EuraStudy
Samenvattingen/Filosofie/Ethiek: centrale begrippen, deugd-, plichts- en gevolgenethiek
Samenvattingen · FilosofieNL · HAVO

Ethiek: centrale begrippen, deugd-, plichts- en gevolgenethiek

Ethiek onderzoekt wat goed handelen is. In dit onderwerp leer je de centrale begrippen (moraal, normen en waarden, moreel oordeel) en de drie klassieke hoofdstromingen: de deugdethiek van Aristoteles (wat voor mens moet ik zijn?), de plichtsethiek van Kant (welke regel geldt altijd?) en de gevolgenethiek of het utilisme van Bentham en Mill (welke gevolgen zijn het best?). Dit domein hoort tot de kern van het centraal examen.

3 Onderdelen·~15 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 1 · Verdieping 1

T·0555 / 11
Examenprofiel
De centrale ethische begrippen (moraal, waarden, normen, moreel oordeel) uitleggenDe deugdethiek (Aristoteles), de plichtsethiek (Kant) en de gevolgenethiek (utilisme) omschrijvenPer stroming de kernvraag, het criterium voor goed handelen en de kritiek benoemenEen casus vanuit elk van de drie stromingen ethisch beredeneren
Operatoren:leg uitverklaarvergelijkbeoordeelberedeneerpas toe

basisniveau

Beheers de kern: het onderscheid waarden-normen en de drie stromingen met hun kernvraag en criterium.

verhoogd niveau

Analyseer een dilemma vanuit de drie stromingen tegelijk en weeg hun uitkomsten en kritiek tegen elkaar af.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 3 onderdelen▾
  1. Ethiek: centrale begrippen, deugd-, plichts- en gevolgenethiek
    • 01Centrale begrippen: moraal, waarden en normen○
    • 02De drie hoofdstromingen: deugd, plicht en gevolgen◐
    • 03Indeling van de theorieen en een casus beredeneren●
§ 01

Centrale begrippen: moraal, waarden en normen#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kernpunten

Voordat je de ethische stromingen kunt vergelijken, moet je enkele centrale begrippen scherp hebben (zie Afb. 1). Ethiek (of moraalfilosofie) is het systematische nadenken over goed en kwaad handelen; het is de theorie. De moraal is het geheel van opvattingen, waarden en regels over goed en kwaad die feitelijk in een groep of samenleving gelden; dat is de praktijk waarover de ethiek nadenkt. Binnen die moraal onderscheid je waarden en normen. Een waarde is een nastrevenswaardig ideaal, iets wat mensen belangrijk vinden: eerlijkheid, vrijheid, respect, veiligheid. Een norm is een concrete gedragsregel die uit een waarde voortvloeit en zegt wat je in een bepaalde situatie wel of niet moet doen: 'je mag niet stelen' volgt uit de waarde eerlijkheid of respect voor eigendom. Waarden zijn dus algemeen en abstract, normen zijn specifiek en handelingsgericht; uit een waarde kunnen meerdere normen voortkomen.

Waarden en normen

Waarden en normenTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Begrip · Wat is het? · Voorbeeld; Waarde · nastrevenswaardig ideaal · eerlijkheid, vrijheid; Norm · concrete gedragsregel · je mag niet stelen; Zijn (descriptief) · hoe iets feitelijk is · 'velen liegen wel eens'; Behoren (normatief) · hoe iets zou moeten zijn · 'je mag niet liegen', gemarkeerde cel: nastrevenswaardig ideaalBEGRIPWAT IS HET?VOORBEELDWaardenastrevenswaardig ideaaleerlijkheid, vrijheidNormconcrete gedragsregelje mag niet stelenZijn (descriptief)hoe iets feitelijk is'velen liegen wel eens'Behoren (normatief)hoe iets zou moeten zijn'je mag niet liegen'Ethische begrippen
Afb. 1Afb. 1 — De centrale begrippen: waarden zijn idealen, normen zijn gedragsregels; ethiek gaat over behoren, niet over zijn.
Een tweede belangrijk onderscheid is dat tussen een beschrijvende (descriptieve) en een voorschrijvende (normatieve) uitspraak, oftewel tussen zijn en behoren. Een beschrijvende uitspraak zegt hoe iets feitelijk is ('veel mensen eten vlees'); een normatieve uitspraak zegt hoe iets zou moeten zijn ('je zou geen vlees moeten eten'). De ethiek houdt zich met het tweede bezig: met wat behoort, niet alleen met wat is. Hier hoort een veelgemaakte denkfout bij, de naturalistische drogreden: uit het feit dat iets van nature zo is of altijd zo gedaan wordt, mag je niet zonder meer afleiden dat het ook goed is (uit 'dieren doden elkaar in de natuur' volgt niet dat mensen elkaar mogen doden). Het onderscheid zijn-behoren en het besef dat je van een 'is' niet zomaar naar een 'behoort' mag springen, zijn kernvaardigheden waarmee je een ethische redenering kunt toetsen.
Een moreel oordeel is een uitspraak over de goedheid of verwerpelijkheid van een handeling, persoon of situatie, en zulke oordelen willen we onderbouwen met redenen, niet slechts met gevoel. Daarbij helpt het onderscheid tussen een moreel dilemma en een gewone keuze. Bij een moreel dilemma botsen twee waarden of plichten zo dat je niet aan beide kunt voldoen: wie de waarheid spreekt, kwetst een vriend; wie een vriend beschermt, moet liegen. Een dilemma laat zich niet oplossen zonder aan een van de waarden tekort te doen; ethiek reikt manieren aan om zo'n botsing beredeneerd af te wegen. Hier komt ook de vraag naar verantwoordelijkheid: je bent moreel aanspreekbaar op wat je vrij en bewust doet. Deze begrippen (waarde, norm, dilemma, verantwoordelijkheid, moreel oordeel) vormen het gereedschap waarmee de drie stromingen aan het werk gaan.
Waarom is deze begrippenkennis onmisbaar op het examen? Omdat de opgaven bijna altijd vragen een casus ethisch te beredeneren, en dat kan alleen als je precies onderscheidt wat een waarde is, welke norm eruit volgt, en welke waarden er in het dilemma botsen. Wie 'eerlijkheid' een norm noemt of 'je mag niet stelen' een waarde, verliest punten en kan de casus niet zuiver ontleden. Bovendien voorkomt het onderscheid zijn-behoren dat je een feitelijke bewering (zo is het nu eenmaal) voor een moreel argument aanziet. Een sterk antwoord begint daarom met het benoemen van de botsende waarden en de daaruit volgende normen, en past dan pas een stroming toe. Zo bouw je de brug naar de drie hoofdstromingen, die elk een eigen antwoord geven op de vraag hoe je zo'n botsing moet beoordelen: vanuit je karakter (deugd), vanuit de regel (plicht) of vanuit de gevolgen (utilisme).
Uitgewerkt voorbeeld

Waarde en norm onderscheiden

Bij de regel 'je moet een gevonden portemonnee inleveren' wordt gevraagd de onderliggende waarde te benoemen en het onderscheid met een feitelijke uitspraak te tonen.

  1. 01Norm herkennen

    'Je moet een gevonden portemonnee inleveren' is een concrete gedragsregel: een norm.

  2. 02Waarde eronder leggen

    De onderliggende waarde is eerlijkheid (of respect voor andermans eigendom); de norm is de handelingsvorm van die waarde.

  3. 03Zijn en behoren scheiden

    'Veel mensen houden een gevonden portemonnee' is een beschrijvende uitspraak (zijn); daaruit volgt niet dat het goed is (behoren). Uit het feitelijke gedrag mag je geen morele conclusie trekken.

Resultaat: De regel is een norm die voortvloeit uit de waarde eerlijkheid. Dat velen anders handelen is een feit (zijn) en levert geen rechtvaardiging op (behoren); wie dat verwart, begaat de naturalistische drogreden.

Eindexamen-focus

  • Je moet het onderscheid tussen waarden en normen kunnen uitleggen en in een casus de botsende waarden en de daaruit volgende normen kunnen benoemen.
  • Je moet het onderscheid zijn-behoren (descriptief-normatief) kunnen hanteren en de naturalistische drogreden kunnen herkennen.

Veelgemaakte fouten

  • Waarden en normen verwisselen: een waarde is een nastrevenswaardig ideaal, een norm een concrete gedragsregel die eruit voortvloeit.
  • Van een feit (zijn) direct naar een oordeel (behoren) springen; dat is de naturalistische drogreden.

Actieve herhaling

Noem bij de norm 'je moet je aan je afspraken houden' de onderliggende waarde, en beschrijf een moreel dilemma waarin deze norm botst met een andere norm.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie HAVO — Examenblad.nl (CvTE / Examenblad)

§ 02

De drie hoofdstromingen: deugd, plicht en gevolgen#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

De ethiek kent drie klassieke hoofdstromingen die elk een andere vraag stellen bij goed handelen (zie Afb. 2). De deugdethiek, klassiek verwoord door Aristoteles, vraagt niet in de eerste plaats 'wat moet ik doen?' maar 'wat voor mens moet ik zijn?'. Goed handelen komt hier voort uit een goed karakter: uit deugden, dat zijn duurzame goede eigenschappen zoals moed, rechtvaardigheid, matigheid en vrijgevigheid. Aristoteles ziet een deugd als het juiste midden tussen twee ondeugden, het tekort en het teveel: moed is het midden tussen lafheid (tekort) en roekeloosheid (teveel). Deugden verwerf je door oefening en gewoonte, zoals je een vaardigheid leert; de deugdzame mens doet het goede uit een gevormd karakter en met het juiste gevoel, niet uit dwang. Het criterium voor goed handelen is dus: wat zou een deugdzaam, verstandig mens in deze situatie doen?

De drie ethische hoofdstromingen

De drie hoofdstromingenTabel met 4 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Stroming · Kernvraag / criterium · Filosoof · Kritiek; Deugdethiek · wat voor mens moet ik zijn? (karakter, deugd) · Aristoteles · vaag over concreet handelen; Plichtsethiek · welke regel geldt altijd? (plicht, cat. imperatief) · Kant · star, negeert gevolgen; Gevolgenethiek · wat geeft de beste gevolgen? (grootste geluk) · Bentham, Mill · kan individu opofferen, gemarkeerde cel: welke regel geldt altijd? (plicht, cat. imperatief)STROMINGKERNVRAAG / CRITERIUMFILOSOOFKRITIEKDeugdethiekwat voor mens moet ik zijn?(karakter, deugd)Aristotelesvaag over concreet handelenPlichtsethiekwelke regel geldt altijd?(plicht, cat. imperatief)Kantstar, negeert gevolgenGevolgenethiekwat geeft de beste gevolgen?(grootste geluk)Bentham, Millkan individu opofferenDeugd, plicht en gevolgen
Afb. 2Afb. 2 — De drie hoofdstromingen vergeleken op kernvraag, criterium voor goed handelen, hoofdfiguur en kritiek.
De plichtsethiek (deontologie), klassiek verwoord door Immanuel Kant, vraagt daarentegen 'welke regel geldt hier, ongeacht de gevolgen?'. Voor Kant is een handeling goed wanneer ze uit plicht gebeurt en berust op een beginsel dat je tot algemene wet voor iedereen zou kunnen willen: de categorische imperatief. Bovendien moet je de mens altijd ook als doel op zichzelf behandelen en nooit louter als middel. Het goede zit hier niet in het resultaat maar in de goede wil en de juiste regel: liegen is verkeerd omdat het als algemene wet zichzelf zou opheffen en de ander tot middel maakt, ook als het in een geval goede gevolgen zou hebben. De plichtsethiek biedt zo een vaste, universele maatstaf die ieder mens gelijk behandelt, maar kan star overkomen wanneer een plicht botst met de gevolgen. Het criterium is: kan de maxime van mijn handeling een algemene wet zijn en respecteert ze de ander als doel?
De gevolgenethiek (consequentialisme), in de vorm van het utilisme van Jeremy Bentham en John Stuart Mill, vraagt ten slotte 'welke handeling levert de beste gevolgen op?'. Een handeling is goed naarmate ze het meeste geluk (of welzijn) voor het grootste aantal betrokkenen oplevert; dit is het nuttigheidsbeginsel. Bentham telde het geluk vooral kwantitatief (zoveel mogelijk genot, zo min mogelijk pijn, voor zoveel mogelijk mensen), terwijl Mill onderscheid maakte tussen hogere en lagere genoegens: geestelijke en morele genoegens tellen zwaarder dan louter lichamelijke. Het criterium is de balans van geluk en leed over alle betrokkenen; niet de bedoeling of de regel telt, maar het uiteindelijke effect. De kracht van het utilisme is dat het onpartijdig het welzijn van iedereen meeweegt en flexibel op situaties inspeelt; de zwakte is dat het het individu kan opofferen aan het groepsbelang en lastig te berekenen is.
Deze drie stromingen zijn de kern van het examen, en je moet ze niet alleen kennen maar ook toepassen en tegen elkaar afwegen. Ze verschillen in waar ze het goede lokaliseren: in het karakter (deugd), in de regel (plicht) of in de gevolgen (utilisme), en daardoor kunnen ze bij dezelfde casus verschillende antwoorden geven. Een goede oefening is een dilemma vanuit alle drie te beredeneren: bij een leugen om iemand te beschermen zegt de plichtsethiek dat liegen verboden blijft, weegt het utilisme de gevolgen (voorkomt de leugen meer leed dan ze veroorzaakt?), en vraagt de deugdethiek wat een eerlijk en tegelijk zorgzaam mens hier zou doen. Elke stroming heeft ook haar kritiek: de deugdethiek is vaag over wat je concreet moet doen, de plichtsethiek is star, het utilisme kan onrechtvaardig zijn tegenover het individu. Een sterk antwoord formuleert per stroming de kernvraag, het criterium en de kritiek, en past ze zuiver toe.
Uitgewerkt voorbeeld

Een dilemma vanuit drie stromingen

Een vriend vraagt of je zijn nieuwe kapsel mooi vindt; je vindt het lelijk. Beredeneer wat de plichtsethiek, de gevolgenethiek en de deugdethiek adviseren.

  1. 01Plichtsethiek

    Kant: liegen kan geen algemene wet zijn en maakt de ander tot middel, dus je moet eerlijk zijn, ongeacht de gevolgen.

  2. 02Gevolgenethiek

    Utilisme: weeg de gevolgen. Een kleine, tactvolle onwaarheid voorkomt hier veel leed en levert weinig schade op, dus zou het utilisme een leugentje kunnen toestaan als dat het meeste welzijn geeft.

  3. 03Deugdethiek

    Aristoteles: welk karakter is hier goed? Een deugdzaam mens combineert eerlijkheid met vriendelijkheid en zoekt het juiste midden: eerlijk maar tactvol antwoorden, zonder nodeloos te kwetsen.

Resultaat: De drie stromingen geven verschillende antwoorden: de plichtsethiek verbiedt de leugen, het utilisme weegt de gevolgen en staat een tactvolle onwaarheid mogelijk toe, en de deugdethiek zoekt het midden tussen eerlijkheid en vriendelijkheid. Dit toont hoe elke stroming het goede ergens anders lokaliseert.

Eindexamen-focus

  • Je moet per stroming (deugdethiek, plichtsethiek, gevolgenethiek) de kernvraag, het criterium voor goed handelen en de belangrijkste filosoof kunnen benoemen.
  • Je moet een casus vanuit de drie stromingen kunnen beredeneren en aangeven dat ze tot verschillende oordelen kunnen leiden.

Veelgemaakte fouten

  • De stromingen door elkaar halen: deugdethiek kijkt naar het karakter, plichtsethiek naar de regel, gevolgenethiek naar het resultaat.
  • Het utilisme verengen tot 'het eigen geluk'; het gaat om het grootste geluk voor het grootste aantal, dus onpartijdig ieders welzijn.

Actieve herhaling

Een dokter kan een medicijn dat te weinig voorradig is, aan een van twee patienten geven. Beredeneer hoe een deugdethicus, een plichtsethicus en een utilist deze keuze benaderen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie HAVO — Examenblad.nl (CvTE / Examenblad)

§ 03

Indeling van de theorieen en een casus beredeneren#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Kernpunten

Om de ethische stromingen te overzien helpt een indeling naar waar zij het goede lokaliseren (zie Afb. 3). De grofste tweedeling is die tussen gevolgenethiek en niet-gevolgenethiek. De gevolgenethiek (het utilisme) beoordeelt een handeling uitsluitend aan haar uitkomsten: goed is wat de beste gevolgen heeft. De niet-gevolgenethiek beoordeelt een handeling niet aan de uitkomst; daarbinnen vallen de plichtsethiek, die kijkt naar de regel en de goede wil (het goede zit in het handelen zelf en zijn beginsel), en de deugdethiek, die kijkt naar het karakter van de handelende persoon (het goede zit in de deugd). Zo krijg je een boom: goed handelen wordt beoordeeld op de gevolgen, op de plicht/regel, of op de deugd/het karakter. Deze indeling helpt je snel te bepalen welk soort argument je voor je hebt en welke kritiek erbij hoort.

Indeling van de ethische theorieen

Indeling van de ethiekBoomdiagram, 3 paden, Gegevens: de gevolgen → utilisme (Bentham, Mill); niet de gevolgen → plichtsethiek (Kant): de regel; niet de gevolgen → deugdethiek (Aristoteles): het karakterde gevolgenniet de gevol…Wat maakt han…utilisme (Ben…plichtsethiek…deugdethiek (…
Afb. 3Afb. 3 — Een boom van de ethiek: beoordeel je een handeling op de gevolgen, op de regel/plicht, of op het karakter?
De indeling maakt ook de onderlinge kritiek scherper, en die kritiek moet je kunnen benoemen. Vanuit de gevolgenethiek verwijt men de plichtsethiek dat het onverstandig is een regel te volgen die tot een slechte uitkomst leidt (nooit liegen, ook niet om een moordenaar te misleiden). Vanuit de plichtsethiek verwijt men de gevolgenethiek dat ze het individu mag opofferen als dat het totale geluk vergroot, wat onrechtvaardig is (een onschuldige straffen om onrust te sussen). Vanuit de deugdethiek verwijt men beide dat ze de moraal reduceren tot het toepassen van een formule (een rekensom of een regel) en de rol van karakter, gevoel en praktische wijsheid verwaarlozen; maar de deugdethiek krijgt zelf het verwijt te vaag te zijn over wat je in een concreet geval moet doen. Wie deze wederzijdse kritiek kent, kan een stroming niet alleen uitleggen maar ook wegen, wat op het examen het verschil maakt.
In de praktijk van een examenopgave krijg je vaak een concrete casus of een moreel dilemma dat je vanuit de stromingen moet beredeneren, en daarvoor is een vaste aanpak nuttig. Begin met het benoemen van de botsende waarden en de daaruit volgende normen (het gereedschap uit het eerste onderdeel). Formuleer daarna per gevraagde stroming het criterium en pas het toe op de casus: bij de plichtsethiek de vraag of de maxime algemene wet kan zijn en de ander als doel respecteert; bij de gevolgenethiek een afweging van de te verwachten gevolgen voor alle betrokkenen; bij de deugdethiek de vraag welk karakter en welk juiste midden hier passen. Sluit af met een beargumenteerd eigen standpunt dat rekening houdt met de belangrijkste tegenwerping. Zo laat je zien dat je de stromingen niet alleen kent, maar ook kunt hanteren als denkgereedschap voor een nieuw geval.
Waarom is deze vaardigheid het hart van het ethiekdomein? Omdat het centraal examen niet vraagt de theorieen op te dreunen, maar ermee te redeneren over echte, vaak actuele kwesties: privacy, orgaandonatie, klimaat, dierproeven, oorlog. Wie de drie stromingen als gereedschap beheerst, kan elke nieuwe kwestie ontleden: welke waarden botsen, wat zegt elke stroming, en welke afweging kan ik verantwoorden? Belangrijk is dat er zelden een objectief juist antwoord is; de kwaliteit zit in de argumentatie: precieze begrippen, correcte toepassing van elke stroming, en een eerlijke behandeling van de tegenwerping. Een sterk antwoord kiest een standpunt, onderbouwt het met een stroming, en laat zien waarom het opweegt tegen wat de andere stromingen inbrengen. Zo bereid je je voor op het CE-thema, waar deze ethische stromingen op een specifiek onderwerp (in het huidige rooster: mens, dier en natuur) worden toegepast.
Uitgewerkt voorbeeld

De onschuldige opofferen?

Beredeneer de transplantatiecasus (een gezonde patient opofferen om vijf te redden) vanuit gevolgenethiek en plichtsethiek en neem een standpunt in.

  1. 01Gevolgenethiek toepassen

    Een strikte optelsom van geluk lijkt te wijzen op het redden van vijf ten koste van een: vijf levens wegen zwaarder dan een. Toch weegt een consequent utilist ook de gevolgen op langere termijn mee: als artsen patienten mogen opofferen, durft niemand nog naar het ziekenhuis, wat enorm veel leed veroorzaakt.

  2. 02Plichtsethiek toepassen

    Kant verbiedt het: je gebruikt de gezonde patient louter als middel voor het welzijn van anderen en schendt zijn waardigheid als doel op zichzelf. De maxime 'dood een onschuldige als dat meer levens redt' kan geen algemene wet zijn.

  3. 03Standpunt innemen

    Beide stromingen wijzen het bij nadere beschouwing af: de plichtsethiek principieel (de mens als doel), en ook het utilisme via de bredere gevolgen (verlies van vertrouwen). Ik concludeer dat de chirurg de gezonde patient niet mag opofferen.

Resultaat: De plichtsethiek verbiedt het opofferen omdat het de patient tot louter middel maakt; een zorgvuldig utilisme komt via de gevolgen op lange termijn tot dezelfde uitkomst. Het beargumenteerde standpunt is dan ook dat de chirurg de gezonde patient niet mag opofferen.

Eindexamen-focus

  • Je moet de stromingen kunnen indelen naar wat zij beoordelen (gevolgen, plicht/regel, deugd/karakter) en de wederzijdse kritiek kunnen weergeven.
  • Je moet een casus systematisch kunnen beredeneren: botsende waarden benoemen, elke stroming toepassen en een beargumenteerd standpunt innemen.

Veelgemaakte fouten

  • De plichtsethiek en de deugdethiek allebei 'niet-gevolgenethiek' noemen zonder hun onderscheid (regel versus karakter) aan te geven.
  • Bij een casus meteen een mening geven zonder eerst de botsende waarden te benoemen en elke gevraagde stroming zuiver toe te passen.

Actieve herhaling

Een chirurg zou een gezonde patient kunnen laten sterven om met diens organen vijf andere patienten te redden. Beredeneer deze casus vanuit de gevolgenethiek en de plichtsethiek en neem een beargumenteerd standpunt in.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie HAVO — Examenblad.nl (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 03

    • 01Centrale begrippen: moraal, waarden en normen○
    • 02De drie hoofdstromingen: deugd, plicht en gevolgen◐
    • 03Indeling van de theorieen en een casus beredeneren●

0/3 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Ethiek: centrale begrippen, deugd-, plichts- en gevolgenethiek

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~15
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma filosofie HAVO — Examenblad.nl

Vorig onderwerp

De mens als redelijk wezen

Volgend onderwerp

Het goede leven

EuraStudy·Samenvattingen T·05·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.