EuraStudy
Samenvattingen/Duits/Gespreksvaardigheid: gesprekken voeren en spreken (domein C)
Samenvattingen · DuitsNL · HAVO

Gespreksvaardigheid: gesprekken voeren en spreken (domein C)

Gespreksvaardigheid (domein C) omvat twee dingen: gesprekken voeren (samen met een ander spreken en reageren) en spreken (alleen, bijvoorbeeld een presentatie of monoloog). Deze vaardigheid wordt in het schoolexamen getoetst, niet op het centraal examen. In dit onderwerp leer je nuttige redemittel, hoe je een presentatie opbouwt, hoe je je redt als een woord ontbreekt, en wanneer je „Sie” of „du” gebruikt.

3 Onderdelen·~12 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2

T·0777 / 11
Examenprofiel
Een gesprek in het Duits voeren op ERK B1-niveau: vragen stellen, antwoorden, reageren en je mening geven.Een korte presentatie of monoloog in het Duits houden met een heldere opbouw en passende redemittel.Compensatiestrategieën inzetten en het juiste register (Sie/du, formeel/informeel) kiezen.
Operatoren:spreekreageervraagleg uitpresenteer

basisniveau

Voor het schoolexamen: voer een eenvoudig gesprek en houd een korte presentatie in begrijpelijk Duits, met passende vaste uitdrukkingen.

verhoogd niveau

Wie verder studeert of in een Duitstalige omgeving werkt, voert gesprekken en geeft presentaties op een hoger niveau; dezelfde bouwstenen blijven gelden.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 3 onderdelen▾
  1. Gespreksvaardigheid: gesprekken voeren en spreken (domein C)
    • 01Gesprekken voeren○
    • 02Spreken en presenteren◐
    • 03Compensatiestrategieën en register (Sie of du)◐
§ 01

Gesprekken voeren#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kernpunten

Een gesprek voeren (ein Gespräch führen) is een wisselwerking: je luistert, reageert, stelt vragen en geeft antwoord. Anders dan bij een presentatie ben je niet alleen aan het woord, en juist die wisselwerking wordt getoetst. Het schoolexamen kan een rollenspel bevatten (bijvoorbeeld iets bestellen, de weg vragen, een afspraak maken) of een gesprek over een onderwerp. De kern is dat je het gesprek gaande houdt: je reageert op wat de ander zegt en brengt het verder, in plaats van enkel korte antwoorden te geven.
Het geheim van vlot spreken is een voorraad vaste uitdrukkingen, redemittel genoemd: kant-en-klare formuleringen die je in elk gesprek kunt inzetten zodat je niet bij elke zin opnieuw hoeft na te denken. Voor het beginnen van een gesprek: „Entschuldigung, darf ich Sie etwas fragen?” Voor je mening: „Ich finde, dass …” of „Meiner Meinung nach …”. Voor instemmen: „Da stimme ich zu” of „Genau”. Voor twijfel of oneens zijn: „Das sehe ich anders.” De tabel hieronder (Afb. 1) verzamelt een aantal nuttige redemittel per gespreksfunctie.

Redemittel per gespreksfunctie

Redemittel voor gesprekkenTabel met 3 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Functie · Duitse uitdrukking · Betekenis; Openen · Darf ich Sie etwas fragen? · Mag ik u iets vragen?; Mening · Meiner Meinung nach … · Volgens mij …; Instemmen · Da stimme ich zu. · Daar ben ik het mee eens.; Tegenwerpen · Das sehe ich anders. · Dat zie ik anders.; Doorvragen · Was meinst du dazu? · Wat vind jij daarvan?; Afsluiten · Vielen Dank, auf Wiedersehen. · Dank u wel, tot ziens.FUNCTIEDUITSE UITDRUKKINGBETEKENISOpenenDarf ich Sie etwas fragen?Mag ik u iets vragen?MeningMeiner Meinung nach …Volgens mij …InstemmenDa stimme ich zu.Daar ben ik het mee eens.TegenwerpenDas sehe ich anders.Dat zie ik anders.DoorvragenWas meinst du dazu?Wat vind jij daarvan?AfsluitenVielen Dank, aufWiedersehen.Dank u wel, tot ziens.
Afb. 1Afb. 1 — Kant-en-klare uitdrukkingen voor openen, mening geven, in- en tegenstemmen en afsluiten.
Een gesprek heeft een natuurlijke loop: openen, het onderwerp behandelen, en afsluiten. Bij het openen begroet je en stel je je vraag of doel; in de kern wissel je informatie en meningen uit; bij het afsluiten rond je af en neem je afscheid („Vielen Dank, auf Wiedersehen”). Beheers de openings- en slotformules, want een gesprek dat goed begint en netjes eindigt, oogt meteen verzorgder. Een rollenspel op het schoolexamen volgt vaak precies deze drie fasen.
Reageren is de motor van een gesprek. Wie alleen ja en nee zegt, laat het gesprek stilvallen; wie doorvraagt en uitbreidt, houdt het levend. Reageer daarom met een korte instemming of tegenwerping én een vervolg: niet alleen „Ja”, maar „Ja, das finde ich auch, weil …”. Stel ook zelf vragen terug („Und du, was meinst du?”), zodat de bal heen en weer gaat. Een examinator beoordeelt niet alleen of je correct Duits spreekt, maar ook of je een gesprek kunt onderhouden.
Wees niet bang voor fouten: in een gesprek telt vooral of je begrijpelijk overkomt en het gesprek gaande houdt, niet of elke naamval klopt. Een kleine grammaticafout die de boodschap niet vertroebelt, is minder erg dan stilvallen of in het Nederlands overschakelen. Spreek dus door, gebruik je redemittel, en herstel jezelf rustig als je merkt dat je iets fout zei. Vloeiendheid en communicatie wegen in een gesprek zwaar.
Uitgewerkt voorbeeld

Een gesprek levend houden met een reactie en een vervolgvraag

Je gesprekspartner zegt: „Ich finde Fußball langweilig.” Hoe reageer je zo dat het gesprek doorgaat, in plaats van het te laten stilvallen?

  1. 01Stap 1 — Geef een reactie (eens of oneens)

    Je geeft eerst je eigen positie met een redemittel: „Das sehe ich anders” (dat zie ik anders) of „Da stimme ich zu” (daar ben ik het mee eens).

  2. 02Stap 2 — Onderbouw kort

    Voeg een korte reden toe met „weil”: „Das sehe ich anders, weil Fußball sehr spannend sein kann.” Zo geef je inhoud in plaats van alleen een mening.

  3. 03Stap 3 — Speel de bal terug

    Stel een vervolgvraag zodat de ander weer aan zet is: „Welchen Sport magst du denn?” Het gesprek loopt nu door.

Resultaat: Een goede reactie is: „Das sehe ich anders, weil Fußball sehr spannend sein kann. Welchen Sport magst du denn?” Je geeft je mening, onderbouwt die kort en speelt de bal terug — zo houd je het gesprek levend.

Eindexamen-focus

  • Het schoolexamen toetst of je een gesprek kunt voeren: openen, reageren, doorvragen, je mening geven en afsluiten in begrijpelijk Duits.
  • Je moet passende redemittel inzetten en het gesprek gaande houden in plaats van alleen korte antwoorden te geven.

Veelgemaakte fouten

  • Alleen met „ja” of „nein” antwoorden, waardoor het gesprek stilvalt; reageer met een instemming of tegenwerping én een vervolg.
  • Bij een onbekend woord meteen in het Nederlands overschakelen; blijf in het Duits en omschrijf wat je bedoelt (zie de sectie over compensatiestrategieën).

Actieve herhaling

Oefen een rollenspel waarin je in een Duits café iets bestelt: open het gesprek beleefd, bestel, vraag de prijs, en sluit netjes af. Gebruik minstens drie redemittel uit de tabel.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Duits (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Spreken en presenteren#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Bij spreken (Sprechen) ben je alleen aan het woord: je houdt een korte presentatie (Referat of Vortrag), vertelt over een onderwerp of geeft een monoloog. Anders dan bij een gesprek bepaal je hier zelf de inhoud en de opbouw, en juist die opbouw maakt het verschil tussen een rommelig en een helder verhaal. Een goede presentatie heeft, net als een goede tekst, drie delen: een inleiding (Einleitung), een kern (Hauptteil) en een slot (Schluss). Het schema hieronder (Afb. 2) toont die opbouw.

De opbouw van een presentatie

Opbouw van een presentatieGraaf, Einleitung (aankondigen) → Hauptteil (uitwerken), Hauptteil (uitwerken) → Schluss (samenvatten)Einleitung(aankondigen)Hauptteil(uitwerken)Schluss(samenvatten)
Afb. 2Afb. 2 — Een presentatie heeft drie delen: aankondigen, uitwerken, samenvatten.
In de inleiding vertel je waar je presentatie over gaat en hoe je hem hebt opgebouwd: „Ich möchte heute über … sprechen. Zuerst …, dann …, und zum Schluss …”. Zo weet je publiek meteen wat het kan verwachten. Een heldere aankondiging van de structuur maakt je verhaal makkelijker te volgen — voor de luisteraar én voor jezelf, want het is meteen je eigen routekaart door de presentatie.
In de kern werk je je onderwerp uit, het liefst in een paar duidelijke stappen of punten. Verbind die punten met signaalwoorden zodat je verhaal samenhangt: „erstens … zweitens …” (ten eerste … ten tweede …), „außerdem” (bovendien), „zum Beispiel” (bijvoorbeeld), „aber” (maar). Diezelfde signaalwoorden die je bij het lezen leert herkennen, gebruik je hier zelf om je betoog te structureren. Eén gedachte per stap houdt het overzichtelijk.
In het slot vat je samen en rond je af: „Zusammenfassend kann man sagen, dass …” (samenvattend kun je zeggen dat …), gevolgd door je conclusie of mening. Sluit af met een nette slotzin en bedank eventueel je publiek („Vielen Dank für Ihre Aufmerksamkeit”). Een duidelijk slot zorgt dat je presentatie afgerond aanvoelt in plaats van zomaar op te houden.
Oefen je presentatie hardop, want spreken is iets anders dan opschrijven. Werk met korte steekwoorden op een kaartje in plaats van een volledige tekst voor te lezen: dan klink je natuurlijker en houd je contact met je publiek. Let op een rustig tempo, duidelijke uitspraak en de juiste klemtoon. Beter een eenvoudige zin die je goed uitspreekt dan een ingewikkelde zin waarin je vastloopt — helderheid wint van moeilijkdoenerij.
Uitgewerkt voorbeeld

Een inleiding voor een presentatie opbouwen

Je houdt een presentatie over duurzaam reizen (nachhaltiges Reisen). Formuleer een inleiding die het onderwerp en de opbouw aankondigt.

  1. 01Stap 1 — Kondig het onderwerp aan

    Begin met een vaste openingsformule: „Ich möchte heute über nachhaltiges Reisen sprechen.”

  2. 02Stap 2 — Kondig de structuur aan

    Vertel in welke stappen je verhaal verloopt, met signaalwoorden: „Zuerst erkläre ich, was das bedeutet, dann nenne ich drei Beispiele, und zum Schluss gebe ich meine Meinung.”

  3. 03Stap 3 — Maak de overgang naar de kern

    Sluit de inleiding af met een brug naar het eerste punt: „Beginnen wir mit der Frage, was nachhaltiges Reisen überhaupt ist.”

Resultaat: Een sterke inleiding luidt: „Ich möchte heute über nachhaltiges Reisen sprechen. Zuerst erkläre ich, was das bedeutet, dann nenne ich drei Beispiele, und zum Schluss gebe ich meine Meinung.” Onderwerp én opbouw zijn meteen duidelijk.

Eindexamen-focus

  • Het schoolexamen verwacht een presentatie met een heldere opbouw (inleiding, kern, slot) en passende signaalwoorden om de delen te verbinden.
  • Je moet je verhaal met steekwoorden in plaats van een voorgelezen tekst brengen, in een rustig tempo en met begrijpelijke uitspraak.

Veelgemaakte fouten

  • Een volledige tekst voorlezen in plaats van met steekwoorden te spreken; dat klinkt onnatuurlijk en je verliest contact met je publiek.
  • Geen duidelijke structuur aankondigen, waardoor het publiek (en jijzelf) de draad kwijtraakt.

Actieve herhaling

Bereid een presentatie van twee minuten voor over je hobby in het Duits: schrijf een inleiding die de opbouw aankondigt, twee kernpunten met signaalwoorden en een samenvattend slot. Houd hem hardop met steekwoorden.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Duits (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Compensatiestrategieën en register (Sie of du)#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Niemand kent elk woord, ook niet in een vreemde taal — en juist daarom zijn compensatiestrategieën zo waardevol. Dat zijn manieren om een gat in je woordenschat te overbruggen zonder stil te vallen of in het Nederlands te schieten. De belangrijkste is omschrijven (umschreiben): ken je het woord „Schraubenzieher” (schroevendraaier) niet, dan zeg je „das Werkzeug, mit dem man Schrauben dreht” (het gereedschap waarmee je schroeven draait). Je publiek begrijpt je dan nog steeds — en in een gesprek telt vooral dát je begrepen wordt.
Andere nuttige compensatiestrategieën zijn: een algemener woord gebruiken („das Ding”, „die Sache” als je het precieze woord niet weet), een voorbeeld of tegenstelling geven („nicht teuer, sondern billig”), of om hulp vragen in het Duits zelf („Wie sagt man … auf Deutsch?”, „Können Sie das wiederholen?”). Zo blijf je in de taal en houd je het gesprek gaande. Vulwoorden en denkpauzes als „also …”, „na ja …” of „moment mal” geven je bovendien even tijd om na te denken zonder dat het gesprek stokt.
Een aparte, belangrijke keuze in het Duits is het register: spreek je iemand met „Sie” (u) of met „du” (jij) aan? „Sie” is de beleefde, afstandelijke vorm: tegen onbekenden, oudere mensen, in winkels, bij officiële gelegenheden en op het werk. „Du” is de vertrouwelijke vorm: tegen vrienden, familie, kinderen, klasgenoten en meestal onder jongeren. Wie de verkeerde vorm kiest, kan onbeleefd (te familiair) of juist stijf overkomen. De tabel hieronder (Afb. 3) zet het verschil overzichtelijk neer.

Sie of du? Het register kiezen

Register: Sie of duTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Aspect · Sie (u) · du (jij); Tegen wie · Onbekenden, ouderen · Vrienden, leeftijdgenoten; Toon · Beleefd, formeel · Vertrouwelijk, informeel; Werkwoord · Können Sie …? · Kannst du …?; Bezittelijk · Ihr Auto · dein AutoASPECTSIE (U)DU (JIJ)Tegen wieOnbekenden, ouderenVrienden, leeftijdgenotenToonBeleefd, formeelVertrouwelijk, informeelWerkwoordKönnen Sie …?Kannst du …?BezittelijkIhr Autodein Auto
Afb. 3Afb. 3 — „Sie” is beleefd en afstandelijk, „du” vertrouwelijk; de keuze stuurt het werkwoord en het bezittelijk voornaamwoord.
De keuze tussen „Sie” en „du” werkt door in de hele zin, want het stuurt de werkwoordsvorm en de bezittelijke voornaamwoorden. Bij „Sie” gebruik je de Sie-vorm van het werkwoord en „Ihr” als bezittelijk voornaamwoord: „Können Sie mir helfen? Ist das Ihr Auto?” Bij „du” gebruik je de du-vorm en „dein”: „Kannst du mir helfen? Ist das dein Auto?” Kies je register dus aan het begin van een gesprek bewust, en houd het consequent vol — wisselen tussen „Sie” en „du” binnen één gesprek valt meteen op.
In een examenrollenspel of presentatie maakt het juiste register je Duits meteen passend. Een gesprek in een winkel of met een onbekende volwassene vraagt om „Sie”; een gesprek met een leeftijdgenoot om „du”. Als vuistregel: ken je iemand niet of is hij duidelijk ouder of in een formele rol, kies dan „Sie”; pas wanneer iemand je het „du” aanbiedt of het duidelijk om een leeftijdgenoot gaat, stap je over op „du”. Beter beleefd te veel dan onbeleefd te weinig.
Uitgewerkt voorbeeld

Een onbekend woord omschrijven

Je wilt in een Duitse winkel om een paraplu vragen, maar je weet het woord „Regenschirm” niet. Hoe maak je je toch duidelijk?

  1. 01Stap 1 — Blijf in het Duits en omschrijf

    In plaats van stil te vallen, omschrijf je het voorwerp met woorden die je wél kent: waarvoor gebruik je het, hoe ziet het eruit?

  2. 02Stap 2 — Gebruik een functie-omschrijving

    „Ich suche etwas, das man bei Regen benutzt, damit man nicht nass wird” (ik zoek iets dat je bij regen gebruikt zodat je niet nat wordt).

  3. 03Stap 3 — Vraag eventueel het woord

    Je kunt afsluiten met een hulpvraag in het Duits: „Wie sagt man das auf Deutsch?” — vaak vult de verkoper „einen Regenschirm” voor je aan.

Resultaat: Door te omschrijven — „etwas, das man bei Regen benutzt, damit man nicht nass wird” — en eventueel naar het woord te vragen, maak je je duidelijk zonder het woord „Regenschirm” te kennen. Je blijft in het Duits en houdt het gesprek gaande.

Eindexamen-focus

  • Het schoolexamen verwacht dat je compensatiestrategieën inzet (omschrijven, algemener woord, om hulp vragen) in plaats van in het Nederlands te schieten.
  • Je moet het juiste register kiezen (Sie tegen onbekenden/ouderen/formeel; du tegen vrienden/leeftijdgenoten) en het consequent volhouden.

Veelgemaakte fouten

  • Bij een onbekend woord stilvallen of naar het Nederlands overstappen; omschrijf het woord of gebruik een algemener begrip.
  • „Sie” en „du” door elkaar gebruiken of de verkeerde kiezen; tegen een onbekende volwassene hoort „Sie”, tegen een vriend „du”.

Actieve herhaling

Omschrijf in het Duits de woorden „Regenschirm” (paraplu) en „Kühlschrank” (koelkast) zonder ze te noemen. Kies daarna voor drie situaties (winkelbediende, klasgenoot, oma van een vriend) of je „Sie” of „du” gebruikt en motiveer.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Duits (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 03

    • 01Gesprekken voeren○
    • 02Spreken en presenteren◐
    • 03Compensatiestrategieën en register (Sie of du)◐

0/3 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Gespreksvaardigheid: gesprekken voeren en spreken (domein C)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~12
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Duits (HAVO)

Vorig onderwerp

Kijk- en luistervaardigheid (domein B)

Volgend onderwerp

Schrijfvaardigheid (domein D)

EuraStudy·Samenvattingen T·07·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.