EuraStudy
Samenvattingen/Economie/Marktfalen, overheidsingrijpen en welvaart
Samenvattingen · EconomieNL · HAVO

Marktfalen, overheidsingrijpen en welvaart

Dit onderwerp laat zien wanneer de vrije markt faalt — wanneer het marktevenwicht niet samenvalt met de maatschappelijk beste uitkomst — en wat de overheid daaraan kan doen. Je leert de belangrijkste vormen van marktfalen kennen (externe effecten, collectieve goederen en, kort, marktmacht en informatieproblemen) en de instrumenten waarmee de overheid ingrijpt: heffingen, subsidies, eigen voorziening en prijsregulering. Steeds staat de vraag centraal of dat ingrijpen de welvaart verhoogt of dat het zelf nieuwe verstoringen oproept (overheidsfalen).

3 Onderdelen·~23 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 2 · Standaard 1

T·0888 / 15
Examenprofiel
Marktfalen herkennen en uitleggen waarom de vrije markt dan niet de maatschappelijk optimale (welvaartsmaximale) uitkomst levert.Externe effecten analyseren via het onderscheid tussen private en maatschappelijke kosten en baten, en concluderen of de markt te veel of te weinig produceert.Collectieve goederen herkennen aan niet-rivaliteit en niet-uitsluitbaarheid, en het free-riderprobleem als reden voor overheidsvoorziening uitleggen.De werking en gevolgen van prijsregulering (maximum- en minimumprijs) beredeneren en het bijbehorende tekort of overschot berekenen.
Operatoren:leg uitverklaarberedeneerberekeninterpreteer

basisniveau

Zorg dat je de drie kernbegrippen beheerst: externe effecten (negatief → te veel, positief → te weinig), collectieve goederen met het free-riderprobleem, en het berekenen van een tekort of overschot bij een opgelegde prijs door QvQ_vQv​ en QaQ_aQa​ in te vullen.

verhoogd niveau

Redeneer in onbekende contexten hoe de overheid een extern effect internaliseert via een heffing of subsidie, weeg het marktfalen af tegen het risico van overheidsfalen, en koppel prijsregulering aan welvaartsverlies.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 3 onderdelen▾
  1. Marktfalen, overheidsingrijpen en welvaart
    • 01Externe effecten (externaliteiten)○
    • 02Collectieve goederen en andere vormen van marktfalen○
    • 03Prijsregulering: maximum- en minimumprijzen◐
§ 01

Externe effecten (externaliteiten)#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kernpunten

In de vorige onderwerpen werkte de markt als een wonder van zelforganisatie: het marktmechanisme stuwt de prijs naar het evenwicht, en in dat evenwicht sluiten de plannen van kopers en verkopers naadloos op elkaar aan. Onder ideale omstandigheden levert die vrije markt ook de maatschappelijk beste uitkomst op — de uitkomst waarbij de totale welvaart, de optelsom van de voordelen voor iedereen samen, zo groot mogelijk is. Maar die ideale omstandigheden gelden lang niet altijd. We spreken van marktfalen wanneer de vrije markt uit zichzelf níét de maatschappelijk optimale (welvaartsmaximale) hoeveelheid voortbrengt: er wordt structureel te veel of te weinig geproduceerd, en niemand heeft een prikkel om dat te corrigeren. Marktfalen is dus geen tijdelijke verstoring die het marktmechanisme vanzelf opruimt, maar een ingebouwd gebrek dat blijft bestaan zolang de overheid niet ingrijpt. De belangrijkste oorzaak van marktfalen — en het onderwerp van deze paragraaf — zijn de externe effecten.
Een extern effect (externaliteit) is een kosten- of batenpost die bij dérden terechtkomt: bij mensen die niet als koper of verkoper bij de transactie betrokken zijn, en die niet in de marktprijs is verrekend. Om externe effecten te kunnen analyseren, splitsen we kosten en baten in twee soorten. De private kosten (en private baten) zijn de kosten en baten voor de koper of verkoper zelf — precies wat hij in zijn eigen afweging meeneemt. De maatschappelijke kosten (en maatschappelijke baten) tellen daar de externe effecten bij op: het zijn de kosten en baten voor de samenleving als geheel. In formule zijn de maatschappelijke kosten gelijk aan de private kosten plus de externe kosten. De kern van het probleem is dat een koper of verkoper alléén naar zijn private kosten en baten kijkt, terwijl de welvaart van de hele samenleving van de máátschappelijke kosten en baten afhangt — en juist dat verschil zorgt ervoor dat de markt de verkeerde hoeveelheid kiest.
Bij een negatief extern effect veroorzaakt de productie of consumptie schade bij derden, zodat de maatschappelijke kosten groter zijn dan de private kosten. Het schoolvoorbeeld is milieuvervuiling: een fabriek die rook uitstoot of afvalwater loost, betaalt zelf alleen de grondstoffen, arbeid en machines (de private kosten), maar omwonenden draaien op voor de gezondheidsschade en het vervuilde water (de externe kosten). Omdat de producent die externe kosten niet voelt, ligt zíjn kostprijs lager dan de werkelijke maatschappelijke kostprijs, en produceert hij door tot een punt waar de prijs nog wel zijn private kosten dekt maar de maatschappelijke kosten allang niet meer. Het gevolg is dat de markt méér van dit goed voortbrengt dan maatschappelijk wenselijk is: bij een negatief extern effect produceert de vrije markt te veel. Denk aan een drukke snelweg vol auto's — elke automobilist betaalt zijn eigen benzine, maar niet de extra files, het lawaai en de uitstoot die hij anderen bezorgt, en dus rijden er meer auto's dan maatschappelijk optimaal is.
Bij een positief extern effect levert de productie of consumptie juist voordeel op voor derden, zodat de maatschappelijke baten groter zijn dan de private baten. Onderwijs is het klassieke voorbeeld: wie een opleiding volgt, plukt daar zelf de vruchten van in de vorm van een hoger loon (de private baten), maar de hele samenleving profiteert mee van beter geschoolde burgers, meer innovatie en minder criminaliteit (de externe baten). Vaccinatie werkt net zo — je beschermt niet alleen jezelf, maar ook de mensen om je heen die je niet meer kunt besmetten. Omdat het individu bij zijn beslissing alleen zijn eigen private baten meeweegt en de externe baten links laat liggen, doet hij minder dan maatschappelijk wenselijk zou zijn: bij een positief extern effect produceert (of consumeert) de vrije markt te weinig. Let op de spiegelbeeldige logica: een negatief effect zit aan de kostenkant en leidt tot te veel, een positief effect zit aan de batenkant en leidt tot te weinig.
De overheid kan marktfalen door externe effecten corrigeren door het externe effect te internaliseren: ervoor zorgen dat het externe effect alsnog in de private afweging gaat meetellen. Bij een negatief extern effect legt de overheid een heffing (belasting) op, bijvoorbeeld een milieuheffing per eenheid uitstoot. Die heffing verhoogt de private kosten van de vervuiler precies met het bedrag van de externe schade, zodat zijn private kosten gelijk worden aan de maatschappelijke kosten; de producent voelt nu de volledige rekening en beperkt zijn productie tot de maatschappelijk optimale hoeveelheid. Bij een positief extern effect doet de overheid het omgekeerde en geeft ze een subsidie — denk aan studiefinanciering of gratis vaccinaties — die de private kosten verlaagt of de private baten verhoogt, zodat er méér van het goed wordt afgenomen. In beide gevallen is het doel hetzelfde: de private prikkel in lijn brengen met het maatschappelijk belang, zodat de markt vanzelf naar de welvaartsmaximale hoeveelheid beweegt. Naast heffingen en subsidies kan de overheid ook met wetten en normen ingrijpen (een uitstootnorm, een leerplicht), maar heffingen en subsidies sluiten het mooist aan op het marktmechanisme omdat ze via de prijs werken.
maatschappelijke kosten=private kosten+externe kosten\text{maatschappelijke kosten} = \text{private kosten} + \text{externe kosten}maatschappelijke kosten=private kosten+externe kosten

maatschappelijke kosten

De maatschappelijke kosten zijn de kosten voor de samenleving als geheel: de private kosten van de producent plus de externe kosten die bij derden terechtkomen. Bij een negatief extern effect zijn de externe kosten positief, zodat de maatschappelijke kosten boven de private kosten liggen.

Uitgewerkt voorbeeld

Een vervuilende fabriek en de milieuheffing

Een fabriek produceert een chemisch product. Het maken van één eenheid kost de fabriek zelf 6 euro aan grondstoffen, arbeid en energie. Bij de productie komt afvalwater vrij dat omwonenden 3 euro schade per eenheid bezorgt. Leg uit waarom de fabriek vanuit maatschappelijk oogpunt te veel produceert, en laat zien hoe een milieuheffing van 3 euro per eenheid dit corrigeert.

  1. 01Stap 1 — Bereken de maatschappelijke kosten

    De private kosten zijn de 6 euro die de fabriek zelf betaalt. De externe kosten zijn de 3 euro schade die bij omwonenden (derden) terechtkomt. De maatschappelijke kosten per eenheid zijn de som van beide.

    maatschappelijke kosten=6+3=9\text{maatschappelijke kosten} = 6 + 3 = 9maatschappelijke kosten=6+3=9
  2. 02Stap 2 — Waarom produceert de fabriek te veel?

    De fabriek kijkt alleen naar haar eigen private kosten van 6 euro en maakt elke eenheid waarvan de opbrengst minstens 6 euro is. Maatschappelijk is een eenheid pas de moeite waard als de opbrengst minstens 9 euro is. De eenheden waarvan de opbrengst tussen 6 en 9 euro ligt, worden dus wél gemaakt maar kosten de samenleving meer dan ze opleveren — daardoor produceert de markt te veel.

  3. 03Stap 3 — De milieuheffing internaliseert het externe effect

    Een heffing van 3 euro per eenheid verhoogt de private kosten van de fabriek van 6 naar 9 euro, precies gelijk aan de maatschappelijke kosten. Nu voelt de fabriek zelf de volledige rekening en maakt ze alleen nog de eenheden waarvan de opbrengst minstens 9 euro is.

    private kosten met heffing=6+3=9\text{private kosten met heffing} = 6 + 3 = 9private kosten met heffing=6+3=9

Resultaat: Resultaat: door de heffing gelijk te stellen aan de externe kosten (3 euro) worden de private kosten van de fabriek (9 euro) gelijk aan de maatschappelijke kosten (9 euro). Het externe effect is geïnternaliseerd: de fabriek beperkt haar productie tot de maatschappelijk optimale hoeveelheid en de welvaart van de samenleving stijgt.

Eindexamen-focus

  • Je moet bij een gegeven situatie kunnen bepalen of er een positief of een negatief extern effect speelt, het verschil tussen private en maatschappelijke kosten/baten benoemen, en daaruit concluderen of de markt te veel of te weinig produceert.
  • Het examen vraagt vaak hoe de overheid een extern effect internaliseert: leg uit dat een heffing de private kosten gelijktrekt met de maatschappelijke kosten (negatief effect) en dat een subsidie de afname stimuleert (positief effect).

Veelgemaakte fouten

  • Negatief en positief extern effect verwisselen in hun gevolg. Een negatief extern effect (extra maatschappelijke kosten) leidt tot te véél productie; een positief extern effect (extra maatschappelijke baten) tot te wéínig.
  • Denken dat externe effecten altijd negatief of altijd over het milieu gaan. Ook onderwijs, vaccinatie en onderzoek hebben grote, juist positieve externe effecten.
  • De heffing zien als 'straf' in plaats van als correctie. Het doel van een heffing is de private kosten gelijk te maken aan de maatschappelijke kosten (internaliseren), niet om de vervuiler te bestraffen.

Actieve herhaling

Een kolencentrale stoot CO2 en fijnstof uit. Leg uit waarom er sprake is van een negatief extern effect, waarom de vrije markt hierdoor te veel elektriciteit uit kolen produceert, en hoe een CO2-heffing dit marktfalen corrigeert. Gebruik in je antwoord de begrippen private kosten, externe kosten en maatschappelijke kosten.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Collectieve goederen en andere vormen van marktfalen#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kernpunten

Naast externe effecten is er een tweede grote oorzaak van marktfalen: het bestaan van collectieve goederen. Een collectief goed (ook wel zuiver collectief goed) heeft twee kenmerken tegelijk. Het is ten eerste niet-rivaliserend: als de één het goed gebruikt, gaat dat niet ten koste van het gebruik door een ander — er is als het ware genoeg voor iedereen tegelijk. Het is ten tweede niet-uitsluitbaar: het is praktisch onmogelijk om iemand die niet betaalt van het gebruik uit te sluiten. Klassieke voorbeelden zijn dijken, een vuurtoren, straatverlichting, het leger (defensie) en de rechtsstaat: jouw veiligheid achter de dijk vermindert die van je buurman niet (niet-rivaliserend), en je kunt onmogelijk alléén de betalers achter de dijk beschermen (niet-uitsluitbaar). Zet daar een gewoon, particulier goed tegenover — een broodje of een appel — dat juist wél rivaliserend is (als ik het opeet, kun jij het niet meer hebben) en wél uitsluitbaar (zonder betalen krijg je het niet).
Juist de combinatie van die twee kenmerken zorgt voor marktfalen, via het zogeheten free-riderprobleem (meeliftersprobleem). Omdat niemand van het gebruik kan worden uitgesloten, heeft iedere persoon een prikkel om zélf niet te betalen en gewoon mee te profiteren van wat anderen betalen — je bent immers toch niet uit te sluiten. Maar als iedereen zo redeneert, wordt er te weinig of helemaal niet betaald, en komt het goed niet (genoeg) tot stand. Een particulier bedrijf kan er daarom geen geld aan verdienen: het krijgt zijn kosten niet terug omdat het de gebruikers niet tot betalen kan dwingen. Het gevolg is dat de vrije markt collectieve goederen niet of nauwelijks aanbiedt, terwijl ze maatschappelijk juist zeer waardevol zijn. Daarom voorziet de overheid in deze goederen en financiert ze uit belastingen — en belasting betalen is verplicht, zodat het free-riderprobleem wordt opgelost: niemand kan zich er meer aan onttrekken.
Naast de zuiver collectieve goederen kent het examenprogramma de quasi-collectieve goederen, en het is belangrijk die twee niet te verwarren. Een quasi-collectief goed zou op zichzelf best door de markt geleverd kúnnen worden — het is namelijk wél rivaliserend en wél uitsluitbaar — maar de overheid bemoeit zich er toch (deels) mee, meestal omdat er grote positieve externe effecten aan vastzitten. Voorbeelden zijn onderwijs, gezondheidszorg, openbaar vervoer en infrastructuur zoals wegen: een plek in de collegezaal of een treinstoel is wél rivaliserend, en je zou er een toegangsprijs voor kunnen vragen, maar vanwege de maatschappelijke baten zorgt de overheid dat het breed toegankelijk en betaalbaar blijft. Het onderscheid is dus scherp: een zuiver collectief goed kán niet door de markt geleverd worden (de free-riders maken het onmogelijk), terwijl een quasi-collectief goed dat wél zou kunnen maar door de overheid wordt ondersteund vanwege de positieve externe effecten.
Externe effecten en collectieve goederen zijn de bekendste, maar niet de enige vormen van marktfalen. Een derde vorm is marktmacht: als één aanbieder (een monopolist) of een klein groepje aanbieders de markt beheerst, kunnen zij de prijs opdrijven en de aangeboden hoeveelheid kunstmatig laag houden, zodat er minder wordt geproduceerd en verkocht dan bij volledige mededinging — een verlies aan welvaart dat de overheid met mededingingsbeleid (toezicht, kartelverbod) probeert te beperken. Een vierde vorm is informatieasymmetrie: koper en verkoper beschikken niet over dezelfde informatie, zoals bij een tweedehands auto waarvan alleen de verkoper de gebreken kent, of bij een verzekering waarvan alleen de klant zijn eigen risico kent — wat tot slechte of zelfs onmogelijke transacties kan leiden. Een vijfde vorm zijn de gemeenschappelijke goederen, die wél rivaliserend maar níét uitsluitbaar zijn, zoals een visgebied in zee of schone lucht; omdat niemand kan worden uitgesloten maar het gebruik elkaar wél in de weg zit, worden ze overbenut — het bekende probleem van de 'tragedy of the commons', waarbij overbevissing de visstand uitput omdat elke visser alleen zijn eigen vangst ziet en niet de schade aan het geheel.
Dat de markt faalt, betekent niet automatisch dat de overheid het beter doet — ook overheidsingrijpen kan falen, en dat heet overheidsfalen. Daar zijn verschillende redenen voor. Ten eerste kost beleid zelf geld: ambtenaren, controle en uitvoering vragen middelen die elders niet meer kunnen worden ingezet. Ten tweede beschikt de overheid vaak over onvolledige informatie en kent ze de precieze maatschappelijk optimale hoeveelheid niet, zodat een heffing of subsidie te hoog of te laag kan uitvallen. Ten derde kan ingrijpen verstoorde prikkels oproepen: een subsidie kan tot misbruik verleiden of mensen minder zelf laten ondernemen, en een te royale regeling kan averechts werken. Daar komen nog trage besluitvorming, bureaucratie en politieke motieven (lobby, kortetermijndenken vóór de verkiezingen) bij. De les is dat je bij elke vorm van marktfalen het nadeel van niets doen moet afwegen tegen het risico van overheidsfalen: ingrijpen verhoogt de welvaart alleen als de winst van het corrigeren groter is dan de kosten en verstoringen die het ingrijpen zelf met zich meebrengt.
Uitgewerkt voorbeeld

Waarom de markt geen dijk aanlegt

Een laaggelegen kustgebied moet tegen overstroming worden beschermd met een dijk. Leg uit waarom een particulier bedrijf hier geen winst mee kan maken, en waarom de aanleg van de dijk een taak voor de overheid is.

  1. 01Stap 1 — Toets de twee kenmerken van een collectief goed

    Een dijk is niet-rivaliserend: de bescherming die jij eraan ontleent, vermindert de bescherming van je buren niet — iedereen achter de dijk is tegelijk veilig. Een dijk is ook niet-uitsluitbaar: zodra de dijk er ligt, is iederéén erachter beschermd, of hij nu betaald heeft of niet. De dijk voldoet dus aan beide kenmerken van een zuiver collectief goed.

  2. 02Stap 2 — Het free-riderprobleem

    Een particulier bedrijf zou de bescherming moeten verkopen, maar omdat niemand is uit te sluiten, redeneert elke bewoner: 'ik ben toch al beschermd, dus ik betaal niet.' Als iedereen zo meelift, betaalt vrijwel niemand en haalt het bedrijf zijn kosten er nooit uit.

  3. 03Stap 3 — Daarom is het een overheidstaak

    Zonder betalende klanten valt er geen winst te maken, dus de markt legt de dijk niet aan — ook al is hij maatschappelijk enorm waardevol. De overheid bouwt de dijk daarom zelf en financiert hem uit belastingen. Omdat belasting betalen verplicht is, kan niemand meeliften en wordt het free-riderprobleem opgelost.

Resultaat: Resultaat: de dijk is een zuiver collectief goed (niet-rivaliserend én niet-uitsluitbaar), waardoor het free-riderprobleem een winstgevende particuliere aanleg onmogelijk maakt. De overheid voorziet erin en bekostigt de dijk via verplichte belastingen — precies de rol die de overheid bij collectieve goederen vervult.

Eindexamen-focus

  • Je moet een goed kunnen indelen door de twee kenmerken te toetsen — is het niet-rivaliserend en niet-uitsluitbaar? — en met het free-riderprobleem uitleggen waarom de markt een collectief goed niet levert en de overheid het uit belastingen bekostigt.
  • Het examen verwacht dat je de overige vormen van marktfalen (marktmacht, informatieasymmetrie, gemeenschappelijke goederen) herkent en kunt uitleggen dat overheidsingrijpen óók kan falen (overheidsfalen).

Veelgemaakte fouten

  • Collectieve en quasi-collectieve goederen verwarren. Een zuiver collectief goed is niet-rivaliserend én niet-uitsluitbaar (de markt kan het niet leveren); een quasi-collectief goed kán de markt wél leveren, maar de overheid ondersteunt het vanwege positieve externe effecten.
  • Denken dat 'collectief goed' simpelweg 'belangrijk' of 'duur' betekent. Het gaat specifiek om de twee kenmerken niet-rivaliteit en niet-uitsluitbaarheid.
  • Collectieve goederen verwarren met gemeenschappelijke goederen. Een collectief goed is niet-rivaliserend (genoeg voor iedereen); een gemeenschappelijk goed is wél rivaliserend maar niet-uitsluitbaar, en wordt daardoor juist overbenut.

Actieve herhaling

Straatverlichting wordt door de gemeente aangelegd en uit belastingen betaald, niet door een commercieel bedrijf verkocht. Leg met de twee kenmerken van een collectief goed en het free-riderprobleem uit waarom een particulier bedrijf hier geen winst mee kan maken en waarom dit een taak voor de overheid is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Prijsregulering: maximum- en minimumprijzen#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Maximumprijs en tekort

Maximumprijs en tekortSchaubild von vraag, Nullstellen bei x = 120, y-Achsenabschnitt bei y = 12, fallend, im Bereich x von 0 bis 120, Schaubild von aanbod, y-Achsenabschnitt bei y = 2, steigend, im Bereich x von 0 bis 120204060801001202468101214evenwicht (50, 7)aangeboden 20gevraagd 80maximumprijsvraagaanbodprijs P (euro)hoeveelheid Q
Afb. 1Bij een maximumprijs van 4 euro, onder het evenwicht van 7 euro, is de gevraagde hoeveelheid (80) groter dan de aangeboden hoeveelheid (20). Het blijvende tekort bedraagt 80 - 20 = 60 eenheden.

Kernpunten

Een derde manier waarop de overheid in markten ingrijpt, is prijsregulering: het wettelijk vastleggen van een prijs die afwijkt van het marktevenwicht. We weten inmiddels dat een vrije markt vanzelf naar de evenwichtsprijs beweegt, waar de gevraagde en de aangeboden hoeveelheid aan elkaar gelijk zijn. Soms vindt de overheid die evenwichtsprijs maatschappelijk onwenselijk — te hoog voor kwetsbare kopers, of te laag voor de inkomens van producenten — en stelt ze daarom met een wet een andere prijs in. Daarvoor bestaan twee instrumenten die elkaars spiegelbeeld zijn: een maximumprijs, die een bovengrens aan de prijs stelt, en een minimumprijs, die een ondergrens stelt. Het cruciale inzicht van deze paragraaf is dat zo'n opgelegde prijs de markt uit evenwicht haalt: omdat de prijs niet meer vrij naar het snijpunt van vraag en aanbod kan bewegen, ontstaat er een blijvend tekort of een blijvend overschot dat niet vanzelf verdwijnt.
Een maximumprijs (ook wel prijsplafond) is een wettelijke bovengrens: de prijs mag niet hóger worden dan dat bedrag. Om effect te hebben, moet een maximumprijs ónder de evenwichtsprijs liggen — een plafond dat boven het evenwicht ligt, raakt de markt immers niet, want de prijs zat er toch al onder. Bij die kunstmatig lage prijs willen kopers veel meer hebben dan producenten willen leveren, zodat de gevraagde hoeveelheid groter is dan de aangeboden hoeveelheid: Qv>QaQ_v > Q_aQv​>Qa​. Normaal zou een tekort de prijs opdrijven, maar dat mag nu niet — de prijs zit tegen het plafond — en dus blijft het tekort bestaan. Een bekend voorbeeld is huurregulering: door een maximale huur in te stellen wil de overheid wonen betaalbaar houden, maar bij die lage huur zoeken veel meer mensen een woning dan er worden aangeboden, met een structureel woningtekort als gevolg.
Dat blijvende tekort heeft voorspelbare gevolgen, omdat de schaarse goederen nu op een andere manier dan via de prijs verdeeld moeten worden. Er ontstaan wachtlijsten en rantsoenering: wie het eerst komt of het langst wacht, krijgt het goed, en de rest grijpt mis — denk aan de jarenlange wachttijden voor een sociale huurwoning. Ook ontstaat er vaak een zwarte markt: omdat kopers bereid zijn méér te betalen dan de maximumprijs, gaan sommige aanbieders illegaal boven het plafond verkopen, bijvoorbeeld via onderverhuur of sleutelgeld. Daarnaast kan de kwaliteit teruglopen, want bij gegarandeerd meer vraag dan aanbod hoeft de aanbieder zich minder in te spannen om klanten te trekken. Al deze verschijnselen zijn symptomen van hetzelfde onderliggende probleem: de prijs mag de markt niet ruimen, dus zoekt de schaarste een andere uitweg.
Een minimumprijs (ook wel prijsbodem) is precies het spiegelbeeld: een wettelijke ondergrens waaronder de prijs niet mag zakken. Om effect te hebben, moet een minimumprijs bóven de evenwichtsprijs liggen — een bodem onder het evenwicht doet niets, want de prijs zat er toch al boven. Bij die kunstmatig hoge prijs willen producenten veel aanbieden terwijl kopers afhaken, zodat de aangeboden hoeveelheid groter is dan de gevraagde: Qa>QvQ_a > Q_vQa​>Qv​. De prijs kan nu niet dalen om het overschot weg te werken, en dus blijft het overschot bestaan. Het bekendste voorbeeld is het minimumloon op de arbeidsmarkt: het beschermt de inkomens van werkenden, maar bij een loon boven het evenwicht bieden meer mensen hun arbeid aan dan werkgevers willen inhuren, met (extra) werkloosheid als gevolg. Ook gegarandeerde landbouwprijzen in de EU werkten zo en leidden in het verleden tot beruchte overschotten zoals de 'boterberg' en het 'melkmeer'.
Het tekort of overschot kun je ook precies uitrekenen, en dat is een geliefde examenvaardigheid. De aanpak is steeds dezelfde: vul de opgelegde prijs in zowel de vraagvergelijking als de aanbodvergelijking in, bereken zo de gevraagde hoeveelheid QvQ_vQv​ en de aangeboden hoeveelheid QaQ_aQa​, en neem het verschil. Bij een maximumprijs is er een tekort ter grootte van Qv−QaQ_v - Q_aQv​−Qa​; bij een minimumprijs een overschot ter grootte van Qa−QvQ_a - Q_vQa​−Qv​. In het uitgewerkte voorbeeld en de twee figuren hiernaast zie je dit met concrete cijfers: dezelfde markt levert bij een te lage maximumprijs een tekort en bij een te hoge minimumprijs een overschot op. Tot slot loont het om prijsregulering in het licht van welvaart te bekijken: zulk ingrijpen helpt weliswaar een bepaalde groep (huurders, werkenden of boeren), maar het tekort of overschot dat erdoor ontstaat is een vorm van inefficiëntie — er gaat welvaart verloren doordat de markt niet meer ruimt. Net als bij de andere instrumenten weeg je dus de bedoelde bescherming af tegen de ongewenste neveneffecten.
Qv=120−10PQ_v = 120 - 10PQv​=120−10P

vraagvergelijking (voorbeeld)

De vraagvergelijking van de markt in het voorbeeld: de gevraagde hoeveelheid QvQ_vQv​ daalt als de prijs PPP stijgt.

Qa=10P−20Q_a = 10P - 20Qa​=10P−20

aanbodvergelijking (voorbeeld)

De aanbodvergelijking van dezelfde markt: de aangeboden hoeveelheid QaQ_aQa​ stijgt als de prijs PPP stijgt.

tekort=Qv−Qa\text{tekort} = Q_v - Q_atekort=Qv​−Qa​

tekort bij een maximumprijs

Bij een bindende maximumprijs (onder het evenwicht) is de gevraagde hoeveelheid groter dan de aangeboden; het tekort is het verschil Qv−QaQ_v - Q_aQv​−Qa​ bij de opgelegde prijs.

overschot=Qa−Qv\text{overschot} = Q_a - Q_voverschot=Qa​−Qv​

overschot bij een minimumprijs

Bij een bindende minimumprijs (boven het evenwicht) is de aangeboden hoeveelheid groter dan de gevraagde; het overschot is het verschil Qa−QvQ_a - Q_vQa​−Qv​ bij de opgelegde prijs.

Minimumprijs en overschot

Minimumprijs en overschotSchaubild von vraag, Nullstellen bei x = 120, y-Achsenabschnitt bei y = 12, fallend, im Bereich x von 0 bis 120, Schaubild von aanbod, y-Achsenabschnitt bei y = 2, steigend, im Bereich x von 0 bis 120204060801001202468101214evenwicht (50, 7)gevraagd 20aangeboden 80minimumprijsvraagaanbodprijs P (euro)hoeveelheid Q
Afb. 2Bij een minimumprijs van 10 euro, boven het evenwicht van 7 euro, is de aangeboden hoeveelheid (80) groter dan de gevraagde hoeveelheid (20). Het blijvende overschot bedraagt 80 - 20 = 60 eenheden.
Uitgewerkt voorbeeld

Tekort en overschot berekenen

Op een markt geldt de vraagvergelijking Qv=120−10PQ_v = 120 - 10PQv​=120−10P en de aanbodvergelijking Qa=10P−20Q_a = 10P - 20Qa​=10P−20, met PPP de prijs in euro. Het evenwicht ligt bij een prijs van 7 euro en een hoeveelheid van 50. Bereken (a) het tekort bij een maximumprijs van 4 euro en (b) het overschot bij een minimumprijs van 10 euro.

  1. 01Stap 1 — Maximumprijs: vul P = 4 in

    Vul de maximumprijs van 4 euro in zowel de vraag- als de aanbodvergelijking in om de gevraagde en de aangeboden hoeveelheid te vinden.

    Qv=120−10⋅4=80enQa=10⋅4−20=20Q_v = 120 - 10 \cdot 4 = 80 \quad\text{en}\quad Q_a = 10 \cdot 4 - 20 = 20Qv​=120−10⋅4=80enQa​=10⋅4−20=20
  2. 02Stap 2 — Bepaal het tekort

    De gevraagde hoeveelheid (80) is groter dan de aangeboden hoeveelheid (20), zoals het hoort bij een maximumprijs onder het evenwicht. Het tekort is het verschil tussen beide.

    tekort=Qv−Qa=80−20=60\text{tekort} = Q_v - Q_a = 80 - 20 = 60tekort=Qv​−Qa​=80−20=60
  3. 03Stap 3 — Minimumprijs: vul P = 10 in

    Vul nu de minimumprijs van 10 euro in beide vergelijkingen in.

    Qv=120−10⋅10=20enQa=10⋅10−20=80Q_v = 120 - 10 \cdot 10 = 20 \quad\text{en}\quad Q_a = 10 \cdot 10 - 20 = 80Qv​=120−10⋅10=20enQa​=10⋅10−20=80
  4. 04Stap 4 — Bepaal het overschot

    Nu is de aangeboden hoeveelheid (80) groter dan de gevraagde (20), zoals het hoort bij een minimumprijs boven het evenwicht. Het overschot is het verschil tussen beide.

    overschot=Qa−Qv=80−20=60\text{overschot} = Q_a - Q_v = 80 - 20 = 60overschot=Qa​−Qv​=80−20=60

Resultaat: Resultaat: de maximumprijs van 4 euro veroorzaakt een tekort van 60 eenheden (Qv−Qa=80−20Q_v - Q_a = 80 - 20Qv​−Qa​=80−20), en de minimumprijs van 10 euro een overschot van 60 eenheden (Qa−Qv=80−20Q_a - Q_v = 80 - 20Qa​−Qv​=80−20). De markt is in beide gevallen uit evenwicht: bij de te lage prijs willen kopers te veel, bij de te hoge prijs willen verkopers te veel — precies wat de twee figuren laten zien.

Eindexamen-focus

  • Je moet kunnen bepalen of een prijsmaatregel bindend is — een maximumprijs werkt alleen ónder en een minimumprijs alleen bóven het evenwicht — en of er een tekort (Qv>QaQ_v > Q_aQv​>Qa​) of een overschot (Qa>QvQ_a > Q_vQa​>Qv​) ontstaat.
  • Het examen toetst of je de grootte van het tekort of overschot kunt berekenen door de opgelegde prijs in de vraag- en aanbodvergelijking in te vullen, en of je de gevolgen (wachtlijsten en zwarte markt bij een maximumprijs, werkloosheid en overschot bij een minimumprijs) kunt benoemen.

Veelgemaakte fouten

  • De gevolgen van maximum- en minimumprijs verwisselen. Een maximumprijs (onder het evenwicht) geeft een tekort; een minimumprijs (boven het evenwicht) geeft een overschot.
  • Denken dat elke opgelegde prijs effect heeft. Een maximumprijs bóven het evenwicht en een minimumprijs ónder het evenwicht zijn niet-bindend en veranderen niets aan de markt.
  • Bij het berekenen het tekort of overschot uit de verkeerde grootheden bepalen. Vul de opgelegde prijs in beide vergelijkingen in en neem het verschil tussen QvQ_vQv​ en QaQ_aQa​ — niet het verschil met de evenwichtshoeveelheid.

Actieve herhaling

Op een markt geldt Qv=120−10PQ_v = 120 - 10PQv​=120−10P en Qa=10P−20Q_a = 10P - 20Qa​=10P−20, met PPP de prijs in euro; het evenwicht ligt bij een prijs van 7 euro. De overheid stelt een maximumprijs van 5 euro in. Bereken de gevraagde en de aangeboden hoeveelheid bij die prijs, bepaal of er een tekort of een overschot ontstaat en hoe groot dat is, en noem twee mogelijke gevolgen van deze maatregel.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 03

    • 01Externe effecten (externaliteiten)○
    • 02Collectieve goederen en andere vormen van marktfalen○
    • 03Prijsregulering: maximum- en minimumprijzen◐

0/3 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Marktfalen, overheidsingrijpen en welvaart

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~23
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma economie (HAVO)

Vorig onderwerp

Elasticiteit en consumentengedrag

Volgend onderwerp

Arbeidsmarkt en werkloosheid

EuraStudy·Samenvattingen T·08·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.