EuraStudy
Samenvattingen/Engels/Literatuurgeschiedenis (English literary history)
Samenvattingen · EngelsNL · HAVO

Literatuurgeschiedenis (English literary history)

De Engelse literatuur valt uiteen in een reeks periodes die elk een eigen wereldbeeld, eigen kenmerken en eigen hoofdauteurs hebben en die telkens op de vorige reageren. In dit onderwerp leer je die periodes — van de renaissance tot de hedendaagse literatuur — in de juiste volgorde plaatsen, hun kenmerken herkennen en er de belangrijkste schrijvers en werken aan koppelen, zodat je een titel of fragment historisch kunt situeren. Let op: literatuurgeschiedenis hoort bij het onderdeel literatuur van het schóólexamen Engels — op het centraal examen wordt alleen leesvaardigheid getoetst.

5 Onderdelen·~24 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 4

T·131313 / 14
Examenprofiel
De periodes van de Engelse literatuur van de renaissance tot heden in de juiste chronologische volgorde plaatsen.Een werk of fragment aan een periode koppelen op grond van de kenmerken (wereldbeeld, thema's en vorm).De hoofdauteurs en hoofdwerken per periode kennen en kort kunnen typeren.
Operatoren:plaatsbenoemverklaarvergelijkinterpreteer

basisniveau

Voor het schoolexamen literatuur: beheers de hoofdlijn — de volgorde van de Engelse periodes en hun belangrijkste kenmerken en auteurs.

verhoogd niveau

Wie verder leest of doorstroomt: situeer de werken van je leeslijst historisch en onderbouw met kenmerken waarom een boek bij een bepaalde periode hoort.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 5 onderdelen▾
  1. Literatuurgeschiedenis (English literary history)
    • 01Periodisering van de Engelse literatuur○
    • 02Renaissance en Shakespeare◐
    • 03Restauratie, 18e eeuw en Romantiek◐
    • 04De Victoriaanse tijd◐
    • 05Modernisme en hedendaagse literatuur◐
§ 01

Periodisering van de Engelse literatuur#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Tijdlijn van de Engelse literatuur

Engelse literatuurgeschiedenisTijdlijn van 1500 tot 2000, 1600: Shakespeare, Hamlet, 1667: Milton, Paradise Lost, 1719: Defoe, Robinson Crusoe, 1798: Wordsworth, Lyrical Ballads, 1838: Dickens, Oliver Twist, 1925: Woolf, Mrs Dalloway, 1949: Orwell, 1984, 1500–1660: Renaissance, 1660–1798: Restauratie / 18e eeuw, 1798–1837: Romantiek, 1837–1901: Victoriaans, 1901–1945: Modernisme, 1945–2000: Hedendaags1500jaarRenaissanceRestauratie / 18eeeuwRomantiekVictoriaansModernismeHedendaags1600Shakespeare,Hamlet1667Milton, ParadiseLost1719Defoe, RobinsonCrusoe1798Wordsworth,Lyrical Ballads1838Dickens, OliverTwist1925Woolf, MrsDalloway1949Orwell, 1984
Afb. 1De periodes volgen elkaar op en reageren op elkaar; de pijl rechts geeft aan dat de hedendaagse literatuur doorloopt.

Kernpunten

Een literaire periode is een groep werken uit een bepaalde tijd die een gemeenschappelijk mens- en wereldbeeld, vergelijkbare thema's en een herkenbare vorm delen. De literatuurgeschiedenis brengt orde aan in eeuwen van boeken door die werken te groeperen en op een tijdlijn te plaatsen — en dat heet periodisering. Het nut ervan is dat je een onbekend fragment niet in het luchtledige hoeft te beoordelen: als je weet welke periodes er zijn en wat ze kenmerkt, kun je een tekst herkennen, plaatsen en beter begrijpen. Belangrijk is wel te beseffen dat de namen en de grenzen achteraf zijn bedacht: een toneelschrijver rond 1600 wist niet dat hij „een renaissanceauteur” was, en pas latere geleerden hebben die etiketten geplakt. Periodisering is dus een hulpmiddel om te ordenen, geen wet waaraan de werkelijkheid zich keurig hield.
De grote lijn van de Engelse literatuur loopt in een vaste volgorde, en die moet je uit je hoofd kennen: de renaissance (omstreeks 1500–1660), de Restauratie en de achttiende eeuw (omstreeks 1660–1798), de romantiek (omstreeks 1798–1837), de Victoriaanse tijd (1837–1901), het modernisme (omstreeks 1901–1945) en de naoorlogse, hedendaagse literatuur (vanaf 1945). De tijdlijn hieronder zet die zes blokken op een rij met bij elk een beroemd kernwerk, van ‘Hamlet’ van William Shakespeare tot ‘Nineteen Eighty-Four’ van George Orwell. Een handige geheugensteun is dat elke periode ongeveer samenvalt met een maatschappelijke omslag: de renaissance met de herontdekking van de klassieke oudheid, de Victoriaanse tijd met de industriële revolutie en het wereldrijk, het modernisme met de schok van de Eerste Wereldoorlog. Wie de volgorde en de globale jaartallen beheerst, heeft het geraamte van dit hele onderwerp te pakken.
Periodes staan niet los van elkaar, maar reageren juist op elkaar — vaak als een slinger die heen en weer zwaait. De achttiende eeuw stelt de rede, de orde en het gezonde verstand voorop; de romantiek die erop volgt, kiest juist voor het gevoel, de verbeelding en de natuur, en is dus te lezen als een tegenbeweging tegen die koele redelijkheid. Hetzelfde patroon zie je later: het modernisme aan het begin van de twintigste eeuw breekt met de vertrouwde zekerheden en de afgeronde verteltrant van de Victoriaanse roman. Telkens zet een nieuwe generatie zich af tegen wat haar voorgangers normaal vonden. Dat inzicht — een periode begrijp je mede uit datgene wat ze afwijst — helpt je bij examenvragen waarin je het verband tussen twee periodes moet verklaren.
Hoewel de tijdlijn scherpe grenzen suggereert, lopen de periodes in werkelijkheid in elkaar over en bestaan stijlen soms naast elkaar. Een schrijver kan op de grens van twee periodes staan: Thomas Hardy schrijft tegen het einde van de eeuw nog volop Victoriaanse romans, maar de sombere, uitzichtloze toon ervan wijst al vooruit naar de twijfel van het modernisme. Ook kunnen schrijvers in hun loopbaan van stijl veranderen. Daarom plaats je een werk nooit op één jaartal, maar op grond van de dominante kenmerken: welk wereldbeeld, welke thema's en welke vorm overheersen? De overgangen zijn geleidelijk, en juist de twijfelgevallen leren je goed kijken.
Voor het examen draait alles om één vaardigheid: een werk of fragment koppelen aan een periode op grond van de kenmerken. De werkwijze is steeds dezelfde. Bepaal eerst het wereldbeeld en de thematiek (gaat het om klassieke idealen en menselijke grootheid, om rede en satire, om gevoel en natuur, om de maatschappelijke werkelijkheid, of om vernieuwing en twijfel?), let dan op de vorm (toneel in verzen, een roman, een gedicht; traditioneel of juist experimenteel), en koppel dat aan de bijbehorende periode en een representatieve auteur of titel. In de volgende secties werk je elke periode in detail uit, zodat je die kenmerken paraat hebt. Houd de tijdlijn hieronder daarbij als kompas: hij ordent niet alleen de stof, hij laat ook zien hoe de ene periode uit de andere voortkomt.
Uitgewerkt voorbeeld

Vier periodes chronologisch ordenen

Zet de volgende vier periodes in de juiste chronologische volgorde en noem bij elke een kernkenmerk: romantiek, renaissance, modernisme, Victoriaanse tijd.

  1. 01Stap 1 — Plaats de oudste

    De renaissance (omstreeks 1500–1660) is het oudst. Kernkenmerk: de herontdekking van de klassieke oudheid en het humanisme, met het bloeiende toneel van Shakespeare.

  2. 02Stap 2 — Daarna de romantiek

    Na de Restauratie en de achttiende eeuw komt de romantiek (omstreeks 1798–1837). Kernkenmerk: gevoel, verbeelding en de natuur.

  3. 03Stap 3 — Dan de Victoriaanse tijd

    De Victoriaanse tijd (1837–1901) volgt. Kernkenmerk: de realistische roman met maatschappijkritiek, denk aan Dickens.

  4. 04Stap 4 — Ten slotte het modernisme

    Het modernisme (omstreeks 1901–1945) is het jongst van de vier. Kernkenmerk: vernieuwing, experiment en twijfel. Controleer de volgorde nog even aan de tijdlijn hieronder.

Resultaat: De juiste volgorde is renaissance → romantiek → Victoriaanse tijd → modernisme, met als kenmerken achtereenvolgens klassieke idealen en humanisme, gevoel en verbeelding, realisme en maatschappijkritiek, en vernieuwing en twijfel.

Eindexamen-focus

  • Het schoolexamen verwacht dat je de Engelse periodes in de juiste chronologische volgorde kunt zetten en bij een periode het bijpassende wereldbeeld of kernkenmerk kunt noemen.
  • Een vraag kan je laten uitleggen dat een periode een reactie is op de vorige; benoem dan het contrast, bijvoorbeeld de rede van de achttiende eeuw tegenover het gevoel van de romantiek.

Veelgemaakte fouten

  • Periodes als scherp begrensde, los van elkaar staande hokjes zien; in werkelijkheid overlappen ze en gaan ze geleidelijk in elkaar over, met auteurs die op de grens staan.
  • Denken dat „modern” of „modernisme” gewoon „de literatuur van nu” betekent; het modernisme is een afgebakende periode in de eerste helft van de twintigste eeuw.

Actieve herhaling

Noem de zes periodes uit de tijdlijn hieronder in de juiste volgorde en schrijf bij elke één kernkenmerk en één auteur of werk dat je eraan koppelt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Renaissance en Shakespeare#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

De Engelse renaissance (omstreeks 1500–1660) ontleent haar naam aan het woord voor „wedergeboorte”: men herontdekt en bewondert de klassieke oudheid en neemt de Griekse en Romeinse schrijvers tot voorbeeld. Het bijbehorende mensbeeld is het humanisme, met een groot vertrouwen in de mens, zijn rede en zijn scheppingskracht. De bloeitijd valt onder koningin Elizabeth I, die van 1558 tot 1603 regeerde; naar haar heet deze periode de Elizabethaanse tijd, de gouden eeuw van het Engelse toneel en de Engelse poëzie. Het verschil met de middeleeuwen is scherp: waar middeleeuwse werken vaak anoniem en godsdienstig zijn, treedt nu de individuele, met naam bekende kunstenaar naar voren, die trots is op zijn taal en zijn kunst.
Het hart van de Engelse renaissance is het toneel. In de openbare theaters van Londen, zoals de beroemde Globe, kwam een breed publiek af op stukken in verzen. De toon werd gezet door Christopher Marlowe (1564–1593), de eerste die het ‘blank verse’ — rijmloze, vijfvoetige jamben — tot een krachtig toneelmiddel maakte; zijn ‘Doctor Faustus’, over een geleerde die zijn ziel aan de duivel verkoopt, en ‘Tamburlaine’ golden als grensverleggend. Marlowe stierf jong, na een steekpartij, maar effende het pad voor de schrijver die het toneel zou overvleugelen.
Die schrijver is William Shakespeare (1564–1616), de grootste naam van de hele Engelse literatuur. Zijn treurspelen — ‘Hamlet’ (omstreeks 1600), over de twijfelende prins die zijn vader moet wreken; ‘Macbeth’ (omstreeks 1606), over moordzuchtige eerzucht; daarnaast ‘King Lear’ en ‘Othello’ — staan naast vrolijke komedies en historische koningsdrama's. Shakespeare schreef in blank verse en gaf zijn personages een psychologische diepte die tot op de dag van vandaag overtuigt: zijn thema's — eerzucht, twijfel, macht, liefde, jaloezie — zijn tijdloos. Dat hij in de Globe voor een gemengd publiek speelde, maakte zijn werk tegelijk volks én verheven.
Naast het toneel bloeide de poëzie, en vooral het sonnet — een gedicht van veertien regels. Shakespeare schreef er 154, gebundeld in 1609; in het Engelse (Shakespeariaanse) sonnet groeperen drie kwatrijnen en een afsluitend, rijmend tweeregelig couplet zich tot een vast rijmschema. Ook Edmund Spenser, met zijn allegorische epos ‘The Faerie Queene’, hoort bij deze rijke dichtkunst. De poëzie van de renaissance gaat over liefde, schoonheid en de vergankelijkheid van de tijd, in een verzorgde, kunstige vorm die de navolging van de klassieke voorbeelden verraadt.
Aan het einde van de periode staat één monumentaal werk: ‘Paradise Lost’ (1667) van John Milton (1608–1674). Na de jaren van burgeroorlog en het puriteinse bewind schreef Milton, inmiddels blind, dit grote Engelse epos in blank verse over de zondeval — de opstand van Satan en de verleiding van Adam en Eve. Het werk verbindt de klassieke epische traditie met een diep christelijk thema en geldt als het sluitstuk van de renaissance. Voor het examen is het de bruglezing tussen de bloei van het toneel en de eeuw van de rede die volgt: grandioos van vorm, maar al gekleurd door de ernst van een nieuwe tijd.
Uitgewerkt voorbeeld

Een toneelstuk in de renaissance plaatsen

Een toneelstuk is geschreven in rijmloze vijfvoetige jamben en verbeeldt hoe een Schotse veldheer uit moordzuchtige eerzucht koning wordt en ten onder gaat; de auteur is een met naam bekende toneelschrijver. Aan welke periode, en welke auteur en welk werk, koppel je dit?

  1. 01Stap 1 — Let op de vorm

    Rijmloze vijfvoetige jamben zijn ‘blank verse’, de kenmerkende toneelvorm van de Engelse renaissance. De middeleeuwen kenden die vorm nog niet.

  2. 02Stap 2 — Let op het auteurschap

    Een met naam bekende, individuele toneelschrijver past bij de renaissance, niet bij de overwegend anonieme middeleeuwen. Beide aanwijzingen wijzen dus dezelfde kant op.

  3. 03Stap 3 — Koppel aan auteur en werk

    Een tragedie over een Schotse veldheer en moordzuchtige eerzucht is ‘Macbeth’ (omstreeks 1606) van William Shakespeare.

Resultaat: Renaissance; William Shakespeare, ‘Macbeth’ — herkend aan het blank verse, het tijdloze thema van eerzucht en het met naam bekende auteurschap.

Eindexamen-focus

  • Het examen toetst of je een renaissancewerk herkent aan het klassieke voorbeeld, het humanisme, het toneel in blank verse en het met naam bekende auteurschap.
  • Je moet de hoofdfiguren kunnen typeren: Christopher Marlowe en vooral William Shakespeare (toneel en sonnet), met John Milton en ‘Paradise Lost’ als sluitstuk.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat Shakespeare alleen toneel schreef; hij was ook dichter, met 154 sonnetten op zijn naam.
  • ‘Blank verse’ verwarren met rijmloze, vormloze poëzie; het is juist een vaste maat — vijfvoetige jamben — alleen zonder eindrijm.

Actieve herhaling

Kies de twee toneelschrijvers en de dichtvorm uit deze sectie. Benoem per geval de auteur, een werk en één kenmerk waaraan je de renaissance herkent.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Restauratie, 18e eeuw en Romantiek#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

De renaissance loopt uit op jaren van burgeroorlog en het strenge puriteinse bewind van Oliver Cromwell, waarin de theaters zelfs gesloten werden. In 1660 keert het koningschap terug met Charles II — de Restauratie. De theaters gaan weer open, en er ontstaat een werelds, geestig toneel: de zogeheten ‘Restoration comedy’, vol spitse dialogen en losse zeden, een scherpe breuk met de puriteinse soberheid. De Restauratie luidt zo een nieuwe toon in: lichter, verstandelijker en gericht op de wereld van het hof en de stad.
De achttiende eeuw staat in het teken van de rede, de orde en het gezonde verstand — in Engeland spreekt men van ‘the Age of Reason’, verwant aan de verlichting op het vasteland. De literatuur is vaak verstandelijk en maatschappelijk, en het machtigste wapen is de satire: door spot en overdrijving houdt de schrijver de mens en de samenleving een kritische spiegel voor. De meester van het genre is Jonathan Swift (1667–1745). Zijn ‘Gulliver’s Travels’ (1726) leest als een avontuurlijk reisverhaal, maar is in werkelijkheid een vlijmscherpe satire op de menselijke hoogmoed en de politiek van zijn tijd.
In diezelfde eeuw ontstaat een nieuwe vorm die de hele latere literatuur zou beheersen: de moderne roman — een lang prozaverhaal in gewone taal over herkenbare, gewone mensen. Het beroemde beginpunt is ‘Robinson Crusoe’ (1719) van Daniel Defoe (omstreeks 1660–1731), vaak de eerste Engelse roman genoemd: een schipbreukeling die jarenlang op een onbewoond eiland overleeft door verstand, planning en hard werken — een verhaal dat past bij het eeuwgeloof in rede en zelfredzaamheid. Later breiden Samuel Richardson en Henry Fielding (met ‘Tom Jones’) de roman verder uit. Hier wordt het zaad gelegd voor de grote negentiende-eeuwse roman.
Rond 1800 slaat de stemming om en komt de romantiek op (omstreeks 1798–1837), in veel opzichten als reactie op de koele rede van de achttiende eeuw. Het keerpunt is een dichtbundel: ‘Lyrical Ballads’ (1798) van William Wordsworth en Samuel Taylor Coleridge. Nu staan juist het gevoel, de verbeelding, de natuur en het unieke individu centraal. De romantici zoeken het verhevene en het wonderlijke: ze bewonderen de ongerepte natuur, dromen weg bij het verleden en geven voorrang aan de diepe emotie boven de geslepen vorm. Belangrijk voor het examen: „romantiek” betekent hier niet „over de liefde”, maar verwijst naar dit hele complex van gevoel, verbeelding en natuur.
De romantiek is vooral een zaak van dichters, en je moet enkele namen paraat hebben. De eerste generatie bestaat uit William Wordsworth (1770–1850), de dichter van de natuur en de herinnering, die poëzie omschreef als ‘the spontaneous overflow of powerful feelings’, en Samuel Taylor Coleridge (1772–1834), die met ‘The Rime of the Ancient Mariner’ de verbeelding de vrije loop liet. De tweede generatie stierf jong en roemrucht: John Keats (1795–1821) met zijn muzikale odes, Percy Bysshe Shelley (1792–1822) met onder meer ‘Ozymandias’, en Lord Byron (1788–1824), wiens opstandige, gekwelde „Byroniaanse held” een Europese mode werd.
Het draaipunt van deze sectie is dus de tegenstelling tussen rede en gevoel. De achttiende eeuw vertrouwt op het verstand, de orde en de satire; de romantiek keert zich daartegen en stelt het gevoel, de verbeelding en de natuur voorop. Wie een fragment moet plaatsen, vraagt zich daarom af welke pool overheerst: een verstandelijk, spottend of redenerend stuk wijst naar de achttiende eeuw (Swift, Defoe), terwijl een tekst vol gevoel, natuurbeleving en verbeelding naar de romantiek wijst (Wordsworth, Keats). Met dat ene contrast houd je twee opeenvolgende periodes trefzeker uit elkaar.
Uitgewerkt voorbeeld

Een werk toewijzen aan de achttiende eeuw of de romantiek

Een prozaverhaal uit 1719 vertelt hoe een schipbreukeling jarenlang op een onbewoond eiland overleeft door nuchter verstand, planning en hard werken. Welke periode en welke vorm zijn dit, en om welk werk en welke auteur gaat het?

  1. 01Stap 1 — Bepaal de vorm

    Een lang prozaverhaal over een gewone man die zich met verstand redt, is een vroege roman — de vorm die in de achttiende eeuw opkomt.

  2. 02Stap 2 — Bepaal het wereldbeeld

    Overleven door rede, planning en arbeid past bij het achttiende-eeuwse vertrouwen in het verstand, niet bij het gevoel en de verbeelding van de romantiek. De romantiek valt dus af.

  3. 03Stap 3 — Koppel aan werk en auteur

    Een prozaverhaal uit 1719 over een schipbreukeling op een eiland is ‘Robinson Crusoe’ van Daniel Defoe, vaak de eerste Engelse roman genoemd.

Resultaat: De achttiende eeuw, de opkomst van de roman; Daniel Defoe, ‘Robinson Crusoe’ (1719) — herkend aan de prozavorm, de gewone hoofdpersoon en het vertrouwen op rede en arbeid.

Eindexamen-focus

  • Het examen toetst het contrast tussen de achttiende eeuw (rede, satire, de opkomende roman) en de romantiek (gevoel, verbeelding, natuur).
  • Je moet ‘Robinson Crusoe’ (Defoe, 1719) en ‘Gulliver’s Travels’ (Swift, 1726) als achttiende-eeuwse werken kennen, en ‘Lyrical Ballads’ (Wordsworth & Coleridge, 1798) als het beginpunt van de romantiek.

Veelgemaakte fouten

  • De romantiek verwarren met „romantisch” in de betekenis van verliefdheid; literair gaat de romantiek over gevoel, verbeelding en natuur, niet specifiek over de liefde.
  • Denken dat de roman een negentiende-eeuwse uitvinding is; de moderne Engelse roman ontstaat al in de achttiende eeuw, met ‘Robinson Crusoe’ als beroemd beginpunt.

Actieve herhaling

Leg in een korte alinea uit waarom de romantiek als een reactie op de achttiende eeuw kan worden gezien. Noem minstens twee tegenstellingen en koppel aan elke periode één auteur of werk.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 04

De Victoriaanse tijd#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

De Victoriaanse tijd (1837–1901) valt samen met de lange regering van koningin Victoria en is de eeuw van de industriële revolutie, het wereldrijk en een machtige, zelfbewuste burgerij. Het is ook een tijd van strenge moraal — „Victoriaans” is tot op vandaag een woord voor preutse fatsoensregels. De overheersende vorm is de grote, realistische roman, die vaak in afleveringen in tijdschriften verscheen en zo een enorm lezerspubliek bereikte. De lezer volgde een verhaal maandenlang, hoofdstuk na hoofdstuk — een vorm van vertellen die de dikke, rijk bevolkte Victoriaanse roman mede verklaart.
Kenmerkend voor de Victoriaanse roman is het realisme: de schrijver toont de samenleving zoals ze werkelijk is, met inbegrip van haar donkere kanten. De industrialisering had grote armoede, kinderarbeid en schrijnende klassenverschillen voortgebracht, en juist die misstanden komen in de literatuur aan bod. De roman wordt zo maatschappelijk betrokken: hij vermaakt niet alleen, maar stelt ook aan de kaak en wil de lezer een geweten schoppen. Realisme en maatschappijkritiek gaan in deze periode hand in hand.
De reus van de Victoriaanse roman is Charles Dickens (1812–1870). In ‘Oliver Twist’ (verschenen vanaf 1837) volgt hij een weesjongen door de criminele onderwereld van Londen en klaagt hij de armoede en de werkhuizen aan; ‘Great Expectations’ (1860–1861) vertelt hoe de jonge Pip droomt van rijkdom en stand. Dickens combineert onvergetelijke, bijna karikaturale personages met scherpe sociale kritiek, sentiment en humor. Zijn werk, eerst in afleveringen gelezen door heel Engeland, maakt hem tot het gezicht van de hele periode.
Naast Dickens staan de zussen Brontë, die in hetzelfde decennium twee klassiekers schreven. Charlotte Brontë (1816–1855) gaf in ‘Jane Eyre’ (1847) een gouvernante een eigen, morele en hartstochtelijke stem; Emily Brontë (1818–1848) schreef met ‘Wuthering Heights’ (1847) een woest, gepassioneerd liefdesdrama op de winderige heidevelden. Veelzeggend is dat de zussen hun werk eerst onder mannelijke schuilnamen uitbrachten — Charlotte als Currer Bell, Emily als Ellis Bell — omdat schrijvende vrouwen niet serieus werden genomen. In hun romans gaan realisme en hooggespannen emotie samen.
Tegen het einde van de eeuw verschijnt het werk van Thomas Hardy (1840–1928), met romans als ‘Tess of the d’Urbervilles’ en ‘Far from the Madding Crowd’. Bij Hardy worden de personages vermorzeld door het noodlot, de maatschappij en de strenge moraal; zijn toon is somberder en pessimistischer dan die van de vroege Victorianen. Die donkere klank laat horen dat de Victoriaanse zekerheden beginnen te barsten, en wijst al vooruit naar de twijfel van het modernisme. Wie een Victoriaans fragment moet herkennen, let dus op de combinatie van realisme, maatschappijkritiek en — vaak — een morele of noodlottige inzet.
Uitgewerkt voorbeeld

Een roman in de Victoriaanse tijd plaatsen

Een roman verscheen vanaf 1837 in maandelijkse afleveringen en volgt een weesjongen door de criminele onderwereld van Londen; het boek klaagt de armoede en de werkhuizen aan. Welke periode, auteur en werk?

  1. 01Stap 1 — Let op vorm en publiek

    Een roman in maandelijkse afleveringen voor een breed publiek is typisch voor de Victoriaanse tijd.

  2. 02Stap 2 — Let op het kernkenmerk

    Een realistisch verhaal dat armoede en misstanden aanklaagt, draagt het Victoriaanse merkteken: realisme plus maatschappijkritiek.

  3. 03Stap 3 — Koppel aan auteur en werk

    Een aanklacht over een weesjongen in de Londense onderwereld is ‘Oliver Twist’ van Charles Dickens, het gezicht van de Victoriaanse roman.

Resultaat: De Victoriaanse tijd; Charles Dickens, ‘Oliver Twist’ — herkend aan de afleveringsvorm, het realisme en de maatschappijkritiek op armoede.

Eindexamen-focus

  • Het examen toetst of je de Victoriaanse roman herkent aan het realisme, de maatschappijkritiek en de morele inzet, en of je hem in de juiste eeuw plaatst.
  • Je moet de sleutelauteurs en -werken koppelen: Charles Dickens (‘Oliver Twist’, ‘Great Expectations’), de zussen Brontë (‘Jane Eyre’, ‘Wuthering Heights’) en Thomas Hardy.

Veelgemaakte fouten

  • De zussen Brontë en hun werken door elkaar halen; ‘Jane Eyre’ is van Charlotte, ‘Wuthering Heights’ van Emily.
  • Denken dat de Victoriaanse roman alleen vermaak was; het realisme stond juist in dienst van maatschappijkritiek op armoede, kinderarbeid en klassenverschil.

Actieve herhaling

Kies twee Victoriaanse romans uit deze sectie. Benoem per roman de auteur, één thema en het kenmerk waaraan je de Victoriaanse tijd herkent.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 05

Modernisme en hedendaagse literatuur#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Engelse periodes: kernkenmerk en auteur

Engelse stromingenTabel met 3 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Periode · Kernkenmerk · Auteur; Renaissance · drama, sonnet · Shakespeare; 18e eeuw · opkomst van de roman · Defoe, Swift; Romantiek · gevoel, natuur · Wordsworth, Keats; Victoriaans · realisme, kritiek · Dickens, Brontë; Modernisme · experiment, twijfel · Woolf, Joyce; Hedendaags · veelstemmig · Orwell, RushdiePERIODEKERNKENMERKAUTEURRenaissancedrama, sonnetShakespeare18e eeuwopkomst van de romanDefoe, SwiftRomantiekgevoel, natuurWordsworth, KeatsVictoriaansrealisme, kritiekDickens, BrontëModernismeexperiment, twijfelWoolf, JoyceHedendaagsveelstemmigOrwell, Rushdie
Afb. 2Elke periode heeft een eigen wereldbeeld; let op het kernkenmerk en een typerende auteur.

Kernpunten

Het modernisme valt in de eerste helft van de twintigste eeuw (omstreeks 1901–1945). De negentiende-eeuwse zekerheden zijn aan het wankelen gebracht — door nieuwe wetenschap en vooral door de schok van de Eerste Wereldoorlog — en dat zie je terug in de literatuur. Schrijvers zoeken vernieuwing, experimenteren met vorm en taal, en geven uitdrukking aan twijfel en aan een gevoel van ontheemding in een versplinterde, onoverzichtelijke wereld. De vertrouwde, afgeronde verteltrant van de Victoriaanse roman maakt plaats voor het raadselachtige, het gefragmenteerde en het zoekende.
Het bekendste vernieuwende middel is de ‘stream of consciousness’ (de bewustzijnsstroom), waarin de schrijver de ongeordende stroom van gedachten en indrukken van een personage rechtstreeks weergeeft. Virginia Woolf (1882–1941) vertelt in ‘Mrs Dalloway’ (1925) één dag in Londen volledig van binnenuit, springend van de ene innerlijke stem naar de andere. De Ier James Joyce (1882–1941) gaat in ‘Ulysses’ (1922) nog verder: hij volgt één gewone dag in Dublin in een radicaal experimentele stijl die als een hoogtepunt — en als een struikelblok — van het modernisme geldt. Bij beiden verschuift de aandacht van de buitenwereld naar de binnenwereld van het bewustzijn.
Ook de poëzie breekt met de traditie. T.S. Eliot (1888–1965) schreef met ‘The Waste Land’ (1922) een lang, gefragmenteerd gedicht vol citaten en toespelingen, dat de ontreddering en de geestelijke leegte van de naoorlogse wereld verbeeldt. Niet toevallig verschenen ‘Ulysses’ en ‘The Waste Land’ in hetzelfde jaar 1922, dat wel het wonderjaar van het modernisme wordt genoemd. De vorm wordt opengebroken — geen vloeiend verhaal of net rijm meer — juist om een onzekere, in stukken gevallen werkelijkheid uit te drukken.
Na de Tweede Wereldoorlog verandert de toon opnieuw. Het bekendste voorbeeld is George Orwell (1903–1950). In ‘Nineteen Eighty-Four’ (1949) schetst hij een huiveringwekkende dystopie van totale controle, waarin ‘Big Brother’ alles ziet; eerder schreef hij de politieke fabel ‘Animal Farm’ (1945). Orwells proza is juist helder, nuchter en politiek geëngageerd — een reactie zowel op de totalitaire dreiging van zijn tijd als op de moeilijke, hermetische kant van het modernisme. Hij laat zien dat literatuur ook na de experimenten weer toegankelijk en maatschappelijk kan zijn.
De hedendaagse literatuur, grofweg vanaf het einde van de twintigste eeuw, laat zich niet meer in één stroming vangen: er is geen dominante beweging, maar een veelheid aan stemmen, stijlen en thema's — vandaar het trefwoord „veelstemmig” in de tabel hieronder. Een belangrijke ontwikkeling is de postkoloniale literatuur, waarin schrijvers uit de voormalige koloniën de Engelse letteren een nieuw gezicht geven: Salman Rushdie (geboren 1947) met ‘Midnight’s Children’ (1981) en Kazuo Ishiguro (geboren 1954, Nobelprijs 2017) met onder meer ‘The Remains of the Day’ zijn daarvan bekende namen. Het Engels is allang geen taal van één land meer, en de literatuur weerspiegelt dat.
Dat we onze eigen tijd zo moeilijk van één etiket kunnen voorzien, is geen toeval: echt periodiseren lukt pas met historische afstand, en die ontbreekt voor het heden nog. Gebruik daarom de tabel hieronder als samenvattend overzicht van het hele onderwerp, en pas bij elk fragment dezelfde werkwijze toe: bepaal het kernkenmerk, leid daaruit de periode af en koppel er een auteur of werk aan. Beheers je die werkwijze, dan kun je elk werk van je leeslijst historisch situeren — precies het doel van dit hele onderwerp.
Uitgewerkt voorbeeld

Een roman aan het modernisme koppelen

Gebruik de tabel hieronder. Een roman uit 1925 vertelt één dag in Londen volledig van binnenuit, via de ongeordende gedachtestroom van de personages. Welke periode, welk kenmerk en welke auteur en welk werk?

  1. 01Stap 1 — Lees het kenmerk

    Eén dag verteld via de ongeordende gedachtestroom is de ‘stream of consciousness’, een experimentele techniek — vernieuwing en de blik naar binnen.

  2. 02Stap 2 — Bepaal de periode met de tabel

    In de tabel hieronder horen „experiment, twijfel” bij het modernisme. Een experimentele roman uit 1925 valt binnen die periode (omstreeks 1901–1945).

  3. 03Stap 3 — Koppel aan auteur en werk

    Een roman uit 1925 over één Londense dag, verteld via de bewustzijnsstroom, is ‘Mrs Dalloway’ van Virginia Woolf.

Resultaat: Het modernisme; Virginia Woolf, ‘Mrs Dalloway’ (1925) — herkend aan de experimentele ‘stream of consciousness’ en de verschoven aandacht naar de binnenwereld.

Eindexamen-focus

  • Het examen toetst of je het modernisme (vernieuwing, twijfel, ‘stream of consciousness’) kunt onderscheiden van de naoorlogse en hedendaagse literatuur (Orwell, en de veelstemmige, postkoloniale literatuur).
  • Je moet de modernisten Virginia Woolf, James Joyce en T.S. Eliot kunnen noemen, met George Orwell (‘Nineteen Eighty-Four’) als naoorlogse sleutelauteur; de tabel hieronder vat de kenmerken per periode samen.

Veelgemaakte fouten

  • Het modernisme verwarren met „de moderne tijd” of met de hedendaagse literatuur; het modernisme is de vernieuwingsbeweging van de eerste helft van de twintigste eeuw.
  • Denken dat ‘Nineteen Eighty-Four’ over het jaar 1984 als verleden tijd gaat; het is een waarschuwende toekomstroman (dystopie) uit 1949.

Actieve herhaling

Kies uit de tabel hieronder twee periodes uit de twintigste eeuw. Benoem per periode het kernkenmerk en een auteur, en leg uit hoe je een werk aan die periode zou herkennen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 05

    • 01Periodisering van de Engelse literatuur○
    • 02Renaissance en Shakespeare◐
    • 03Restauratie, 18e eeuw en Romantiek◐
    • 04De Victoriaanse tijd◐
    • 05Modernisme en hedendaagse literatuur◐

0/5 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Literatuurgeschiedenis (English literary history)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~24
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Engels (HAVO)

Vorig onderwerp

Literaire begrippen en tekstanalyse

Volgend onderwerp

Oriëntatie op studie en beroep

EuraStudy·Samenvattingen T·13·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.