EuraStudy
Samenvattingen/Economie/Arbeidsmarkt en werkloosheid
Samenvattingen · EconomieNL · HAVO

Arbeidsmarkt en werkloosheid

De arbeidsmarkt is de markt waar het loon de prijs van arbeid is: bedrijven vragen arbeid en huishoudens bieden die aan, en hun evenwicht legt samen het loon en de werkgelegenheid vast. Dit onderwerp bouwt dat model stap voor stap op, onderscheidt vervolgens de vier soorten werkloosheid met hun oorzaken en bijpassend beleid, en laat ten slotte zien hoe een minimumloon boven het evenwicht bewust in de markt ingrijpt en daarbij werkloosheid kan veroorzaken.

3 Onderdelen·~19 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2

T·0999 / 15
Examenprofiel
De arbeidsmarkt als markt analyseren: de vraag naar arbeid en het aanbod van arbeid verklaren en het evenwichtsloon zowel grafisch als rekenkundig bepalen.De begrippen beroepsbevolking, participatiegraad, werkzame en werkloze beroepsbevolking en het werkloosheidspercentage correct gebruiken en berekenen.De vier soorten werkloosheid (conjunctureel, frictie, structureel, seizoen) onderscheiden naar oorzaak en er passend vraag- of aanbodbeleid aan koppelen.Het effect van een minimumloon, cao's en loonkosten op werkgelegenheid en werkloosheid beredeneren, inclusief de afruil tussen inkomen en werk.
Operatoren:leg uitverklaarberekenberedeneerinterpreteer

basisniveau

Zorg dat je de vraag naar en het aanbod van arbeid kunt uitleggen, het evenwichtsloon kunt berekenen, het werkloosheidspercentage kunt uitrekenen en de vier soorten werkloosheid met hun beleid kunt benoemen.

verhoogd niveau

Redeneer in onbekende contexten over verschuivingen op de arbeidsmarkt en over ingrepen zoals een minimumloon of een cao, waarbij je de afruil tussen inkomensbescherming en werkgelegenheid expliciet maakt en je conclusie met de vraag-aanboddiagram onderbouwt.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 3 onderdelen▾
  1. Arbeidsmarkt en werkloosheid
    • 01Vraag en aanbod op de arbeidsmarkt○
    • 02Werkloosheid en de soorten◐
    • 03Minimumloon en ingrijpen op de arbeidsmarkt◐
§ 01

Vraag en aanbod op de arbeidsmarkt#

●○○BasisLPexamenblad-nl

De arbeidsmarkt: vraag, aanbod en evenwichtsloon

Arbeidsmarkt en minimumloonSchaubild von vraag naar arbeid, y-Achsenabschnitt bei y = 20, fallend, im Bereich x von 0 bis 120, Schaubild von aanbod van arbeid, y-Achsenabschnitt bei y = 5, steigend, im Bereich x von 0 bis 120204060801001205101520evenwicht (60, 11)minimumloonvraag naararbeidaanbod vanarbeidloon per uur (euro)hoeveelheid arbeid
Afb. 1De vraag naar arbeid daalt en het aanbod van arbeid stijgt met het loon; hun snijpunt is het evenwicht bij een hoeveelheid van 60 en een loon van 11 euro per uur. De stippellijn bij 14 euro is een minimumloon boven het evenwichtsloon (zie het laatste onderdeel).

Kernpunten

De arbeidsmarkt is de markt waarop werk wordt 'verhandeld': bedrijven die mensen willen inhuren ontmoeten er huishoudens die hun arbeid willen aanbieden. Het is een gewone markt, maar met twee bijzonderheden waar je voortdurend aan moet denken. Ten eerste is de 'prijs' op deze markt het loon — meestal het loon per uur — en dat zet je op de verticale as. Ten tweede is de 'hoeveelheid' de hoeveelheid arbeid, bijvoorbeeld het aantal arbeidsuren of het aantal arbeidsplaatsen, en die zet je op de horizontale as. De rollen zijn bovendien omgedraaid ten opzichte van een goederenmarkt: niet de bedrijven maar de huishoudens zijn hier de aanbieders, en niet de huishoudens maar de bedrijven zijn de vragers. Houd dat goed vast, want het bepaalt de richting van beide lijnen.
De vraag naar arbeid komt van de bedrijven (de werkgevers) en geeft aan hoeveel arbeid zij bij elk loon willen inhuren. Die vraaglijn daalt: hoe hoger het loon, hoe minder arbeid bedrijven vragen, en hoe lager het loon, hoe meer. De reden is dat het loon voor een bedrijf een kostenpost is. Wordt arbeid duurder, dan loont het om met minder mensen te werken, om arbeid te vervangen door machines, of om de productie te verkleinen — een extra werknemer wordt pas aangenomen als hij ten minste zijn eigen loon 'terugverdient'. Stijgt het uurloon bijvoorbeeld van 11 naar 14 euro, dan vallen de minst productieve arbeidsplaatsen af en daalt de gevraagde hoeveelheid arbeid. Zo ontstaat het negatieve, dalende verband tussen het loon en de gevraagde hoeveelheid arbeid.
Het aanbod van arbeid komt van de huishoudens (de werknemers) en geeft aan hoeveel arbeid zij bij elk loon willen leveren. Die aanbodlijn stijgt: hoe hoger het loon, hoe aantrekkelijker het is om te (gaan) werken in plaats van vrije tijd te nemen. Een hoger loon is namelijk een hogere beloning voor elk gewerkt uur, waardoor meer mensen de arbeidsmarkt op komen en sommigen meer uren willen maken. Daalt het loon, dan haken mensen juist af, omdat werken te weinig oplevert ten opzichte van bijvoorbeeld studeren, zorgtaken of vrije tijd. Bij een uurloon van 11 euro melden zich in onze figuur 60 eenheden arbeid; bij een hoger loon zouden dat er meer zijn. Het aanbod van arbeid kent dus een positief, stijgend verband met het loon.
Net als op elke markt zoekt de arbeidsmarkt naar het evenwicht: het loon waarbij de gevraagde hoeveelheid arbeid precies gelijk is aan de aangeboden hoeveelheid. Grafisch is dat het snijpunt van de vraag- en de aanbodlijn; in de figuur hiernaast ligt dat bij een hoeveelheid van 60 en een evenwichtsloon van 11 euro per uur. Ligt het loon hóger dan 11 euro, dan willen meer mensen werken dan er banen zijn (een aanbodoverschot), wat het loon onder druk zet; ligt het láger, dan kunnen bedrijven hun vacatures niet vervuld krijgen (een vraagoverschot), wat het loon opdrijft. Alleen in het evenwicht is er geen druk meer op het loon. Dit evenwichtsloon kun je net als bij een gewone markt berekenen door de vraag- en aanbodvergelijking aan elkaar gelijk te stellen, zoals in het uitgewerkte voorbeeld gebeurt.
Rond de arbeidsmarkt hoort een vaste set begrippen die je scherp moet hebben. De beroepsbevolking bestaat uit alle mensen die kunnen én willen werken; zij valt uiteen in de werkzame beroepsbevolking (mensen mét betaald werk) en de werkloze beroepsbevolking (mensen zónder betaald werk die wél direct beschikbaar zijn en actief zoeken). De participatiegraad geeft aan welk deel van de mensen die zouden kúnnen werken — de potentiële beroepsbevolking — ook werkelijk tot de beroepsbevolking behoort. Het werkloosheidspercentage is de werkloze beroepsbevolking als percentage van de beroepsbevolking, en daarop komen we in het volgende onderdeel terug. Ten slotte staan de vraag- en aanbodlijn niet voor altijd vast: de conjunctuur verschuift de vraag naar arbeid (in een hoogconjunctuur willen bedrijven méér mensen), de arbeidsproductiviteit en technologie verschuiven de vraag eveneens, en demografische ontwikkelingen zoals de vergrijzing verschuiven het aanbod, doordat er meer ouderen uittreden dan er jongeren toetreden.
Qv=QaQ_v = Q_aQv​=Qa​

evenwicht op de arbeidsmarkt

In het evenwicht is de gevraagde hoeveelheid arbeid QvQ_vQv​ gelijk aan de aangeboden hoeveelheid arbeid QaQ_aQa​. Door de vraag- en aanbodvergelijking aan elkaar gelijk te stellen, bereken je het evenwichtsloon.

beroepsbevolking=werkzame beroepsbevolking+werkloze beroepsbevolking\text{beroepsbevolking} = \text{werkzame beroepsbevolking} + \text{werkloze beroepsbevolking}beroepsbevolking=werkzame beroepsbevolking+werkloze beroepsbevolking

opbouw van de beroepsbevolking

De beroepsbevolking is de som van de werkzame beroepsbevolking (mét betaald werk) en de werkloze beroepsbevolking (zónder werk, maar beschikbaar en zoekend). De noemer van het werkloosheidspercentage is precies deze hele beroepsbevolking.

Uitgewerkt voorbeeld

Het evenwichtsloon op de arbeidsmarkt berekenen

Op een arbeidsmarkt wordt de vraag naar arbeid beschreven door l=20−0,15ql = 20 - 0{,}15ql=20−0,15q en het aanbod van arbeid door l=5+0,10ql = 5 + 0{,}10ql=5+0,10q, waarbij lll het loon per uur in euro is en qqq de hoeveelheid arbeid. Leg uit waarom de vraaglijn daalt en de aanbodlijn stijgt, en bereken het evenwichtsloon en de evenwichtshoeveelheid.

  1. 01Stap 1 — De richting van beide lijnen

    De vraag naar arbeid komt van de bedrijven en daalt bij een hoger loon, omdat arbeid dan een duurdere kostenpost wordt en ze minder mensen inhuren. Het aanbod komt van de huishoudens en stijgt bij een hoger loon, omdat werken aantrekkelijker wordt. Een dalende vraaglijn en een stijgende aanbodlijn snijden elkaar daarom in precies één punt: het evenwicht.

  2. 02Stap 2 — Stel de vraag gelijk aan het aanbod

    In het evenwicht geldt Qv=QaQ_v = Q_aQv​=Qa​, dus daar is het loon op beide lijnen gelijk. Stel de twee loon-uitdrukkingen aan elkaar gelijk.

    20−0,15q=5+0,10q20 - 0{,}15q = 5 + 0{,}10q20−0,15q=5+0,10q
  3. 03Stap 3 — Los de evenwichtshoeveelheid op

    Breng de termen met qqq naar één kant en de getallen naar de andere kant, en deel om qqq te vinden.

    15=0,25q⇒q=6015 = 0{,}25q \Rightarrow q = 6015=0,25q⇒q=60
  4. 04Stap 4 — Bereken het evenwichtsloon en controleer

    Vul q=60q = 60q=60 in de aanbodvergelijking in om het loon te krijgen, en controleer met de vraagvergelijking — beide horen hetzelfde loon te geven.

    l=5+0,10⋅60=11en20−0,15⋅60=11l = 5 + 0{,}10 \cdot 60 = 11 \quad\text{en}\quad 20 - 0{,}15 \cdot 60 = 11l=5+0,10⋅60=11en20−0,15⋅60=11

Resultaat: Het evenwicht ligt bij een hoeveelheid arbeid van 60 en een evenwichtsloon van 11 euro per uur — precies het snijpunt in de figuur. Omdat beide vergelijkingen bij q=60q = 60q=60 hetzelfde loon van 11 euro geven, klopt de berekening.

Eindexamen-focus

  • Je moet kunnen uitleggen waarom de vraag naar arbeid daalt bij een hoger loon (arbeid is een kostenpost voor bedrijven) en waarom het aanbod van arbeid juist stijgt (werken wordt aantrekkelijker voor huishoudens).
  • Het examen vraagt vaak het evenwichtsloon te berekenen door de vraag- en aanbodvergelijking aan elkaar gelijk te stellen, en de begrippen beroepsbevolking, participatiegraad en werkloosheidspercentage correct te gebruiken.

Veelgemaakte fouten

  • De rollen omdraaien: op de arbeidsmarkt zijn de huishoudens de aanbieders en de bedrijven de vragers — precies andersom dan op een goederenmarkt.
  • De assen verwisselen. Op de arbeidsmarkt staat het loon (de prijs) op de verticale as en de hoeveelheid arbeid op de horizontale as.
  • De werkloze beroepsbevolking verwarren met 'iedereen zonder werk'. Wie niet beschikbaar is of niet zoekt, zoals een voltijdstudent of een gepensioneerde, hoort niet bij de beroepsbevolking.

Actieve herhaling

Teken een vraag- en aanbodlijn voor de arbeidsmarkt met het loon op de verticale as en de hoeveelheid arbeid op de horizontale as. Leg uit waarom de vraaglijn daalt en de aanbodlijn stijgt, en beschrijf wat er met het loon gebeurt als het op een bepaald moment boven het evenwichtsloon ligt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Werkloosheid en de soorten#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

De vier soorten werkloosheid in één overzicht

WerkloosheidTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Soort · Oorzaak · Beleid; Conjuncturele · te weinig vraag · bestedingen +; Frictie · zoektijd baan · arbeidsbemiddeling; Structurele · mismatch/loonkosten · scholing, kosten -; Seizoen · seizoenswerk · spreidingSOORTOORZAAKBELEIDConjuncturelete weinig vraagbestedingen +Frictiezoektijd baanarbeidsbemiddelingStructurelemismatch/loonkostenscholing, kosten -SeizoenseizoenswerkspreidingSoorten werkloosheid
Afb. 2De vier vormen van werkloosheid met hun oorzaak en het beleid dat er het beste bij past: vraagbeleid (bestedingen) bij conjuncturele en aanbodbeleid (scholing, lagere kosten) bij structurele werkloosheid.

Kernpunten

Werkloosheid lijkt één verschijnsel, maar economen onderscheiden er verschillende soorten, omdat elke soort een andere oorzaak heeft — en dus ook om ander beleid vraagt. Je herkent de soort door je telkens af te vragen wáárom iemand zonder werk zit: komt het door de stand van de conjunctuur, door de tijd die het zoeken kost, door een blijvende mismatch, of door het seizoen? In dit onderdeel lopen we de vier vormen langs en koppelen we er steeds het passende beleid aan. De overzichtstabel hiernaast vat dat in één oogopslag samen. Het scherp uit elkaar houden van de soorten en het bijpassende beleid is precies wat het examen toetst.
Conjuncturele werkloosheid ontstaat wanneer er te weinig bestedingen in de economie zijn. In een laagconjunctuur of recessie geven consumenten, bedrijven en de overheid samen minder uit, zodat bedrijven minder kunnen verkopen en hun productie terugschroeven. Voor die kleinere productie zijn minder werknemers nodig, en zo verliezen mensen hun baan — niet omdat ze de verkeerde opleiding hebben, maar simpelweg omdat de vraag wegvalt. Deze werkloosheid beweegt mee met de conjunctuurgolf: ze loopt op in slechte tijden en daalt weer als de economie aantrekt. Omdat het probleem aan de bestedingenkant zit, is het bijbehorende beleid vraagbeleid: de overheid probeert de totale bestedingen te vergroten, bijvoorbeeld door zelf meer uit te geven, de belastingen te verlagen of via een lagere rente.
Frictiewerkloosheid is de kortdurende werkloosheid die ontstaat doordat het zoeken naar een passende baan nu eenmaal tijd kost. Wie ontslag neemt om iets beters te vinden, of net is afgestudeerd, is even werkloos terwijl vraag en aanbod naar elkaar toe groeien — werkgever en werknemer moeten elkaar immers eerst vinden. Deze vorm is grotendeels onvermijdelijk en zelfs gezond, want ze hoort bij een dynamische arbeidsmarkt; het beleid richt zich daarom op het verkórten van de zoektijd, via betere arbeidsbemiddeling en vacature-informatie. Seizoenwerkloosheid hangt samen met het seizoen: in de bouw, de landbouw, de horeca en het toerisme is in bepaalde maanden simpelweg minder werk, bijvoorbeeld 's winters. Het beleid bestaat hier vooral uit het spreiden van werk over het jaar of het zoeken naar aanvullende activiteiten in het laagseizoen.
Structurele werkloosheid is de hardnekkigste vorm, want ze komt voort uit een blijvende mismatch tussen de vraag naar en het aanbod van arbeid. Die mismatch kan kwalitatief zijn: werkzoekenden hebben de verkeerde opleiding, de verkeerde vaardigheden of wonen in de verkeerde regio, zodat de openstaande vacatures en de werklozen niet bij elkaar passen. Ze kan ook ontstaan doordat de loonkosten te hoog zijn ten opzichte van wat een werknemer oplevert, waardoor bedrijven die mensen niet in dienst nemen. En ze kan technologisch zijn: als machines en automatisering bepaald werk overnemen, verdwijnen die banen blijvend. Omdat het probleem in de structuur van de arbeidsmarkt zit, helpt vraagbeleid hier niet; het beleid is aanbodbeleid, gericht op scholing en omscholing, op het verlagen van de loonkosten (bijvoorbeeld lagere werkgeverslasten) en op het beter laten aansluiten van het onderwijs op de arbeidsmarkt.
Naast het herkennen van de soorten moet je de omvang van de werkloosheid kunnen meten met het werkloosheidspercentage. Dat is de werkloze beroepsbevolking uitgedrukt als percentage van de hele beroepsbevolking: je deelt het aantal werklozen door de beroepsbevolking en vermenigvuldigt met honderd. Telt een land bijvoorbeeld 8 miljoen mensen in de beroepsbevolking en zijn daarvan 0,5 miljoen werkloos, dan is het werkloosheidspercentage 0,5 gedeeld door 8 maal honderd, oftewel 6,25 procent. Let erop dat de noemer de hele beroepsbevolking is — werkenden én werklozen samen — en niet de totale bevolking, want dat zou een veel te laag percentage opleveren. In het uitgewerkte voorbeeld doorlopen we deze berekening stap voor stap. In het volgende onderdeel zien we hoe de overheid met een minimumloon bewust in de arbeidsmarkt ingrijpt, en welke vorm van werkloosheid daar weer bij hoort.
werkloosheidspercentage=werkloze beroepsbevolkingberoepsbevolking×100%\text{werkloosheidspercentage} = \dfrac{\text{werkloze beroepsbevolking}}{\text{beroepsbevolking}} \times 100\%werkloosheidspercentage=beroepsbevolkingwerkloze beroepsbevolking​×100%

werkloosheidspercentage

Het werkloosheidspercentage is de werkloze beroepsbevolking gedeeld door de hele beroepsbevolking, maal honderd procent. De noemer is dus de beroepsbevolking (werkenden én werklozen), niet de totale bevolking.

Uitgewerkt voorbeeld

Het werkloosheidspercentage berekenen en de soort benoemen

In een land telt de beroepsbevolking 8 miljoen mensen, van wie er 0,5 miljoen werkloos zijn. Bereken het werkloosheidspercentage. Door welke vorm van werkloosheid neemt dit percentage waarschijnlijk toe tijdens een economische crisis?

  1. 01Stap 1 — Kies de juiste formule

    Het werkloosheidspercentage is de werkloze beroepsbevolking als percentage van de hele beroepsbevolking.

    werkloosheidspercentage=werkloze beroepsbevolkingberoepsbevolking×100%\text{werkloosheidspercentage} = \dfrac{\text{werkloze beroepsbevolking}}{\text{beroepsbevolking}} \times 100\%werkloosheidspercentage=beroepsbevolkingwerkloze beroepsbevolking​×100%
  2. 02Stap 2 — Vul de gegevens in

    Vul de werkloze beroepsbevolking (0,5 miljoen) in de teller in en de beroepsbevolking (8 miljoen) in de noemer; de eenheid 'miljoen' valt tegen elkaar weg.

    0,58×100%=6,25%\dfrac{0{,}5}{8} \times 100\% = 6{,}25\%80,5​×100%=6,25%
  3. 03Stap 3 — Bepaal de soort bij een crisis

    Tijdens een economische crisis vallen de bestedingen terug, waardoor bedrijven minder produceren en mensen ontslaan. De werkloosheid die dan oploopt, is conjuncturele werkloosheid en vraagt om vraagbeleid.

Resultaat: Het werkloosheidspercentage is 6,25%. De extra werkloosheid die tijdens een crisis ontstaat, is conjunctureel: ze komt door te weinig bestedingen en is te bestrijden met vraagbeleid dat de bestedingen weer op gang brengt.

Eindexamen-focus

  • Je moet de vier soorten werkloosheid (conjunctureel, frictie, structureel, seizoen) kunnen herkennen aan hun oorzaak en er het passende beleid aan koppelen — vraagbeleid bij conjuncturele, aanbodbeleid bij structurele werkloosheid.
  • Het examen laat je het werkloosheidspercentage berekenen; let er daarbij op dat de noemer de beroepsbevolking is en niet de totale bevolking.

Veelgemaakte fouten

  • Conjuncturele en structurele werkloosheid door elkaar halen. Conjuncturele werkloosheid komt door te weinig bestedingen en verdwijnt als de economie aantrekt; structurele werkloosheid komt door een blijvende mismatch en blijft ook in goede tijden bestaan.
  • Het werkloosheidspercentage delen door de totale bevolking in plaats van door de beroepsbevolking.
  • Bij conjuncturele werkloosheid aanbodbeleid zoals scholing voorstellen. Scholing lost een mismatch op, maar niet een tekort aan bestedingen — daarvoor is juist vraagbeleid nodig.

Actieve herhaling

Een autofabriek ontslaat tijdens een recessie duizend werknemers, terwijl er tegelijk vacatures voor software-ontwikkelaars onvervuld blijven omdat er te weinig geschikte kandidaten zijn. Benoem welke soort werkloosheid bij elk van beide situaties hoort, en geef per situatie aan welk beleid het meest voor de hand ligt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Minimumloon en ingrijpen op de arbeidsmarkt#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

De overheid laat de arbeidsmarkt niet volledig vrij: met een wettelijk minimumloon stelt zij een ondergrens aan het loon dat een werkgever mag betalen. Zo'n minimumloon is een minimumprijs of prijsbodem, en het heeft alleen effect als het bóven het evenwichtsloon ligt — anders zou de markt er vanzelf al overheen zitten en doet de regel niets. Ligt het minimumloon wél boven het evenwicht, dan ontstaat er een gevolg dat je met de vraag- en aanbodlijn precies kunt aanwijzen. Bij dat hogere, verplichte loon willen huishoudens méér arbeid aanbieden, terwijl bedrijven juist mínder arbeid vragen. Het aanbod van arbeid wordt daardoor groter dan de vraag, en dat aanbodoverschot ís de (extra) werkloosheid die het minimumloon veroorzaakt.
Je kunt dit goed zien in de figuur uit het eerste onderdeel, waar de stippellijn een minimumloon van 14 euro aangeeft, ruim boven het evenwichtsloon van 11 euro. Lees je bij dat loon van 14 euro de vraaglijn af, dan willen bedrijven nog maar een beperkte hoeveelheid arbeid inhuren; lees je de aanbodlijn af, dan bieden huishoudens juist een veel grotere hoeveelheid aan. Het horizontale verschil tussen die twee punten is het aantal mensen dat tegen het minimumloon wil werken maar geen baan vindt — de werkloosheid. In het uitgewerkte voorbeeld rekenen we dat verschil exact uit. Hoe hoger de overheid het minimumloon boven het evenwicht legt, hoe groter dit aanbodoverschot en dus de werkloosheid wordt.
Waarom voert de overheid een minimumloon in als het werkloosheid kan veroorzaken? Omdat er een afruil bestaat tussen twee waardevolle doelen. Aan de ene kant beschermt een minimumloon het inkomen van werkenden aan de onderkant van de arbeidsmarkt: wie een baan houdt, is verzekerd van een fatsoenlijk loon waarvan hij kan rondkomen. Aan de andere kant kan datzelfde minimumloon banen kosten, juist voor de mensen met de laagste productiviteit, omdat bedrijven hen tegen het hogere loon niet meer rendabel kunnen inzetten. De beleidsvraag is dus steeds: hoeveel inkomensbescherming weegt op tegen hoeveel verlies aan werkgelegenheid? Dit is een klassiek voorbeeld van het maken van keuzes met tegengestelde effecten, en het examen verwacht dat je in een afruilvraag beide kanten kunt benoemen.
Niet alleen de overheid duwt het loon omhoog; ook vakbonden doen dat, via collectieve arbeidsovereenkomsten — de cao's. In een cao onderhandelen werkgevers en werknemers samen over de lonen en de arbeidsvoorwaarden voor een hele sector of onderneming. Doordat de bond namens veel werknemers tegelijk onderhandelt, heeft hij meer macht dan een individuele werknemer en kan hij hogere lonen afdwingen dan het marktevenwicht. Dat levert de leden een beter inkomen en betere voorwaarden op, maar werkt — net als een minimumloon boven het evenwicht — in theorie een aanbodoverschot en dus werkloosheid in de hand. Vakbonden vervullen daarnaast een rol als tegenmacht en bewaken de arbeidsomstandigheden, wat hun betekenis breder maakt dan alleen het loon.
Achter het loon dat jij als werknemer ziet, zitten voor de werkgever bredere loonkosten: behalve het brutoloon betaalt hij ook premies en werkgeverslasten. Die loonkosten bepalen mede hoeveel arbeid bedrijven vragen, en daar grijpt beleid op aan: door de loonkosten te verlagen — bijvoorbeeld met lagere werkgeverspremies — wordt arbeid goedkoper en neemt de werkgelegenheid toe, wat vooral helpt tegen structurele werkloosheid. Een laatste, actueel thema is de flexibilisering van de arbeidsmarkt: het toenemende gebruik van tijdelijke contracten, oproepkrachten en zzp'ers. Flexibele arbeid maakt het voor bedrijven makkelijker en goedkoper om mensen aan te nemen en weer te laten gaan, wat de werkgelegenheid kan vergroten en de markt sneller naar evenwicht laat bewegen. Daar staat tegenover dat flexwerkers minder zekerheid en bescherming hebben, zodat ook hier weer een afruil speelt tussen een soepel werkende markt en de bestaanszekerheid van werkenden.
werkloosheid=Qa−Qv\text{werkloosheid} = Q_a - Q_vwerkloosheid=Qa​−Qv​

werkloosheid als aanbodoverschot bij een minimumloon

Bij een minimumloon boven het evenwicht is de werkloosheid gelijk aan de aangeboden hoeveelheid arbeid QaQ_aQa​ min de gevraagde hoeveelheid arbeid QvQ_vQv​, allebei afgelezen of berekend bij dat minimumloon.

Uitgewerkt voorbeeld

De werkloosheid door een minimumloon berekenen

Gebruik de arbeidsmarkt uit het eerste onderdeel: de vraag naar arbeid is l=20−0,15ql = 20 - 0{,}15ql=20−0,15q en het aanbod l=5+0,10ql = 5 + 0{,}10ql=5+0,10q, met lll het loon per uur in euro en qqq de hoeveelheid arbeid. De overheid stelt een minimumloon van 14 euro in, boven het evenwichtsloon van 11 euro. Bereken hoeveel arbeid er bij dat minimumloon wordt gevraagd en aangeboden, en bepaal de werkloosheid.

  1. 01Stap 1 — De gevraagde hoeveelheid arbeid

    Vul het minimumloon l=14l = 14l=14 in de vraagvergelijking in en los qqq op. Dit is de hoeveelheid arbeid die bedrijven tegen het minimumloon willen inhuren.

    20−0,15q=14⇒0,15q=6⇒q=4020 - 0{,}15q = 14 \Rightarrow 0{,}15q = 6 \Rightarrow q = 4020−0,15q=14⇒0,15q=6⇒q=40
  2. 02Stap 2 — De aangeboden hoeveelheid arbeid

    Vul hetzelfde minimumloon l=14l = 14l=14 in de aanbodvergelijking in en los qqq op. Dit is de hoeveelheid arbeid die huishoudens tegen het minimumloon willen leveren.

    5+0,10q=14⇒0,10q=9⇒q=905 + 0{,}10q = 14 \Rightarrow 0{,}10q = 9 \Rightarrow q = 905+0,10q=14⇒0,10q=9⇒q=90
  3. 03Stap 3 — De werkloosheid als aanbodoverschot

    De werkloosheid is het verschil tussen de aangeboden en de gevraagde hoeveelheid arbeid bij het minimumloon — het aantal mensen dat wil werken maar geen baan vindt.

    werkloosheid=Qa−Qv=90−40=50\text{werkloosheid} = Q_a - Q_v = 90 - 40 = 50werkloosheid=Qa​−Qv​=90−40=50

Resultaat: Bij een minimumloon van 14 euro vragen bedrijven 40 eenheden arbeid en bieden huishoudens 90 eenheden aan. Het aanbodoverschot van 50 eenheden is de werkloosheid die het minimumloon veroorzaakt; in het vrije evenwicht (bij 60 eenheden en 11 euro) was die werkloosheid er niet.

Eindexamen-focus

  • Je moet kunnen uitleggen dat een minimumloon alleen werkloosheid veroorzaakt als het boven het evenwichtsloon ligt, en de omvang van die werkloosheid berekenen als het aanbodoverschot (de aangeboden min de gevraagde hoeveelheid arbeid bij het minimumloon).
  • Het examen verwacht dat je de afruil tussen inkomensbescherming en werkgelegenheid kunt beredeneren en daarbij de rol van vakbonden, cao's en loonkosten kunt betrekken.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat élk minimumloon werkloosheid veroorzaakt. Een minimumloon ónder het evenwichtsloon heeft geen effect; alleen een minimumloon bóven het evenwicht leidt tot een aanbodoverschot.
  • De werkloosheid bij een minimumloon gelijkstellen aan alleen de daling van de gevraagde hoeveelheid. De werkloosheid is het hele verschil tussen de (grotere) aangeboden en de (kleinere) gevraagde hoeveelheid arbeid.
  • Vergeten dat een minimumloon ook een voordeel heeft: een hoger, fatsoenlijk inkomen voor wie wél werk houdt. Benoem in een afruilvraag altijd beide kanten.

Actieve herhaling

De overheid verhoogt het minimumloon van een niveau onder het evenwichtsloon naar een niveau erboven. Leg met een vraag-aanboddiagram van de arbeidsmarkt uit wat er met de werkgelegenheid en de werkloosheid gebeurt, en benoem zowel het voordeel als het nadeel van deze maatregel voor werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 03

    • 01Vraag en aanbod op de arbeidsmarkt○
    • 02Werkloosheid en de soorten◐
    • 03Minimumloon en ingrijpen op de arbeidsmarkt◐

0/3 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Arbeidsmarkt en werkloosheid

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~19
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma economie (HAVO)

Vorig onderwerp

Marktfalen, overheidsingrijpen en welvaart

Volgend onderwerp

Ruilen over de tijd: sparen, lenen en pensioenen

EuraStudy·Samenvattingen T·09·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.