EuraStudy
Samenvattingen/Duits/Leesvaardigheid (centraal examen, domein A; ERK B1/B2)
Samenvattingen · DuitsNL · HAVO

Leesvaardigheid (centraal examen, domein A; ERK B1/B2)

Het centraal examen Duits toetst maar één vaardigheid: leesvaardigheid. Je leest een aantal authentieke Duitse teksten en laat zien dat je de hoofdgedachte, de structuur en de details begrijpt. In dit onderwerp leer je wat het examen precies van je vraagt, op welke niveaus tekstbegrip wordt getoetst, hoe je je tijd indeelt en hoe het nakijken en de N-term werken.

4 Onderdelen·~20 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3

T·0111 / 11
Examenprofiel
De opzet, inhoud en het ERK-niveau (B1/B2) van het centraal examen leesvaardigheid Duits kennen.Tekstbegrip tonen op woord-, zins-, alinea- en tekstniveau, en globaal en gericht lezen onderscheiden.Een examenstrategie en tijdsindeling toepassen en weten hoe open vragen, meerkeuzevragen en citeervragen worden beoordeeld.
Operatoren:bepaalleg uitnoemverklaarciteerberedeneer

basisniveau

Voor het centraal examen: lees Duitse zakelijke teksten op ERK B1/B2-niveau en beantwoord de bijbehorende vragen volledig en precies.

verhoogd niveau

Wie naar het hoger onderwijs gaat, leest ook buiten het examen veel Duits; de leesstrategieën van dit onderwerp blijven dan bruikbaar voor studieteksten.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Leesvaardigheid (centraal examen, domein A; ERK B1/B2)
    • 01Het centraal examen: alleen leesvaardigheid○
    • 02Tekstbegrip op verschillende niveaus◐
    • 03Examenstrategie en tijdsindeling◐
    • 04Beoordeling: nakijken en de N-term◐
§ 01

Het centraal examen: alleen leesvaardigheid#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kernpunten

Begin met één hardnekkig misverstand uit de weg te ruimen: het centraal examen Duits toetst uitsluitend leesvaardigheid (domein A van het examenprogramma). Spreken, schrijven, luisteren en literatuur komen op het centraal examen niet voor — die vaardigheden horen bij het schoolexamen. Op de examendag krijg je een tekstboekje met een aantal authentieke Duitse teksten (artikelen uit kranten en tijdschriften, columns, betogen, soms een advertentie of een verhaalfragment) en een vragenboekje of antwoordblad. Je hoeft dus geen Duits te produceren; je hoeft te laten zien dat je geschreven Duits begrijpt. Dat verandert hoe je je voorbereidt: oefenen met examenteksten en met de vraagvormen levert meer op dan het stampen van losse woordjes.
Het streefniveau voor lezen ligt op het Europees Referentiekader (ERK) rond B1 en B2. Op B1 begrijp je de hoofdpunten van duidelijke teksten over vertrouwde onderwerpen; op B2 begrijp je ook complexere teksten, abstractere ideeën en de houding of bedoeling van de schrijver. De examenteksten zijn niet voor leerlingen geschreven maar voor volwassen, Duitstalige lezers; ze zijn echter zo gekozen dat een gemiddelde HAVO-leerling met de juiste strategie tot een goed begrip kan komen. Je hoeft niet elk woord te kennen: je moet de grote lijn vatten en, waar de vraag dat verlangt, één detail nauwkeurig terugvinden.
De vragen komen in vaste vormen: meerkeuzevragen (kies A, B, C of D), open vragen die je in het Nederlands beantwoordt, citeervragen (waarbij je letterlijk een paar Duitse woorden uit de tekst overschrijft) en gatvragen of Lückentexte (waarbij je het juiste signaalwoord of de juiste zin in een opening kiest). Cruciaal is dat de open vragen in het Nederlands worden gesteld én in het Nederlands worden beantwoord: het examen meet je begrip van het Duits, niet je schrijfvaardigheid in het Duits. Een antwoord in het Duits op een Nederlandse open vraag levert geen extra punten op en kost alleen tijd.
Praktische zaken die je vooraf weet, scheppen rust op de examendag. De duur staat in het examenrooster van dat jaar (voor HAVO Duits is dat 2,5 uur). Je mag een woordenboek gebruiken — een verklarend Duits woordenboek en/of een woordenboek Duits–Nederlands — maar gebruik het spaarzaam: wie elk onbekend woord opzoekt, komt in tijdnood. Het centraal examen telt mee voor de helft van je eindcijfer; de andere helft komt uit het schoolexamen. De tabel hieronder (Afb. 1) vat de opzet in één oogopslag samen.

Opzet van het centraal examen Duits

Centraal examen in één oogopslagTabel met 2 kolommen en 7 rijen, Gegevens: Aspect · Invulling; Vaardigheid · Alleen leesvaardigheid; ERK-niveau · B1 / B2 (lezen); Teksten · Authentiek Duits; Vraagvormen · Meerkeuze, open, citeer, gat; Antwoordtaal · Nederlands (open vragen); Hulpmiddel · Woordenboek toegestaan; Weging · Helft van het eindcijferASPECTINVULLINGVaardigheidAlleen leesvaardigheidERK-niveauB1 / B2 (lezen)TekstenAuthentiek DuitsVraagvormenMeerkeuze, open, citeer, gatAntwoordtaalNederlands (open vragen)HulpmiddelWoordenboek toegestaanWegingHelft van het eindcijfer
Afb. 1Afb. 1 — Het centraal examen toetst alleen leesvaardigheid; de open vragen beantwoord je in het Nederlands.
Omdat alleen leesvaardigheid wordt getoetst, kun je heel gericht oefenen. De beste voorbereiding bestaat uit drie dingen: oude examens maken onder tijdsdruk, je antwoorden nakijken met het correctievoorschrift om te zien wát een goed antwoord precies inhoudt, en de terugkerende vraagtypen leren herkennen. De overige leesonderwerpen in deze samenvatting — leesstrategieën, tekstsoorten van het leesexamen, woordenschat en idioom, en de grammatica die je leesbegrip ondersteunt — zijn precies het gereedschap dat je op dit examen nodig hebt. Wie dat beheerst, leest sneller, kiest gerichter en verliest minder punten aan slordigheid.
Uitgewerkt voorbeeld

Een open vraag in de juiste taal en volledig beantwoorden

Bij een Duitse tekst over stadslandbouw staat de Nederlandse open vraag: „Welke twee voordelen van daktuinen noemt de schrijver in alinea 3?” In de tekst staat: „Dachgärten kühlen das Gebäude darunter und liefern frisches Gemüse für Menschen, die weit von einem Geschäft entfernt wohnen.” Hoe pak je dit aan?

  1. 01Stap 1 — Lees de vraag eerst

    De vraag is Nederlands en vraagt om twee voordelen in alinea 3. Je weet nu precies waar je moet zoeken (alinea 3) en wat je zoekt (twee voordelen).

  2. 02Stap 2 — Zoek gericht in de juiste alinea

    Je leest niet de hele tekst opnieuw, maar scant alinea 3. De sleutelzin is „kühlen das Gebäude darunter und liefern frisches Gemüse” — daar staan de twee voordelen, verbonden door „und”.

  3. 03Stap 3 — Antwoord in het Nederlands en volledig

    Je vertaalt de twee voordelen kort: (1) de daktuinen koelen het gebouw eronder af, en (2) ze leveren vers groente aan mensen die ver van een winkel wonen. Beide moeten erin staan, anders mis je een punt.

Resultaat: Twee voordelen: (1) de daktuinen koelen het gebouw eronder af, en (2) ze leveren vers groente aan mensen die ver van een winkel wonen. Het antwoord is in het Nederlands, volledig en put rechtstreeks uit alinea 3.

Eindexamen-focus

  • Het centraal examen toetst alleen leesvaardigheid op ERK B1/B2; je beantwoordt de open vragen in het Nederlands, niet in het Duits.
  • Je moet authentieke Duitse teksten zo begrijpen dat je zowel de hoofdgedachte als losse details kunt terugvinden en de juiste vraagvorm correct kunt beantwoorden.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat je op het centraal examen ook Duits moet schrijven of spreken; het examen toetst uitsluitend lezen en de open vragen worden in het Nederlands beantwoord.
  • Elk onbekend woord in het woordenboek opzoeken; dat kost zoveel tijd dat je het examen niet afkrijgt, terwijl je veel woorden uit de context of via verwantschap met het Nederlands kunt afleiden.

Actieve herhaling

Vat in eigen woorden samen wat het centraal examen Duits van je vraagt: welke vaardigheid, welk niveau, welke vraagvormen, in welke taal je antwoordt en hoeveel het meetelt. Controleer je antwoord aan de tabel.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Duits (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Tekstbegrip op verschillende niveaus#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Tekstbegrip speelt zich op meerdere niveaus tegelijk af, en het examen toetst ze allemaal. Op het laagste niveau staat het woord: ken je de betekenis, of kun je die uit de context afleiden? Daarboven staat de zin: snap je hoe de woorden samen één gedachte vormen, ook bij een lange Duitse zin met bijzinnen en een werkwoord helemaal achteraan? Daarboven de alinea: zie je wat de kerngedachte is en welke zinnen die ondersteunen? En op het hoogste niveau de hele tekst: begrijp je het onderwerp, de hoofdgedachte, het doel en de opbouw? Een goede lezer schakelt voortdurend tussen deze niveaus — soms zoom je uit voor de grote lijn, soms zoom je in op één woord dat de hele zin kantelt. De piramide hieronder (Afb. 2) laat zien hoe die niveaus op elkaar stapelen.

Niveaus van tekstbegrip

Niveaus van tekstbegrippiramide, 5 niveaus, Gegevens: Woord, Zin, Alinea, Tekst, BedoelingWoordbetekenis / contextZinbijzinnen, werkwoord achteraanAlineakerngedachteTeksthoofdgedachte, opbouwBedoelingdoel en houdingVan woord tot bedoeling
Afb. 2Afb. 2 — Begrip stapelt op: het losse woord onderaan, de bedoeling van de schrijver bovenaan.
Bij het lezen wissel je tussen twee leeshoudingen: globaal lezen en gericht lezen. Globaal lezen (skimmen) doe je om snel de hoofdgedachte en de opbouw te pakken: je leest de titel, de inleiding, de eerste zin van elke alinea en het slot. Gericht lezen (scannen) doe je om één specifiek gegeven te vinden — een naam, een jaartal, een reden — zonder de hele tekst woord voor woord te lezen. Het examen vraagt allebei: een vraag naar het hoofddoel test je globale begrip, een citeervraag of een vraag naar één detail test je gerichte lezen. Wie alles even intensief leest, raakt in tijdnood; de kunst is per vraag de juiste leeshouding te kiezen.
Het hoogste begripsniveau gaat over de bedoeling van de schrijver, en juist daar zit op B2 vaak het verschil tussen een zes en een acht. Een tekst informeert niet alleen, maar wil ook overtuigen, waarschuwen, vermaken of relativeren. De schrijver kan iets stellen zonder het met zoveel woorden te zeggen — door ironie, door een voorbeeld, door de toon. Vragen als „Wat is de houding van de schrijver tegenover X?” of „Met welk doel noemt de schrijver Y?” toetsen dit niveau. Je moet dan tussen de regels door lezen: niet alleen wát er staat, maar waaróm de schrijver het zo zegt. Let daarbij op signaalwoorden (zoals „jedoch”, „deshalb”, „obwohl”), op waarderende woorden (positief of negatief gekleurd) en op de plaats van een uitspraak in het betoog.
Een veelvoorkomende valkuil is dat één onbekend woord je het hele zicht ontneemt. Dat hoeft niet. Vaak kun je uit de rest van de zin afleiden of een woord positief of negatief is, en of het een oorzaak, een gevolg of een tegenstelling aanduidt — en dat is voor de vraag meestal genoeg. Bovendien helpt de verwantschap tussen het Duits en het Nederlands: veel Duitse woorden lijken op een Nederlands woord. Pas wel op voor valse vrienden, woorden die wél lijken maar iets anders betekenen (zie het onderwerp Woordenschat en idioom). Begrip op zinsniveau redt vaak je begrip op woordniveau.
Om grip te houden op een lange tekst helpt actief lezen: zet in het tekstboekje korte aantekeningen, streep signaalwoorden aan en noteer naast elke alinea in één of twee Nederlandse woorden waar die over gaat. Zo maak je een mini-inhoudsopgave waarmee je bij elke vraag razendsnel de juiste alinea terugvindt. Vergeet niet dat een Duitse hoofdzin vaak een werkwoord aan het eind van een bijzin heeft staan — lees de zin daarom helemaal uit voordat je hem vertaalt, anders mis je de kern.
Uitgewerkt voorbeeld

Een onbekend woord uit de context afleiden

In een tekst staat: „Trotz der schlechten Wettervorhersage stiegen die Besucherzahlen stark.” De vraag is of het aantal bezoekers is gestegen of gedaald. Je kent het woord „stiegen” niet zeker. Hoe beredeneer je het antwoord?

  1. 01Stap 1 — Zoek het signaalwoord

    „Trotz” betekent „ondanks” en kondigt een tegenstelling aan: wat erna komt, gaat in tegen „der schlechten Wettervorhersage” (de slechte weersvoorspelling).

  2. 02Stap 2 — Bepaal de lading

    „Schlecht” is negatief. Door de tegenstelling met „trotz” moet wat volgt juist positief zijn — er gebeurt iets goeds met de „Besucherzahlen” (de bezoekersaantallen).

  3. 03Stap 3 — Leid de betekenis af

    Een positieve beweging van bezoekersaantallen is „stijgen”. „Stiegen … stark” moet dus „sterk gestegen” betekenen, ook al wist je het woord niet zeker. Het verwante Nederlandse „stijgen” bevestigt het.

Resultaat: Het aantal bezoekers is gestegen: het signaalwoord „trotz” dwingt een tegenstelling met het negatieve „schlecht” af, dus „stiegen stark” betekent „sterk gestegen”. Begrip op zinsniveau vult het ontbrekende woord in.

Eindexamen-focus

  • Het examen toetst begrip op woord-, zins-, alinea- én tekstniveau; vragen naar het doel of de houding van de schrijver toetsen het hoogste niveau (B2).
  • Je moet per vraag de juiste leeshouding kiezen — globaal lezen voor de hoofdgedachte, gericht lezen voor één detail.

Veelgemaakte fouten

  • Bij elk onbekend woord blokkeren; vaak kun je uit de context afleiden of een woord positief/negatief is of een oorzaak/gevolg aanduidt, en dat is genoeg voor de vraag.
  • Een lange Duitse bijzin halverwege vertalen; omdat het werkwoord vaak achteraan staat, mis je de kern als je niet doorleest tot het einde van de zin.

Actieve herhaling

Lees een Duitse examentekst en schrijf naast elke alinea in één of twee Nederlandse woorden waar die over gaat. Formuleer daarna in één Nederlandse zin de hoofdgedachte van de hele tekst.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Duits (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Examenstrategie en tijdsindeling#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Een goed examen begint met een plan, niet met de eerste zin van de eerste tekst. Verken eerst kort het hele examen: hoeveel teksten zijn er, hoeveel vragen horen bij elke tekst, en hoe lang zijn de teksten? Verdeel daarna je tijd. Bij 2,5 uur en bijvoorbeeld acht teksten heb je ruwweg een kwartier per tekst, maar reserveer altijd tien à vijftien minuten aan het eind om je antwoorden te controleren en eventuele opengelaten vragen alsnog in te vullen. Wie zonder plan begint, blijft te lang bij een lastige tekst hangen en komt bij de laatste teksten in tijdnood — terwijl daar net zo goed punten te halen waren.
De beste werkvolgorde per tekst is: oriënteer, lees de vraag, zoek het antwoord. Lees eerst de titel, de inleiding (vaak cursief boven de tekst) en de eerste zin van elke alinea, zodat je de grote lijn en de opbouw te pakken hebt. Lees dan de eerste vraag goed: wat wordt er precies gevraagd, en naar welke alinea verwijst de vraag (meestal staat dat erbij, bijvoorbeeld „in alinea 4” of „Zeile 12–18”)? Ga vervolgens naar die plek en lees daar gericht. Door de vraag vóór de alinea te lezen, weet je waarnaar je zoekt en lees je veel doelgerichter dan wanneer je eerst de hele tekst woord voor woord doorploegt. De stroomschema-figuur hieronder (Afb. 3) vat deze volgorde samen.

Werkvolgorde per tekst

Aanpak per examentekstGraaf, Oriënteren → Vraag lezen, Vraag lezen → Alinea zoeken, Alinea zoeken → Gericht lezen, Gericht lezen → Antwoorden, Antwoorden → ControlerenOriënterenVraag lezenAlinea zoekenGericht lezenAntwoordenControleren
Afb. 3Afb. 3 — Lees de vraag vóór je de alinea intensief leest; zo zoek je doelgericht.
Beantwoord de vragen meestal in de gegeven volgorde, want de vragen volgen doorgaans de tekst van begin tot eind. Kom je een vraag tegen waar je niet uitkomt, sla die dan over en zet er een streepje bij; vaak helpt een latere vraag of een tweede lezing je alsnog op weg. Laat nooit een vraag definitief open: aan het eind vul je bij elke onbeantwoorde vraag in elk geval iets in. Bij een meerkeuzevraag heb je met gokken altijd nog kans op een punt; een leeg antwoord levert gegarandeerd niets op. Strategisch overslaan en aan het eind invullen voorkomt dat één lastige vraag je hele examen ophoudt.
Het woordenboek is een hulpmiddel, geen kruk. Gebruik het alleen voor een woord dat (1) je echt niet uit de context of via verwantschap met het Nederlands kunt afleiden én (2) cruciaal is voor het antwoord op een vraag. Een woord in een zijzin dat voor de vraag niet uitmaakt, hoef je niet op te zoeken. Spreek met jezelf af dat je per tekst hooguit een paar woorden opzoekt; merk je dat je vaker grijpt, dan lees je waarschijnlijk te intensief en moet je terug naar globaal lezen. Tijd die je in het woordenboek steekt, kun je niet aan de teksten besteden.
Controleren aan het eind is geen luxe maar levert punten op. Loop in de laatste minuten je antwoorden na: heb je bij een open vraag echt álles genoemd wat gevraagd werd (twee voordelen betekent twee voordelen)? Heb je bij een citeervraag exact het juiste aantal Duitse woorden overgeschreven, letterlijk en zonder spelfouten (let op de hoofdletters van zelfstandige naamwoorden en op ä/ö/ü/ß)? Heb je elke meerkeuzevraag van een letter voorzien? Heb je geen vraag overgeslagen?
Uitgewerkt voorbeeld

De werkvolgorde toepassen op een tekstvraag

Je krijgt een tekst van vijf alinea's met de vraag: „Waarom noemt de schrijver in alinea 4 het voorbeeld van Berlijn?” Beschrijf hoe je strategisch te werk gaat.

  1. 01Stap 1 — Oriënteer

    Lees eerst titel, inleiding en de eerste zin van elke alinea. Je weet nu globaal waar de tekst over gaat en dat alinea 4 ergens een voorbeeld bevat.

  2. 02Stap 2 — Lees de vraag scherp

    De vraag wijst naar alinea 4 en vraagt naar het dóél van het Berlijn-voorbeeld — niet naar wat er over Berlijn wordt gezegd, maar waaróm het wordt genoemd.

  3. 03Stap 3 — Lees gericht en let op het verband

    Ga naar alinea 4 en zoek het signaalwoord vóór het voorbeeld (bijvoorbeeld „zum Beispiel” of „etwa”). Het voorbeeld onderbouwt de bewering die ervóór staat; die bewering is het doel.

  4. 04Stap 4 — Formuleer en controleer

    Antwoord in het Nederlands: het Berlijn-voorbeeld dient om de bewering te illustreren dat … (de stelling uit de zin ervóór). Controleer of je het doel noemt, niet alleen de inhoud.

Resultaat: Je leest de vraag vóór de alinea, herkent dat naar het dóél van het voorbeeld wordt gevraagd, vindt het signaalwoord dat het voorbeeld inleidt en koppelt het voorbeeld aan de stelling die het illustreert. Zo lees je gericht en verlies je geen tijd.

Eindexamen-focus

  • Het examen verwacht dat je je tijd indeelt (tijd per tekst plus controletijd) en dat je geen enkele vraag onbeantwoord laat.
  • Je werkt per tekst volgens een vaste volgorde: oriënteren, de vraag lezen, dan gericht het antwoord zoeken in de aangewezen alinea of regels.

Veelgemaakte fouten

  • Te lang bij één lastige tekst of vraag blijven hangen, waardoor je bij de laatste teksten in tijdnood komt; sla over en kom later terug.
  • Een meerkeuzevraag leeg laten; gokken geeft altijd nog kans op een punt, een leeg vakje nooit.

Actieve herhaling

Maak een oude examentekst onder tijdsdruk: stel een wekker op vijftien minuten en houd je aan de werkvolgorde oriënteren – vraag lezen – gericht zoeken. Noteer achteraf bij welke vraag je in tijdnood kwam en waarom.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Duits (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Beoordeling: nakijken en de N-term#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Vraagvormen en wat ze toetsen

Vraagvormen van het examenTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Vraagvorm · Wat je doet · Valkuil; Meerkeuze · Afleiders elimineren · Bekend woord = goed; Open (NL) · Volledig, op de tekst · Te vaag of half; Citeer · Letterlijk overschrijven · Te veel woorden; Gat / Lückentext · Signaalwoord kiezen · Verband negerenVRAAGVORMWAT JE DOETVALKUILMeerkeuzeAfleiders eliminerenBekend woord = goedOpen (NL)Volledig, op de tekstTe vaag of halfCiteerLetterlijk overschrijvenTe veel woordenGat / LückentextSignaalwoord kiezenVerband negeren
Afb. 4Afb. 4 — Elke vraagvorm vraagt om een eigen aanpak en een eigen soort antwoord.

Kernpunten

Je examen wordt nagekeken met een correctievoorschrift dat het CvTE voor iedere zitting opstelt. Daarin staat per vraag precies welk antwoord goed is en hoeveel punten het oplevert. Voor de meeste vragen geldt: één punt als het goed is, nul als het fout is; bij sommige open vragen zijn meer punten te verdienen, bijvoorbeeld één punt per genoemd voordeel. Omdat het correctievoorschrift bindend is, is je eigen leraar bij het nakijken gebonden aan dezelfde regels als elke andere corrector in het land. Daarom is oefenen mét het correctievoorschrift zo nuttig: je leert niet alleen óf je antwoord goed was, maar precies wát er voor een punt verlangd wordt.
Bij open vragen verlies je vaak punten niet omdat je het mis hebt, maar omdat je antwoord onvolledig of te vaag is. Vraagt de vraag om twee redenen, dan moet je er ook echt twee noemen; noem je er één, dan krijg je hooguit de helft. Een antwoord moet bovendien terug te voeren zijn op de tekst: je mag in eigen woorden formuleren, maar het moet kloppen met wat er staat, niet met wat je zelf vindt of denkt te weten. Schrijf daarom volledige, precieze antwoorden en controleer of je álle gevraagde elementen hebt geleverd. „Volledig en op de tekst gebaseerd” is de gouden regel bij open vragen.
Bij citeervragen is letterlijkheid wet. Wordt gevraagd om „de eerste twee woorden” van de zin waarin de schrijver zijn standpunt geeft, dan schrijf je exact die twee Duitse woorden over — niet drie, niet je eigen samenvatting, en zonder spelfouten. Let bij Duits extra op de hoofdletters (zelfstandige naamwoorden krijgen altijd een hoofdletter) en op de tekens ä, ö, ü en ß: schrijf „Straße” en niet „Strasse”. Een citaat dat één woord te lang of te kort is, of waarin je een teken verandert, telt als fout. Tel de gevraagde woorden dus zorgvuldig en schrijf ze precies over zoals ze in de tekst staan.
Bij meerkeuzevragen draait het om het systematisch elimineren van de afleiders. De foute antwoorden (afleiders) zijn vaak zó gemaakt dat ze deels kloppen of een woord uit de tekst herhalen, terwijl ze als geheel niet het juiste antwoord geven. Lees alle opties, streep door wat aantoonbaar fout is, en kies uit wat overblijft het antwoord dat het best bij de tekst past. Laat je niet verleiden door een optie alleen omdat er een bekend Duits woord uit de tekst in staat; toets elke optie aan wat de tekst werkelijk zegt. Komt er na eliminatie maar één optie overeind, dan is dat je antwoord.
De ruwe score (het totaal aantal punten) wordt niet rechtstreeks je cijfer: daar komt de N-term tussen. De N-term is een normeringsgetal dat het CvTE per examen en per jaar vaststelt, op grond van onder andere de moeilijkheid van het examen. Hij zet je score om in een cijfer op de schaal van 1 tot 10. Omdat de N-term per zitting verschilt, kun je je cijfer niet vooraf exact uitrekenen en kun je de N-term niet voorspellen — wees dus voorzichtig met geruchten over „de N-term wordt vast hoog”. Wat je wél in de hand hebt, is je ruwe score: elke vraag die je volledig en nauwkeurig beantwoordt, telt mee.
Uitgewerkt voorbeeld

Een citeervraag nauwkeurig beantwoorden

De vraag luidt: „Citeer de eerste twee woorden van de zin waarin de schrijver zijn eigen mening geeft.” De bewuste zin in de tekst is: „Meiner Meinung nach schadet diese Maßnahme mehr, als sie nützt.” Wat schrijf je op, en wat zijn de valkuilen?

  1. 01Stap 1 — Vind de juiste zin

    Je zoekt de zin waarin de schrijver zíjn mening geeft. „Meiner Meinung nach …” markeert duidelijk een eigen standpunt; dit is de bedoelde zin.

  2. 02Stap 2 — Tel de gevraagde woorden

    Er worden twee woorden gevraagd. De eerste twee woorden van de zin zijn „Meiner Meinung”.

  3. 03Stap 3 — Schrijf letterlijk over

    Je schrijft exact „Meiner Meinung” over — niet „Meiner Meinung nach” (drie woorden) en niet „Meine Meinung”. Neem de hoofdletter van „Meinung” (zelfstandig naamwoord) precies over.

Resultaat: Het juiste citaat is „Meiner Meinung”. De valkuilen zijn: te veel woorden citeren („Meiner Meinung nach”), de verkeerde woorden kiezen, of een letter veranderen. Letterlijkheid en het juiste aantal woorden bepalen het punt.

Eindexamen-focus

  • Het correctievoorschrift bepaalt per vraag wat een goed antwoord is; bij open vragen moet je álle gevraagde elementen noemen en je antwoord op de tekst baseren.
  • Citeervragen vereisen een letterlijk Duits citaat van exact het gevraagde aantal woorden (met de juiste hoofdletters en ä/ö/ü/ß); meerkeuzevragen los je op door de afleiders te elimineren.

Veelgemaakte fouten

  • Bij een open vraag die om twee redenen vraagt maar één reden geven; je mist dan punten ook al klopt wat je schrijft.
  • Bij een citeervraag te veel of te weinig woorden overschrijven of een letterteken veranderen (Strasse in plaats van Straße); dan is het citaat fout, hoe goed je de tekst ook begrepen hebt.

Actieve herhaling

Kijk een gemaakte examentekst na met het officiële correctievoorschrift. Tel per open vraag of je alle gevraagde elementen had, en controleer bij elke citeervraag of je exact het juiste aantal Duitse woorden letterlijk en met de juiste tekens hebt overgeschreven.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Duits (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Het centraal examen: alleen leesvaardigheid○
    • 02Tekstbegrip op verschillende niveaus◐
    • 03Examenstrategie en tijdsindeling◐
    • 04Beoordeling: nakijken en de N-term◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Leesvaardigheid (centraal examen, domein A; ERK B1/B2)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~20
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Duits (HAVO)

Volgend onderwerp

Leesstrategieën en tekstbegrip

EuraStudy·Samenvattingen T·01·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.