EuraStudy
Samenvattingen/Engels/Leesstrategieën en tekstbegrip
Samenvattingen · EngelsNL · HAVO

Leesstrategieën en tekstbegrip

Op het centraal examen Engels lees je teksten die je niet woord voor woord kunt verwerken: je moet kiezen hóé je leest. In dit onderwerp leer je de drie leesstrategieën — skimmen, scannen en intensief lezen — en oefen je het oriënteren en voorspellen vooraf, het vinden van de hoofdgedachte en de kernzin van een alinea, en het terugzoeken waarnaar verwijswoorden als ‘it’, ‘this’ en ‘such’ verwijzen. Zo lees je sneller, gerichter en met meer begrip.

4 Onderdelen·~25 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0222 / 14
Examenprofiel
De juiste leesstrategie (skimmen, scannen of intensief lezen) kiezen bij elke examenvraag.Een tekst oriënterend verkennen en de opbouw voorspellen vóór je intensief leest.De hoofdgedachte van een tekst en de kerngedachte van een alinea vinden en in één Nederlandse zin formuleren.Het antecedent van een verwijswoord (it, this, these, such, the former / the latter) terugvinden.
Operatoren:bepaalleg uitverklaarnoemberedeneerciteer

basisniveau

Voor het centraal examen: kies bij elke vraag de passende leesstrategie en zoek het antwoord gericht in de juiste alinea.

verhoogd niveau

Wie doorstroomt naar het hoger onderwijs leest veel Engelstalige studieteksten; skimmen, scannen en het terugzoeken van verwijzingen blijven dan dagelijks gereedschap.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Leesstrategieën en tekstbegrip
    • 01Skimmen, scannen en intensief lezen○
    • 02Oriënteren en voorspellen◐
    • 03Hoofdgedachte, kernzin en alinea◐
    • 04Verwijswoorden en referenties●
§ 01

Skimmen, scannen en intensief lezen#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Drie leesstrategieën in één oogopslag

Drie leesstrategieënTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Strategie · Doel · Wanneer; Skimmen · Hoofdlijn pakken · Eerst, snel; Scannen · Eén gegeven vinden · Bij detailvraag; Intensief lezen · Precies begrijpen · Bij lastige zinSTRATEGIEDOELWANNEERSkimmenHoofdlijn pakkenEerst, snelScannenEén gegeven vindenBij detailvraagIntensief lezenPrecies begrijpenBij lastige zin
Afb. 1Kies per vraag de passende strategie: skimmen voor de hoofdlijn, scannen voor één gegeven, intensief lezen voor een lastige zin.

Kernpunten

Een veelgemaakte denkfout is dat lezen één ding is: je begint bovenaan en werkt woord voor woord naar beneden. Op het centraal examen Engels werkt dat niet — de teksten zijn te lang en de tijd is te krap om alles even nauwkeurig te lezen. Goede lezers beschikken juist over meerdere „snelheden” en kiezen per moment de passende. Er zijn drie leesstrategieën die je uit elkaar moet houden: skimmen (globaal lezen voor de hoofdlijn), scannen (gericht één gegeven zoeken) en intensief lezen (een lastige passage precies begrijpen). Welke je gebruikt, hangt af van wat je op dat moment wilt weten. De tabel onder aan deze sectie zet de drie naast elkaar.
Skimmen is globaal, snel lezen om de grote lijn te pakken: waar gaat de tekst over, wat is de toon, hoe is hij opgebouwd? Je leest dan niet alles, maar laat je oog over de tekst glijden langs de plekken waar de hoofdlijn zit — de titel, een eventuele cursieve inleiding, de eerste (en soms laatste) zin van elke alinea en woorden die eruit springen. Je doel is niet de details, maar het kader. Stel dat een tekst de kop ‘Why cities are banning cars from their centres’ draagt en de alinea’s beginnen met ‘Air pollution…’, ‘Traffic deaths…’ en ‘Local shopkeepers, however…’, dan weet je na tien seconden skimmen al dat de tekst over autovrije binnensteden gaat, met argumenten vóór en een tegengeluid van winkeliers — zonder ook maar één alinea volledig te hebben gelezen. Skimmen doe je dus vooral aan het begin, om je te oriënteren.
Scannen is gericht zoeken naar één specifiek gegeven, zonder de rest te lezen. Je weet precies wát je zoekt — een naam, een jaartal, een getal, een bepaald woord — en je laat je oog over de tekst gaan tot het dat ene gegeven „vangt”, zoals je in een treintabel of een register zoekt. Alles wat niet je zoekdoel is, sla je over. Vraagt een examenvraag bijvoorbeeld in welk jaar een wet werd ingevoerd, dan scan je de aangewezen alinea op cijfers en stop je zodra je een jaartal als ‘1998’ ziet staan. Scannen is razendsnel en bij uitstek de strategie voor detailvragen en citeervragen, waarbij maar één plek in de tekst telt.
Intensief lezen is het tegenovergestelde van skimmen: langzaam, nauwkeurig en woord voor woord, om een lastige passage echt te begrijpen. Je gebruikt het wanneer een zin ingewikkeld is, wanneer de vraag naar de precieze bedoeling of de houding van de schrijver peilt, of wanneer een verwijswoord of signaalwoord je begrip laat kantelen. Bij intensief lezen let je op de zinsbouw, op signaalwoorden (‘however’, ‘therefore’, ‘although’) en op het verband tussen de zinnen. Het is de duurste strategie in tijd, dus je zet haar gericht in: niet op de hele tekst, maar op de paar zinnen die de vraag werkelijk verlangt. Wie elke tekst van begin tot eind intensief leest, komt gegarandeerd in tijdnood.
In de praktijk gebruik je de drie strategieën na elkaar binnen één tekst, en juist die afwisseling maakt je snel én nauwkeurig. Een efficiënte aanpak is: eerst skimmen om de tekst te leren kennen, dan per vraag scannen naar de juiste alinea, en pas in die alinea intensief lezen om het exacte antwoord te vinden. Je begint dus globaal en zoomt steeds verder in. Zo besteed je je schaarse, dure intensieve aandacht alleen aan de zinnen die er werkelijk toe doen, en lees je de rest van de tekst in een fractie van de tijd. De strategie kiezen is daarmee net zo belangrijk als de tekst begrijpen: het bepaalt of je het examen afkrijgt.
Let er bij elke vraag dus bewust op welke strategie past, want de vraagvorm verraadt het vaak. Een vraag naar de hoofdgedachte van de tekst of naar het doel van de schrijver vraagt om skimmen en daarna intensief lezen; een vraag naar één feit of een citaat vraagt om scannen; een vraag als „Wat bedoelt de schrijver met deze zin?” vraagt om intensief lezen van precies die zin. In de volgende secties werk je elk van deze vaardigheden verder uit — eerst het oriënteren en voorspellen vooraf, dan het vinden van de hoofdgedachte, en ten slotte het terugzoeken van verwijswoorden. De tabel hieronder houdt de drie basisstrategieën bij de hand als kompas.
Uitgewerkt voorbeeld

De juiste strategie kiezen bij een detailvraag

Bij een Engelse tekst over slaap staat de Nederlandse vraag: „Hoeveel uur slaap raden de onderzoekers volwassenen aan?” In alinea 2 staat: ‘The researchers recommend that adults sleep between seven and nine hours a night; teenagers, they add, need even more.’ Welke strategie gebruik je, en wat is het antwoord?

  1. 01Stap 1 — Lees de vraag en bepaal de strategie

    De vraag zoekt één concreet gegeven (een aantal uren) in een aangewezen alinea. Dat is een detailvraag: je hoeft de tekst niet globaal te begrijpen, je hoeft één feit te vinden. De passende strategie is dus scannen, niet skimmen of intensief lezen.

  2. 02Stap 2 — Scan naar het zoekdoel

    Je laat je oog over alinea 2 gaan en zoekt naar getallen of woorden die met tijd te maken hebben. Je oog „vangt” ‘between seven and nine hours a night’ — daar staat het antwoord. De rest van de zin, over ‘teenagers’, is voor deze vraag bijzaak.

  3. 03Stap 3 — Formuleer het antwoord in het Nederlands

    De onderzoekers raden volwassenen aan tussen de zeven en negen uur per nacht te slapen. Let op: de vraag ging over volwassenen, dus je neemt het deel over tieners niet mee.

Resultaat: Antwoord: tussen de zeven en negen uur per nacht. Je herkende een detailvraag, koos scannen, vond het getal direct en liet het niet-gevraagde deel over tieners weg.

Eindexamen-focus

  • Het examen test of je per vraag de juiste leesstrategie kiest: skimmen voor de hoofdlijn, scannen voor één detail of citaat, intensief lezen voor een lastige zin of de bedoeling van de schrijver.
  • Je moet snel genoeg lezen om alle teksten af te krijgen; dat lukt alleen als je niet alles intensief leest maar bewust schakelt tussen de drie strategieën.

Veelgemaakte fouten

  • De hele tekst van begin tot eind even intensief (woord voor woord) lezen; dan kost één tekst zoveel tijd dat je de laatste teksten niet meer haalt.
  • Skimmen en scannen verwarren: skimmen levert de grote lijn op (je leest overal een beetje), terwijl scannen één specifiek gegeven zoekt (je leest bijna niets) — voor een detailvraag heb je scannen nodig, niet skimmen.

Actieve herhaling

Pak een Engelse examentekst. Skim hem in maximaal één minuut en schrijf in één Nederlandse zin op waar hij over gaat. Scan daarna naar één concreet gegeven (bijvoorbeeld een jaartal of een naam) en noteer hoelang je erover deed. Bepaal ten slotte bij twee examenvragen welke strategie je zou inzetten en waarom.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Oriënteren en voorspellen#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Voordat je een tekst echt gaat lezen, loont het om hem eerst te verkennen: dat heet oriënteren. In een halve minuut bekijk je de buitenkant van de tekst — de titel, de inleiding, de tussenkopjes en de illustraties — om een eerste idee te krijgen van het onderwerp en de opbouw. Het lijkt verloren tijd, maar het tegendeel is waar: wie weet wat hij ongeveer kan verwachten, leest de tekst zelf veel sneller en begrijpt hem beter, omdat hij elk nieuw stukje meteen op de juiste plek kan hangen. Oriënteren is de aanloop die het intensief lezen efficiënt maakt.
Oriënteren werkt het best als je het actief doet, dus als je voorspelt. Voorspellen betekent dat je op grond van de buitenkant van de tekst een verwachting opbouwt: waar zal dit over gaan, welke kant kiest de schrijver, hoe is het betoog opgebouwd? Je stelt jezelf vragen — „Wat weet ik al over dit onderwerp?”, „Is de schrijver voor of tegen?”, „Wat zou er in alinea 2 kunnen komen?” — en gaat de tekst lezen om die verwachting te toetsen. Je hersenen lezen dan niet passief mee, maar zoeken bevestiging of bijstelling, en dat verankert het begrip. Een voorspelling die achteraf niet blijkt te kloppen, is geen mislukking: juist het verschil tussen wat je dacht en wat er staat, scherpt je begrip aan.
De rijkste aanknopingspunten zitten meestal helemaal vooraan. De titel (en een eventuele ondertitel) verraadt vrijwel altijd het onderwerp en vaak ook de invalshoek: een kop als ‘The hidden cost of cheap clothes’ kondigt niet alleen het onderwerp (goedkope kleding) aan, maar ook de toon — er komt iets negatiefs, een „verborgen prijs”. De inleiding, op het examen vaak een cursief blokje boven de tekst (de zogenoemde ‘lead’ of intro), vat in een paar zinnen samen waar het stuk over gaat en waarom het geschreven is. Lees die intro altijd eerst en zorgvuldig: het is de gratis samenvatting die de redactie je geeft, en hij stuurt je verwachting voor de hele tekst.
Daarnaast bieden de tussenkopjes, de eerste zinnen van de alinea’s en de illustraties een blik op de opbouw. Tussenkopjes (de subkopjes die de tekst in stukken delen) werken als een inhoudsopgave: lees ze achter elkaar en je hebt de hoofdmomenten van het betoog te pakken. Heeft de tekst geen tussenkopjes, lees dan de eerste zin van elke alinea — die bevat vaak de kerngedachte (zie de volgende sectie), zodat je langs die eerste zinnen de rode draad volgt. Illustraties, foto’s, grafieken en hun bijschriften tonen ten slotte vaak waar de tekst de nadruk op legt; een grafiek met een stijgende lijn en het onderschrift ‘Global temperatures, 1900–2020’ zegt je, nog voor je een woord van de tekst hebt gelezen, waar het heen gaat. Al deze signalen samen geven je de landkaart waarop je daarna gericht leest.
Op het examen pas je dit toe als vaste eerste stap per tekst, vóór je naar de vragen gaat. Lees de titel en de cursieve intro, loop de tussenkopjes of de eerste zinnen langs, bekijk de illustraties, en formuleer voor jezelf in één zin waar de tekst over gaat en hoe hij is opgebouwd. Pas daarna lees je de eerste vraag en zoek je gericht. Doordat je de opbouw al kent, weet je bij elke vraag meteen in welke hoek van de tekst je moet zijn — je hoeft niet de hele tekst meer af te zoeken. Oriënteren en voorspellen is zo geen extra werk, maar bespaart juist tijd.
Het oriënteren legt de basis voor alles wat hierna komt. De grote lijn die je nu voorspelt, controleer je in de volgende sectie tegen de echte hoofdgedachte van de tekst en de kernzinnen van de alinea’s; de signaalwoorden waar je nu al op stuit, helpen je straks bij het intensief lezen. Maak er daarom een gewoonte van: nooit blind de eerste zin in duiken, maar eerst dertig seconden de tekst verkennen. Die dertig seconden verdienen zich ruimschoots terug in leessnelheid en begrip.
Uitgewerkt voorbeeld

De opbouw voorspellen uit titel en tussenkopjes

Je ziet alleen de buitenkant van een tekst: de titel ‘Four-day week: too good to be true?’ en drie tussenkopjes — ‘Happier workers’, ‘The productivity puzzle’ en ‘Not for every job’. Wat voorspel je over het onderwerp, het standpunt en de opbouw?

  1. 01Stap 1 — Lees het onderwerp uit de titel

    ’Four-day week’ geeft het onderwerp: de vierdaagse werkweek. Het vraagteken in ‘too good to be true?’ verraadt dat de schrijver kritisch en afwegend is — hij belooft niet alleen voordelen, maar onderzoekt ook de keerzijde.

  2. 02Stap 2 — Lees de opbouw uit de tussenkopjes

    De drie kopjes vormen samen het betoog: eerst een voordeel (‘Happier workers’), dan een twijfelpunt (‘The productivity puzzle’ — levert het wel genoeg op?), dan een beperking (‘Not for every job’). De tekst beweegt dus van vóór naar kanttekeningen.

  3. 03Stap 3 — Formuleer de voorspelling

    Verwachting: de tekst gaat over de vierdaagse werkweek, weegt voor- en nadelen af en eindigt genuanceerd — een voordeel voor het welzijn, maar vraagtekens bij de productiviteit en niet geschikt voor elk beroep. Met die landkaart weet je bij een vraag over nadelen meteen dat je bij kopje twee of drie moet zijn.

Resultaat: Voorspelling: onderwerp = de vierdaagse werkweek; standpunt = afwegend/kritisch (door het vraagteken); opbouw = voordeel → twijfel over productiviteit → beperking per beroep. De tussenkopjes leverden de hele structuur op nog voor je de tekst las.

Eindexamen-focus

  • Het examen beloont een vaste verkenningsstap: wie titel, intro, tussenkopjes en illustraties eerst leest, vindt bij elke vraag sneller de juiste alinea.
  • Je moet onderwerp én opbouw van een tekst kunnen voorspellen vóór je intensief leest; vragen naar de structuur of de functie van een alinea bouwen daarop voort.

Veelgemaakte fouten

  • Meteen bij de eerste zin van de tekst beginnen en de titel en de cursieve inleiding overslaan; juist die intro is de gratis samenvatting die je verwachting voor de hele tekst stuurt.
  • De illustraties en bijschriften negeren; een grafiek of foto met onderschrift verraadt vaak het onderwerp en de nadruk van de tekst nog voor je hem leest.

Actieve herhaling

Neem een Engelse examentekst en bedek alles behalve de titel, de cursieve intro, de tussenkopjes en de illustraties. Schrijf in twee Nederlandse zinnen op waar de tekst volgens jou over gaat en hoe hij is opgebouwd. Lees daarna de tekst en controleer hoeveel van je voorspelling klopte.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Hoofdgedachte, kernzin en alinea#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

De alinea is de bouwsteen van elke tekst, en de gouden regel luidt: één alinea, één kerngedachte. Een goed geschreven alinea behandelt precies één deelonderwerp of doet precies één bewering; de overige zinnen werken die ene gedachte uit met uitleg, voorbeelden of bewijs. Daarom kun je een hele alinea vaak terugbrengen tot één zin. Als je per alinea die ene gedachte weet te vangen, heb je de tekst in feite samengevat — en precies dat heb je nodig om examenvragen naar de hoofdzaak of de functie van een alinea te beantwoorden.
De zin die de kerngedachte van een alinea uitdrukt, heet de kernzin (in het Engels de ‘topic sentence’). In Engelse zakelijke teksten staat die kernzin meestal vooraan, als eerste of tweede zin van de alinea: de schrijver zegt eerst wat hij beweert en onderbouwt het daarna. Neem de alinea die begint met ‘Electric cars are not as clean as they seem.’ Dat is de kernzin — een heldere bewering — en alles wat volgt (over de productie van accu’s, over de herkomst van de stroom) onderbouwt haar. Wie de eerste zin van elke alinea leest, vangt zo vaak de hele rode draad. Let wel op: soms staat de kernzin juist achteraan (als conclusie na een opsomming) of zit hij verstopt in het midden; dan moet je hem zelf uit de alinea destilleren.
Naast de kerngedachte per alinea heeft de hele tekst één overkoepelende hoofdgedachte: de centrale boodschap die alle alinea’s samen overbrengen. De hoofdgedachte is meer dan het onderwerp. Het onderwerp is waar de tekst óver gaat (bijvoorbeeld „elektrische auto’s”); de hoofdgedachte is wat de tekst daarover beweert (bijvoorbeeld „elektrische auto’s zijn schoner dan benzineauto’s, maar lang niet zo schoon als vaak wordt gedacht”). Een examenvraag naar de hoofdgedachte van de tekst of naar de beste titel toetst precies dit: kun je de hele tekst terugbrengen tot die ene boodschap, en blijf je niet steken in één detail of één alinea?
Hoe vind je beide? Voor de kerngedachte van een alinea lees je de eerste en de laatste zin extra goed en vraag je je af: welke bewering onderbouwen alle andere zinnen? Voor de hoofdgedachte van de tekst combineer je de kerngedachten van de alinea’s tot één boodschap, met extra gewicht voor de titel, de inleiding en het slot — daar staat de hoofdgedachte vaak het duidelijkst. Een handige toets is de „dus-vraag”: als je de tekst aan iemand zou samenvatten en zou zeggen „het komt erop neer dat…”, wat zou er dan na „dat” komen? Dat antwoord is de hoofdgedachte. Pas op dat je niet één opvallend voorbeeld of één cijfer voor de hoofdgedachte aanziet; details ondersteunen de boodschap, maar zíjn de boodschap niet.
Op het examen moet je de hoofdgedachte of de kerngedachte vaak in één Nederlandse zin formuleren, en daar gaat het geregeld mis. Een goede formulering is volledig en bevat een bewering: niet alleen het onderwerp, maar ook wat de tekst daarover zegt. „De tekst gaat over elektrische auto’s” is geen hoofdgedachte — dat is alleen het onderwerp. „De tekst betoogt dat elektrische auto’s schoner zijn dan benzineauto’s, maar minder schoon dan mensen denken” is wél een hoofdgedachte, want er staat een standpunt in. Schrijf dus altijd een hele zin met een werkwoord dat een bewering uitdrukt („betoogt dat…”, „laat zien dat…”, „waarschuwt dat…”), en controleer of jouw zin de hele tekst dekt en niet maar één alinea.
Het vinden van de hoofdgedachte en de kernzinnen sluit naadloos aan op het oriënteren uit de vorige sectie: de opbouw die je daar voorspelde, lees je nu af aan de kernzinnen van de alinea’s. En het bereidt de volgende sectie voor, want om een alinea echt te begrijpen moet je vaak ook weten waarnaar de verwijswoorden in die alinea verwijzen. Maak het tot een gewoonte om bij het lezen naast elke alinea in één of twee Nederlandse woorden de kerngedachte te noteren; zo bouw je al lezend je eigen samenvatting en vind je bij elke vraag razendsnel de juiste plek terug.
Uitgewerkt voorbeeld

De kernzin van een alinea aanwijzen

Lees deze alinea: ‘Homework is often a waste of time. Studies show that pupils who do a lot of homework score no higher than those who do little. Worse, it eats into the hours children need for sport, family and sleep.’ Welke zin is de kernzin, en wat is de kerngedachte in één Nederlandse zin?

  1. 01Stap 1 — Zoek de bewering

    Vraag je af welke zin een standpunt poneert en welke zinnen dat onderbouwen. De eerste zin, ‘Homework is often a waste of time’, is een duidelijke bewering; de twee zinnen erna geven er bewijs voor (geen hogere cijfers; het kost tijd voor sport, gezin en slaap).

  2. 02Stap 2 — Toets met „onderbouwen alle andere zinnen deze?”

    Zowel de zin over de onderzoeken als de zin over sport en slaap ondersteunt de eerste zin. Dat bevestigt dat de eerste zin de kernzin (topic sentence) is — hij staat hier, zoals vaak, vooraan.

  3. 03Stap 3 — Formuleer de kerngedachte in het Nederlands

    Breng de alinea terug tot één zin met een bewering: huiswerk is vaak tijdverspilling, want het levert geen betere cijfers op en gaat ten koste van sport, gezin en slaap.

Resultaat: Kernzin: ‘Homework is often a waste of time.’ Kerngedachte: huiswerk is vaak tijdverspilling, omdat het geen hogere cijfers oplevert en ten koste gaat van sport, gezin en slaap. De eerste zin poneerde de bewering, de rest onderbouwde haar.

Eindexamen-focus

  • Het examen toetst of je de hoofdgedachte van een hele tekst en de kerngedachte van een losse alinea kunt vinden en in één Nederlandse zin kunt formuleren (bijvoorbeeld bij een vraag naar de beste titel of de hoofdzaak van een alinea).
  • Je moet onderwerp en hoofdgedachte uit elkaar houden: een goede hoofdgedachte bevat een bewering, niet alleen het thema van de tekst.

Veelgemaakte fouten

  • Het onderwerp voor de hoofdgedachte aanzien: „de tekst gaat over X” noemt alleen het thema, terwijl de hoofdgedachte moet zeggen wát de tekst over X beweert.
  • Eén opvallend detail, voorbeeld of cijfer aanzien voor de hoofdgedachte; details ondersteunen de boodschap maar vormen haar niet, en een vraag naar de hoofdzaak wil juist de overkoepelende boodschap.

Actieve herhaling

Lees een Engelse examentekst en schrijf naast elke alinea in maximaal drie Nederlandse woorden de kerngedachte. Formuleer daarna in één volledige Nederlandse zin — met een werkwoord als „betoogt dat” of „laat zien dat” — de hoofdgedachte van de hele tekst. Controleer of jouw zin de hele tekst dekt en niet slechts één alinea.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Verwijswoorden en referenties#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Veelvoorkomende verwijswoorden

VerwijswoordenTabel met 2 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Verwijswoord · Verwijst meestal naar; it / this · een woord of zin ervóór; these / those · een opsomming ervóór; such · een eerder genoemd type; former / latter · de eerste / de tweedeVERWIJSWOORDVERWIJST MEESTAL NAARit / thiseen woord of zin ervóórthese / thoseeen opsomming ervóórsucheen eerder genoemd typeformer / latterde eerste / de tweede
Afb. 2Gebruik de tabel als geheugensteun en controleer je antecedent altijd met de invultest.

Kernpunten

Teksten hangen aan elkaar van verwijswoorden: kleine woorden die niet zelf iets nieuws benoemen, maar terugwijzen naar iets wat eerder is genoemd. In plaats van een woordgroep telkens te herhalen, schrijft een auteur de eerste keer het volledige begrip en daarna een verwijswoord. Neem ‘The government introduced a new tax. It came into force in 2020.’: het woordje ‘it’ herhaalt ‘a new tax’ zonder het opnieuw te noemen. Dat maakt een tekst vloeiend, maar het vraagt van de lezer dat hij telkens weet waarnaar zo’n woord wijst. Het ding waarnaar verwezen wordt, heet het antecedent (letterlijk „het voorafgaande”). Op het examen komt geregeld een open vraag als „Waar verwijst it (regel 12) naar?”, en dan moet je dat antecedent precies terugvinden.
De meest voorkomende verwijswoorden zijn de aanwijzende woorden ‘it’, ‘this’, ‘that’, ‘these’ en ‘those’. ‘It’ verwijst naar één eerder genoemd ding of, heel vaak, naar een hele eerdere zin of gedachte: in ‘Sales fell sharply, and this worried the board’ wijst ‘this’ niet naar één woord, maar naar het hele gegeven dat de verkoop sterk daalde. ‘This/that’ en ‘these/those’ verschillen in nabijheid en aantal: ‘this/these’ wijzen meestal naar iets dichtbij of net genoemd, ‘that/those’ naar iets verder weg, en ‘this/that’ is enkelvoud terwijl ‘these/those’ meervoud is. Bij een verwijsvraag is de truc dus: zoek vlak vóór het verwijswoord, en let op of je een enkelvoudig of een meervoudig antecedent nodig hebt.
Wijst het verwijswoord op een meervoud, dan zoek je naar een opsomming of een groep ervóór. In ‘The plan promised lower taxes, free childcare and cheaper housing. These proposals won many votes.’ verwijst ‘these proposals’ terug naar de drie zojuist opgesomde beloften. Het woord ‘such’ werkt net iets anders: het verwijst naar een eerder genoemd soort of type. In ‘He kept making promises he could not keep. Such behaviour costs trust.’ betekent ‘such behaviour’ „dit soort gedrag” — namelijk beloften doen die je niet nakomt. Bij ‘such’ zoek je dus niet één ding, maar de soort of het type dat net is beschreven.
Twee verwijswoorden vragen extra oplettendheid, omdat ze naar een bepáálde van twee eerder genoemde zaken wijzen: ‘the former’ en ‘the latter’. Als een schrijver twee dingen noemt, verwijst ‘the former’ naar het eerste en ‘the latter’ naar het tweede. In ‘Students can choose French or Spanish; the former is harder, the latter more useful’ slaat ‘the former’ op ‘French’ (het eerste) en ‘the latter’ op ‘Spanish’ (het tweede). Een ezelsbruggetje: ‘former’ lijkt op ‘first’, ‘latter’ op ‘last’. Daarnaast vervangt ‘one’ (meervoud ‘ones’) een eerder genoemd telbaar zelfstandig naamwoord om herhaling te vermijden: in ‘I didn’t like the old rules, so I wrote new ones’ staat ‘ones’ voor ‘rules’. Telkens geldt: het verwijswoord zelf zegt je niets — je begrip komt pas rond als je het antecedent terugvindt.
Het terugzoeken van een antecedent gaat met een vaste methode. Ten eerste: kijk vlak vóór het verwijswoord, want het antecedent staat bijna altijd kort daarvóór, meestal in dezelfde of de vorige zin. Ten tweede: let op enkelvoud of meervoud — ‘it’ en ‘this’ vragen een enkelvoudig antecedent, ‘these’ en ‘those’ een meervoudig; dat sluit kandidaten uit. Ten derde, en dat is de beslissende controle: vul je gevonden antecedent in de plaats van het verwijswoord in en lees de zin opnieuw. Klopt de zin en blijft de betekenis logisch, dan heb je het goed. In ‘The new bridge replaced the old ferry. It is much faster.’ test je ‘it’ = ‘the new bridge’ → ‘The new bridge is much faster’ — dat klopt, dus ‘it’ verwijst naar de nieuwe brug, niet naar de veerpont.
Bij een open verwijsvraag op het examen geef je het antwoord in het Nederlands en zo precies mogelijk: niet „naar iets in de vorige zin”, maar het concrete antecedent, bijvoorbeeld „naar de nieuwe brug”. Citeert de vraag een regelnummer, ga dan naar precies die regel, want hetzelfde woordje ‘it’ kan twee regels eerder naar iets heel anders verwijzen. Verwijswoorden zijn daarmee de fijnmazige versie van het intensief lezen uit de eerste sectie: ze dwingen je om zin voor zin het verband te volgen. De tabel hieronder zet de belangrijkste verwijswoorden op een rij met datgene waar ze meestal naar wijzen; gebruik haar als geheugensteun, maar controleer je antwoord altijd met de invultest.
Uitgewerkt voorbeeld

Een verwijswoord terugzoeken met de invultest

Beantwoord de open vraag „Waar verwijst they (regel 3) naar?” bij deze passage: ‘The city installed hundreds of new bins last year. They were meant to reduce litter in the parks. So far, the results have been disappointing.’ (regel 3 is de tweede zin).

  1. 01Stap 1 — Bepaal enkelvoud of meervoud

    ’They’ is meervoud, dus je zoekt een meervoudig antecedent vlak vóór het woord. Een enkelvoudige kandidaat als ‘the city’ valt daarmee af — die zou ‘it’ krijgen, niet ‘they’.

  2. 02Stap 2 — Zoek vlak vóór het verwijswoord

    In de zin ervóór staat één meervoud dat past: ‘hundreds of new bins’ (de nieuwe afvalbakken). Dat is de enige meervoudige kandidaat in de buurt.

  3. 03Stap 3 — Doe de invultest

    Vervang ‘they’ door ‘the new bins’: ‘The new bins were meant to reduce litter in the parks.’ De zin klopt en is logisch — de afvalbakken moesten zwerfvuil tegengaan. Het antecedent is dus gevonden.

  4. 04Stap 4 — Antwoord precies in het Nederlands

    Geef het concrete antecedent: ‘they’ verwijst naar de honderden nieuwe afvalbakken die de stad het afgelopen jaar plaatste. Niet „naar de vorige zin”, maar het concrete ding.

Resultaat: ’They’ verwijst naar de (honderden) nieuwe afvalbakken. Je sloot ‘the city’ uit op grond van het meervoud, vond het meervoudige antecedent vlak ervóór en bevestigde het met de invultest.

Eindexamen-focus

  • Het examen stelt geregeld een open vraag „Waar verwijst X (regel N) naar?”; je moet het concrete antecedent in het Nederlands geven, niet een vage omschrijving.
  • Je moet verwijswoorden als it, this, these, such en the former / the latter correct oplossen, inclusief het onderscheid enkelvoud/meervoud en eerste/tweede.

Veelgemaakte fouten

  • Het verkeerde antecedent kiezen door niet op enkelvoud/meervoud te letten of door verder terug te zoeken dan nodig; het antecedent staat bijna altijd vlak vóór het verwijswoord, en ‘these’ vraagt een meervoud, ‘it’ een enkelvoud.
  • ’The former’ en ‘the latter’ verwisselen; ‘the former’ is het eerstgenoemde (denk aan ‘first’), ‘the latter’ het laatstgenoemde (denk aan ‘last’).

Actieve herhaling

Zoek in een Engelse examentekst vijf verwijswoorden (it, this, these, such, the former / the latter). Schrijf bij elk in het Nederlands het antecedent op en controleer telkens met de invultest: vervang het verwijswoord door jouw antecedent en kijk of de zin nog klopt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Skimmen, scannen en intensief lezen○
    • 02Oriënteren en voorspellen◐
    • 03Hoofdgedachte, kernzin en alinea◐
    • 04Verwijswoorden en referenties●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Leesstrategieën en tekstbegrip

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~25
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Engels (HAVO)

Vorig onderwerp

Leesvaardigheid (centraal examen)

Volgend onderwerp

Examenvraagvormen (open, meerkeuze, citeer, gat)

EuraStudy·Samenvattingen T·02·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.