EuraStudy
Samenvattingen/Filosofie/Filosofische vaardigheden: argumentatie en onderzoek
Samenvattingen · FilosofieNL · HAVO

Filosofische vaardigheden: argumentatie en onderzoek

Filosofie is geen kwestie van meningen, maar van redeneren: je onderbouwt een standpunt met argumenten en beoordeelt of die redenering deugt. In dit onderwerp leer je een argument te ontleden in premissen en conclusie, het onderscheid tussen een geldige en een deugdelijke redenering, de belangrijkste drogredenen, en de gereedschappen begripsanalyse, gedachte-experiment en filosofisch onderzoek. Deze vaardigheden gebruik je in elk examenantwoord van dit vak.

4 Onderdelen·~18 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0111 / 11
Examenprofiel
Een argument reconstrueren als premissen en conclusie en de structuur ervan weergevenHet onderscheid tussen geldigheid (vorm) en deugdelijkheid (waarheid van de premissen) hanterenVeelvoorkomende drogredenen herkennen en benoemenDe methoden begripsanalyse, gedachte-experiment en filosofisch onderzoek toepassen
Operatoren:leg uitverklaaranalyseerberedeneertoon aanbeoordeelreconstrueer

basisniveau

Beheers de kern: een argument in premissen en conclusie ontleden, geldig versus deugdelijk onderscheiden en de bekendste drogredenen herkennen.

verhoogd niveau

Beoordeel een langere redenering zelfstandig: reconstrueer de argumentstructuur, toets geldigheid en deugdelijkheid apart en weerleg met een gerichte tegenwerping of gedachte-experiment.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Filosofische vaardigheden: argumentatie en onderzoek
    • 01Wat is een argument? Premissen en conclusie○
    • 02Geldig en deugdelijk: vorm en waarheid◐
    • 03Drogredenen herkennen◐
    • 04Begripsanalyse, gedachte-experiment en filosofisch onderzoek●
§ 01

Wat is een argument? Premissen en conclusie#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kernpunten

Filosofie werkt met argumenten, en een argument is iets heel precies: een geheel van beweringen waarin een of meer premissen (de redenen) een conclusie (het standpunt) ondersteunen (zie Afb. 1). De conclusie is datgene wat de spreker wil laten aanvaarden; de premissen zijn de beweringen die als grond worden aangevoerd. Een argument is dus meer dan een losse mening: het geeft redenen. Je herkent de conclusie vaak aan signaalwoorden als daarom, dus, bijgevolg en concludeer ik, en de premissen aan want, omdat, immers en aangezien. Een klassiek voorbeeld: 'Alle mensen zijn sterfelijk' (premisse 1) en 'Socrates is een mens' (premisse 2), dus 'Socrates is sterfelijk' (conclusie). Wie filosofisch leest, zoekt eerst deze bouwstenen op, want pas als je weet wat de conclusie is en welke redenen ervoor worden gegeven, kun je de redenering beoordelen.

De structuur van een argument

Premissen en conclusieGraaf, Premisse 1 → Conclusie (standpunt), Premisse 2 → Conclusie (standpunt), Verzwegen premisse → Conclusie (standpunt)Premisse 1Premisse 2VerzwegenpremisseConclusie(standpunt)dus
Afb. 1Afb. 1 — De bouw van een argument: premissen (redenen) ondersteunen via signaalwoorden de conclusie (het standpunt).
Een argument reconstrueren betekent de tekst omzetten in een heldere structuur van genummerde premissen en een conclusie, waarbij je de kern bewaart maar de omhaal weglaat. Dat vergt twee dingen. Ten eerste moet je de conclusie scherp formuleren als een volledige bewering (niet 'over abortus', maar 'abortus is moreel toelaatbaar'). Ten tweede moet je soms een verzwegen premisse aanvullen: een aanname die de spreker niet uitspreekt maar wel nodig heeft om van de premissen bij de conclusie te komen. In 'Je mag geen dieren laten lijden, dus je mag geen bont dragen' is de verzwegen premisse dat het dragen van bont dieren laat lijden. Het opsporen van verzwegen premissen is een kernvaardigheid, want juist daar zit vaak het discutabele punt van een redenering, en op het examen wordt gevraagd zulke aannames zichtbaar te maken.
Argumenten kunnen op verschillende manieren zijn opgebouwd, en die structuur bepaalt hoe je ze weergeeft. Bij een enkelvoudig argument steunt de conclusie op een enkele premisse. Bij een meervoudig (nevengeschikt) argument geven meerdere premissen elk op zichzelf steun aan dezelfde conclusie, zodat het argument blijft staan als er een wegvalt. Bij een samengesteld (ondergeschikt of ketenvormig) argument werken premissen samen of vormen ze een keten waarin de conclusie van de ene stap de premisse van de volgende wordt. Daarnaast onderscheiden filosofen deductieve argumenten, waarin de conclusie met noodzaak uit de premissen volgt (als de premissen waar zijn, moet de conclusie waar zijn), van niet-deductieve argumenten zoals inductie en argumentatie naar de beste verklaring, waarin de premissen de conclusie slechts waarschijnlijk maken. Weten met welk type je te maken hebt, bepaalt welke maatstaf je aanlegt.
Waarom is dit ontleden de eerste stap van alle filosofie? Omdat je een standpunt pas eerlijk kunt beoordelen als je precies weet wat er beweerd wordt en op welke gronden. Zolang een tekst een wolk van beweringen is, kun je hooguit oneens zijn; zodra je de premissen en de conclusie helder hebt, kun je gericht toetsen: kloppen de premissen (deugdelijkheid) en volgt de conclusie er wel uit (geldigheid)? Dat onderscheid werk je uit in de volgende onderdelen. In examenantwoorden loont het altijd om eerst de argumentstructuur te benoemen: wat is het standpunt, welke redenen worden gegeven, en welke aanname blijft verzwegen? Zo laat je zien dat je niet reageert op je gevoel bij de tekst, maar op de redenering zelf.
Uitgewerkt voorbeeld

Een argument reconstrueren

Reconstrueer in premissen en conclusie, inclusief de verzwegen premisse: 'Je mag deze app niet gebruiken, want hij verkoopt je gegevens door.'

  1. 01Conclusie zoeken

    Het standpunt (herkenbaar want het volgt op 'want'): je mag deze app niet gebruiken.

  2. 02Uitgesproken premisse

    De reden achter 'want': de app verkoopt je gegevens door.

  3. 03Verzwegen premisse aanvullen

    Om van die reden naar de conclusie te komen is een aanname nodig: je mag geen app gebruiken die je gegevens doorverkoopt.

Resultaat: Premisse 1: de app verkoopt je gegevens door. Premisse 2 (verzwegen): je mag geen app gebruiken die je gegevens doorverkoopt. Conclusie: je mag deze app niet gebruiken. De verzwegen premisse maakt het discutabele punt zichtbaar.

Eindexamen-focus

  • Je moet in een tekstfragment de conclusie en de premissen kunnen aanwijzen en een verzwegen premisse kunnen aanvullen.
  • Je moet een argument als een geordende structuur (genummerde premissen plus conclusie) kunnen weergeven en het type (deductief of niet-deductief) benoemen.

Veelgemaakte fouten

  • Een losse mening of een oproep aanzien voor een argument: zonder aangevoerde redenen is er geen argument.
  • De conclusie half formuleren (het onderwerp noemen in plaats van de volledige bewering), waardoor je de redenering niet kunt toetsen.

Actieve herhaling

Reconstrueer het volgende argument in premissen en conclusie en vul de verzwegen premisse aan: 'Robots kunnen niet echt denken, want ze hebben geen bewustzijn.'

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie HAVO — Examenblad.nl (CvTE / Examenblad)

§ 02

Geldig en deugdelijk: vorm en waarheid#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Om een redenering te beoordelen gebruik je twee losse maatstaven die je nooit door elkaar mag halen: geldigheid en deugdelijkheid. Geldigheid gaat over de vorm van de redenering: een deductief argument is geldig als de conclusie met noodzaak uit de premissen volgt, dat wil zeggen: als de premissen waar zouden zijn, kan de conclusie niet onwaar zijn. Geldigheid zegt dus niets over of de premissen echt waar zijn; het zegt alleen dat de sprong van premissen naar conclusie deugt. 'Alle katten kunnen vliegen; Minoes is een kat; dus Minoes kan vliegen' is een volkomen geldig argument: de vorm klopt, ook al is de eerste premisse onzin. Geldigheid is een eigenschap van de redeneervorm, niet van de inhoud.
Deugdelijkheid (ook wel: een sluitend argument) is de sterkere eis: een argument is deugdelijk wanneer het geldig is en bovendien alle premissen waar zijn. Alleen dan ben je gedwongen de conclusie te aanvaarden. Bij 'Alle mensen zijn sterfelijk; Socrates is een mens; dus Socrates is sterfelijk' is de vorm geldig en zijn beide premissen waar, dus is het argument deugdelijk en de conclusie onontkoombaar. Het vlieg-voorbeeld hierboven is wel geldig maar niet deugdelijk, want de premisse dat alle katten kunnen vliegen is onwaar. Zo zie je dat een redenering op twee manieren kan falen: ofwel de vorm klopt niet (ongeldig), ofwel de vorm klopt wel maar een premisse is onwaar (geldig maar niet deugdelijk).
Dit onderscheid is het hart van kritisch redeneren, want het vertelt je waar je een redenering moet aanvallen (zie Afb. 2). Wil je een deductief argument weerleggen, dan heb je precies twee opties. De eerste: laat zien dat het ongeldig is, dat de conclusie er niet uit volgt ook al zijn de premissen waar. De tweede: aanvaard de vorm, maar betwist een premisse door te laten zien dat die onwaar of onaannemelijk is. Je hoeft dus niet met de conclusie te ruziën; je ondermijnt haar door de vorm of de premissen aan te tasten. Andersom betekent het ook dat je een geldig argument niet mag afwijzen met 'ik ben het er niet mee eens' zolang je geen premisse kunt betwisten: als de vorm geldig is en de premissen waar, ben je logisch verplicht de conclusie te aanvaarden.

Geldig versus deugdelijk

Geldig en deugdelijkTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Maatstaf · Kernvraag · Weerleggen door; Geldigheid · Volgt de conclusie uit de premissen? · aantonen dat de vorm faalt; Deugdelijkheid · Geldig en zijn de premissen waar? · een premisse betwisten; Inductieve steun · Maken de premissen het waarschijnlijk? · steekproef of verklaring aanvechten, gemarkeerde cel: DeugdelijkheidMAATSTAFKERNVRAAGWEERLEGGEN DOORGeldigheidVolgt de conclusie uit depremissen?aantonen dat de vorm faaltDeugdelijkheidGeldig en zijn de premissenwaar?een premisse betwistenInductieve steunMaken de premissen hetwaarschijnlijk?steekproef of verklaringaanvechtenVorm en waarheid
Afb. 2Afb. 2 — Twee losse maatstaven: geldigheid toetst de vorm, deugdelijkheid toetst vorm en de waarheid van de premissen.
Bij niet-deductieve argumenten ligt de maatstaf iets anders, en dat mag je niet vergeten. Een inductief argument (van bijzondere gevallen naar een algemene conclusie) of een argument naar de beste verklaring is nooit strikt geldig: de premissen maken de conclusie alleen meer of minder waarschijnlijk. Hier vraag je niet of de conclusie met noodzaak volgt, maar of ze voldoende gesteund wordt: is de steekproef groot en representatief, zijn er geen betere verklaringen over het hoofd gezien? Op het examen wordt gecontroleerd of je de juiste maatstaf bij het juiste soort argument aanlegt: geldigheid en deugdelijkheid bij deductie, en steun of waarschijnlijkheid bij inductie. Een sterk antwoord benoemt eerst het type argument en beoordeelt het dan met de bijpassende meetlat.
Uitgewerkt voorbeeld

Geldig maar niet deugdelijk

Beoordeel apart op geldigheid en deugdelijkheid: 'Alle politici liegen; Anne is politicus; dus Anne liegt.'

  1. 01Geldigheid toetsen

    De vorm is die van een geldige deductie (alle A zijn B; x is A; dus x is B): als de premissen waar zouden zijn, moet de conclusie waar zijn. Het argument is geldig.

  2. 02Premissen toetsen

    Premisse 1, 'alle politici liegen', is een ongefundeerde generalisatie en onwaar; niet elke politicus liegt.

  3. 03Deugdelijkheid bepalen

    Omdat een premisse onwaar is, is het argument wel geldig maar niet deugdelijk; de conclusie is niet afgedwongen.

Resultaat: Het argument is geldig (de vorm klopt) maar niet deugdelijk (premisse 1 is onwaar). Je weerlegt het niet door de vorm aan te vallen, maar door de valse premisse te betwisten.

Eindexamen-focus

  • Je moet geldigheid (vorm) en deugdelijkheid (geldig plus ware premissen) apart kunnen beoordelen en uitleggen dat een geldig argument toch onwaar kan concluderen.
  • Je moet een deductief argument gericht kunnen weerleggen: aantonen dat het ongeldig is, of een premisse betwisten.

Veelgemaakte fouten

  • Geldig en waar verwarren: een argument kan geldig zijn met een onware premisse (en dus niet deugdelijk).
  • Denken dat je een geldig argument met ware premissen mag afwijzen omdat je de conclusie onprettig vindt.

Actieve herhaling

Beoordeel: 'Alle vogels kunnen vliegen; een pinguin is een vogel; dus een pinguin kan vliegen.' Is dit argument geldig? Is het deugdelijk? Motiveer beide oordelen apart.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie HAVO — Examenblad.nl (CvTE / Examenblad)

§ 03

Drogredenen herkennen#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Een drogreden is een redenering die op het eerste gezicht overtuigend lijkt, maar bij nader inzien niet deugt: de conclusie wordt niet echt gesteund door de premissen, of de aandacht wordt afgeleid van de zaak zelf (zie Afb. 3). Drogredenen zijn gevaarlijk juist omdat ze werken in een debat: ze spelen in op emoties, gezag of haast in plaats van op de kwaliteit van het argument. Filosofie leert je ze te ontmaskeren, zodat je je niet laat meeslepen door een redenering die alleen retorisch sterk is. Belangrijk is dat een drogreden een fout in de redenering is, niet per se een leugen: iemand kan te goeder trouw een drogreden gebruiken. Het herkennen ervan hoort daarom bij de wijsgerige vaardigheden en wordt op het examen expliciet getoetst.

Veelvoorkomende drogredenen

Drogredenen herkennenTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Drogreden · Wat gebeurt er? · Voorbeeld; Ad hominem · de persoon aanvallen i.p.v. het argument · 'Jij rijdt zelf auto, dus zwijg over milieu.'; Cirkelredenering · de conclusie zit al in de premisse · 'Het is waar want het staat in dit boek.'; Vals dilemma · doen alsof er maar twee opties zijn · 'Voor het plan, of tegen vooruitgang.'; Stroman · een karikatuur van het standpunt bestrijden · 'Jij wilt dus totale wetteloosheid.', gemarkeerde cel: de conclusie zit al in de premisseDROGREDENWAT GEBEURT ER?VOORBEELDAd hominemde persoon aanvallen i.p.v.het argument'Jij rijdt zelf auto, duszwijg over milieu.'Cirkelredeneringde conclusie zit al in depremisse'Het is waar want het staatin dit boek.'Vals dilemmadoen alsof er maar tweeopties zijn'Voor het plan, of tegenvooruitgang.'Stromaneen karikatuur van hetstandpunt bestrijden'Jij wilt dus totalewetteloosheid.'Drogredenen
Afb. 3Afb. 3 — Vier veelvoorkomende drogredenen met hun kern en een voorbeeld; steeds faalt de redenering al is de zin overtuigend.
Een eerste groep drogredenen valt de persoon aan in plaats van het argument, of verschuift het onderwerp. Bij de persoonlijke aanval (argumentum ad hominem) wordt niet de bewering maar de spreker aangevallen: 'Jij hebt geen recht van spreken over milieu, je rijdt zelf auto.' Of de tegenstander wordt in een karikatuur gezet die makkelijk onderuit te halen is (stromanargument): je verdraait zijn standpunt tot iets extreems en bestrijdt vervolgens die karikatuur. Verwant is het beroep op medelijden of op angst (ad misericordiam, ad baculum), waarbij niet met redenen maar met gevoelens wordt gewerkt, en het beroep op de massa (ad populum): 'Iedereen doet het, dus het is goed.' In al deze gevallen wordt de aandacht van de zaak zelf afgeleid.
Een tweede groep drogredenen doet het lijken alsof de conclusie gesteund wordt, terwijl de steun onterecht is. Bij een cirkelredenering neem je in de premisse al aan wat je moet bewijzen: 'De Bijbel is waar, want het staat in de Bijbel.' Bij een beroep op ongepast gezag (ad verecundiam) haal je een autoriteit aan buiten diens vakgebied: een beroemde acteur die medische claims doet. Bij de valse tweedeling (vals dilemma) doe je alsof er maar twee opties zijn terwijl er meer bestaan: 'Of je bent voor dit plan, of je bent tegen vooruitgang.' Bij het hellend vlak beweer je zonder onderbouwing dat een eerste stap onvermijdelijk tot een rampzalige reeks gevolgen leidt. En bij de overhaaste generalisatie trek je een algemene conclusie uit veel te weinig gevallen. Steeds is de truc dat de redeneervorm rammelt, ook al klinkt de zin plausibel.
Waarom moet je drogredenen niet alleen kunnen benoemen maar ook uitleggen? Omdat op het examen wordt gevraagd waarom een bepaalde redenering een drogreden is, en dan is een etiket plakken niet genoeg. Je laat zien dat je het begrijpt door precies aan te wijzen waar de redenering faalt: bij een ad hominem dat de eigenschap van de spreker niets zegt over de waarheid van zijn bewering; bij een cirkelredenering dat de conclusie al in de premisse zit, zodat er niets bewezen wordt; bij een vals dilemma dat er een derde mogelijkheid over het hoofd wordt gezien. Zo verbind je het herkennen van de drogreden met het onderscheid geldig-deugdelijk uit het vorige onderdeel: een drogreden is meestal een argument dat niet geldig is of waarvan een premisse ondeugdelijk is, verpakt in een overtuigende vorm. Een sterk antwoord benoemt de drogreden en legt uit waarom de redenering niet deugt.
Uitgewerkt voorbeeld

Een drogreden analyseren

Benoem de drogreden en leg uit waarom de redenering faalt: 'Professor X twijfelt aan dit dieet, maar zij is te dik, dus haar bezwaar telt niet.'

  1. 01Structuur bekijken

    De bewering van X (twijfel aan het dieet) wordt afgewezen op grond van een eigenschap van X (haar gewicht), niet op grond van de inhoud van haar bezwaar.

  2. 02Drogreden benoemen

    Dit is een persoonlijke aanval (argumentum ad hominem): de spreker wordt aangevallen in plaats van het argument.

  3. 03Uitleggen waarom het faalt

    Het gewicht van X zegt niets over de juistheid van haar bezwaar; een waar bezwaar blijft waar, ongeacht wie het uit. De redenering is dus niet geldig.

Resultaat: Het is een ad hominem: de eigenschap van de spreker wordt tegen haar argument gebruikt, terwijl die eigenschap niets zegt over de waarheid van de bewering. Daarom deugt de redenering niet.

Eindexamen-focus

  • Je moet in een tekst of debat een drogreden kunnen herkennen, benoemen (bijvoorbeeld ad hominem, cirkelredenering, vals dilemma) en uitleggen waarom de redenering niet deugt.
  • Je moet het verschil kunnen aangeven tussen een drogreden en een geldig argument dat je alleen niet bevalt.

Veelgemaakte fouten

  • Een drogreden alleen benoemen zonder uit te leggen waarom de redenering faalt; het waarom levert de punten op.
  • Elke aanval op een persoon een ad hominem noemen: het is pas een drogreden als de eigenschap van de spreker wordt gebruikt tegen zijn argument.

Actieve herhaling

Benoem de drogreden en leg uit waarom de redenering niet deugt: 'Je bent tegen dit wetsvoorstel? Dan geef je dus niets om de veiligheid van kinderen.'

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie HAVO — Examenblad.nl (CvTE / Examenblad)

§ 04

Begripsanalyse, gedachte-experiment en filosofisch onderzoek#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Kernpunten

Naast argumenteren beschikt de filosoof over gereedschappen om begrippen te verhelderen en posities te toetsen, samen te vatten als een onderzoekscyclus (zie Afb. 4), en de eerste is de begripsanalyse. Filosofische discussies lopen vaak vast omdat een centraal begrip als vrijheid, geluk, rechtvaardigheid of kunst onduidelijk is. Bij begripsanalyse ontleed je zo'n begrip door te zoeken naar de noodzakelijke en voldoende voorwaarden: welke kenmerken moet iets hebben om onder het begrip te vallen (noodzakelijk), en welke kenmerken zijn samen genoeg om er zeker onder te vallen (voldoende)? Je zoekt scherpe voorbeelden en tegenvoorbeelden: een geval dat wel aan de voorgestelde definitie voldoet maar toch niet onder het begrip lijkt te vallen, laat zien dat de definitie te ruim is; een geval dat er duidelijk onder valt maar niet aan de definitie voldoet, laat zien dat ze te eng is. Zo scherp je de betekenis stap voor stap aan.

De filosofische onderzoekscyclus

OnderzoekscyclusGraaf, Begrip analyseren → Argument reconstrueren, Argument reconstrueren → Geldig en deugdelijk?, Geldig en deugdelijk? → Toetsen (gedachte-experiment), Toetsen (gedachte-experiment) → Beargumenteerd standpuntBegripanalyserenArgumentreconstruerenGeldig endeugdelijk?Toetsen(gedachte-experiment)Beargumenteerdstandpunt
Afb. 4Afb. 4 — De vaardigheden samen als een cyclus: van begripsanalyse via reconstructie en beoordeling naar toetsing en een beargumenteerd standpunt.
Het tweede gereedschap is het gedachte-experiment: een verzonnen, vaak onmogelijk of extreem geval dat je in gedachten doorloopt om te ontdekken wat je werkelijk vindt en waarom. Omdat je alle storende details weglaat, isoleert een gedachte-experiment precies het punt waar het om gaat. Bekende voorbeelden zijn het trolleyprobleem (mag je een op hol geslagen wagon omleiden zodat die een in plaats van vijf mensen doodt?), dat je intuities over gevolgen versus handelen blootlegt, en de ervaringsmachine van Robert Nozick (zou je voorgoed in een machine stappen die elke gewenste ervaring simuleert?), die test of geluk alleen uit prettige ervaringen bestaat. Een gedachte-experiment bewijst niets in strikte zin, maar het maakt een positie voelbaar en dwingt je je intuities te verantwoorden; daarom is het een krachtig middel om een theorie te toetsen of te weerleggen.
Het derde is de filosofische methode zelf: filosofisch onderzoek verloopt niet empirisch (met metingen en experimenten zoals de natuurwetenschap), maar door redeneren, analyseren en argumenteren. Een filosofisch onderzoek begint meestal met een heldere vraag, verkent bestaande posities en hun argumenten, weegt die tegen elkaar af met behulp van begripsanalyse en gedachte-experimenten, en komt tot een beargumenteerd, maar in principe herzienbaar standpunt. Kenmerkend is de Socratische houding: doorvragen naar wat men eigenlijk bedoelt en waarom men iets aanneemt, en bereid zijn de eigen overtuiging bij te stellen als de argumenten dat vragen. Filosofie streeft dus niet naar definitieve zekerheid maar naar de best onderbouwde positie, en blijft open voor tegenwerpingen; dat onderscheidt haar zowel van dogma als van vrijblijvende meningen.
In een examenantwoord komen deze vaardigheden samen tot een herkenbare aanpak, en het loont die expliciet te tonen. Krijg je een casus of tekstfragment, dan analyseer je eerst het centrale begrip of de centrale positie (wat wordt precies bedoeld?), reconstrueer je het argument in premissen en conclusie, en beoordeel je het op geldigheid en deugdelijkheid. Vervolgens toets je de positie met een gericht tegenvoorbeeld of gedachte-experiment en formuleer je een tegenwerping, om ten slotte beargumenteerd een eigen standpunt in te nemen dat rekening houdt met die tegenwerping. Deze cyclus (analyseren, reconstrueren, beoordelen, toetsen, concluderen) is de rode draad door het hele vak: je gebruikt haar bij de antropologie, de ethiek, de sociale filosofie en het CE-thema. Wie haar beheerst, kan elke nieuwe casus filosofisch aanpakken in plaats van er slechts een mening over te geven.
Uitgewerkt voorbeeld

Een definitie toetsen met een tegenvoorbeeld

Iemand stelt voor: 'Kunst is alles wat in een museum hangt.' Toets deze definitie met begripsanalyse en een tegenvoorbeeld.

  1. 01Definitie als voorwaarde lezen

    De voorgestelde voldoende voorwaarde is: in een museum hangen. Alles wat daar hangt zou dan kunst zijn.

  2. 02Tegenvoorbeeld (te ruim)

    Een brandblusser of een bewakingscamera hangt in een museum maar is geen kunst; de definitie is dus te ruim.

  3. 03Tegenvoorbeeld (te eng)

    Een graffitiwerk op straat of muziek hangt niet in een museum maar geldt wel als kunst; de definitie is ook te eng.

Resultaat: De definitie faalt van twee kanten: ze is te ruim (niet-kunst in een museum) en te eng (kunst buiten een museum). Begripsanalyse met tegenvoorbeelden laat zien dat de museumplaats geen noodzakelijke en geen voldoende voorwaarde voor kunst is.

Eindexamen-focus

  • Je moet een begrip kunnen analyseren met noodzakelijke en voldoende voorwaarden en met tegenvoorbeelden een voorgestelde definitie kunnen aanscherpen.
  • Je moet een gedachte-experiment kunnen uitleggen en inzetten om een filosofische positie te toetsen of te weerleggen.

Veelgemaakte fouten

  • Een gedachte-experiment navertellen zonder te benoemen welk punt het isoleert of welke positie het toetst.
  • Filosofisch onderzoek verwarren met empirisch onderzoek: filosofie toetst door redeneren, niet door meten.

Actieve herhaling

Analyseer het begrip 'vriendschap': geef minstens twee noodzakelijke voorwaarden en bedenk een tegenvoorbeeld dat de definitie 'vriendschap is elkaar aardig vinden' te ruim maakt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie HAVO — Examenblad.nl (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Wat is een argument? Premissen en conclusie○
    • 02Geldig en deugdelijk: vorm en waarheid◐
    • 03Drogredenen herkennen◐
    • 04Begripsanalyse, gedachte-experiment en filosofisch onderzoek●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Filosofische vaardigheden: argumentatie en onderzoek

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~18
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma filosofie HAVO — Examenblad.nl

Volgend onderwerp

Wijsgerige antropologie: centrale begrippen

EuraStudy·Samenvattingen T·01·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.