscheidt en waartoe hij bestemd is (zie Afb. 1). Verschillende tradities schetsen verschillende mensbeelden. In een rationalistisch mensbeeld is de mens vooral een redelijk wezen dat zich door zijn verstand van het dier onderscheidt. In een religieus mensbeeld is de mens geschapen naar Gods beeld, met een ziel en een bestemming. In een biologisch mensbeeld is de mens een product van de evolutie, een dier onder de dieren. In een existentialistisch mensbeeld is de mens vooral een vrij wezen dat zichzelf moet vormgeven. Deze mensbeelden zijn geen neutrale beschrijvingen: ze sturen wat je van mensen verwacht, welke rechten je hun toekent en hoe je goed en kwaad ziet. Daarom is het blootleggen van het onderliggende mensbeeld een kernvaardigheid.

Vier mensbeelden

Vier mensbeeldenTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Mensbeeld · Kern: wat is de mens? · Nadruk; Rationalistisch · een redelijk wezen (verstand) · vaste essentie: rede; Religieus · geschapen, met ziel en bestemming · vaste essentie: God; Biologisch · een dier, product van evolutie · natuur zonder doel; Existentialistisch · vrij; vormt zichzelf · existentie voor essentie, gemarkeerde cel: existentie voor essentieMENSBEELDKERN: WAT IS DE MENS?NADRUKRationalistischeen redelijk wezen(verstand)vaste essentie: redeReligieusgeschapen, met ziel enbestemmingvaste essentie: GodBiologischeen dier, product vanevolutienatuur zonder doelExistentialistischvrij; vormt zichzelfexistentie voor essentieMensbeelden
Afb. 1Afb. 1 — Vier mensbeelden met hun kernidee; ze verschillen in wat zij als het wezen van de mens zien.
Een klassiek gereedschap om mensbeelden te ordenen is het onderscheid tussen essentie en existentie. De essentie is het wezen van iets: de vaste kern of natuur die maakt dat iets is wat het is en die vastligt (de essentie van een mes is dat het bedoeld is om te snijden). De existentie is het feit dat iets er is, dat het bestaat. In de klassieke opvatting (bijvoorbeeld bij Aristoteles en in de scholastiek) heeft ook de mens een vaste essentie, een menselijke natuur, die zijn doel en zijn goede leven bepaalt: de mens is van nature een redelijk en sociaal wezen. Vanuit die gedachte volgt uit wat de mens is (essentie) ook hoe hij moet leven. Dit essentialisme keert terug in de deugdethiek, waar het goede leven bestaat in het verwerkelijken van de menselijke natuur.
Tegenover dit essentialisme stelt de twintigste-eeuwse existentialist Jean-Paul Sartre zijn beroemde stelling dat bij de mens de existentie aan de essentie voorafgaat. Anders dan een mes, dat gemaakt is met een vooraf bepaald doel, bestaat de mens eerst en bepaalt hij daarna zelf wat hij wordt: er is geen vaststaande menselijke natuur die hem zijn bestemming voorschrijft. De mens is, in Sartres woorden, 'veroordeeld tot vrijheid': hij kan zich niet op een gegeven essentie beroepen om zijn keuzes af te schuiven, maar moet zichzelf door zijn daden vormgeven en draagt daarvoor de volle verantwoordelijkheid. Deze omkering heeft grote gevolgen: als de mens geen vaste essentie heeft, kan hij ook niet zeggen 'zo ben ik nu eenmaal', want juist door zijn keuzes maakt hij wie hij is. Vrijheid en verantwoordelijkheid vallen dan samen.
Waarom is dit onderscheid belangrijk voor de rest van het vak? Omdat de tegenstelling essentialisme-existentialisme onder veel filosofische discussies ligt en op het examen vaak terugkeert. Wie gelooft in een vaste menselijke natuur (essentie), zal geneigd zijn goed handelen af te leiden uit wat de mens van nature is, en zal moeite hebben met de gedachte dat je jezelf volledig opnieuw kunt uitvinden. Wie de existentie vooropstelt, benadrukt vrijheid, keuze en zelfvorming, maar loopt tegen de vraag aan of er dan nog wel grenzen zijn aan wat een mens mag worden. Bij een casus over identiteit, vrijheid of morele verantwoordelijkheid loont het om te vragen: gaat deze positie uit van een vaste essentie of van radicale existentie, en welke gevolgen heeft dat voor het standpunt? Zo verbind je de antropologie met de ethiek die verderop volgt.
Uitgewerkt voorbeeld

Essentie of existentie herkennen

Twee uitspraken: (a) 'Een mens is van nature een sociaal wezen, dus alleen in gemeenschap komt hij tot zijn bestemming.' (b) 'Een mens is niets vooraf; door zijn keuzes maakt hij wie hij is.' Bepaal per uitspraak of ze essentialistisch of existentialistisch is en motiveer.

  1. 01Uitspraak a analyseren

    Er wordt een vaste menselijke natuur aangenomen ('van nature sociaal') waaruit de bestemming volgt. Dat is essentialisme: uit de essentie volgt hoe de mens moet leven.

  2. 02Uitspraak b analyseren

    Er wordt juist ontkend dat de mens iets vooraf is; hij vormt zichzelf door keuzes. Dat is existentialisme: de existentie gaat aan de essentie vooraf.

  3. 03Gevolg benoemen

    Uitspraak a bindt goed handelen aan de menselijke natuur; uitspraak b legt de nadruk op vrijheid en verantwoordelijkheid voor de eigen zelfvorming.

Resultaat: Uitspraak (a) is essentialistisch (vaste natuur bepaalt de bestemming), uitspraak (b) existentialistisch (de mens vormt zichzelf). Het onderscheid essentie-existentie ordent beide posities scherp.

Eindexamen-focus

  • Je moet kunnen uitleggen wat een mensbeeld is en twee mensbeelden kunnen vergelijken op hun kern en hun gevolgen.
  • Je moet het onderscheid essentie versus existentie kunnen uitleggen en Sartres stelling 'de existentie gaat aan de essentie vooraf' kunnen toepassen.

Veelgemaakte fouten

  • Essentie en existentie omdraaien: essentie is het wezen (wat iets is), existentie is het bestaan (dat iets is).
  • Een mensbeeld als een neutraal feit presenteren, terwijl het altijd normatieve gevolgen heeft voor hoe je mensen ziet en behandelt.

Actieve herhaling

Leg uit wat Sartre bedoelt met 'de mens is veroordeeld tot vrijheid' en beredeneer waarom een existentialist niet mag zeggen 'ik kan er niets aan doen, zo ben ik nu eenmaal'.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie HAVO — Examenblad.nl (CvTE / Examenblad)

§ 02

Vrije wil en determinisme#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Kernpunten

Een van de oudste vragen over de mens is of we een vrije wil hebben, of dat al ons handelen vastligt (zie Afb. 2). Het determinisme stelt dat elke gebeurtenis, ook elke menselijke keuze, volledig bepaald is door voorafgaande oorzaken volgens natuurwetten: gegeven de toestand van de wereld en de hersenen op een moment, kon je niet anders hebben gehandeld dan je deed. Het determinisme is aantrekkelijk omdat het aansluit bij de wetenschap, die overal oorzaak-gevolgketens vindt, ook in de hersenen. De prijs is hoog: als alles vastligt, lijkt de vrije wil een illusie, en dan wankelt ook de morele verantwoordelijkheid, want je kunt iemand alleen iets kwalijk nemen als hij anders had kunnen kiezen. Dit maakt het determinisme tot een positie met verstrekkende gevolgen voor de ethiek en het strafrecht.

Posities over de vrije wil

Vrije wil en determinismeGraaf, Ligt alles causaal vast? → Determinisme: geen vrije wil, Ligt alles causaal vast? → Libertarisme: echte vrije wil, Ligt alles causaal vast? → Compatibilisme: vrij = zonder dwang, Determinisme: geen vrije wil → Morele verantwoordelijkheid?, Libertarisme: echte vrije wil → Morele verantwoordelijkheid?, Compatibilisme: vrij = zonder dwang → Morele verantwoordelijkheid?Ligt allescausaal vast?Determinisme:geen vrije wilLibertarisme:echte vrije wilCompatibilisme:vrij = zonderdwangMoreleverantwoordelijkheid?ja, striktneeja, maar
Afb. 2Afb. 2 — De drie posities over de vrije wil geordend: aanvaard je de oorzakelijkheid, en zo ja, blijft er dan vrijheid over?
Tegenover het strikte determinisme staan twee andere posities die je scherp uit elkaar moet houden. De eerste is het (libertarisch) indeterminisme: het standpunt dat de mens wel degelijk een vrije wil heeft en op een keuzemoment werkelijk anders had kunnen kiezen; de keten van oorzaken wordt door de vrije keuze doorbroken. Deze positie redt de verantwoordelijkheid, maar loopt tegen het bezwaar aan hoe een keuze die niet door voorafgaande oorzaken bepaald is nog van jou is en niet gewoon willekeurig of toevallig. De tweede is het fatalisme, dat vaak met determinisme wordt verward maar er wezenlijk van verschilt: fatalisme zegt dat de uitkomst hoe dan ook vastligt, wat je ook doet (het noodlot), terwijl determinisme zegt dat de uitkomst door je handelen wordt veroorzaakt, alleen ligt dat handelen zelf ook weer vast. Bij determinisme doen je keuzes er dus toe als schakel in de keten; bij fatalisme niet.
Een derde, verzoenende positie is het compatibilisme, dat probeert vrije wil en determinisme met elkaar te verenigen. De compatibilist aanvaardt dat alles causaal bepaald is, maar herdefinieert vrijheid: vrij zijn betekent niet dat je aan de oorzakelijkheid ontsnapt, maar dat je handelt volgens je eigen wensen en overtuigingen, zonder dwang van buitenaf. Als je doet wat je zelf wilt (koffie bestellen omdat je koffie lekker vindt), ben je vrij, ook al is dat willen zelf causaal ontstaan; onvrij ben je pas als je gedwongen of belet wordt door een ander of door een verslaving. Zo blijft er ruimte voor verantwoordelijkheid: we straffen mensen niet omdat ze de causale keten hadden kunnen doorbreken, maar omdat hun daad voortkwam uit henzelf en niet uit dwang. Het compatibilisme is populair omdat het de wetenschap (determinisme) verzoent met de morele praktijk (verantwoordelijkheid), al vinden critici dat het de echte, diepe vrijheid opgeeft.
Waarom is dit debat op het examen zo belangrijk? Omdat de posities niet alleen abstract zijn, maar rechtstreeks botsen op onze morele praktijk, en juist die botsing wordt getoetst. Neem het strafrecht: als het strikte determinisme klopt en niemand anders had kunnen handelen, is vergelding onrechtvaardig en kun je hooguit straffen om de maatschappij te beschermen of daders te veranderen. Neemt de rechter juist een vrije wil aan, dan is schuld en vergelding zinvol. Bij een casus (bijvoorbeeld over een dader met een hersenafwijking of over neurowetenschappelijk onderzoek dat suggereert dat het brein al beslist voordat we het beseffen) wordt gevraagd de posities toe te passen: wat zou een determinist, een libertariër en een compatibilist zeggen over de verantwoordelijkheid van deze persoon? Een sterk antwoord formuleert elke positie precies, past haar toe op de casus en betrekt een tegenwerping.
Uitgewerkt voorbeeld

Determinisme of fatalisme?

Iemand zegt: 'Ik ga niet naar de dokter, want als ik ziek moet worden, word ik toch wel ziek, wat ik ook doe.' Bepaal of dit determinisme of fatalisme is en leg het verschil uit.

  1. 01Redenering ontleden

    De spreker meent dat de uitkomst (ziek worden) vastligt ongeacht zijn handelen: naar de dokter gaan of niet maakt niet uit.

  2. 02Positie benoemen

    Dit is fatalisme: de uitkomst staat los van wat je doet, alsof het noodlot regeert.

  3. 03Verschil met determinisme

    Een determinist zou juist zeggen dat naar de dokter gaan wel degelijk de uitkomst beinvloedt (als schakel in de causale keten); alleen ligt dat handelen zelf ook weer vast. Bij determinisme doen je daden ertoe, bij fatalisme niet.

Resultaat: De uitspraak is fatalistisch, niet deterministisch: ze maakt het handelen zinloos. Bij determinisme veroorzaken je keuzes wel de uitkomst; dat is het cruciale verschil dat de redenering onderuithaalt.

Eindexamen-focus

  • Je moet determinisme, (libertarisch) indeterminisme en compatibilisme kunnen omschrijven en hun gevolgen voor de vrije wil aangeven.
  • Je moet de posities kunnen toepassen op een casus over morele verantwoordelijkheid of straf en het verschil tussen determinisme en fatalisme kunnen uitleggen.

Veelgemaakte fouten

  • Determinisme en fatalisme gelijkstellen: bij determinisme veroorzaken je keuzes de uitkomst (ze doen ertoe), bij fatalisme ligt de uitkomst los van wat je doet.
  • Denken dat het compatibilisme het determinisme ontkent; het aanvaardt de oorzakelijkheid maar herdefinieert vrijheid als handelen zonder dwang.

Actieve herhaling

Een neurowetenschapper stelt dat de hersenen een beslissing al nemen voordat wij ons ervan bewust worden. Beredeneer wat een determinist, een libertariër en een compatibilist over de morele verantwoordelijkheid van de dader zouden zeggen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie HAVO — Examenblad.nl (CvTE / Examenblad)

§ 03

Persoonlijke identiteit#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Kernpunten

Het probleem van de persoonlijke identiteit gaat over de vraag wat maakt dat jij door de tijd heen dezelfde persoon blijft, terwijl bijna alles aan je verandert (zie Afb. 3). Je lichaam vernieuwt zijn cellen, je karakter verandert, je herinneringen vervagen, en toch zeg je dat de baby op de oude foto en de volwassene van nu dezelfde persoon zijn. Filosofen zoeken naar het identiteitscriterium: datgene wat door alle verandering heen hetzelfde blijft en de persoon over de tijd een maakt. Dit is geen woordspel: het antwoord bepaalt of iemand na een ingrijpende verandering (dementie, een persoonlijkheidsverandering, of in gedachte-experimenten een breintransplantatie) nog dezelfde persoon is, en dus of afspraken, verantwoordelijkheid en straf uit het verleden nog gelden.

Theorieen over persoonlijke identiteit

Persoonlijke identiteitTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Theorie · Identiteitscriterium · Kernbezwaar; Lichaamscriterium · hetzelfde lichaam / brein · geest lijkt mee te gaan, niet lichaam; Psychologisch (Locke) · keten van herinneringen · herinneringen zijn onbetrouwbaar; cirkel; Bundeltheorie (Hume) · geen blijvend zelf; een bundel · botst met ervaring van een 'ik', gemarkeerde cel: keten van herinneringenTHEORIEIDENTITEITSCRITERIUMKERNBEZWAARLichaamscriteriumhetzelfde lichaam / breingeest lijkt mee te gaan,niet lichaamPsychologisch (Locke)keten van herinneringenherinneringen zijnonbetrouwbaar; cirkelBundeltheorie (Hume)geen blijvend zelf; eenbundelbotst met ervaring van een'ik'Identiteit
Afb. 3Afb. 3 — Drie antwoorden op de vraag wat je door de tijd dezelfde maakt, elk met een kernbezwaar.
Een eerste antwoord is het lichaamscriterium: je bent dezelfde persoon zolang je hetzelfde, continu voortbestaande lichaam (in het bijzonder hetzelfde brein) hebt. Deze opvatting sluit aan bij het gezonde verstand, want we herkennen elkaar aan ons lichaam, en ze is eenvoudig: er is een fysiek continue drager. Toch stuit ze op bezwaren. In een gedachte-experiment waarin jouw herinneringen en karakter naar een ander lichaam worden overgezet, terwijl in jouw oude lichaam iemand anders wakker wordt, neigen de meeste mensen ertoe te zeggen dat jij bent meegegaan met je geest, niet met je lichaam. Bovendien: als je oude lichaam bijna volledig door protheses en getransplanteerde organen zou zijn vervangen, blijf je toch dezelfde. Zulke gevallen zetten het lichaamscriterium onder druk en wijzen naar de geest.
Een tweede antwoord is daarom het psychologische criterium, klassiek verwoord door John Locke: je bent dezelfde persoon zolang er psychologische continuiteit bestaat, in het bijzonder een aaneengeschakelde keten van herinneringen en een doorlopend bewustzijn. Wat je tot dezelfde persoon maakt, is niet je lichaam maar dat je je (via tussenliggende herinneringen) kunt verbinden met je vroegere ervaringen: de volwassene herinnert zich als tiener, de tiener als kind. Deze opvatting verklaart waarom we in het breintransplantatie-experiment de persoon met de geest laten meegaan, en waarom we bij totaal geheugenverlies twijfelen of het nog dezelfde persoon is. Maar ook zij heeft problemen: herinneringen zijn onbetrouwbaar en met gaten, en het is een cirkel om identiteit met herinneringen te verklaren, want om je iets te herinneren moet je al dezelfde persoon zijn die het meemaakte.
Een derde, radicalere positie is de bundeltheorie, verbonden met David Hume: misschien is er helemaal geen blijvend zelf. Als je naar binnen kijkt, vind je nooit een onveranderlijk 'ik', maar alleen een steeds wisselende bundel van waarnemingen, gedachten en gevoelens. Het zelf is dan geen ding maar een constructie, een verhaal dat we over die opeenvolging heen leggen. Deze opvatting verklaart elegant waarom we het blijvende zelf nooit kunnen aanwijzen, maar botst met onze diepe ervaring dat we wel degelijk iemand zijn en verantwoordelijkheid dragen. Op het examen wordt gevraagd deze theorieen (lichaamscriterium, psychologische continuiteit, bundeltheorie) uit te leggen en toe te passen op een casus of gedachte-experiment: wie is na de verandering nog dezelfde, en waarom? Een sterk antwoord kiest per theorie een consequent antwoord en betrekt een tegenwerping, bijvoorbeeld met een gericht gedachte-experiment.
Uitgewerkt voorbeeld

Identiteit toepassen op een casus

Een man met vergevorderde dementie herkent niemand meer en deelt geen herinneringen meer met zijn vroegere leven. Beredeneer volgens de psychologische theorie of hij nog dezelfde persoon is en welk gevolg dat heeft.

  1. 01Criterium toepassen

    De psychologische theorie vraagt naar continuiteit van herinneringen en bewustzijn. Bij vergaande dementie is die keten grotendeels verbroken.

  2. 02Conclusie volgens de theorie

    Strikt genomen zou de psychologische theorie zeggen dat hij in belangrijke mate niet meer dezelfde persoon is als vroeger, omdat de verbindende herinneringen ontbreken.

  3. 03Tegenwerping betrekken

    Vanuit het lichaamscriterium is hij wel dezelfde (zelfde lichaam en brein), en velen vinden intuitief dat hij dezelfde blijft; dit toont de spanning tussen de criteria.

Resultaat: Volgens de psychologische theorie is de continuiteit verbroken, dus zou hij grotendeels niet meer dezelfde persoon zijn, met gevolgen voor bijvoorbeeld eerder gemaakte afspraken. Het lichaamscriterium spreekt dit tegen; de casus legt de botsing tussen beide theorieen bloot.

Eindexamen-focus

  • Je moet het lichaamscriterium, de psychologische continuiteit (Locke) en de bundeltheorie (Hume) kunnen uitleggen als antwoorden op de identiteitsvraag.
  • Je moet een identiteitstheorie kunnen toepassen op een gedachte-experiment (bijvoorbeeld breintransplantatie of geheugenverlies) en de gevolgen voor verantwoordelijkheid aangeven.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat identiteit vanzelfsprekend het lichaam is; gedachte-experimenten laten zien dat de geest een sterk alternatief criterium is.
  • De psychologische theorie navertellen zonder het cirkelbezwaar te noemen (om je iets te herinneren moet je al dezelfde persoon zijn).

Actieve herhaling

In een gedachte-experiment worden alle herinneringen en het karakter van persoon A naar het lichaam van B overgezet. Beredeneer volgens het lichaamscriterium en volgens de psychologische theorie wie na afloop persoon A is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie HAVO — Examenblad.nl (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 03

    • 01Mensbeeld, essentie en existentie◐
    • 02Vrije wil en determinisme●
    • 03Persoonlijke identiteit●

0/3 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Wijsgerige antropologie: centrale begrippen

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~14
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma filosofie HAVO — Examenblad.nl

Vorig onderwerp

Filosofische vaardigheden: argumentatie en onderzoek

Volgend onderwerp

Lichaam, geest en emotie

EuraStudy·Samenvattingen T·02·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.