EuraStudy
Samenvattingen/Engels/Gesprekken voeren (gespreksvaardigheid)
Samenvattingen · EngelsNL · HAVO

Gesprekken voeren (gespreksvaardigheid)

Gespreksvaardigheid — het voeren van een gesprek in het Engels — is een onderdeel van het schoolexamen (SE), niet van het centraal examen. Het centraal examen Engels toetst namelijk alleen leesvaardigheid; spreken, gesprekken voeren, luisteren en schrijven worden door je eigen school getoetst. Bij gesprekken voeren laat je zien dat je in een echte interactie kunt meedoen — luisteren én reageren — op ongeveer ERK-niveau B1 tot B2. In dit onderwerp leer je wat er beoordeeld wordt, welke gespreksstrategieën je helpen en welke vaste Engelse uitdrukkingen je per taalfunctie kunt gebruiken.

3 Onderdelen·~18 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2

T·0999 / 14
Examenprofiel
Begrijpen dat gespreksvaardigheid een schoolexamenonderdeel is dat interactie toetst op ongeveer ERK B1/B2 en niet op het centraal examen voorkomt.Gespreksstrategieën toepassen: de beurt nemen en teruggeven, om verduidelijking vragen, herstellen bij haperingen en het gesprek gaande houden.Per taalfunctie de juiste vaste Engelse uitdrukkingen kiezen om een mening te geven, in te stemmen of het oneens te zijn, en een voorstel te doen.
Operatoren:voer een gesprekreageervraag doorleg uitformuleer

basisniveau

Voor het schoolexamen: oefen korte gesprekken over vertrouwde onderwerpen, durf te spreken en gebruik vaste uitdrukkingen om je mening te geven en op de ander te reageren (ongeveer ERK B1).

verhoogd niveau

Wie verder wil (een vervolgopleiding waarin veel Engels wordt gesproken): streef naar ERK B2 — langere beurten, genuanceerder reageren en het gesprek soepel sturen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 3 onderdelen▾
  1. Gesprekken voeren (gespreksvaardigheid)
    • 01Gesprekken voeren in het schoolexamen○
    • 02Gespreksstrategieën◐
    • 03Taalfuncties en uitdrukkingen◐
§ 01

Gesprekken voeren in het schoolexamen#

●○○BasisLPexamenblad-nl

De interactiecyclus van een gesprek

De interactiecyclusGraaf, Luisteren → Reageren, Reageren → Doorvragen, Doorvragen → Beurt teruggevenLuisterenReagerenDoorvragenBeurt teruggeven
Afb. 1Een gesprek draait rond: je luistert, reageert, vraagt door en geeft de beurt terug — en dan begint de cyclus bij de ander opnieuw.

Kernpunten

Een eerste, belangrijk onderscheid: gespreksvaardigheid — het voeren van een gesprek in het Engels — hoort bij het schoolexamen (SE), niet bij het centraal examen (CE). Het centraal examen Engels toetst namelijk uitsluitend leesvaardigheid; de vaardigheden spreken, gesprekken voeren, luisteren en schrijven worden door je eigen school getoetst, verspreid over het schoolexamen. Dat betekent dat je docent bepaalt hoe en wanneer je gespreksvaardigheid wordt afgenomen, binnen de regels van het examenprogramma. Voor jou is de praktische gevolgtrekking dat je je hierop voorbereidt door echt te spreken en te reageren in het Engels, en niet door examenteksten te lezen.
Het kernbegrip bij dit onderdeel is interactie. Een gesprek is geen voorbereid praatje dat je in je eentje afdraait — dat zou een monoloog zijn, en dat hoort meer bij spreekvaardigheid. Bij gesprekken voeren wisselen minstens twee mensen om de beurt, en wat jij zegt hangt af van wat de ander net zei. Je kunt je dus maar tot op zekere hoogte voorbereiden: je kunt nuttige zinnen klaarhebben, maar je moet ter plekke luisteren en je antwoord aanpassen aan de ander. Luisteren én reageren zijn samen de twee helften van interactie; wie alleen zijn eigen verhaal vertelt en niet inhaakt op de ander, voert geen echt gesprek.
In de praktijk neemt het schoolexamengesprek verschillende vormen aan, afhankelijk van je school. Vaak voer je een gesprek met je docent, soms met een medeleerling, en het gaat dan over een onderwerp dat van tevoren is afgesproken of dat je ter plekke krijgt: een tekst die je hebt gelezen, een stelling waarover je je mening geeft, een foto die je beschrijft, of een alledaagse situatie die je naspeelt in een rollenspel (bijvoorbeeld iets bestellen of de weg vragen). Een examengesprek duurt meestal maar een paar minuten. Het is verstandig om vooraf bij je docent na te vragen welke vorm jullie gebruiken en welk onderwerp aan bod komt, zodat je gericht kunt oefenen.
Bij de beoordeling let je docent op een aantal vaste aspecten, die je terugziet in vrijwel elke beoordelingsschaal. Vlotheid (in het Engels ‘fluency’) gaat over hoe soepel je spreekt: praat je door, of val je telkens stil? Interactie gaat over je deelname aan het gesprek: reageer je op de ander, neem je de beurt en geef je hem ook weer terug? Woordenschat of bereik (‘range’) gaat over hoeveel verschillende woorden en uitdrukkingen je kunt inzetten. En correctheid (‘accuracy’) gaat over hoe foutloos je grammatica en uitspraak zijn. Let op: correctheid is maar één van de vier aspecten — een paar fouten maken is helemaal niet erg, zolang de boodschap overkomt en je actief meedoet.
De lat ligt voor HAVO ongeveer op het niveau B1 tot B2 van het Europees Referentiekader (ERK), het systeem dat taalvaardigheid in niveaus indeelt. Op B1 kun je deelnemen aan gesprekken over vertrouwde, alledaagse onderwerpen — je school, je hobby's, je plannen — al moet je af en toe naar woorden zoeken en kan een lastiger onderwerp je in de problemen brengen. Op B2 kun je vlotter en spontaner meepraten, ook over wat abstractere onderwerpen, en kun je je eigen standpunt geven en verdedigen. Voor het HAVO-schoolexamen is het doel dat je een gesprek over een bekend onderwerp zelfstandig kunt voeren; wie naar B2 reikt, kan langere beurten nemen en genuanceerder reageren.
Je kunt een gesprek zien als een cyclus die zich steeds herhaalt, en dat helpt om te onthouden wat interactie van je vraagt. Het schema hieronder laat die cyclus zien: je luistert naar de ander, je reageert inhoudelijk op wat je hoorde, je vraagt door of vult aan, en je geeft de beurt weer terug — waarna de ander aan zet is en de cyclus opnieuw begint. De stap die in het schema wordt benadrukt, is reageren: daar zit het hart van de interactie, want pas door echt te reageren op de ander maak je van losse beurten een gesprek. Houd dit rondje in gedachten; in de volgende secties leer je de strategieën en uitdrukkingen waarmee je elke stap kunt uitvoeren.
Uitgewerkt voorbeeld

Een gesprek is reageren, geen monoloog

De docent vraagt: ‘So, what did you do last weekend?’ Twee leerlingen reageren verschillend. Welke reactie laat echte interactie zien, en waarom?

  1. 01Stap 1 — De zwakke reactie (monoloog)

    Leerling A dreunt een ingestudeerd rijtje op: ‘I did my homework. I watched television. I went to bed.’ Het zijn losse zinnen zonder aansluiting, er komt geen reactie op de ander en er gaat geen vraag terug — het gesprek loopt meteen dood.

  2. 02Stap 2 — De sterke reactie (interactie)

    Leerling B reageert op de vraag én geeft de beurt terug: ‘I went to the cinema with my brother — we saw a comedy. It was really funny. How about you, did you do anything nice?’

  3. 03Stap 3 — Waarom B beter is

    B haakt in op de vraag (luisteren en reageren), voegt details toe (woordenschat) en geeft met een wedervraag (‘How about you?’) de beurt terug, zodat het gesprek doorloopt. Dat is precies interactie — de kern van dit onderdeel.

Resultaat: Leerling B laat gespreksvaardigheid zien: reageren op de ander, uitbreiden met details en de beurt teruggeven. Leerling A houdt een monoloog en mist de interactie waar het bij dit onderdeel om draait.

Eindexamen-focus

  • In het schoolexamen wordt een gesprek beoordeeld op interactie, vlotheid, woordenschat en correctheid — niet alleen op foutloos Engels; meedoen en op de ander reageren telt zwaar mee.
  • Gespreksvaardigheid hoort bij het SE en wordt door je eigen school getoetst; op het centraal examen komt het niet voor, want dat toetst uitsluitend leesvaardigheid.

Veelgemaakte fouten

  • Een gesprek verwarren met een voorbereid praatje (monoloog); bij gesprekken voeren moet je juist reageren op wat de ander zegt en geen ingestudeerd verhaal afdraaien.
  • Stil vallen of in het Nederlands overschakelen zodra je een woord niet weet; beter is doorpraten in het Engels en het woord omschrijven, want interactie en vlotheid wegen mee.

Actieve herhaling

Voer met een klasgenoot een gesprek van twee minuten in het Engels over een vertrouwd onderwerp (bijvoorbeeld je weekend of een film). Let er bewust op dat je luistert en op elkaar reageert, en dat jullie niet om de beurt een monoloog houden.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Gespreksstrategieën#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Gespreksstrategieën zijn de technieken waarmee je een gesprek soepel laat verlopen, ook als je Engels nog niet perfect is. Het achterliggende idee is even eenvoudig als bevrijdend: communicatie gaat boven perfectie. Een gesprek is geslaagd wanneer je boodschap overkomt en je samen verder komt, niet wanneer elke zin grammaticaal foutloos is. Sterker nog: wie zo bang is om fouten te maken dat hij telkens stil valt, scoort op vlotheid en interactie juist slecht. De strategieën in deze sectie helpen je om door te praten, hiaten op te vangen en de ander erbij te houden — precies de dingen die in de beoordeling meetellen.
De eerste strategie is het regelen van de beurten, in het Engels ‘turn-taking’. In een gesprek mag je niet eindeloos aan het woord blijven, maar je moet ook niet alleen maar luisteren; je wisselt de beurt met de ander. Je kunt netjes de beurt nemen met een inleidend zinnetje als ‘Can I just add something?’ of gewoon ‘Well, I think…’, zodat de ander hoort dat jij nu iets gaat zeggen. En je geeft de beurt terug met een vraag: ‘What do you think?’, ‘How about you?’ of ‘Do you agree?’. Door bewust beurten te nemen en te geven, voorkom je een ongemakkelijke stilte én dat één persoon het hele gesprek volpraat.
De tweede strategie is om verduidelijking vragen wanneer je iets niet verstaat of begrijpt. Veel leerlingen doen dan alsof ze het snappen, uit angst om dom over te komen — maar dat is juist riskant, want je antwoord slaat dan misschien nergens op. Veel beter is het om er eerlijk naar te vragen met een vaste zin: ‘Sorry, could you repeat that?’, ‘What do you mean by that?’ of ‘Could you say that again, please?’. Dit is geen teken van zwakte; ook moedertaalsprekers vragen voortdurend om verduidelijking. Het laat bovendien zien dat je actief luistert, en dat telt mee als interactie.
De derde strategie is herstellen wanneer je vastloopt, vooral als je een woord niet weet. De verleiding is dan groot om stil te vallen of in het Nederlands te schieten, maar daarmee verbreek je het gesprek. De oplossing heet omschrijven of parafraseren: je legt met andere, eenvoudiger woorden uit wat je bedoelt. Weet je het woord ‘screwdriver’ niet, dan zeg je ‘the tool you use to put in screws’; weet je ‘umbrella’ niet, dan zeg je ‘the thing you hold over your head when it rains’. Deze compensatiestrategie is een echte ERK-vaardigheid: je vangt een hiaat in je woordenschat op zonder de communicatie te onderbreken, en vaak vult de ander het juiste woord voor je aan.
De vierde strategie is het gesprek gaande houden, zodat het niet na twee zinnen doodbloedt. Dat doe je door door te vragen en interesse te tonen: ‘Really? Why?’, ‘That’s interesting, tell me more.’ of ‘And then what happened?’. Daarnaast helpen korte reactiewoordjes — ‘Right’, ‘I see’, ‘Exactly’ — om te laten merken dat je luistert; in het Engels heet dat ‘backchannelling’ of actief luisteren. Door te reageren met een vraag of een aanmoediging geef je de ander iets om op verder te bouwen, en blijft de bal heen en weer gaan. Een gesprek waarin maar één iemand vragen stelt en de ander steeds kort antwoordt, valt al snel stil.
Al deze strategieën dienen hetzelfde doel: het gesprek laten slagen, ondanks het feit dat je Engels nog niet volmaakt is. Omdat vlotheid en interactie zwaar meewegen in de beoordeling, levert het gebruik van deze technieken je direct punten op — meer dan een angstvallig correct maar stokkend gesprek. Onthoud de vier: beurten regelen, om verduidelijking vragen, omschrijven bij haperingen en doorvragen om het gaande te houden. Wie deze gereedschappen paraat heeft, durft te spreken, en juist dat durven is de halve winst bij gesprekken voeren.
Uitgewerkt voorbeeld

Vastlopen opvangen met een omschrijving

Tijdens een gesprek wil je vertellen dat je een paraplu nodig had, maar je weet het Engelse woord ‘umbrella’ even niet meer. De ander vraagt: ‘Why were you so wet?’ Hoe los je dit op zonder stil te vallen?

  1. 01Stap 1 — Niet stil vallen of in het Nederlands schieten

    Zwijgen of ‘paraplu’ zeggen verbreekt het gesprek meteen. De juiste strategie is omschrijven: je legt met andere woorden uit wat je bedoelt.

  2. 02Stap 2 — Omschrijf het woord (paraphrase)

    Je zegt: ‘I didn't have… you know, the thing you hold over your head when it rains.’ Zo komt de boodschap toch over, ook zonder het precieze woord.

  3. 03Stap 3 — Laat de ander helpen (interactie)

    Vaak vult de ander dan aan: ‘Oh, an umbrella?’ — waarop jij bevestigt: ‘Yes, exactly, an umbrella!’ Je hebt het woord teruggekregen én het gesprek gaande gehouden.

Resultaat: Door te omschrijven (‘the thing you hold over your head when it rains’) en de ander te laten aanvullen, vang je het hiaat op zonder de interactie te verbreken. Communicatie boven perfectie: de boodschap komt over, en dat is wat telt.

Eindexamen-focus

  • Gespreksstrategieën — de beurt nemen en teruggeven, om verduidelijking vragen, omschrijven en doorvragen — worden gewaardeerd; ze houden het gesprek gaande en laten interactie zien.
  • Communicatie gaat boven perfectie: een vlot gesprek met een paar fouten scoort beter dan een correct maar stokkend gesprek waarin je telkens stil valt.

Veelgemaakte fouten

  • Stil vallen of in het Nederlands overstappen zodra je een woord kwijt bent; omschrijf het woord liever in het Engels (‘it's a kind of…’) — dat is een compensatiestrategie die juist meetelt.
  • Doen alsof je iets begrijpt terwijl dat niet zo is; vraag liever om verduidelijking (‘Sorry, could you repeat that?’), want dat is goede gespreksvaardigheid, geen fout.

Actieve herhaling

Leer drie reddingszinnen uit je hoofd: één om verduidelijking te vragen (‘Could you repeat that, please?’), één om een onbekend woord te omschrijven (‘I mean the thing you use to…’) en één om door te vragen (‘Why do you think that?’). Gebruik ze daarna bewust in een oefengesprek.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Taalfuncties en uitdrukkingen#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Taalfuncties en bijbehorende uitdrukkingen

Taalfuncties in een gesprekTabel met 2 kolommen en 5 rijen, Gegevens: Functie · Engelse uitdrukking; Mening geven · I think / In my opinion; Eens zijn · I agree / Exactly; Oneens zijn · I'm not so sure; Voorstellen · Why don't we ...?; Verduidelijking · Could you repeat that?FUNCTIEENGELSE UITDRUKKINGMening gevenI think / In my opinionEens zijnI agree / ExactlyOneens zijnI'm not so sureVoorstellenWhy don't we ...?VerduidelijkingCould you repeat that?
Afb. 2Leer bij elke taalfunctie minstens één vaste Engelse uitdrukking uit je hoofd, zodat je die in een gesprek meteen kunt inzetten.

Kernpunten

Een taalfunctie is wat je met taal dóét: een mening geven, het ergens mee eens of oneens zijn, iets voorstellen, om verduidelijking vragen, iets weigeren of bedanken. Voor elk van die functies bestaan in het Engels vaste uitdrukkingen — kant-en-klare zinsbegintjes en formules die je uit je hoofd kunt leren en meteen kunt inzetten. Taalkundigen noemen zulke vaste stukjes taal ook wel ‘chunks’. Ze zijn ontzettend handig in een gesprek: omdat je niet meer hoeft na te denken over de vorm, houd je je hoofd vrij voor de inhoud van wat je wilt zeggen. In deze sectie behandelen we de belangrijkste functies voor een HAVO-gesprek, telkens met een paar bruikbare uitdrukkingen.
De eerste functie is je mening geven. Een gesprek over een tekst of een stelling draait vaak om wat jij ervan vindt, dus deze functie heb je voortdurend nodig. Begin je beurt met een opener die meteen aankondigt dat er een standpunt komt: ‘I think…’, ‘In my opinion…’, ‘If you ask me…’ of ‘I'd say…’. Daarna geef je je mening en, het liefst, een reden: ‘In my opinion, social media is bad for concentration, because it distracts you all the time.’ De reden (‘because…’) maakt je mening sterker en geeft de ander iets om op te reageren — zo houd je het gesprek ook nog eens gaande.
De tweede en derde functie horen bij elkaar: het eens of oneens zijn met de ander. Instemmen is eenvoudig: ‘I agree’, ‘Exactly’, ‘That's true’ of ‘Good point’. Oneens zijn vraagt in het Engels wat meer tact, want een kale ‘No, you're wrong’ klinkt onbeleefd. De Engelse gewoonte is om eerst het punt van de ander te erkennen en dán je tegenwerping te geven: ‘I see your point, but…’, ‘I'm not so sure’ of ‘I see what you mean, but I don't really agree.’ Door eerst te erkennen blijf je vriendelijk en houd je de sfeer goed, terwijl je toch duidelijk je eigen standpunt neerzet. Beleefd oneens zijn is een vaardigheid die je examinator zal waarderen.
De vierde functie is een voorstel doen, handig wanneer je samen met de ander iets moet plannen of tot een afspraak moet komen — bijvoorbeeld in een rollenspel waarin jullie samen een uitje regelen. Vaste uitdrukkingen zijn ‘Why don't we…?’, ‘How about…?’, ‘Shall we…?’ en ‘We could…’. Let op de vorm: na ‘Why don't we’ en ‘Shall we’ volgt een heel werkwoord (‘Why don't we meet at six?’), terwijl na ‘How about’ een -ing-vorm of een zelfstandig naamwoord komt (‘How about meeting at six?’). Met een voorstel neem je het initiatief in het gesprek en geef je de ander iets concreets om op te reageren.
De vijfde functie kwam in de vorige sectie al langs als strategie, maar het is ook gewoon een taalfunctie die je paraat moet hebben: om verduidelijking vragen. Wanneer je iets niet verstond of niet zeker weet wat de ander bedoelt, gebruik je ‘Could you repeat that?’, ‘What do you mean?’ of ‘Could you explain that, please?’. Het mooie is dat deze zinnen je twee dingen tegelijk opleveren: je krijgt de informatie die je miste, én je wint een paar seconden bedenktijd voor je eigen antwoord. Zo is verduidelijking vragen tegelijk een functie én een handige redding wanneer een gesprek je even te snel gaat.
Hoe leer je dit alles? Niet door tientallen uitdrukkingen per functie te stampen, maar door er een paar per functie écht in je hoofd te krijgen — zó goed dat ze er vanzelf uitrollen. De tabel hieronder vat de kernfuncties samen met telkens één goede uitdrukking als startpunt: van een mening geven (‘I think / In my opinion’) tot om verduidelijking vragen (‘Could you repeat that?’). Leer die uit je hoofd, bedenk er eigen voorbeeldzinnen bij en spreek ze hardop uit, totdat je ze zonder nadenken kunt gebruiken. Dan hoef je tijdens het gesprek geen energie meer te steken in de vorm en kun je je helemaal richten op wat je wilt zeggen en op de ander.
Uitgewerkt voorbeeld

Taalfuncties in een meningsgesprek

De stelling luidt: ‘Students should wear school uniforms.’ Twee leerlingen wisselen hun meningen uit. Welke taalfuncties gebruiken ze, en aan welke uitdrukkingen herken je dat?

  1. 01Stap 1 — Mening geven (leerling A)

    ‘In my opinion, school uniforms are a good idea, because they save time in the morning.’ De opener ‘In my opinion’ kondigt meteen een standpunt aan, en ‘because…’ voegt een reden toe.

  2. 02Stap 2 — Beleefd oneens zijn (leerling B)

    ‘I see your point, but I'm not so sure. I think students should be free to choose their own clothes.’ B erkent eerst het punt (‘I see your point’) en werpt dan beleefd tegen (‘but I'm not so sure’).

  3. 03Stap 3 — Een voorstel doen (leerling B)

    ‘Why don't we say uniforms only on special occasions?’ Met ‘Why don't we…?’ doet B een compromisvoorstel en houdt het gesprek gaande in plaats van het op een ruzie te laten uitlopen.

Resultaat: A geeft een mening (‘In my opinion…’), B is beleefd oneens (‘I see your point, but…’) en doet een voorstel (‘Why don't we…?’). Elke beurt gebruikt een herkenbare taalfunctie met een vaste uitdrukking — precies wat een meningsgesprek soepel en beschaafd laat verlopen.

Eindexamen-focus

  • Per taalfunctie (mening geven, instemmen, oneens zijn, voorstellen, verduidelijking vragen) heb je een paar vaste Engelse uitdrukkingen paraat die je meteen kunt inzetten.
  • Oneens zijn doe je in het Engels beleefd: erken eerst het punt van de ander (‘I see your point, but…’) voordat je je eigen, afwijkende mening geeft.

Veelgemaakte fouten

  • Bij oneens zijn te bot reageren (‘No, you're wrong’); in het Engels is het gebruikelijker en beleefder om eerst te erkennen en dan tegen te werpen (‘I see what you mean, but…’).
  • Een mening geven zonder opener, waardoor je beurt abrupt klinkt; een vaste opener als ‘In my opinion…’ maakt meteen duidelijk dat je een standpunt geeft.

Actieve herhaling

Leer uit de tabel hieronder bij elke taalfunctie één vaste uitdrukking uit je hoofd. Bedenk vervolgens bij elke functie een eigen Engelse voorbeeldzin, bijvoorbeeld over je favoriete film of een schoolregel, en spreek ze hardop uit.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 03

    • 01Gesprekken voeren in het schoolexamen○
    • 02Gespreksstrategieën◐
    • 03Taalfuncties en uitdrukkingen◐

0/3 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Gesprekken voeren (gespreksvaardigheid)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~18
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Engels (HAVO)

Vorig onderwerp

Kijk- en luistervaardigheid

Volgend onderwerp

Spreekvaardigheid en presenteren

EuraStudy·Samenvattingen T·09·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.